Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof

Type Verdrag
Publication 2016-12-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg,

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

Overwegende dat de eenheid bij de toepassing der rechtsregels, die België, Luxemburg en Nederland gemeenschappelijk hebben, bevorderd dient te worden,

Hebben tot dat doel besloten over te gaan tot het sluiten van een Verdrag betreffende de instelling van een Benelux-Gerechtshof en hebben tot hun Gevolmachtigden benoemd:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen:

Zijne Excellentie de Heer H. Fayat, Minister, Adjunct voor Buitenlandse Zaken;

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg:

Zijne Excellentie de Heer P. Werner, Minister van Buitenlandse Zaken;

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

Zijne Excellentie de Heer J. M. A. H. Luns, Minister van Buitenlandse Zaken,

die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, de volgende bepalingen zijn overeengekomen:

HOOFDSTUK I. Instelling, doel en zetel van het Hof

Artikel 1
1.

Er wordt een Benelux-Gerechtshof opgericht, hierna genoemd het Hof.

2.

Het Hof heeft tot taak de gelijkheid te bevorderen bij de toepassing van rechtsregels die gemeen zijn aan de Beneluxlanden. Ter uitvoering van deze taak beschikt het Hof over:

3.

De bevoegdheden bedoeld in lid 2, onder (a) en (c), worden uitgeoefend ten aanzien van rechtsregels welke, hetzij bij verdrag, hetzij bij een beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Unie zijn aangewezen.

4.

De bevoegdheid bedoeld in lid 2, onder (b), wordt uitgeoefend op specifieke gebieden die daartoe zijn aangewezen in een verdrag. Ten aanzien van deze verdragen winnen de Beneluxlanden het advies in van het Hof.

5.

Het Hof heeft tevens de bevoegdheid om op grond van en met inachtneming van Aanvullende Protocollen bij dit Verdrag kennis te nemen van administratiefrechtelijke beroepen inzake de rechtsbescherming van personen in dienst van de Benelux Unie, de Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom of een Benelux Gemeenschappelijke Dienst.

6.

De in lid 3 bedoelde beschikking van het Comité van Ministers kan bepalen dat hoofdstuk III, onderdeel A, en/of hoofdstuk III, onderdeel C, van dit Verdrag niet van toepassing zijn.

7.

Het Comité van Ministers kan, eveneens bij beschikking, bepalingen, welke door hem als gemeenschappelijke rechtsregels zijn aangewezen, van de toepassing van dit Verdrag, dan wel van hoofdstuk III, onderdeel A, en/of hoofdstuk III, onderdeel C, daarvan, uitsluiten.

8.

De in de leden 6 en 7 bedoelde beschikkingen worden genomen nadat terzake advies is ingewonnen van de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad. Zij worden vóór het tijdstip van hun inwerkingtreding in elk der drie Staten bekendgemaakt in de vorm welke aldaar voor de bekendmaking van verdragen is voorgeschreven.

Artikel 2
1.

Het Hof heeft zijn permanente zetel in Luxemburg, waar de zittingen worden gehouden.

2.

Het Hof kan ook zitting houden op een andere plaats in een van de drie landen.

3.

Het Hof wordt bijgestaan door een griffie. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 3bis, lid 2, van dit Verdrag vervullen de beambten van de griffie hun functie naast die van personeelslid van het Benelux Secretariaat-Generaal, en zijn, als dusdanig, toegewezen aan de zetel van het Benelux Secretariaat-Generaal.

HOOFDSTUK II. Organisatie

Artikel 3
1.

Het Hof is samengesteld uit:

Het Parket van het Hof is samengesteld uit drie advocaten-generaal, onder wie een eerste advocaat-generaal als Hoofd van het Parket, en uit plaatsvervangende advocaten-generaal. Zij worden benoemd uit de leden van de Parketten bij de in artikel 3, lid 1, onder (a), bedoelde rechtscolleges.

2.

De raadsheren, de plaatsvervangende raadsheren, de rechters, de plaatsvervangende rechters, de advocaten-generaal en de plaatsvervangende advocaten-generaal worden in een voor elk der drie landen gelijk aantal benoemd bij beschikking van het Comité van Ministers. Het Comité van Ministers kan het aantal plaatsvervangende raadsheren en plaatsvervangende rechters van een land, op voorstel van dat land, uitbreiden tot ten hoogste vijf. Het Comité van Ministers kan, op dezelfde voorwaarden, voor elk der advocaten-generaal een plaatsvervanger van dezelfde nationaliteit benoemen. Deze kan, in overleg met het Hoofd van het Parket, in een procedure optreden in de plaats van de advocaat-generaal. De magistraten blijven bij het Hof en het Parket in functie zolang zij in hun eigen land als zodanig in actieve dienst zijn. De magistraten, die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, kunnen hun functie bij het Hof blijven uitoefenen tot de leeftijd van zeventig jaar.

