Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (herzien)
De Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag van 13 februari 1961 betreffende de sociale zekerheid van rijnvarenden (herzien), de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat,
Besloten hebbende dit Verdrag te vervangen door een nieuw Verdrag en tot dit doel hun gevolmachtigden benoemd hebbende, wier volmachten in goede en behoorlijke vorm zijn bevonden,
Hebben de volgende bepalingen aangenomen:
TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Voor de toepassing van dit Verdrag:
- a). wordt onder „Verdragsluitende Partij” verstaan elke Staat, welke overeenkomstig artikel 90, tweede lid of artikel 93, tweede lid, een akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding heeft neergelegd;
- b). worden de termen „grondgebied van een Verdragsluitende Partij” en „onderdaan van een Verdragsluitende Partij” omschreven in Bijlage I; door elke Verdragsluitende Partij wordt, overeenkomstig het eerste lid van artikel 97, kennisgeving gedaan van iedere wijziging welke in Bijlage I dient te worden aangebracht;
- c). worden ten aanzien van elke Lid-Staat onder „wetgeving” verstaan de wetten, regelingen en statutaire bepalingen welke van kracht zijn op de datum van ondertekening van dit Verdrag of welke later van kracht zullen worden voor het gehele grondgebied van iedere Verdragsluitende Partij of voor enig deel daarvan en welke betrekking hebben op de in artikel 3, eerste en tweede lid, bedoelde takken en regelingen van sociale zekerheid;
- d). wordt onder „Verdrag inzake sociale zekerheid” verstaan elke bilaterale of multilaterale overeenkomst welke op het gebied van de sociale zekerheid voor alle in artikel 3, eerste en tweede lid bedoelde takken en regelingen, of een deel daarvan, uitsluitend verbindend is of zal zijn voor twee of meer Verdragsluitende Partijen, alsmede elke zodanige multilaterale overeenkomst welke verbindend is of zal zijn voor ten minste twee Verdragsluitende Partijen en één of meer andere Staten, alsmede akkoorden van elke aard, welke in het kader van bovenbedoelde overeenkomsten zijn of worden gesloten;
- e). wordt onder „bevoegde autoriteit” verstaan de Minister of Ministers, dan wel de daarmede overeenkomstige autoriteit, onder wie op het gehele grondgebied van elke Verdragsluitende Partij of op een deel daarvan, de regelingen inzake sociale zekerheid, die op rijnvarenden van toepassing zijn, ressorteren;
- f). wordt onder „orgaan” verstaan het lichaam of de autoriteit, welke belast is met de uitvoering van de gehele wetgeving van elke Verdragsluitende Partij of een deel daarvan;
- g). wordt onder „bevoegd orgaan” verstaan:
- i). indien het een regeling van sociale verzekering betreft, hetzij het orgaan waarbij de belanghebbende op het tijdstip, waarop hij om prestaties verzoekt, is aangesloten, hetzij het orgaan dat hem prestaties verschuldigd is of zou zijn, indien hij woonde op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij, waarop dit orgaan gevestigd is, hetzij het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij aangewezen orgaan;
- ii). indien het een andere regeling dan een regeling van sociale verzekering betreft of een regeling betreffende kinderbijslagen, het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij aangewezen orgaan;
- iii). indien het een regeling betreft inzake de verplichtingen van de werkgever ten aanzien van de in artikel 3, eerste lid bedoelde prestaties, de werkgever of de in zijn rechten gesubrogeerde verzekeraar, dan wel bij ontstentenis van dezen, het lichaam of de autoriteit welke door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij is aangewezen;
- h). wordt onder „bevoegde Staat” verstaan de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan het bevoegde orgaan is gevestigd;
- i). wordt onder „woonplaats” verstaan de normale verblijfplaats;
- j). wordt onder „verblijfplaats” verstaan de tijdelijke verblijfplaats;
- k). wordt onder „orgaan van de woonplaats” verstaan het orgaan dat ter plaatse waar de betrokkene woont, bevoegd is de betreffende prestaties te verlenen, volgens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij welke door dat orgaan wordt toegepast of, indien een zodanig orgaan niet bestaat, het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij aangewezen orgaan;
