Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, betreffende de bescherming van de slachtoffers van internationale gewapende conflicten (Protocol I)
PREAMBULE
De Hoge Verdragsluitende Partijen,
Hun ernstig verlangen uitsprekende, vrede tussen de volkeren te zien heersen,
In herinnering brengende, dat iedere Staat, overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties, de plicht heeft zich in zijn internationale betrekkingen te onthouden van bedreiging met of gebruik van geweld, gericht tegen de soevereiniteit, de territoriale integriteit of de politieke onafhankelijkheid van een Staat, dan wel plaatsvindend op enige andere wijze die onverenigbaar is met de doelstellingen van de Verenigde Naties,
Van oordeel, dat het niettemin noodzakelijk is, de bepalingen ter bescherming van de slachtoffers van gewapende conflicten opnieuw te bevestigen en uit te breiden, en maatregelen toe te voegen met het oog op een strengere toepassing daarvan,
Hun overtuiging uitsprekende, dat geen enkele bepaling van dit Protocol of van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 kan worden uitgelegd als rechtvaardiging van of machtiging tot enige daad van agressie of van enig ander gebruik van geweld, onverenigbaar met het Handvest van de Verenigde Naties,
Voorts opnieuw bevestigende, dat de bepalingen van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en van dit Protocol ten volle dienen te worden toegepast in alle omstandigheden op alle personen die door deze akten worden beschermd, zonder enig nadelig onderscheid gebaseerd op de aard of de oorsprong van het gewapende conflict of op de motieven van of toegeschreven aan de partijen bij het conflict,
Zijn het volgende overeengekomen:
DEEL I. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1. Algemene beginselen en toepassingsgebied
De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich, dit Protocol onder alle omstandigheden te eerbiedigen en te doen eerbiedigen.
In gevallen waarin niet wordt voorzien door dit Protocol of door andere internationale overeenkomsten blijven de burgers en combattanten beschermd door en onderworpen aan de beginselen van het volkenrecht die voortvloeien uit de gevestigde gebruiken, de beginselen van menselijkheid en de eisen van het openbare rechtsbewustzijn.
Dit Protocol, dat een aanvulling vormt op de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 voor de bescherming van oorlogsslachtoffers, is van toepassing in de situaties, bedoeld in de artikelen 2 van die Verdragen.
De situaties, bedoeld in het voorgaande lid, omvatten mede gewapende conflicten waarin volkeren vechten tegen koloniale overheersing en vreemde bezetting en tegen racistische regimes, in de uitoefening van hun recht op zelfbeschikking zoals neergelegd in het Handvest van de Verenigde Naties en in de Verklaring betreffende de beginselen van het volkenrecht inzake vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen de Staten overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties.
Artikel 2. Definities
Voor de toepassing van dit Protocol:
- (a). betekent „Eerste Verdrag”, „Tweede Verdrag”, „Derde Verdrag” en „Vierde Verdrag” onderscheidenlijk: het Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de strijdkrachten te velde, van 12 augustus 1949; het Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden, zieken en schipbreukelingen van de strijdkrachten ter zee, van 12 augustus 1949; het Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen van 12 augustus 1949; het Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd van 12 augustus 1949; betekent „de Verdragen” de vier Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 voor de bescherming van oorlogsslachtoffers;
- (b). betekent „regels van het volkenrecht, toepasselijk in geval van gewapende conflicten”: de in geval van gewapende conflicten toepasselijke regels, neergelegd in internationale overeenkomsten waarbij de partijen bij het conflict partij zijn, alsmede de algemeen erkende beginselen en regels van het volkenrecht die van toepassing zijn in geval van gewapende conflicten;
- (c). betekent „beschermende mogendheid”: een neutrale Staat of een andere Staat die geen partij is bij het conflict, welke door een partij bij het conflict is aangewezen en door de tegenpartij aanvaard en welke erin heeft toegestemd de taken, krachtens de Verdragen en dit Protocol aan een beschermende mogendheid opgedragen, te vervullen;
- (d). betekent „plaatsvervanger”: een organisatie, optredend in de plaats van een beschermende mogendheid overeenkomstig artikel 5.
Artikel 3. Aanvang en einde van de toepassing
Onverminderd de bepalingen die te allen tijde van toepassing zijn:
- (a). zijn de Verdragen en dit Protocol van toepassing vanaf de aanvang van iedere situatie bedoeld in artikel 1 van dit Protocol;
- (b). neemt de toepassing van de Verdragen en van dit Protocol op het grondgebied van de partijen bij het conflict een einde bij de algemene beëindiging van de militaire operaties en, in het geval van bezette gebieden, bij de beëindiging van de bezetting, behalve in beide gevallen voor die personen wier definitieve invrijheidstelling, repatriëring of nieuwe vestiging daarna plaatsvindt. Deze personen blijven de voordelen van de desbetreffende bepalingen van de Verdragen en dit Protocol genieten tot hun definitieve invrijheidstelling, repatriëring of nieuwe vestiging.
Artikel 4. Juridische status van de partijen bij het conflict
De toepassing van de Verdragen en dit Protocol, alsook het sluiten van de overeenkomsten die daarin zijn voorzien, zijn niet van invloed op de juridische status van de partijen bij het conflict. Noch de bezetting van een gebied, noch de toepassing van de Verdragen en dit Protocol zijn van invloed op de juridische status van het desbetreffende gebied.
Artikel 5. Aanwijzing van beschermende mogendheden en van hun plaatsvervangers
Het is de plicht van de partijen bij een conflict, om vanaf de aanvang van dat conflict de nakoming en de uitvoering van de Verdragen en dit Protocol te verzekeren door middel van toepassing van het stelsel van beschermende mogendheden, dat onder andere aanwijzing en aanvaarding van die mogendheden inhoudt overeenkomstig de volgende leden. De beschermende mogendheden zijn belast met het beschermen van de belangen van de partijen bij het conflict.
Bij de aanvang van een situatie als bedoeld in artikel 1 wijst iedere partij bij het conflict onverwijld een beschermende mogendheid aan met het oog op de toepassing van de Verdragen en dit Protocol en geeft, eveneens onverwijld en met hetzelfde doel, toestemming tot de werkzaamheden van een beschermende mogendheid die zij na aanwijzing door de tegenpartij als zodanig heeft aanvaard.
Indien bij de aanvang van een situatie als bedoeld in artikel 1 geen beschermende mogendheid is aangewezen of aanvaard, biedt het Internationale Comité van het Rode Kruis, onverminderd het recht van enige andere onpartijdige humanitaire organisatie hetzelfde te doen, de partijen bij het conflict zijn goede diensten aan met het oog op de onverwijlde aanwijzing van een beschermende mogendheid die de instemming van de partijen bij het conflict heeft. Te dien einde kan het Internationale Comité onder andere elke partij verzoeken, een lijst over te leggen van ten minste vijf Staten welke die partij aanvaardbaar acht om te haren behoeve ten opzichte van een tegenpartij als beschermende mogendheid op te treden, en elke tegenpartij verzoeken, een lijst over te leggen van ten minste vijf Staten die zij bereid is als beschermende mogendheid van de andere partij te aanvaarden; deze lijsten worden binnen twee weken na de ontvangst van het verzoek toegezonden aan het Comité, dat deze vergelijkt en zal trachten de instemming te verkrijgen van iedere Staat die op beide lijsten voorkomt.
Indien er ondanks het bovenstaande geen beschermende mogendheid is, dienen de partijen bij het conflict onverwijld een aanbod te aanvaarden, dat kan worden gedaan door het Internationale Comité van het Rode Kruis of door enige andere organisatie die alle waarborgen van onpartijdigheid en doeltreffendheid biedt, na raadpleging van de bovenbedoelde partijen en met inachtneming van de uitkomst van die raadplegingen, om op te treden als plaatsvervanger. Een zodanige plaatsvervanger kan zijn functie slechts uitoefenen met toestemming van de partijen bij het conflict; de partijen bij het conflict moeten alles in het werk stellen om de werkzaamheden door de plaatsvervanger verricht bij de uitoefening van zijn taak krachtens de Verdragen en dit Protocol, te vergemakkelijken.
Overeenkomstig artikel 4 zijn de aanwijzing en de aanvaarding van beschermende mogendheden met het oog op de toepassing van de Verdragen en dit Protocol niet van invloed op de juridische status van de partijen bij het conflict of van enig gebied, daaronder begrepen bezet gebied.
Het feit dat de partijen bij het conflict diplomatieke betrekkingen met elkaar onderhouden, of dat een partij de bescherming van haar belangen en die van haar onderdanen aan een derde Staat heeft toevertrouwd overeenkomstig de regels van het volkenrecht betreffende de diplomatieke betrekkingen, vormt geen beletsel voor de aanwijzing van beschermende mogendheden met het oog op de toepassing van de Verdragen en dit Protocol.
Iedere navolgende vermelding in dit Protocol van een beschermende mogendheid omvat mede een plaatsvervanger.
Artikel 6. Deskundige personen
De Hoge Verdragsluitende Partijen streven er ook in vredestijd naar met de hulp van nationale Rode Kruis (Rode Halve Maan, Rode Leeuw en Zon)-organisaties, deskundig personeel op te leiden om de toepassing van de Verdragen en dit Protocol en in het bijzonder de werkzaamheden van de beschermende mogendheden te vergemakkelijken.
De werving en de opleiding van zodanig personeel behoren tot de nationale competentie.
Het Internationale Comité van het Rode Kruis houdt de lijsten van de aldus opgeleide personen, die de Hoge Verdragsluitende Partijen met dat doel mochten hebben opgesteld en aan het Comité mochten hebben toegezonden, ter beschikking van de Hoge Verdragsluitende Partijen.
De voorwaarden, waaraan de tewerkstelling van zodanig personeel buiten nationaal grondgebied is onderworpen, vormen per geval onderwerp van bijzondere overeenkomsten tussen de betrokken partijen.
