← Geldende tekst · Geschiedenis

Verdrag inzake het voorkomen van staatloosheid met betrekking tot statenopvolging

Geldende tekst a fecha 2006-05-19

Preambule

De lidstaten van de Raad van Europa en de andere staten die dit Verdrag hebben ondertekend,

Overwegend dat het voorkomen van staatloosheid een van de belangrijkste zorgen van de internationale gemeenschap op het gebied van nationaliteit is;

Vaststellend dat statenopvolging een van de belangrijkste oorzaken van gevallen van staatloosheid is;

Erkennend dat het Europees Verdrag inzake nationaliteit (ETS nr. 166) dat op 6 november 1997 te Straatsburg werd opengesteld voor ondertekening uitsluitend algemene beginselen bevat en geen specifieke regels inzake nationaliteit in het geval van statenopvolging;

Indachtig het feit dat andere internationale instrumenten inzake staatloosheid met betrekking tot statenopvolging ofwel niet bindend zijn ofwel bepaalde belangrijke kwesties niet regelen;

Overtuigd dat er op grond van de voornoemde redenen een allesomvattend internationaal instrument inzake statenopvolging en het voorkomen van staatloosheid nodig is dat indachtig de beginselen van het Europees Verdrag inzake nationaliteit wordt uitgelegd en toegepast;

Rekening houdend met richtlijn nr. R (99) 18 van het Comité van Ministers inzake het voorkomen en beperken van staatloosheid alsmede de ervaringen die de afgelopen jaren in de praktijk zijn opgedaan met statenopvolging en staatloosheid;

Gelet op andere bindende internationale instrumenten, namelijk de Verdragen van de Verenigde Naties betreffende de status van staatlozen en tot beperking der staatloosheid en de Verdragen van Wenen inzake statenopvolging met betrekking tot verdragen en inzake statenopvolging met betrekking tot staatseigendom, archieven en schulden;

Voorts gelet op de ontwerpartikelen inzake de nationaliteit van natuurlijke personen met betrekking tot statenopvolging, opgesteld door de VN-Commissie voor Internationaal Recht, vervat in de Bijlage bij Resolutie 55/153 van 2001 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, alsmede de verklaring van de Europese Commissie voor de democratie door middel van het recht (Commissie van Venetië) inzake de gevolgen van statenopvolging voor de nationaliteit van natuurlijke personen;

Voortbouwend op, maar onverminderd de algemene beginselen vastgesteld in de bovengenoemde internationale instrumenten en documenten door specifieke regels toe te voegen die in het bijzonder van toepassing zijn op de situatie van staatloosheid met betrekking tot statenopvolging;

Ter verwezenlijking van de in het Europees Verdrag inzake nationaliteit vastgelegde beginselen dat eenieder recht heeft op een nationaliteit en de rechtsstaat en mensenrechten, met inbegrip van het verbod op willekeurige ontneming van de nationaliteit en het beginsel van non-discriminatie, dienen te worden geëerbiedigd teneinde staatloosheid te voorkomen,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag:

Artikel 2. Recht op een nationaliteit

Iedere natuurlijke persoon die op het tijdstip van de statenopvolging de nationaliteit van de voorgangerstaat heeft en ten gevolge van de statenopvolging staatloos is of zou worden, heeft in overeenstemming met de volgende artikelen recht op de nationaliteit van een van de betrokken staten.

Artikel 3. Voorkomen van staatloosheid

De betrokken staat neemt alle passende maatregelen teneinde te voorkomen dat personen die op het tijdstip van de statenopvolging de nationaliteit van de voorgangerstaat hebben ten gevolge van de statenopvolging staatloos worden.

Artikel 4. Non-discriminatie

Bij de toepassing van dit Verdrag maken de betrokken staten geen onderscheid tussen de betrokken personen op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Artikel 5. Verantwoordelijkheid van de opvolgerstaat
1.

Een opvolgerstaat verleent zijn nationaliteit aan personen die op het tijdstip van de statenopvolging de nationaliteit hadden van de voorgangerstaat en die ten gevolge van de statenopvolging staatloos zijn geworden of zouden worden, indien zij op dat tijdstip:

2.

Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, wordt onder voldoende band onder meer verstaan:

Artikel 6. Verantwoordelijkheid van de voorgangerstaat

Een voorgangerstaat kan onderdanen die niet de nationaliteit van een opvolgerstaat hebben verkregen en ten gevolge van de statenopvolging staatloos zouden worden niet hun nationaliteit ontnemen.

Artikel 7. Eerbiediging van de wil zoals kenbaar gemaakt door de betrokken persoon

Een opvolgerstaat weigert niet zijn nationaliteit te verlenen ingevolge artikel 5, eerste lid, onderdeel b, wanneer deze nationaliteit overeenkomt met de wil zoals kenbaar gemaakt door de betrokken persoon op grond van het feit dat deze persoon de nationaliteit van een andere betrokken staat kan verwerven vanwege voldoende band met die staat.

Artikel 8. Regels betreffende bewijzen
1.

In het geval van personen die ten gevolge van statenopvolging staatloos worden of zouden worden past de opvolgerstaat zijn standaardregels betreffende bewijzen voor het verlenen van zijn nationaliteit niet toe, indien van deze personen redelijkerwijs niet verlangd kan worden dat zij voldoen aan de standaardregels.

2.

Een opvolgerstaat verlangt geen bewijs omtrent het niet-verkrijgen van een andere nationaliteit alvorens personen zijn nationaliteit te verlenen die op het tijdstip van de statenopvolging op zijn grondgebied hun gewone verblijf hadden en ten gevolge van deze statenopvolging staatloos worden of zouden worden.