- l). wordt onder „orgaan van de verblijfplaats” verstaan het orgaan dat ter plaatse waar de betrokkene verblijft, bevoegd is de betreffende prestaties te verlenen volgens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij, welke door dit orgaan wordt toegepast of, indien een zodanig orgaan niet bestaat, het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij aangewezen orgaan;
- m). wordt onder „rijnvarende” verstaan een werknemer of een zelfstandige, alsmede elke persoon die krachtens de van toepassing zijnde wetgeving met hen wordt gelijkgesteld, die behorend tot het varend personeel zijn beroepsarbeid verricht aan boord van een schip, dat met winstoogmerk in de rijnvaart wordt gebruikt en is voorzien van het certificaat, bedoeld in artikel 22 van de herziene Rijnvaart-akte, ondertekend te Mannheim, op 17 oktober 1868, met inachtneming van de wijzigingen, welke daarin zijn aangebracht of nog zullen worden aangebracht, alsmede van de daarop betrekking hebbende uitvoeringsvoorschriften;
- n). wordt onder „hulpkracht” verstaan een rijnvarende die in overstemming met de rijnvaartvoorschriften tijdelijk in dienst is genomen om de bemanning aan te vullen of te versterken, of om de manoeuvres de havens uit te voeren;
- o). worden onder „gezinsleden” verstaan de personen die als zodanig worden aangemerkt of erkend of als huisgenoten worden aangeduid in de wetgeving welke door het met het verlenen van prestaties belaste orgaan wordt toegepast of in de gevallen bedoeld in artikel 16, eerste lid, sub a) en c) en artikel 21, zesde lid, in de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan deze personen wonen; indien deze wetgevingen echter uitsluitend personen die bij de betrokkene inwonen als gezinsleden of huisgenoten beschouwen, wordt geacht aan deze voorwaarde te zijn voldaan, wanneer de betreffende personen in hoofdzaak op kosten van de betrokkene worden onderhouden; indien het krachtens deze wetgevingen niet mogelijk is de gezinsleden vast te stellen, verwijst het orgaan van de verblijfplaats of het orgaan van de woonplaats naar de wetgeving, welke door het bevoegde orgaan wordt toegepast;
- p). worden onder „nagelaten betrekkingen” verstaan de personen die als zodanig worden aangemerkt of erkend in de wetgeving krachtens welke de prestaties worden toegekend; indien deze wetgeving echter uitsluitend personen die bij de overledene inwoonden als nagelaten betrekkingen beschouwt, wordt geacht aan deze voorwaarde te zijn voldaan, wanneer de betreffende personen in hoofdzaak op kosten van de overledene werden onderhouden;
- q). worden onder „tijdvakken van verzekering” verstaan tijdvakken van premie- of bijdragebetaling, van dienstbetrekking, van beroepsarbeid of van wonen, welke als tijdvakken van verzekering worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld, eventueel met inbegrip van tijdvakken, welke niet in het beroep van rijnvarende zijn vervuld, alsmede alle met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken, voor zover zij als gelijkwaardig aan tijdvakken van verzekering door deze wetgeving zijn erkend;
- r). worden onder „tijdvakken van dienstbetrekking” en „tijdvakken van beroepsarbeid” verstaan tijdvakken, welke als zodanig worden even of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld, alsmede alle met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken, zover zij als gelijkwaardig aan tijdvakken van dienstbetrekking of van beroepsarbeid door deze wetgeving zijn erkend;
- s). worden onder „tijdvakken van wonen” verstaan tijdvakken, welke als zodanig worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld;
- t). onder „prestaties” verstaan alle verstrekkingen en uitkeringen, pensioenen of renten, die voor de desbetreffende verzekerde gebeurtenis voorzien zijn, met inbegrip van:
- i). indien het verstrekkingen betreft, de prestaties met het oog op preventie, revalidatie en beroepsherscholing;
- ii). indien het uitkeringen betreft, pensioenen of renten, alle bedragen ten laste van de openbare middelen en alle verhogingen, uitkeringen in verband met aanpassing aan het loon- of prijsniveau of bijkomende uitkeringen, tenzij dit Verdrag anders bepaalt, alsmede prestaties, bedoeld om de verdiencapaciteit te handhaven of te verbeteren, als afkoopsom uitgekeerde bedragen welke in de plaats kunnen treden van pensioenen of renten, en eventuele terugstorting van premies of bijdragen;
- u).