Artikel 7. Bijeenkomsten
De depositaris van dit Protocol roept een bijeenkomst van de Hoge Verdragsluitende Partijen bijeen op verzoek van één of meer van die partijen en met de instemming van de meerderheid van die partijen, ten einde algemene problemen betreffende de toepassing van de Verdragen en dit Protocol te bestuderen.
DEEL II. GEWONDEN, ZIEKEN EN SCHIPBREUKELINGEN
SECTIE I. ALGEMENE BESCHERMING
Artikel 8. Terminologie
Voor de toepassing van dit Protocol:
- (a). betekent „gewonden” en „zieken”: personen, hetzij militairen of burgers, die ten gevolge van letsel, ziekte of een andere lichamelijke of geestelijke stoornis of onvermogen medische bijstand of verzorging behoeven en die zich onthouden van iedere vijandelijke handeling. Deze termen omvatten eveneens kraamvrouwen, pasgeboren kinderen en andere personen die onmiddellijke medische bijstand of verzorging behoeven, zoals gebrekkigen en aanstaande moeders, en die zich onthouden van iedere vijandelijke handeling.
- (b). betekent „schipbreukelingen”: personen, hetzij militairen of burgers, die op zee of in andere wateren in gevaar verkeren ten gevolge van tegenspoed, hun of het schip of het luchtvaartuig dat hen vervoert overkomen, en die zich onthouden van iedere vijandelijke handeling. Deze personen blijven, mits zij zich van iedere vijandelijke handeling blijven onthouden, beschouwd als schipbreukelingen tijdens hun redding totdat zij een andere status krachtens de Verdragen of dit Protocol verwerven.
- (c). bekent „medisch personeel”: de personen, door een partij bij het conflict aangewezen uitsluitend voor de doeleinden, vermeld onder punt e, of voor het beheer van medische formaties of voor het laten functioneren van of het beheer van medische vervoermiddelen. Die aanwijzingen kunnen permanent of tijdelijk zijn. De term omvat mede:
- (i). medisch personeel van een partij bij het conflict, hetzij militair of burgerlijk, daarbij inbegrepen het personeel, omschreven in het Eerste en het Tweede Verdrag, en datgene dat behoort tot een instelling voor de civiele bescherming;
- (ii). medisch personeel van nationale Rode Kruis (Rode Halve Maan, Rode Leeuw en Zon)-organisaties en andere nationale organisaties tot vrijwillige hulpverlening, die door een partij bij het conflict zijn erkend en toegelaten;
- (iii). medisch personeel van medische formaties of medische vervoermiddelen, als omschreven in artikel 9, tweede lid;
- (d). betekent „geestelijke verzorgers”: personen, militairen of burgers, zoals veldpredikers die zich uitsluitend bezighouden met de uitoefening van hun ambt en zijn verbonden: De plaatsing van geestelijke verzorgers kan permanent of tijdelijk zijn, en de desbetreffende bepalingen, vermeld onder punt (k) zijn op hen van toepassing.
- (i). aan de strijdkrachten van een partij bij het conflict;
- (ii). aan medische formaties of medische vervoermiddelen van een partij bij het conflict;
- (iii). aan medische formaties of medische vervoermiddelen, als omschreven in artikel 9, tweede lid;
- (iv). aan instellingen voor de civiele bescherming van een partij bij het conflict.
- (e). betekent „medische formaties”: inrichtingen en andere formaties, hetzij militair of burgerlijk, ingericht voor medische doeleinden, te weten het opzoeken, verzamelen, vervoeren of behandelen - eerste hulp inbegrepen - van zieken, gewonden en schipbreukelingen en het stellen van diagnoses, alsmede voor het voorkomen van ziekten. De term omvat bijvoorbeeld ziekenhuizen en andere dergelijke formaties, bloedtransfusiecentra, centra en instellingen voor preventieve geneeskunde, medische bevoorradingscentra en de opslagplaatsen van medisch materiaal en farmaceutische produkten van die formaties. Medische formaties kunnen vast of mobiel, permanent of tijdelijk zijn;
- (f). betekent „medisch vervoer”: het vervoer te land, te water of door de lucht van de gewonden, zieken, schipbreukelingen, het medische personeel, de geestelijke verzorgers, de medische uitrusting of medische voorraden, beschermd door de Verdragen en dit Protocol;
- (g). betekent „medische vervoermiddelen”: alle vervoermiddelen, hetzij militair of burgerlijk, permanent of tijdelijk, uitsluitend bestemd voor medisch vervoer en onder de zeggenschap van een bevoegde autoriteit van een partij bij het conflict;
- (h). betekent „medisch voertuig”: ieder medisch vervoermiddel voor vervoer te land;
- (i). betekent „medische schepen en vaartuigen”: ieder medisch vervoermiddel voor vervoer te water;
- (j). betekent „medisch luchtvaartuig”: ieder medisch vervoermiddel voor vervoer door de lucht;
- (k). betekent „permanent medisch personeel”, „permanente medische formaties” en „permanente medische vervoermiddelen”: het personeel en de formaties en transporten die uitsluitend zijn bestemd voor medische doeleinden voor onbepaalde tijd. Betekent „tijdelijk medisch personeel”, „tijdelijke medische formaties” en „tijdelijke medische vervoermiddelen”: liet personeel en de formaties en vervoermiddelen die uitsluitend worden gebruikt voor medische doeleinden voor een beperkte periode, gedurende die gehele periode. Tenzij anders is aangegeven, omvatten de termen „medisch personeel”, „medische formaties” en „medische vervoermiddelen” zowel de permanente als de tijdelijke categorieën;
- (l). betekent „kenteken”: het kenteken, bestaande uit het rode kruis, de rode halve maan of de rode leeuw en zon op een wit veld, wanneer dit wordt gebruikt voor de bescherming van medische formaties en vervoeren of van medisch personeel en geestelijke verzorgers, van medische uitrusting of voorraden;
- (m). betekent „herkenningssein”: ieder sein of iedere mededeling, in Hoofdstuk III van de Bijlage bij dit Protocol omschreven en uitsluitend bestemd voor de identificatie van medische formaties of vervoermiddelen.
Artikel 9. Toepassingsgebied
Dit Deel, waarvan de bepalingen zijn bedoeld om de toestand van de gewonden, zieken en schipbreukelingen te verbeteren, is van toepassing op allen die zich in een situatie bevinden als bedoeld in artikel 1, zonder enig nadelig onderscheid gebaseerd op ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst of geloof, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, rijkdom, geboorte of andere status, of op enig ander soortgelijk criterium.
De desbetreffende bepalingen van de artikelen 27 en 32 van het Eerste Verdrag zijn van toepassing op permanente medische formaties en vervoermiddelen (met uitzondering van hospitaalschepen, waarop artikel 25 van het Tweede Verdrag van toepassing is) en het personeel daarvan, die voor humanitaire doeleinden ter beschikking van een partij bij het conflict zijn gesteld:
- (a). door een neutrale Staat of een andere Staat die geen partij is bij dat conflict;
- (b). door een erkende en toegelaten vereniging tot hulpverlening van een dergelijke Staat;
- (c). door een onpartijdige internationale humanitaire organisatie.
Artikel 10. Bescherming en verzorging
Alle gewonden, zieken en schipbreukelingen, tot welke partij zij ook behoren, dienen te worden ontzien en beschermd.
Zij moeten onder alle omstandigheden menselijk worden behandeld en in de grootst mogelijke omvang en binnen de kortst mogelijke tijd de medische verzorging en aandacht ontvangen, die hun toestand vereist. Er mag op geen andere dan op medische gronden onderscheid tussen hen worden gemaakt.
Artikel 11. Bescherming van personen
De lichamelijke en geestelijke gezondheid en integriteit van personen die zich in de macht van de tegenpartij bevinden of die zijn geïnterneerd, die gevangen worden gehouden of op andere wijze van hun vrijheid zijn beroofd ten gevolge van een situatie als bedoeld in artikel 1, mogen niet door enig ongerechtvaardigd handelen of nalaten in gevaar worden gebracht. Dientengevolge is het verboden de personen, bedoeld in dit artikel, te onderwerpen aan medische handelingen die niet noodzakelijk zijn als gevolg van de gezondheidstoestand van de betrokken persoon en die niet in overeenstemming zijn met de algemeen aanvaarde medische normen welke onder gelijke medische omstandigheden zouden worden toegepast ten aanzien van personen die onderdaan zijn van de voor de handelingen verantwoordelijke partij en die op geen enkele wijze van hun vrijheid zijn beroofd.
Het is in het bijzonder verboden bij dergelijke personen, zelfs met hun toestemming, uit te voeren:
- (a). lichamelijke verminkingen;
- (b). medische of wetenschappelijke experimenten;
- (c). verwijdering van weefsel of organen voor transplantatie, behalve wanneer die handelingen gerechtvaardigd zijn overeenkomstig de voorwaarden, neergelegd in het eerste lid.
Uitzonderingen op het verbod, neergelegd in het tweede lid, letter c, kunnen alleen worden gemaakt in het geval dat bloed wordt afgestaan voor transfusie, of huid voor transplantatie, mits dit vrijwillig en zonder enige dwang of aandrang geschiedt, en dan nog slechts voor therapeutische doeleinden, onder omstandigheden die beantwoorden aan de algemeen aanvaarde medische normen en maatregelen van toezicht, die zowel het belang van de donor als van de ontvanger beogen.
Ieder opzettelijk handelen of nalaten, dat de lichamelijke of geestelijke gezondheid of integriteit in gevaar brengt van enige persoon, die zich in de macht bevindt van een andere partij dan de partij waartoe hij behoort, en dat hetzij een overtreding vormt van een van de verboden, neergelegd in het eerste en tweede lid, hetzij niet in overeenstemming is met de vereisten, vervat in het derde lid, levert een ernstige inbreuk op dit Protocol op.