3.

Indien een magistraat niet langer voldoet aan de voorwaarden die gelden voor de uitoefening van zijn functie bij het Hof, stelt het Hof zulks vast. Indien een raadsheer, een plaatsvervangend raadsheer of een rechter, een plaatsvervangende rechter dan wel het Hoofd van het Parket ontslag vraagt, wordt dit ingediend bij de President, of, indien het om de President, een advocaat-generaal of een plaatsvervangende advocaat-generaal gaat, bij het Hoofd van het Parket. De President of het Hoofd van het Parket geeft hiervan kennis aan het Comité van Ministers. Het Comité van Ministers verleent daarvan akte. Hierdoor ontstaat de vacature.

4.

Voor magistraten, die lid blijven van het Hof en van het Parket ofschoon zij wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd niet langer deel uitmaken van de rechterlijke macht van hun eigen land, zijn de incompatibiliteiten van kracht, welke in hun eigen land voor de magistraten van het hoogste rechtscollege gelden. Zij blijven onderworpen aan het disciplinaire gezag dat in de wetgeving van hun eigen land is voorzien.

5.

De functies van President en van eerste en tweede vice-president van het Hof en tevens van de Eerste Kamer worden volgens nationaliteit bij toerbeurt vervuld voor een periode van drie jaar. Een aangevangen doch onderbroken mandaat van drie jaar moet worden voltooid door een raadsheer van dezelfde nationaliteit. De President, een eerste en een tweede vicepresident van verschillende nationaliteit worden door de algemene vergadering van het Hof bij absolute meerderheid van stemmen der aanwezige leden gekozen. De eerste verkiezing van de President van het Hof geschiedt evenwel bij absolute meerderheid van stemmen der door het Comité van Ministers als leden van het Hof aangewezen en in algemene vergadering aanwezige magistraten. De volgorde der nationaliteit voor het bekleden van het voorzitterschap en het vicevoorzitterschap, welke volgorde gedurende de eerste negen jaar van het bestaan van het Hof door middel van stemming zal worden bepaald, wordt vervolgens bij toerbeurt herhaald.

6.

De rechters kiezen uit hun midden volgens nationaliteit bij toerbeurt voor een periode van drie jaar de President, de eerste vice-president en de tweede vice-president van de Tweede Kamer. De verkiezing van de President van deze Kamer vindt plaats onmiddellijk na de verkiezing van de President van het Hof.

Een aangevangen doch onderbroken mandaat van drie jaar moet worden voltooid door een rechter van dezelfde nationaliteit.

7.

Het voorzitterschap van de Derde Kamer wordt bepaald in overeenstemming met de Aanvullende Protocollen bedoeld in artikel 1, lid 5.

8.

De functie van Hoofd van het Parket bij het Hof wordt volgens nationaliteit bij toerbeurt vervuld voor een periode van drie jaar. Een aangevangen doch onderbroken mandaat van drie jaar moet worden voltooid door een advocaat-generaal van dezelfde nationaliteit. De volgorde der nationaliteiten voor het bekleden van de functie van Hoofd van het Parket wordt gedurende de eerste negen jaar door leeftijd bepaald. Vervolgens wordt deze volgorde bij toerbeurt herhaald.

Artikel 3bis
1.

Het Hof wordt bijgestaan door een griffier en eventueel een of meer substituut-griffiers. De griffier dient doctor in de rechten, meester in de rechten (Nederland), licentiaat in de rechten (België), of houder van een als daaraan gelijkwaardig erkend diploma (Luxemburg) te zijn dan wel master in de rechten op basis van een diploma dat is behaald bij een universiteit, een instelling voor hoger onderwijs of een andere instelling met eenzelfde opleidingsniveau, die overeenkomstig de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat van de Europese Unie is aangewezen. Ten aanzien van de substituut-griffiers kan ook een ander universitair einddiploma worden aanvaard.

1bis. Een waarnemend griffier kan de taak van de griffier of substituut-griffiers waarnemen. Deze wordt aangetrokken uit de griffiers van de rechtscolleges genoemd in artikel 3, lid 1, onder (a), en door de President van het Hof benoemd op voordracht van het Hoofd van het Parket na instemming van het rechtscollege waarvoor betrokkene werkzaam is en waar deze verder zijn functie blijft uitoefenen.

2.

De griffier en de substituut-griffiers worden benoemd door het Comité van Ministers in overeenstemming met de President van het Hof en het Hoofd van het Parket; zij worden bij voorkeur gekozen uit de personeelsleden van het Secretariaat-Generaal van de Benelux Unie. In dat geval vervullen zij de functie van griffier of substituut-griffier naast hun functie bij het Secretariaat-Generaal, met inachtneming van de regeling bedoeld in het zevende lid van dit artikel. Hun benoeming tot griffier of substituut-griffier behoeft de instemming van de Secretaris-Generaal.