- i). worden onder „gezinsbijslagen” verstaan alle verstrekkingen en uitkeringen, met inbegrip van kinderbijslagen, ter bestrijding van de gezinslasten, met uitzondering van de verhogingen of aanvullingen van pensioenen of renten ten behoeve van gezinsleden van de rechthebbende op deze pensioenen of renten;
- ii). worden onder „kinderbijslagen” verstaan de periodieke uitkeringen, welke op grond van het aantal en de leeftijd van de kinderen worden toegekend;
- v). wordt onder „uitkering bij overlijden” verstaan elk bedrag ineens dat in geval van overlijden wordt uitgekeerd, met uitzondering van de in sub t)ii) van dit artikel bedoelde bedragen welke als afkoopsom worden uitgekeerd;
- w). is de term „van contributieve aard” van toepassing op uitkeringen waarvan de toekenning afhankelijk is of van een rechtstreekse geldelijke bijdrage van de beschermde personen of hun werkgever of van het verrichten van beroepsarbeid gedurende een zeker tijdvak alsmede op wetgevingen of regelingen welke dergelijke uitkeringen verlenen; uitkeringen, waarvan de toekenning niet afhankelijk is van een rechtstreekse geldelijke bijdrage van de beschermde personen of hun werkgever, noch van het verrichten van beroepsarbeid gedurende een zeker tijdvak, worden „van niet-contributieve aard” genoemd, evenals de wetgevingen of regelingen welke uitsluitend dergelijke uitkeringen verlenen;
- x). worden onder „prestaties, verleend krachtens overgangsregelingen”, verstaan hetzij prestaties welke worden verleend aan personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van de van toepassing zijnde wetgeving, een bepaalde leeftijd hebben overschreden, hetzij prestaties welke bij wijze van overgangsmaatregel worden verleend met het oog op gebeurtenissen, welke zich hebben voorgedaan of tijdvakken, welke zijn vervuld buiten de huidige grenzen van het grondgebied van een Verdragsluitende Partij;
- y). wordt onder „Administratief Centrum” verstaan het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de rijnvarenden bedoeld in artikel 71.
Artikel 2
Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 9, tweede lid en artikel 54, is dit Verdrag op het grondgebied van de Verdragsluitende Partijen van toepassing op alle personen, die als rijnvarenden onderworpen zijn of geweest zijn aan de wetgeving van een of meer Verdragsluitende Partijen, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen.
Dit Verdrag is niet van toepassing op personen, die hun beroepsarbeid uitoefenen aan boord van:
- a). een zeeschip, dat als zodanig wordt aangemerkt door de wetgeving van het land onder welke vlag het vaart;
- b). een schip, dat uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt in een rivier- of zeehaven.
Artikel 3
Dit Verdrag is van toepassing op alle wetgevingen betreffende de volgende takken van sociale zekerheid:
- a). prestaties bij ziekte en moederschap;
- b). prestaties bij invaliditeit;
- c). uitkeringen bij ouderdom;
- d). uitkeringen aan nagelaten betrekkingen;
- e). prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten;
- f). uitkeringen bij overlijden;
- g). werkloosheidsuitkeringen;
- h). gezinsbijslagen.
Dit Verdrag is van toepassing op de algemene en bijzondere regelingen van sociale zekerheid, van contributieve of niet-contributieve aard, alsmede op de regelingen inzake de verplichtingen van de werkgever betreffende in het vorige lid bedoelde prestaties. In tussen Verdragsluitende Partijen te sluiten bilaterale of multilaterale akkoorden zullen, voor zover mogelijk, de voorwaarden worden vastgesteld, waaronder dit Verdrag van toepassing zal zijn op regelingen, welke bij collectieve overeenkomsten ingesteld zijn en door een beslissing van de overheid verplicht gesteld zijn.
Dit Verdrag is noch op de sociale en medische bijstand, noch op de regelingen betreffende prestaties aan slachtoffers van oorlogshandelingen of de gevolgen daarvan, van toepassing.
Artikel 4
In Bijlage II worden voor elke Verdragsluitende Partij de wetgevingen en regelingen, bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, vermeld.