De personen, bedoeld in het eerste lid, hebben het recht om iedere operatieve ingreep te weigeren. In het geval van een weigering dient het medische personeel te trachten een desbetreffende schriftelijke verklaring, ondertekend of bevestigd door de patiënt, te verkrijgen.
Iedere partij bij het conflict moet een medisch register bijhouden van alle gevallen van het afstaan van bloed voor transfusie of huid voor transplantatie door personen, bedoeld in het eerste lid, indien die afstand geschiedt onder verantwoordelijkheid van die partij. Bovendien dient iedere partij bij het conflict te trachten een register bij te houden van alle medische handelingen, uitgevoerd met betrekking tot iedere persoon die is geïnterneerd, die gevangen wordt gehouden of op andere wijze van zijn vrijheid is beroofd ten gevolge van een situatie als bedoeld in artikel 1. Deze registers dienen te allen tijde voor onderzoek door de beschermende mogendheid beschikbaar te zijn.
Artikel 12. Bescherming van medische formaties
Medische formaties dienen te allen tijde te worden ontzien en beschermd en mogen niet worden aangevallen.
Het eerste lid is van toepassing op burgerlijke medische formaties, mits deze:
- (a). tot een van de partijen bij het conflict behoren;
- (b). zijn erkend en toegelaten door de bevoegde autoriteiten van een van de partijen bij het conflict; dan wel
- (c). zijn toegelaten overeenkomstig artikel 9, eerste lid, van dit Protocol of artikel 27 van het Eerste Verdrag.
De partijen bij het conflict worden uitgenodigd, elkaar van de plaats waar hun vaste medische formaties zich bevinden, in kennis te stellen. Het ontbreken van een dergelijke kennisgeving ontheft geen van de partijen van de verplichting, aan de bepalingen van het eerste lid te voldoen.
Onder geen enkele omstandigheid mogen medische formaties worden gebruikt om te trachten militaire objecten tegen aanvallen te beschermen. De partijen bij het conflict dienen er, zo mogelijk, zorg voor te dragen dat de medische formaties zich op zodanige plaatsen bevinden, dat aanvallen op militaire objecten hun veiligheid niet in gevaar brengen.
Artikel 13. Beëindiging van de bescherming van burgerlijke medische formaties
De bescherming waarop de burgerlijke medische formaties recht hebben eindigt alleen wanneer deze worden gebruikt om buiten hun humanitaire taak voor de vijand schadelijke handelingen te verrichten. De bescherming eindigt evenwel slechts nadat een waarschuwing is gegeven waarin, telkens wanneer daartoe aanleiding is, een redelijke termijn wordt gesteld, en nadat aan die waarschuwing geen gevolg is gegeven.
Als voor de vijand schadelijke handelingen worden niet beschouwd:
- (a). het feit dat het personeel van de formatie is uitgerust met lichte, persoonlijke wapens voor zijn eigen verdediging of voor die van de gewonden en zieken, met de zorg waarvoor het is belast;
- b). het feit dat de formatie wordt bewaakt door een piket, door schildwachten of door een geleide;
- (c). het feit dat draagbare wapens en munitie, die van de gewonden en zieken zijn afgenomen en nog niet aan de bevoegde tak van dienst zijn afgeleverd, in de formatie worden aangetroffen;
- (d). het feit dat leden van de strijdkrachten of andere combattanten zich om medische redenen bij de formatie bevinden.
Artikel 14. Beperkingen op het vorderen van burgerlijke medische formaties
De bezettende mogendheid heeft de plicht te verzekeren, dat onafgebroken kan worden voorzien in de medische behoeften van de burgerbevolking in bezet gebied.
De bezettende mogendheid mag derhalve geen burgerlijke medische formaties, hun uitrusting, hun materieel of de diensten van hun personeel vorderen, zolang die hulpmiddelen noodzakelijk zijn voor het verschaffen van toereikende medische diensten ten behoeve van de burgerbevolking en voor de voortzetting van de medische verzorging van de gewonden en zieken, die reeds onder behandeling zijn.
De bezettende mogendheid mag, mits hij de algemene regel, neergelegd in het tweede lid, in acht blijft nemen, de bovenbedoelde hulpmiddelen vorderen onder de volgende bijzondere voorwaarden:
- (a). dat de hulpmiddelen nodig zijn voor een toereikende en onmiddellijke medische behandeling van de gewonden en zieken van de strijdkrachten van de bezettende mogendheid of van krijgsgevangenen;
- (b). dat de vordering niet langer duurt dan gezien het bovenstaande noodzakelijk is;
- (c). dat onmiddellijk maatregelen worden genomen om te verzekeren dat onafgebroken kan worden voorzien in de medische behoeften van de burgerbevolking, evenals in die van de gewonden en zieken onder behandeling die door de vordering worden getroffen.
Artikel 15. Bescherming van burgerlijk medisch personeel en geestelijke verzorgers
Burgerlijk medisch personeel dient te worden ontzien en beschermd.
Met alle beschikbare middelen moet, indien nodig, hulp worden verleend aan het burgerlijke medisch personeel in gebieden waar de burgerlijke medische diensten door de vijandelijkheden zijn ontwricht.
De bezettende mogendheid moet het burgerlijke medisch personeel in bezette gebieden alle bijstand verlenen om het in staat te stellen naar beste vermogen zijn humanitaire taak te vervullen. De bezettende mogendheid mag niet eisen, dat dit personeel bij de uitoefening van die taak voorrang geeft aan de behandeling van enige persoon, behalve op medische gronden. Het mag niet worden verplicht taken te verrichten die onverenigbaar zijn met zijn humanitaire opdracht.
Het burgerlijke medisch personeel moet toegang hebben tot alle plaatsen waar zijn diensten onmisbaar zijn; het is daarbij onderworpen aan de maatregelen van toezicht en aan de veiligheidsmaatregelen die de desbetreffende partij bij het conflict noodzakelijk acht.
Burgerlijke geestelijke verzorgers dienen te worden ontzien en beschermd. De bepalingen van de Verdragen en dit Protocol betreffende de bescherming en de herkenbaarheid van het medisch personeel zijn gelijkelijk op hen van toepassing.
Artikel 16. Algemene bescherming van de medische taakvervulling
Niemand mag, onder welke omstandigheden ook, worden gestraft voor het uitvoeren van medische behandelingen die met de medische ethiek in overeenstemming zijn, ongeacht degenen aan wie deze handelingen ten goede komen.
Personen die medische handelingen uitvoeren, mogen niet worden verplicht daden of werkzaamheden te verrichten, die in strijd zijn met de regels van de medische ethiek of met andere medische regels, opgesteld in het belang van de gewonden en de zieken, of met de bepalingen van de Verdragen en dit Protocol, noch mogen zij worden gedwongen af te zien van het verrichten van daden of werkzaamheden, door die regels en bepalingen voorgeschreven.
Niemand die medische handelingen uitvoert, mag worden verplicht, aan iemand die behoort tot een tegenpartij of tot zijn eigen partij, behalve voor zover dat door de wetgeving van de laatstbedoelde partij wordt vereist, inlichtingen te verstrekken betreffende de gewonden en zieken die hij verzorgt of heeft verzorgd, indien deze inlichtingen naar zijn oordeel schadelijk zouden kunnen zijn voor de desbetreffende patiënten of hun families. De voorschriften inzake de verplichte melding van besmettelijke ziekten dienen evenwel in acht te worden genomen.
Artikel 17. Rol van de burgerbevolking en van de verenigingen tot hulpverlening
De burgerbevolking dient de gewonden, zieken en schipbreukelingen te ontzien, zelfs indien deze tot de tegenpartij behoren, en mag geen gewelddaden tegen hen begaan. Aan de burgerbevolking en de verenigingen tot hulpverlening, zoals nationale Rode Kruis (Rode Halve Maan, Rode Leeuw en Zon)-organisaties, is het toegestaan, zelfs eigener beweging de gewonden, zieken en schipbreukelingen te verzamelen en te verzorgen, zelfs in gebieden waar een inval heeft plaatsgevonden of die zijn bezet. Niemand mag worden gedeerd, vervolgd, veroordeeld of gestraft voor dergelijke humanitaire handelingen.
De partijen bij het conflict kunnen een beroep doen op de burgerbevolking en de verenigingen tot hulpverlening, bedoeld in het eerste lid, de gewonden, zieken en schipbreukelingen te verzamelen en te verzorgen, naar de doden te zoeken en de plaats waar deze zich bevinden te melden; de partijen dienen zowel bescherming als de noodzakelijke faciliteiten te verlenen aan diegenen die aan dit beroep gevolg hebben gegeven. Indien de tegenpartij het gebied in haar macht mocht krijgen, of wederom in haar macht mocht krijgen, moet zij deze bescherming en faciliteiten blijven verlenen zolang zij noodzakelijk zijn.
Artikel 18. Identificatie
Iedere partij bij het conflict moet de herkenbaarheid trachten te verzekeren van het medische personeel, de geestelijke verzorgers en de medische formaties en transporten.
Iedere partij bij het conflict moet eveneens trachten, werkwijzen en procedures te aanvaarden en ten uitvoer te leggen die het mogelijk maken, medisch formaties en transporten te herkennen, die het kenteken en de herkenningsseinen gebruiken.
In bezet gebied en in gebieden, waar gevechten plaatsvinden of vermoedelijk zullen plaatsvinden, dienen het burgerlijke medisch personeel en de burgerlijke geestelijke verzorgers herkenbaar te zijn aan het kenteken en aan een identiteitskaart waaruit hun status blijkt.
De medische formaties en vervoermiddelen moeten, met toestemming van de bevoegde autoriteit, zijn voorzien van het kenteken. De schepen en vaartuigen, bedoeld in artikel 22 van dit Protocol, moeten van kentekenen zijn voorzien overeenkomstig de bepalingen van het Tweede Verdrag.