3.

Vanaf het ogenblik dat het aantal door het Hof te behandelen zaken het vervullen van de functie van griffier of substituut-griffier naast hun functie bij het Secretariaat-Generaal onmogelijk maakt, zal een griffie worden ingesteld op de zetel van het Hof te Luxemburg.

De Benelux Raad zal, eenmaal per jaar, op basis van een door het Hof opgesteld rapport, zich buigen over de ontwikkeling van het aantal door het Hof behandelde zaken teneinde zich over het ogenblik waarop de griffie te Luxemburg zal worden geopend, uit te spreken.

4.

De griffier en de substituut-griffiers worden op voordracht van het Hoofd van het Parket door het Comité van Ministers van hun functie ontheven in het belang van de dienst. Waarnemend griffiers worden op voordracht van het Hoofd van het Parket door de President van hun functie ontheven in het belang van de dienst. Het Hoofd van het Parket geeft van zijn voornemen tot het doen van deze voordracht kennis aan de betrokken griffier, substituut-griffier of waarnemend griffier. Het Hoofd van het Parket gaat tot deze voordracht niet over dan na de griffier, substituut-griffier of waarnemend griffier te hebben gehoord. Tegen de beslissing van het Comité van Ministers dan wel van de President kan de griffier of substituut-griffier respectievelijk waarnemend griffier, binnen twee maanden nadat deze aan hem is medegedeeld, beroep instellen bij de Eerste Kamer van het Hof, zoals bedoeld in artikel 4quinquies, lid 1, onder (a). Het Hof beoordeelt het beroep in volle omvang.

5.

Indien de algemene vergadering vaststelt dat de functie van de griffier of één of meer substituut-griffiers niet of niet meer gelijktijdig met andere of bepaalde andere functies kan worden uitgeoefend, stelt de President het Comité van Ministers daarvan in kennis. Indien het Comité van Ministers zich verenigt met het gevoelen van de algemene vergadering, neemt het de maatregelen die het nodig acht om de bezwaren weg te nemen.

6.

De griffier, de substituut-griffiers en de waarnemend griffiers, de leden van de aan de griffie verbonden vertaaldienst en het griffiepersoneel zijn onderworpen aan het disciplinair gezag van het Hof. De algemene vergadering stelt de op hen toepasselijke tuchtregeling vast en legt deze ter goedkeuring voor aan het Comité van Ministers.

7.

Voor zover diezelfde personen personeelslid zijn van het Secretariaat-Generaal, stelt het Comité van Ministers, op voorstel van de algemene vergadering, een regeling vast betreffende de verdeling van het gezag tussen het Hof en de Secretaris-Generaal, deze laatste gehoord.

Artikel 4
1.

De leden van het Hof en van het Parket oefenen hun ambt uit in alle onpartijdigheid en onafhankelijkheid.

2.

De President legt tijdens een algemene vergadering bijeengekomen in plenaire zitting, de eed af dat hij zijn ambt eerlijk, nauwgezet en onpartijdig zal vervullen en het geheim van de raadkamer zal bewaren. De leden van het Hof en van het Parket leggen dezelfde eed af in handen van de President.

3.

De griffier en de substituut-griffiers leggen in handen van de President de eed af, dat zij hun ambt eerlijk en nauwgezet zullen vervullen en het geheim van de raadkamer zullen bewaren.

4.

Voor de wijze van aflegging van de eed en de mogelijkheid deze door een belofte te vervangen, geldt de nationale wet van degene die de eed moet afleggen.

5.

De leden van het Hof en van het Parket alsmede de waarnemend griffiers genieten generlei vaste wedde. Zij ontvangen een door het Comité van Ministers vastgestelde vergoeding voor reis- en verblijfkosten. Het statuut, de salariëring, de vergoedingen en, voor zover nodig, de pensioenregeling, alsmede de reis- en verblijfskosten van de griffier, van de substituut-griffiers, van de leden van de aan de griffie verbonden vertaaldienst en van het griffiepersoneel worden op voorstel van de algemene vergadering vastgesteld door het Comité van Ministers. De uit de bepalingen van dit lid voortvloeiende kosten komen ten laste van de in artikel 13 van het Verdrag bedoelde begroting.

Artikel 4bis

Het Hof geniet rechtspersoonlijkheid. Het Hof wordt door de President vertegenwoordigd.

Artikel 4ter
1.

De lokalen en de vergaderingen van het Hof, alsmede de archieven van het Hof, waar deze zich ook bevinden, zijn onschendbaar.

2.

Behoudens in geval van overmacht mogen de lokalen en de vergaderingen van het Hof slechts met toestemming van de President of van een door hem aangewezen persoon worden betreden.

Artikel 4quater

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.