Artikel 9. Vergemakkelijken van het verkrijgen van een nationaliteit door staatloze personen

Een betrokken staat vergemakkelijkt het verkrijgen van zijn nationaliteit door personen die hun wettige en gewone verblijf hebben op zijn grondgebied en in weerwil van de artikelen 5 en 6 ten gevolge van de statenopvolging staatloos zijn geworden.

Artikel 10. Voorkomen van staatloosheid bij de geboorte

Een betrokken staat verleent zijn nationaliteit bij de geboorte aan een kind dat na de statenopvolging op zijn grondgebied wordt geboren uit een ouder, die op het tijdstip van de statenopvolging de nationaliteit van de voorgangerstaat had, indien dit kind anders staatloos zou worden.

Artikel 11. Informatie aan betrokken personen

De betrokken staten nemen alle noodzakelijke maatregelen teneinde te waarborgen dat de betrokken personen beschikken over voldoende informatie over de regels en procedures omtrent de verkrijging van hun nationaliteit.

Artikel 12. Procedurele waarborgen

Bij de toepassing van dit Verdrag waarborgt de betrokken staat dat in het kader van de procedures met betrekking tot nationaliteit:

Artikel 13. Regeling bij internationaal verdrag

De betrokken staten streven ernaar kwesties op het gebied van nationaliteit, in het bijzonder teneinde staatloosheid te vermijden, waar nodig via internationale verdragen te regelen.

Artikel 14. Internationale samenwerking
1.

Voor het aannemen van passende maatregelen om staatloosheid ten gevolge van statenopvolging te voorkomen, werken de betrokken staten met elkaar samen, onder andere door informatie te verschaffen met betrekking tot het functioneren van hun desbetreffende interne recht.

2.

Met hetzelfde doel als omschreven in het eerste lid, werken de betrokken staten voorts samen:

Artikel 15. Toepassing van dit Verdrag
1.

Dit Verdrag is van toepassing op een statenopvolging die plaatsvindt na de inwerkingtreding ervan.

2.

Een betrokken staat kan evenwel bij kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa ten tijde van zijn instemming door dit Verdrag te worden gebonden of op enig tijdstip daarna, verklaren de bepalingen van dit Verdrag eveneens toe te passen op een statenopvolging die plaatsvindt voor de inwerkingtreding van dit Verdrag.

3.

Indien meerdere betrokken staten een verklaring als bedoeld in het tweede lid afleggen ter zake van dezelfde statenopvolging, is dit Verdrag van toepassing tussen de staten die deze verklaring afleggen.

Artikel 16. Gevolgen van dit Verdrag
1.

De bepalingen van dit Verdrag doen geen afbreuk aan de bepalingen van intern recht en bindende internationale instrumenten die reeds van kracht zijn of van kracht kunnen worden en krachtens welke aan natuurlijke personen gunstiger rechten ter voorkoming van staatloosheid zijn of zouden worden toegekend.

2.

Dit Verdrag doet geen afbreuk aan de toepassing van:

in de betrekkingen tussen de staten die partij zijn en door deze instrumenten zijn gebonden.

Artikel 17. Regeling van geschillen

Elk geschil met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag wordt primair door onderhandeling geregeld.

Artikel 18. Ondertekening en inwerkingtreding
1.

Dit Verdrag staat open voor ondertekening door de lidstaten van de Raad van Europa en de niet-lidstaten die hebben deelgenomen aan de opstelling ervan. Deze staten kunnen hun instemming te worden gebonden tot uitdrukking brengen door:

De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

2.

Dit Verdrag treedt in werking, voor alle staten die hun instemming door het Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking hebben gebracht, op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum waarop drie lidstaten van de Raad van Europa hun instemming door het Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking hebben gebracht overeenkomstig de bepalingen van het vorige lid.

3.

Met betrekking tot iedere staat die later zijn instemming door dit Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking brengt, treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum van ondertekening of van de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

Artikel 19. Toetreding
1.

Na de inwerkingtreding van dit Verdrag, kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa iedere staat die geen lid is van de Raad van Europa en die niet heeft deelgenomen aan de opstelling van dit Verdrag, uitnodigen tot dit Verdrag toe te treden.

2.

Met betrekking tot iedere toetredende staat treedt dit Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum van nederlegging van de akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

Artikel 20. Voorbehouden
1.

Voorbehouden op dit Verdrag zijn niet toegestaan, behalve ter zake van de bepalingen van artikel 7, artikel 8, tweede lid, artikel 12 en artikel 14, tweede lid, onderdeel b.

2.

Voorbehouden gemaakt door een staat op grond van het eerste lid worden geformuleerd op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

3.

Elke staat kan een krachtens het eerste lid gemaakt voorbehoud geheel of gedeeltelijk intrekken door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, die van kracht wordt op de datum van ontvangst ervan.

Artikel 21. Opzegging
1.

Iedere staat die partij is kan dit Verdrag te allen tijde opzeggen door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

2.

Deze opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.

Artikel 22. Kennisgevingen

De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa stelt de lidstaten van de Raad van Europa, elke ondertekenaar, elke partij en elke andere staat die is toegetreden tot dit Verdrag in kennis van:

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Convention.

DONE at Strasbourg, this 19th day of May 2006, in English and in French, both texts being equally authentic, in a single copy which shall be deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary General of the Council of Europe shall transmit certified copies to each member State of the Council of Europe, to each non-member State having participated in the elaboration of this Convention and to any State invited to accede to this Convention.