Een partij bij het conflict kan, als bepaald in Hoofdstuk III van Bijlage I bij dit Protocol, het gebruik van herkenningsseinen naast het kenteken toestaan ter identificatie van medische formaties en vervoermiddelen. Bij wijze van uitzondering mogen medische vervoermiddelen, in de bijzondere in dat Hoofdstuk genoemde gevallen, herkenningsseinen gebruiken zonder het kenteken te tonen.
De uitvoering van de bepalingen van het eerste tot en met het vijfde lid van dit artikel wordt beheerst door de Hoofdstukken I tot en met III van de Bijlage bij dit Protocol. De seinen in Hoofdstuk III van de Bijlage omschreven en uitsluitend bestemd voor het gebruik door medische formaties en vervoermiddelen mogen, behalve als in dat Hoofdstuk bepaald, voor geen andere doeleinden worden gebruikt dan ter identificatie van de in dat Hoofdstuk omschreven medische formaties en vervoermiddelen.
Dit artikel staat geen uitgebreider gebruik van het kenteken toe in vredestijd dan is bepaald in artikel 44 van het Eerste Verdrag.
De bepalingen van de Verdragen en het Protocol betreffende het toezicht op het gebruik van het kenteken en betreffende het voorkomen en het tegengaan van enig misbruik daarvan zijn van toepassing op herkenningsseinen.
Artikel 19. Neutrale Staten en andere Staten die geen partij zijn bij het conflict
Neutrale Staten en andere Staten die geen partij zijn bij het conflict dienen de desbetreffende bepalingen van dit Protocol toe te passen ten aanzien van de personen die door dit Deel worden beschermd en die op hun grondgebied mochten worden toegelaten of geïnterneerd, alsmede op alle doden van de partijen bij het conflict die zij mochten vinden.
Artikel 20. Verbod van represailles
Represailles tegen personen en goederen, die door dit Deel worden beschermd, zijn verboden.
SECTIE II. MEDISCH VERVOER
Artikel 21. Medische voertuigen
Medische voertuigen dienen te worden ontzien en beschermd op dezelfde wijze als mobiele medische formaties krachtens de Verdragen en dit Protocol.
Artikel 22. Hospitaalschepen en kustreddingboten
De bepalingen van de Verdragen betreffende:
- (a). de vaartuigen, omschreven in de artikelen 22, 24, 25 en 27 van het Tweede Verdrag,
- (b). hun reddingboten en kleine vaartuigen,
- (c). hun personeel en bemanningen,
- (d). de gewonden, zieken en schipbreukelingen aan boord,
zijn eveneens van toepassing wanneer die vaartuigen burgers vervoeren die gewond, ziek of schipbreukeling zijn en niet behoren tot een van de categorieën, vermeld in artikel 13 van het Tweede Verdrag. Die burgers mogen evenwel niet worden overgedragen aan enige partij die niet hun eigen partij is, noch op zee gevangen worden genomen. Indien zij zich in de macht bevinden van een andere partij bij het conflict dan hun eigen partij, zijn het Vierde Verdrag en dit Protocol op hen van toepassing.
De bescherming door de Verdragen verleend aan de vaartuigen, omschreven in artikel 25 van het Tweede Verdrag, strekt zich mede uit tot de hospitaalschepen, voor humanitaire doeleinden aan een partij bij het conflict ter beschikking gesteld:
- (a). door een neutrale Staat of een andere Staat die geen partij is bij dat conflict;
- (b). door een onpartijdige internationale humanitaire organisatie mits in beide gevallen aan de in dat artikel vermelde vereisten is voldaan.
Kleine vaartuigen, omschreven in artikel 27 van het Tweede Verdrag, dienen te worden beschermd, zelfs indien de in dat artikel bedoelde kennisgeving niet is gedaan. De partijen bij het conflict worden evenwel uitgenodigd, elkaar van alle bijzonderheden met betrekking tot die vaartuigen in kennis te stellen, ten einde de identificatie en de herkenning daarvan te vergemakkelijken.
Artikel 23. Andere medische schepen en vaartuigen
Medische schepen en vaartuigen die niet zijn schepen en vaartuigen, bedoeld in artikel 22 van dit Protocol en artikel 38 van het Tweede Verdrag dienen, hetzij op zee of in andere wateren, te worden ontzien en beschermd op dezelfde wijze als de mobiele medische formaties krachtens de Verdragen en dit Protocol. Deze schepen dienen, daar de bovengenoemde bescherming slechts kan worden verwezenlijkt indien zij kunnen worden geïdentificeerd en herkend als medische schepen of vaartuigen, te zijn voorzien van het kenteken, en zoveel mogelijk te voldoen aan het bepaalde in artikel 43, tweede lid, van het Tweede Verdrag.
De schepen en vaartuigen, bedoeld in het eerste lid, blijven onderworpen aan het oorlogsrecht. Ieder oorlogsschip dat aan de oppervlakte vaart en in staat is de opvolging van zijn bevel terstond af te dwingen, kan hun bevelen te stoppen, zich te verwijderen of een bepaalde route te volgen, en zij dienen ieder zodanig bevel op te volgen. Deze schepen en vaartuigen mogen, zolang zij nodig zijn voor de gewonden, zieken en schipbreukelingen aan boord, op geen enkele andere wijze aan hun medische taak worden onttrokken.
De bescherming, verleend in het eerste lid, eindigt alleen in de omstandigheden, vermeld in de artikelen 34 en 35 van het Tweede Verdrag. Een duidelijke weigering om een bevel, gegeven overeenkomstig het tweede lid, op te volgen vormt een voor de vijand schadelijke handeling krachtens artikel 34 van het Tweede Verdrag.
Een partij bij het conflict kan iedere tegenpartij, zolang als mogelijk is vóór het vertrek van een medisch schip of vaartuig, in kennis stellen van de naam, de klasse, de verwachte vertrektijd, de koers en de geschatte snelheid ervan, in het bijzonder in het geval van schepen met een bruto inhoud van meer dan 2000 ton, en kan voorts alle gegevens verstrekken ter vergemakkelijking van de identificatie en herkenning. De tegenpartij moet de ontvangst van die gegevens bevestigen.
De bepalingen van artikel 37 van het Tweede Verdrag zijn van toepassing op het medisch personeel en de geestelijke verzorgers op die schepen en vaartuigen.
De bepalingen van het Tweede Verdrag zijn van toepassing op de gewonden, zieken en schipbreukelingen, die behoren tot de categorieën bedoeld in artikel 13 van het Tweede Verdrag en artikel 44 van dit Protocol, en die zich aan boord van dergelijke schepen en vaartuigen mochten bevinden. De burgers die gewond, ziek of schipbreukeling zijn en niet behoren tot een van de categorieën, vermeld in artikel 13 van het Tweede Verdrag, kunnen op zee niet worden overgedragen aan een partij die niet hun eigen partij is, noch kunnen zij van dergelijke schepen of vaartuigen worden verwijderd; indien zij zich in de macht bevinden van een andere partij bij het conflict dan hun eigen partij, zijn het Vierde Verdrag en dit Protocol op hen van toepassing.
Artikel 24. Bescherming van medische luchtvaartuigen
Medische luchtvaartuigen dienen te worden ontzien en beschermd overeenkomstig de bepalingen van dit Deel.
Artikel 25. Medische luchtvaartuigen in gebieden die niet door een tegenpartij worden beheerst
In landgebieden die daadwerkelijk door bevriende strijdkrachten worden beheerst en in het luchtruim daarboven, of in zeegebieden die niet daadwerkelijk door een tegenpartij worden beheerst en in het luchtruim daarboven, is voor het ontzien en de bescherming van de medische luchtvaartuigen van een partij bij het conflict geen enkele overeenkomst met een tegenpartij vereist. Een partij bij het conflict die in deze gebieden van haar medische luchtvaartuigen gebruik maakt kan evenwel, met het oog op een grotere veiligheid, een kennisgeving als voorzien in artikel 29 tot de tegenpartij richten, in het bijzonder wanneer die luchtvaartuigen vluchten uitvoeren die hen binnen het bereik brengen van grond-lucht-wapensystemen van de tegenpartij.
Artikel 26. Medische luchtvaartuigen in contact-zones of soortgelijke zones
In die delen van de contact-zone die daadwerkelijk door bevriende strijdkrachten worden beheerst en in het luchtruim daarboven, en in die gebieden die niet duidelijk daadwerkelijk door een bepaalde partij worden beheerst en in het luchtruim daarboven, kan de bescherming van de medische luchtvaartuigen slechts volkomen doeltreffend plaatsvinden krachtens een voorafgaande overeenstemming tussen de bevoegde militaire autoriteiten van de partijen bij het conflict, als voorzien in artikel 29. Ofschoon bij afwezigheid van een dergelijke overeenstemming de medische luchtvaartuigen hun werkzaamheden op eigen risico verrichten, moeten zij worden ontzien wanneer zij als zodanig zijn herkend.
„Contact-zone” betekent: ieder landgebied waar de vooruitgeschoven onderdelen van de tegenover elkaar staande strijdkrachten contact hebben gemaakt, in het bijzonder waar zij zijn blootgesteld aan rechtstreeks vuur vanaf de grond.
Artikel 27. Medische luchtvaartuigen in gebieden die worden beheerst door een tegenpartij
De medische luchtvaartuigen van een partij bij het conflict blijven beschermd, wanneer zij over land- of zeegebieden vliegen, die daadwerkelijk worden beheerst door een tegenpartij, mits van de bevoegde autoriteit van die tegenpartij van te voren toestemming voor die vluchten is verkregen.