Door iedere Verdragsluitende Partij wordt, overeenkomstig artikel 97, eerste lid, kennisgeving gedaan van elke wijziging welke ten gevolge van de invoering van een nieuwe wetgeving in Bijlage II dient te worden aangebracht. Deze kennisgeving moet binnen drie maanden na bekendmaking van bedoelde wetgeving worden gedaan of, indien deze wetgeving bekend is gemaakt vóór de datum van bekrachtiging of aanvaarding van dit Verdrag, op de dag van bekrachtiging of aanvaarding.
Artikel 5
Dit Verdrag laat onverlet de verplichtingen welke voortvloeien uit enig verdrag dat door de Internationale Arbeidsconferentie is aanvaard.
Dit Verdrag treedt, voor wat betreft de personen op wie het van toepassing is, in de plaats van elk verdrag inzake sociale zekerheid dat verbindend is:
- a). hetzij uitsluitend voor twee of meer Verdragsluitende Partijen;
- b). hetzij voor ten minste twee Verdragsluitende Partijen en één of meer andere Staten, voor zover het gevallen betreft welke zonder tussenkomst van enig orgaan van één dezer Staten geregeld kunnen worden.
Ongeacht het bepaalde in het vorige lid, kunnen twee of meer Verdragsluitende Partijen in onderling overleg de bepalingen van verdragen inzake sociale zekerheid welke verbindend voor hen zijn, van kracht doen blijven, wat betreft de personen op wie dit Verdrag van toepassing is, door ze te vermelden in Bijlage III, voor zover het bepalingen betreft, welke ten minste even gunstig zijn voor de betrokkene als die van dit Verdrag. Dit Verdrag is echter wel van toepassing in alle gevallen welke geregeld dienen te worden door het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij dan die, waarvoor de bepalingen, als bedoeld in de vorige zin, verbindend zijn.
Twee of meer Verdragsluitende Partijen waarvoor in Bijlage III vermelde bepalingen verbindend zijn, kunnen in onderlinge overeenstemming in deze Bijlage wijzigingen aanbrengen door hiervan overeenkomstig artikel 97, eerste lid, kennisgeving te doen.
Artikel 6
Twee of meer Verdragsluitende Partijen kunnen onderling aanvullende overeenkomsten sluiten welke op de beginselen van dit Verdrag berusten.
Door iedere Verdragsluitende Partij wordt overeenkomstig artikel 97, eerste lid, kennisgeving gedaan van elke overeenkomst welke op grond van het vorige lid wordt gesloten, evenals van elke latere wijziging of opzegging van een dergelijke overeenkomst. Deze kennisgeving moet worden gedaan binnen drie maanden na het in werking treden van bedoelde overeenkomst of van wijziging daarvan, of na het van kracht worden van de opzegging.
Artikel 7
Tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald, hebben personen, die zich aan boord van een schip, als bedoeld in artikel 1, sub m), bevinden of die op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij wonen en op wie het Verdrag van toepassing is, de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van iedere Verdragsluitende Partij onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van laatstbedoelde Partij.
Het genot van bijzondere uitkeringen van niet-contributieve aard, welke zijn toegekend aan personen, die niet voor de gebruikelijke uitkeringen in aanmerking kunnen komen, kan echter afhankelijk gesteld worden van de voorwaarde, dat de betrokkene of, indien het uitkeringen aan nagelaten betrekkingen betreft, de overledene op het grondgebied van de betrokken Verdragsluitende Partij heeft gewoond gedurende een tijdvak dat al naar gelang de omstandigheden, kan worden vastgesteld op ten hoogste:
- a). vijf opeenvolgende jaren, onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag om uitkering, indien het uitkeringen bij invaliditeit betreft, of onmiddellijk voorafgaande aan het overlijden indien het uitkeringen aan nagelaten betrekkingen betreft;
- b). tien jaren, gelegen tussen de zestienjarige leeftijd en het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, waarbij als eis mag worden gesteld dat daarvan vijf opeenvolgende jaren onmiddellijk aan de aanvraag om uitkering voorafgaan, indien het uitkeringen bij ouderdom betreft.
In Bijlage IV worden de in de wetgeving van iedere Verdragsluitende Partij voorziene uitkeringen, waarop het vorige lid van toepassing is, vermeld.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.