Een medisch luchtvaartuig dat over een gebied vliegt dat daadwerkelijk door een tegenpartij wordt beheerst, zonder de in het eerste lid voorziene toestemming of in afwijking van de voorwaarden, verbonden aan een dergelijke toestemming hetzij door een navigatiefout of ten gevolge van een noodtoestand die de veiligheid van de vlucht in gevaar brengt, dient alles in het werk te stellen om zich te identificeren en de tegenpartij van de omstandigheden in kennis te stellen. Zodra een zodanig medisch luchtvaartuig door de tegenpartij is herkend, dient die partij in redelijkheid alles in het werk te stellen om het bevel tot landen op het land of op het water, als bedoeld in artikel 30, te geven, of om andere maatregelen ter bescherming van haar eigen veiligheid te nemen, en in beide gevallen het luchtvaartuig tijd te geven aan dat bevel te voldoen of zich naar die maatregelen te gedragen, alvorens tot een aanval tegen het luchtvaartuig over te gaan.
Artikel 28. Beperkingen op het gebruik van medische luchtvaartuigen
Het is de partijen bij het conflict verboden, hun medische luchtvaartuigen te gebruiken om enig voordeel over een tegenpartij te behalen. De aanwezigheid van medische luchtvaartuigen mag niet worden gebruikt om te trachten militaire doelen voor aanvallen te vrijwaren.
De medische luchtvaartuigen mogen niet worden gebruikt om militaire inlichtingen te verzamelen of over te brengen, en mogen geen enkele uitrusting, voor die doeleinden bestemd, vervoeren. Het is hun verboden personen of lading te vervoeren, die niet vallen onder de definitie, opgenomen in artikel 8, punt 6. Het vervoer aan boord van de persoonlijke bezittingen van de inzittenden of van materieel, uitsluitend bestemd om de navigatie, de communicatie of de identificatie te vergemakkelijken, wordt niet als verboden beschouwd.
De medische luchtvaartuigen mogen geen wapens vervoeren, behalve draagbare wapens en munitie, die van de gewonden, zieken en schipbreukelingen aan boord zijn afgenomen en nog niet aan de bevoegde tak van dienst zijn afgeleverd, en die lichte persoonlijke wapens die nodig zijn om het medische personeel aan boord in staat te stellen zichzelf en de gewonden, zieken en schipbreukelingen, met de zorg waarvoor het is belast, te verdedigen.
De medische luchtvaartuigen mogen, wanneer zij de vluchten, bedoeld in de artikelen 26 en 27 uitvoeren, niet worden gebruikt om naar gewonden, zieken en schipbreukelingen te zoeken, zonder dat daarover van te voren overeenstemming met de tegenpartij is bereikt.
Artikel 29. Kennisgevingen en afspraken inzake medische luchtvaartuigen
De kennisgevingen krachtens artikel 25, of de verzoeken om voorafgaande overeenstemming krachtens de artikelen 26, 27, 28, vierde lid, of 31, moeten het aantal medische luchtvaartuigen dat men voornemens is te gebruiken, het vluchtplan en de middelen ter identificatie aangeven en worden geacht in te houden, dat elke vlucht zal worden uitgevoerd met inachtneming van artikel 28.
Een partij die een kennisgeving, gedaan krachtens artikel 25 ontvangt, moet de ontvangst van die kennisgeving onmiddellijk bevestigen.
Een partij die een verzoek om voorafgaande overeenstemming krachtens de artikelen 26, 27, 28, vierde lid, of 31 ontvangt, moet de verzoekende partij zo snel mogelijk:
- (a). mededelen dat het verzoek is ingewilligd;
- (b). mededelen dat het verzoek is geweigerd; of
- (c). een redelijk tegenvoorstel met betrekking tot het verzoek doen. Zij kan eveneens een verbod of een beperking van andere vluchten in het gebied gedurende de desbetreffende periode voorstellen. Indien de partij die het verzoek heeft gedaan de tegenvoorstellen aanvaardt, stelt zij de andere partij van de aanvaarding in kennis.
De partijen moeten de nodige maatregelen nemen om te verzekeren, dat de kennisgevingen snel kunnen worden gedaan en de afspraken snel kunnen worden bereikt.
De partijen moeten eveneens de nodige maatregelen nemen om hetgeen die kennisgevingen en die afspraken behelzen snel aan de betrokken militaire formaties bekend te maken en moeten die formaties inlichtingen verstrekken inzake de middelen ter identificatie, die door de desbetreffende medische luchtvaartuigen zullen worden gebruikt.
Artikel 30. Landen en inspectie van medische luchtvaartuigen
Medische luchtvaartuigen die vliegen boven gebieden die daadwerkelijk worden beheerst door een tegenpartij, of boven gebieden die niet duidelijk daadwerkelijk door een bepaalde partij worden beheerst, kunnen het bevel ontvangen te landen naar gelang van de omstandigheden, op het land of op het water, ten einde inspectie overeenkomstig de navolgende leden mogelijk te maken. De medische luchtvaartuigen moeten ieder zodanig bevel opvolgen.
Indien een dergelijk luchtvaartuig landt op het land of op het water, hetzij op bevel of om andere redenen, mag het uitsluitend aan inspectie worden onderworpen ter vaststelling van de zaken, vermeld in het derde en het vierde lid. Iedere zodanige inspectie moet onverwijld worden aangevangen en met voortvarendheid worden uitgevoerd. De inspecterende partij mag niet verlangen, dat de gewonden en zieken uit het vliegtuig worden verwijderd, tenzij verwijdering noodzakelijk is voor de inspectie. Die partij moet er in ieder geval voor zorgdragen, dat de toestand van de gewonden en zieken niet nadelig door de inspectie of de verwijdering wordt beïnvloed.
Indien de inspectie aantoont dat het luchtvaartuig:
- (a). een medisch luchtvaartuig is in de zin van artikel 8, letter j,
- (b). geen inbreuk maakt op de voorwaarden, omschreven in artikel 28, en,
- (c). indien voorafgaande overeenstemming is vereist, niet heeft gevlogen zonder, of in strijd met deze overeenstemming,
moet aan het luchtvaartuig en aan de inzittenden die behoren tot de tegenpartij of tot een neutrale Staat of een andere Staat die geen partij is bij het conflict, worden toegestaan de vlucht zonder oponthoud voort te zetten.
Indien de inspectie aantoont dat het luchtvaartuig:
- (a). geen medisch luchtvaartuig is in de zin van artikel 8, letter j,
- (b). inbreuk maakt op de voorwaarden, omschreven in artikel 28, of,
- (c). indien voorafgaande overeenstemming is vereist, heeft gevlogen zonder, of in strijd met deze overeenstemming,
kan het luchtvaartuig worden opgebracht. De inzittenden dienen te worden behandeld overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de Verdragen en dit Protocol. Ieder opgebracht luchtvaartuig dat was aangewezen als permanent medisch luchtvaartuig mag daarna uitsluitend als medisch luchtvaartuig worden gebruikt.
Artikel 31. Neutrale Staten of andere Staten die geen partij zijn bij het conflict
Medische luchtvaartuigen mogen, behalve krachtens een voorafgaande overeenstemming, niet vliegen over of landen op het grondgebied van een neutrale Staat of een andere Staat die geen partij is bij het conflict. Indien een zodanige overeenstemming bestaat, dienen zij evenwel te worden ontzien gedurende hun gehele vlucht en eveneens gedurende een eventuele landing op dat grondgebied. Niettemin moeten zij ieder bevel tot landen op het land of op het water, naar gelang van de omstandigheden, opvolgen.
Indien een medisch luchtvaartuig, bij afwezigheid van overeenstemming of in afwijking van de voorwaarden waaronder de overeenstemming is tot stand gekomen, vliegt over het grondgebied van een neutrale Staat of een andere Staat die geen partij is bij het conflict, hetzij door een navigatiefout of ten gevolge van een noodtoestand die de veiligheid van de vlucht in gevaar brengt, dient het alles in het werk te stellen om de vlucht te melden en zich te identificeren. Zodra een zodanig medisch luchtvaartuig is herkend, dient die Staat in redelijkheid alles in het werk te stellen om het bevel tot landen op het land of op het water, als bedoeld in artikel 30, eerste lid, te geven, of om andere maatregelen ter bescherming van zijn eigen veiligheid te nemen, en in beide gevallen het luchtvaartuig tijd te geven om aan dat bevel te voldoen of zich naar die maatregelen te gedragen, alvorens tot een aanval tegen het luchtvaartuig over te gaan.
Indien een medisch luchtvaartuig, hetzij krachtens overeenstemming of in de omstandigheden, vermeld in het tweede lid, landt op het land of op het water behorend tot het grondgebied van een neutrale Staat of een andere Staat die geen partij is bij het conflict, hetzij op bevel of om andere redenen, wordt het luchtvaartuig aan inspectie onderworpen ten einde vast te stellen of het werkelijk een medisch luchtvaartuig is. De inspectie moet onverwijld worden aangevangen en met voortvarendheid worden uitgevoerd. De inspecterende partij mag niet verlangen, dat de gewonden en zieken van de partij die het luchtvaartuig gebruikt daaruit worden verwijderd, tenzij verwijdering noodzakelijk is voor de inspectie. De inspecterende partij moet er in ieder geval voor zorgdragen, dat de toestand van de gewonden en zieken niet nadelig door de inspectie of de verwijdering wordt beïnvloed. Indien de inspectie aantoont, dat het luchtvaartuig werkelijk een medisch luchtvaartuig is, wordt het luchtvaartuig met inzittenden, met uitzondering van degenen die overeenkomstig de regels van het bij gewapende conflicten toepasselijke volkenrecht gevangen dienen te worden gehouden, toegestaan de vlucht te hervatten, en dienen passende maatregelen ten behoeve van de voortzetting van de vlucht te worden genomen. Indien de inspectie aantoont, dat het luchtvaartuig geen medisch luchtvaartuig is, wordt het opgebracht en worden de inzittenden behandeld overeenkomstig het het vierde lid.
De gewonden, zieken en schipbreukelingen die, anders dan tijdelijk, met toestemming van de plaatselijke autoriteiten een medisch luchtvaartuig hebben verlaten op het grondgebied van een neutrale Staat of een andere Staat die geen partij is bij het conflict, worden, tenzij anders tussen die Staat en de partijen bij het conflict is overeengekomen, door die Staat gevangen gehouden, indien dit door de regels van het bij gewapende conflicten toepasselijke volkenrecht wordt voorgeschreven, en wel op zodanige wijze dat zij niet opnieuw aan de vijandelijkheden kunnen deelnemen. De kosten van behandeling in een ziekenhuis en van internering dienen door de Staat waartoe die personen behoren, te worden gedragen.
De neutrale Staten en de andere Staten die geen partij zijn bij het conflict moeten alle voorwaarden en beperkingen die zij opleggen aan de vlucht van medische luchtvaartuigen over, of aan de landing van medische luchtvaartuigen op hun grondgebied, gelijkelijk op alle partijen bij het conflict toepassen.
SECTIE III. VERMISTEN EN DODEN
Artikel 32. Algemeen beginsel
Bij de uitvoering van deze Sectie zullen de werkzaamheden van de Hoge Verdragsluitende Partijen, de partijen bij het conflict en de internationale humanitaire organisaties, vermeld in de Verdragen en dit Protocol voornamelijk worden ingegeven door het recht van families, kennis te nemen van het lot van verwanten.
Artikel 33. Vermisten
Zodra de omstandigheden zulks toelaten, en uiterlijk onmiddellijk na het einde van de daadwerkelijke vijandelijkheden, dient iedere partij bij het conflict naar de personen die door een tegenpartij als vermist zijn opgegeven, te zoeken. Die partij dient alle ter zake dienende gegevens betreffende die personen door te geven ten einde het zoeken te vergemakkelijken.
Ten einde het verzamelen van gegevens ingevolge het vorige lid te vergemakkelijken, dient iedere partij met betrekking tot personen die niet krachtens de Verdragen en het Protocol gunstiger mochten worden behandeld:
- (a). de gegevens te registreren, omschreven in artikel 138 van het Vierde Verdrag, betreffende die personen die langer dan twee weken gevangen zijn gehouden, gevangenisstraf hebben ondergaan of op andere wijze van hun vrijheid zijn beroofd ten gevolge van vijandelijkheden of van een bezetting, of die tijdens hun gevangenhouding zijn overleden;
- (b). het zoeken naar en het registreren van gegevens omtrent die personen zoveel mogelijk te vergemakkelijken en zo nodig zelf te verrichten, indien deze in andere omstandigheden ten gevolge van vijandelijkheden of van een bezetting zijn overleden.
Gegevens betreffende personen die ingevolge het eerste lid als vermist zijn opgegeven en verzoeken om dergelijke gegevens dienen te worden doorgegeven, hetzij rechtstreeks of door tussenkomst van de beschermende mogendheid, het Centrale Opsporingsbureau van het Internationale Comité van het Rode Kruis of nationale Rode Kruis (Rode Halve Maan, Rode Leeuw en Zon)-organisaties. Wanneer de gegevens niet via het Internationale Comité van het Rode Kruis en het Centrale Opsporingsbureau daarvan worden doorgegeven, dient iedere partij bij het conflict er zorg voor te dragen, dat die gegevens tevens aan het Centrale Opsporingsbureau worden verstrekt.
De partijen bij het conflict dienen ernaar te streven, tot overeenstemming te geraken over regelingen, waardoor het ploegen mogelijk wordt gemaakt naar de doden te zoeken, deze te identificeren en uit gebieden waar gevechten hebben plaatsgevonden weg te halen, met inbegrip van regelingen waardoor het, indien wenselijk, mogelijk wordt gemaakt dat die ploegen worden vergezeld door personeel van de tegenpartij wanneer zij hun taak vervullen in gebieden die door de tegenpartij worden beheerst. Het personeel van die ploegendienst dient, wanneer het uitsluitend de genoemde functie vervult, te worden ontzien en beschermd.
Artikel 34. Stoffelijke overschotten
Het stoffelijk overschot van personen die zijn overleden door oorzaken verband houdende met een bezetting, of die zijn overleden tijdens gevangenhouding voortkomend uit een bezetting of uit vijandelijkheden, alsook het stoffelijk overschot van personen die geen onderdaan zijn van het land waar zij zijn overleden ten gevolge van vijandelijkheden, dienen te worden ontzien, en het graf van alle zodanige personen dient te worden ontzien, onderhouden en aangeduid, als bepaald in artikel 130 van het Vierde Verdrag, wanneer het stoffelijk overschot of graf geen gunstiger behandeling krachtens de Verdragen en dit Protocol mocht ontvangen.
Zodra de omstandigheden en de betrekkingen tussen de tegenpartijen dat toelaten, moeten de Hoge Verdragsluitende Partijen op wier grondgebied graven zijn gelegen van personen die ten gevolge van vijandelijkheden of tijdens een bezetting of gevangenhouding zijn overleden of, in voorkomende gevallen, andere plaatsen waar zich stoffelijke overschotten van zodanige personen bevinden, overeenkomsten sluiten ten einde:
- (a). de toegang tot de graven te vergemakkelijken voor de familieleden van de overledenen en de vertegenwoordigers van de officiële gravendiensten, en regelingen van praktische aard voor die toegang vast te stellen;
- (b). dergelijke graven duurzaam te beschermen en te ontzien;
- (c). de terugkeer te vergemakkelijken van het stoffelijk overschot en de persoonlijke bezittingen van de overledenen naar het land van herkomst, op verzoek van dat land of op verzoek van de naaste familieleden, tenzij het bedoelde land daartegen bezwaar maakt.
Indien geen overeenkomsten als voorzien in het tweede lid, letters b of c, zijn gesloten en indien het land van herkomst van deze overledenen niet bereid is op zijn kosten voor het onderhoud van die graven zorg te dragen, kan de Hoge Verdragsluitende Partij op wier grondgebied de graven zijn gelegen aanbieden, maatregelen te treffen ter vergemakkelijking van de terugkeer van de stoffelijke overschotten van de overledenen naar het land van herkomst. Indien een dergelijk aanbod niet wordt aanvaard, kan de Hoge Verdragsluitende Partij na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag van het aanbod en na kennisgeving aan het land van herkomst, de voorschriften, neergelegd in haar eigen wetgeving met betrekking tot begraafplaatsen en graven, toepassen.
Het is een Hoge Verdragsluitende Partij, op wier grondgebied de graven bedoeld in dit artikel zijn gelegen, slechts toegestaan de stoffelijke overschotten op te graven:
- (a). in overeenstemming met het tweede lid, letter c, en het derde lid, of
- (b). wanneer opgraving dwingend is geboden door het algemeen belang, waaronder begrepen medische noodzaak en noodzaak verband houdende met de opsporing, in welk geval de Hoge Verdragsluitende Partij te allen tijde de stoffelijke overschotten dient te ontzien en het land van herkomst in kennis dient te stellen van haar voornemen de stoffelijke overschotten op te graven, waarbij zij bijzonderheden betreffende de voorgenomen plaats van herbegrafenis dient te vermelden.
DEEL III. METHODEN EN MIDDELEN VAN OORLOGVOERING
SECTIE I. METHODEN EN MIDDELEN VAN OORLOGVOERING
Artikel 35. Grondregels
In geen enkel gewapend conflict is het recht van de partijen bij het conflict ten aanzien van de keuze der methoden of middelen van oorlogvoering onbegrensd.
Het is verboden wapens, projectielen en stoffen alsmede methoden van oorlogvoering te gebruiken, die naar hun aard overbodig letsel of onnodig leed veroorzaken.
Het is verboden, methoden of middelen van oorlogvoering te gebruiken, bestemd om omvangrijke, langdurige en ernstige schade aan het natuurlijk milieu toe te brengen, of die dergelijke schade, naar kan worden verwacht, zullen toebrengen.
Artikel 36. Nieuwe wapens
Op een Hoge Verdragsluitende Partij rust bij de bestudering, ontwikkeling, aanschaf of invoering van een nieuw wapen, een nieuw middel of een nieuwe methode van oorlogvoering de verplichting, vast te stellen of het gebruik daarvan, in bepaalde of in alle omstandigheden, door dit Protocol of door enige andere regel van het ten aanzien van de Hoge Verdragsluitende Partij toepasselijke volkenrecht is verboden.
Artikel 37. Verbod van perfidie
Het is verboden een tegenstander te doden, te verwonden of gevangen te nemen door middel van perfidie. Gedragingen die het vertrouwen wekken bij een tegenstander ten einde deze te doen geloven dat hij gerechtigd is tot bescherming krachtens de regels van het volkenrecht toepasselijk in geval van gewapende conflicten of dat hij verplicht is zodanige bescherming te verlenen, met de bedoeling dat vertrouwen te misbruiken, leveren perfidie op. Voorbeelden van perfidie zijn:
- (a). het voorwenden van het voornemen tot onderhandelen onder de parlementaire vlag of het voorwenden van overgave;
- (b). het voorwenden, uitgeschakeld te zijn door verwondingen of ziekte;
- (c). het voorwenden van het bezit van de status van burger of van non-combattant;
- (d). het voorwenden van het bezit van een beschermde positie door het gebruik van tekens, kentekenen of uniformen van de Verenigde Naties, van neutrale Staten of van andere Staten die geen partij zijn bij het conflict.
Krijgslisten zijn niet verboden. Dergelijke listen zijn gedragingen die zijn bedoeld om een tegenstander te misleiden of hem er toe te bewegen roekeloos te handelen, maar die geen regels van het volkenrecht, toepasselijk in geval van gewapende conflicten schenden, en die niet verraderlijk zijn doordat niet wordt getracht het vertrouwen van een tegenstander te wekken met betrekking tot bescherming krachtens dat recht. Voorbeelden van krijgslisten zijn: het gebruik van camouflage, lokmiddelen, schijnoperaties en onjuiste inlichtingen.
Artikel 38. Erkende kentekenen
Het is verboden ongepast gebruik te maken van het kenteken van het Rode Kruis, de Rode Halve Maan of de Rode Leeuw en Zon, of van andere kentekenen, tekens of seinen, als voorzien in de Verdragen of dit Protocol. Het is eveneens verboden, in een gewapend conflict opzettelijk misbruik te maken van andere internationaal erkende beschermende kentekenen, tekens of seinen, daaronder begrepen de parlementaire vlag en het beschermende kenteken van culturele goederen.
Het is verboden gebruik te maken van het kenteken van de Verenigde Naties, behalve wanneer het gebruik door die Organisatie is toegestaan.
Artikel 39. Nationaliteitskenteken
Het is verboden in een gewapend conflict gebruik te maken van de vlaggen of de militaire kentekenen, onderscheidingstekens of uniformen van neutrale Staten of andere Staten die geen partij zijn bij het conflict.
Het is verboden gebruik te maken van de vlaggen of militaire kentekenen, onderscheidingstekens of uniformen van de tegenpartijen tijdens aanvallen of met het oogmerk militaire operaties te dekken, te begunstigen, te beschermen of te belemmeren.
Geen enkele bepaling van dit artikel of van artikel 37, eerste lid, letter d, vormt een aantasting van de bestaande, algemeen erkende regels van het volkenrecht, toepasselijk in geval van spionage of het gebruik van vlaggen tijdens gewapende conflicten op zee.
Artikel 40. Kwartier
Het is verboden het bevel te geven dat niemand mag overleven, een tegenstander daarmee te dreigen of op die grondslag de vijandelijkheden te bedrijven.
Artikel 41. Bescherming van een vijand buiten gevecht
Een persoon die, naar wordt onderkend, of in de gegeven omstandigheden zou moeten worden onderkend, buiten gevecht verkeert, mag niet het doelwit van een aanval worden gemaakt.
Een persoon verkeert buiten gevecht indien:
- (a). hij zich in de macht van een tegenpartij bevindt;
- (b). hij duidelijk het voornemen te kennen geeft, zich over te geven; of
- (c). hij het bewustzijn heeft verloren of op andere wijze door verwondingen of ziekte is uitgeschakeld, en daarom niet in staat is zich te verdedigen,
mits hij zich in alle genoemde gevallen onthoudt van iedere vijandelijke handeling en niet tracht te ontvluchten.
Wanneer personen die aanspraak kunnen maken op bescherming als krijgsgevangene, in handen van een tegenpartij zijn gevallen onder ongebruikelijke gevechtsomstandigheden die hun evacuatie, als geregeld in Deel III, Sectie I, van het Derde Verdrag verhinderen, dienen zij te worden vrijgelaten en dienen alle voorzorgen die praktisch uitvoerbaar zijn te worden getroffen om hun veiligheid te waarborgen.
Artikel 42. Inzittenden van luchtvaartuigen
Niemand die met een parachute uit een vliegtuig in nood springt, mag gedurende zijn neerdaling het doelwit van een aanval worden gemaakt.
Aan een persoon die met een parachute uit een vliegtuig in nood is gesprongen dient, zodra hij bij zijn landing terecht komt op gebied dat door een tegenpartij wordt beheerst, de gelegenheid te worden geboden zich over te geven, voordat hij het doelwit van een aanval wordt gemaakt, tenzij het duidelijk is dat hij een vijandelijke handeling verricht.
Luchtlandingstroepen worden niet door dit artikel beschermd.
SECTIE II. DE STATUS VAN COMBATTANT EN VAN KRIJGSGEVANGENE
Artikel 43. De strijdkrachten
De strijdkrachten van een partij bij een conflict bestaan uit alle georganiseerde strijdkrachten, groepen en eenheden die onder een bevel staan dat tegenover die partij verantwoordelijk is voor het gedrag van zijn ondergeschikten, zelfs indien die partij wordt vertegenwoordigd door een niet door een tegenpartij erkende regering of autoriteit. Deze strijdkrachten dienen te zijn onderworpen aan een intern krijgstuchtelijk systeem, dat onder andere de nakoming van de regels van het volkenrecht, toepasselijk in geval van gewapende conflicten, dient te verzekeren.
De leden van de strijdkrachten van een partij bij een conflict, die niet zijn medisch personeel of geestelijke verzorgers op wie artikel 33 van het Derde Verdrag betrekking heeft, zijn combattanten en hebben derhalve het recht om rechtstreeks aan de vijandelijkheden deel te nemen.
Wanneer een partij bij het conflict een paramilitaire organisatie, of een gewapende dienst belast met politietaken, in zijn strijdkrachten opneemt, moet zij de andere partijen bij het conflict daarvan in kennis stellen.
Artikel 44. Combattanten en krijgsgevangenen
Iedere combattant, als omschreven in artikel 43, die in handen van een tegenpartij valt wordt als krijgsgevangene beschouwd.
Alle combattanten zijn verplicht de regels van het volkenrecht, toepasselijk in gewapende conflicten, in acht te nemen; schendingen van die regels ontnemen evenwel een combattant niet het recht om als combattant te worden beschouwd of, indien hij in handen van een tegenpartij valt, het recht om als krijgsgevangene te worden beschouwd, behalve in de gevallen als voorzien in het derde en het vierde lid.
Ter bevordering van een bescherming van de burgerbevolking tegen de gevolgen van de vijandelijkheden, zijn de combattanten verplicht zich van de burgerbevolking te onderscheiden wanneer zij een aanval of een militaire operatie ter voorbereiding van een aanval uitvoeren. Gelet evenwel op het feit dat er zich in een gewapend conflict situaties voordoen, waarin het een gewapende combattant door de aard van de vijandelijkheden niet mogelijk is zich van de burgerbevolking te onderscheiden, behoudt deze zijn status van combattant, mits hij in zulke situaties zijn wapens openlijk draagt:
- (a). gedurende ieder militair treffen, en
- (b). gedurende de tijd dat hij zichtbaar is voor de tegenpartij bij het betrekken van militaire posities, voorafgaande aan het inzetten van een aanval waaraan hij moet deelnemen.
Handelingen die voldoen aan de in dit lid neergelegde vereisten worden niet als perfide in de zin van artikel 37, eerste lid, letter c, beschouwd.
Een combattant die in handen van een tegenpartij valt terwijl hij niet aan de vereisten, neergelegd in de tweede zin van het derde lid, voldoet, verliest het recht om als krijgsgevangene te worden beschouwd, maar hem dient niettemin bescherming te worden verleend die in alle opzichten gelijkwaardig is aan die welke het Derde Verdrag en dit Protocol aan krijgsgevangenen toekennen. Deze bescherming omvat mede bescherming die gelijkwaardig moet zijn aan die welke het Derde Verdrag aan krijgsgevangenen toekent, ingeval een zodanige persoon wordt berecht en gestraft voor enig strafbaar feit dat hij heeft begaan.
Geen enkele combattant die in handen van een tegenpartij valt, zonder dat hij op dat moment deelneemt aan een aanval of een militaire operatie ter voorbereiding van een aanval, verliest uit hoofde van zijn voorafgaande activiteiten het recht als combattant en als krijgsgevangene te worden beschouwd.
Dit artikel laat onverlet het recht van enige persoon om krachtens artikel 4 van het Derde Verdrag als krijgsgevangene te worden beschouwd.
Dit artikel heeft niet ten doel, verandering te brengen in de algemeen aanvaarde statenpraktijk met betrekking tot het dragen van het uniform door de combattanten die behoren tot de geregelde geüniformeerde gewapende eenheden van een partij bij het conflict.
Naast de categorieën personen, vermeld in de artikelen 13 van het Eerste en het Tweede Verdrag, kunnen alle leden van de strijdkrachten van een partij bij het conflict, als omschreven in artikel 43 van dit Protocol, aanspraak maken op bescherming krachtens die Verdragen, indien zij gewond of ziek zijn of, in het geval van het Tweede Verdrag, op zee of in andere wateren schipbreuk hebben geleden.
Artikel 45. Bescherming van de personen die aan de vijandelijkheden hebben deelgenomen
Een persoon die aan vijandelijkheden deelneemt en in handen van een tegenpartij valt, wordt geacht krijgsgevangene te zijn en dient derhalve door het Derde Verdrag te worden beschermd, indien hij de status van krijgsgevangene inroept, indien blijkt dat hij aanspraak op een zodanige status heeft of indien de partij waartoe hij behoort een zodanige status te zijnen gunste inroept door middel van een kennisgeving aan de gevangenhoudende of aan de beschermende mogendheid. Indien er enige twijfel mocht rijzen over de vraag, of een zodanige persoon aanspraak op de status van krijgsgevangene heeft, dient hij die status te behouden en derhalve door het Derde Verdrag en dit Protocol te worden beschermd, totdat zijn status door een bevoegde rechterlijke instantie is vastgesteld.
Indien een persoon die in handen van een tegenpartij is gevallen, niet als krijgsgevangene wordt vastgehouden, en door die partij zal worden berecht wegens een strafbaar feit, verband houdende met de vijandelijkheden, dient hij het recht te hebben om zijn aanspraak op de status van krijgsgevangene voor een rechterlijke instantie geldend te maken en een uitspraak betreffende die kwestie te verkrijgen. Steeds wanneer dat krachtens de toepasselijke procesregels mogelijk is, dient die uitspraak te worden gedaan voorafgaand aan het proces met betrekking tot het strafbare feit. De vertegenwoordigers van de beschermende mogendheid hebben het recht, het proces waarin betreffende de bovenbedoelde kwestie uitspraak wordt gedaan, bij te wonen, behalve in uitzonderlijke gevallen waarin het proces in het belang van de veiligheid van de Staat achter gesloten deuren wordt gevoerd. In een dergelijk geval moet de gevangenhoudende mogendheid de beschermende mogendheid daarvan in kennis stellen.
Ieder die heeft deelgenomen aan vijandelijkheden, die geen aanspraak heeft op de status van krijgsgevangene en die geen gunstiger behandeling krachtens het Vierde Verdrag geniet, dient te allen tijde recht te hebben op de bescherming, verleend door artikel 75 van dit Protocol. In bezet gebied heeft iedere zodanige persoon, niettegenstaande het bepaalde in artikel 5 van het Vierde Verdrag, eveneens aanspraak op het recht van communicatie krachtens dat Verdrag, behalve wanneer hij als spion wordt vastgehouden.
Artikel 46. Spionnen
Niettegenstaande enige andere bepaling van de Verdragen of dit Protocol heeft een lid van de strijdkrachten van een partij bij het conflict, die in handen van een tegenpartij valt terwijl hij spionage bedrijft, geen recht op de status van krijgsgevangene, en kan als spion worden behandeld.
Een lid van de strijdkrachten van een partij bij het conflict die, ten behoeve van die partij en op gebied dat door een tegenpartij wordt beheerst, inlichtingen verzamelt of tracht te verzamelen, wordt niet geacht spionage te bedrijven indien hij, terwijl hij zodanige handelingen verricht, het uniform draagt van de strijdkrachten waartoe hij behoort.
Een lid van de strijdkrachten van een partij bij het conflict, die inwoner is van een door een tegenpartij bezet gebied en die, ten behoeve van de partij waartoe hij behoort inlichtingen van militair belang binnen dat grondgebied verzamelt of tracht te verzamelen, wordt niet geacht spionage te bedrijven, tenzij hij zulks onder valse voorwendsels of opzettelijk op heimelijke wijze doet.
Bovendien verliest zo’n inwoner zijn recht op de status van krijgsgevangene niet en mag niet als spion worden behandeld, tenzij hij wordt gevat terwijl hij spionage bedrijft.
Een lid van de strijdkrachten van een partij bij het conflict, die geen inwoner is van door een tegenpartij bezet gebied en die op dat gebied spionage heeft bedreven, verliest zijn recht op de status van krijgsgevangene niet en mag niet worden behandeld als spion, tenzij hij wordt gevat voordat hij zich weer bij de strijdkrachten waartoe hij behoort, heeft gevoegd.
Artikel 47. Huurlingen
Een huurling heeft niet het recht op de status van combattant of van krijgsgevangene.
Een huurling is iedere persoon:
- (a). die plaatselijk of in het buitenland speciaal is aangeworven om te vechten in een gewapend conflict;
- (b). die daadwerkelijk en rechtstreeks deelneemt aan de vijandelijkheden;
- (c). die voornamelijk door het verlangen naar persoonlijk gewin wordt gedreven aan de vijandelijkheden deel te nemen en aan wie daadwerkelijk door of vanwege een partij bij het conflict een materiële vergoeding is beloofd die de aan combattanten van gelijke rang en functie bij de strijdkrachten van die partij beloofde of betaalde vergoeding aanzienlijk te boven gaat;
- (d). die geen onderdaan is van een partij bij het conflict, noch inwoner van door een partij bij het conflict beheerst gebied;
- (e). die geen lid is van de strijdkrachten van een partij bij het conflict; en
- (f). die niet door een Staat die geen partij is bij het conflict met een officiële opdracht, als lid van de strijdkrachten van die Staat, is uitgezonden.
DEEL IV. BURGERBEVOLKING
SECTIE I. ALGEMENE BESCHERMING TEGEN DE GEVOLGEN VAN DE VIJANDELIJKHEDEN
Hoofdstuk I. GRONDREGEL EN TOEPASSINGSGEBIED
Artikel 48. Grondregel
Ten einde te verzekeren, dat de burgerbevolking en de burgerobjecten worden ontzien en beschermd, dienen de partijen bij het conflict te allen tijde onderscheid te maken tussen de burgerbevolking en combattanten en tussen burgerobjecten en militaire doelen en dienen zij derhalve hun operaties uitsluitend tegen militaire doelen te richten.
Artikel 49. Definitie van aanvallen en toepassingsgebied
„Aanvallen” betekent: daden van geweld gericht tegen de tegenstander, hetzij offensieve hetzij defensieve.
De bepalingen van dit Protocol met betrekking tot aanvallen zijn van toepassing op alle aanvallen, op welk gebied ook uitgevoerd, met inbegrip van nationaal grondgebied dat aan een partij bij het conflict toebehoort maar door een tegenstander wordt beheerst.
De bepalingen van deze Sectie zijn van toepassing op alle krijgsverrichtingen te land, in de lucht of ter zee die de burgerbevolking, de individuele burgers of burgerobjecten te land kunnen treffen. Zij zijn voorts van toepassing op alle aanvallen vanuit zee of uit de lucht op doelen op het land, maar laten overigens de regels van het volkenrecht, van toepassing bij gewapende conflicten ter zee of in de lucht, onverlet.
De bepalingen van deze Sectie vormen een aanvulling op de regels betreffende de humanitaire bescherming, neergelegd in het Vierde Verdrag, in het bijzonder in Deel II daarvan, en in andere voor de Hoge Verdragsluitende Partijen bindende internationale overeenkomsten, evenals op andere regels van het volkenrecht betreffende de bescherming van burgers en burgerobjecten te land, ter zee of in de lucht tegen de gevolgen van vijandelijkheden.
Hoofdstuk II. BURGERS EN BURGERBEVOLKING
Artikel 50. Definitie van burgers en burgerbevolking
Burger is ieder die niet behoort tot een van de categorieën personen, bedoeld in artikel 4, letter A, 1, 2, 3 en 6 van het Derde Verdrag en in artikel 43 van dit Protocol. Bij twijfel of iemand burger is, wordt hij als burger beschouwd.
De burgerbevolking omvat alle personen die burgers zijn.
De aanwezigheid onder de burgerbevolking van personen die niet onder de definitie van burgers vallen, ontneemt haar de civiele hoedanigheid niet.
Artikel 51. Bescherming van de burgerbevolking
De burgerbevolking en de afzonderlijke burgers genieten algemene bescherming tegen uit militaire operaties voortvloeiende gevaren. Om deze bescherming te verwezenlijken dienen de volgende regels, die een aanvulling vormen op de andere van toepassing zijnde regels van het volkenrecht, onder alle omstandigheden in acht te worden genomen.
Noch de burgerbevolking als zodanig, noch de afzonderlijke burgers mogen het doelwit van een aanval vormen. Daden van geweld of bedreiging met geweld, waarvan het belangrijkste oogmerk is de burgerbevolking angst aan te jagen, zijn verboden.
De burgers genieten de in deze Sectie verleende bescherming, behalve indien en zolang zij rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen.
Niet-onderscheidende aanvallen zijn verboden. Niet-onderscheidende aanvallen zijn:
- (a). aanvallen die niet op een bepaald militair doel zijn gericht;
- (b). aanvallen waarbij gebruik wordt gemaakt van strijdmiddelen of -methoden die niet op een bepaald militair doel kunnen worden gericht; of
- (c). aanvallen waarbij gebruik wordt gemaakt van strijdmiddelen of -methoden waarvan de gevolgen niet kunnen worden beperkt zoals dit Protocol vereist;
en die derhalve in alle genoemde gevallen naar hun aard, militaire doelen en burgers of burgerobjecten zonder onderscheid kunnen treffen.
De volgende soorten aanvallen dienen onder andere als niet-onderscheidend te worden beschouwd:
- (a). aanvallen door middel van een bombardement, met welke middelen en methoden dan ook, waarbij een aantal duidelijk gescheiden en als zodanig te onderscheiden militaire doelen, gelegen in een stad, dorp of andere streek waarin zich een vergelijkbare concentratie burgers of burgerobjecten bevindt, worden aangemerkt als één enkel militair doel; en
- (b). aanvallen die, naar kan worden verwacht bijkomend verlies van mensenlevens onder de burgerbevolking, verwonding van burgers, schade aan burgerobjecten of een combinatie daarvan ten gevolge zullen hebben, in een mate die buitensporig zou zijn in verhouding tot het verwachte tastbare en rechtstreekse militaire voordeel.
Aanvallen op de burgerbevolking of burgers bij wijze van represaille zijn verboden.
De aanwezigheid of de bewegingen van de burgerbevolking of van afzonderlijke burgers mogen niet worden gebruikt om bepaalde plaatsen of gebieden te vrijwaren voor militaire operaties, in het bijzonder niet wanneer daarbij wordt getracht militaire doelen tegen aanvallen af te schermen of militaire operaties te dekken, te begunstigen of te belemmeren. De partijen bij het conflict mogen de bewegingen van de burgerbevolking of van afzonderlijke burgers niet in een bepaalde richting leiden ten einde te trachten militaire doelen tegen aanvallen af te schermen of militaire operaties te dekken.
Geen enkele overtreding van deze verboden ontslaat de partijen bij het conflict van hun juridische verplichtingen met betrekking tot de burgerbevolking en de burgers, daaronder begrepen de verplichting om de in artikel 57 voorziene voorzorgsmaatregel te treffen.
Hoofdstuk III. BURGEROBJECTEN
Artikel 52. Algemene bescherming van burgerobjecten
Burgerobjecten mogen niet het doelwit van een aanval worden en tegen die objecten mogen geen represailles worden genomen. Burgerobjecten zijn alle objecten die geen militaire doelen als omschreven in het tweede lid, zijn.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)