Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Maleisië inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden

Type Verdrag
Publication 1996-10-22
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Maleisië, partijen bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart,

Geleid door de wens een Overeenkomst te sluiten met het doel luchtdiensten in te stellen tussen en via hun onderscheiden grondgebieden,

Zijn als volgt overeengekomen:

Artikel 1

Tenzij uit de inhoud van deze Overeenkomst anders mocht blijken, hebben de volgende termen de daaraan hierbij toegekende betekenis:

Artikel 2

(1). Elke Overeenkomstsluitende Partij verleent aan de andere Overeenkomstsluitende Partij de in deze Overeenkomst omschreven rechten voor het instellen van luchtdiensten op de routes die zijn omschreven in het desbetreffende deel van de daaraan gehechte routetabel (hierna te noemen „de overeengekomen diensten” en „de omschreven routes”).

(2). Met inachtneming van de bepalingen van deze Overeenkomst genieten de door elke Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappijen bij de exploitatie van een overeengekomen dienst op een omschreven route de volgende voorrechten:

(3). Geen van de in lid 2 van dit artikel genoemde voorrechten wordt geacht de luchtvaartmaatschappijen van de ene Overeenkomstsluitende Partij het recht te geven tot het opnemen op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij van passagiers, vracht of post tegen vergoeding of beloning en bestemd voor een ander punt op het grondgebied van die andere Overeenkomstsluitende Partij.

Artikel 3

(1). Elke Overeenkomstsluitende Partij heeft het recht aan de andere Overeenkomstsluitende Partij schriftelijk mededeling te doen van de aanwijzing van een of meer luchtvaartmaatschappijen voor de exploitatie van de overeengekomen diensten op de omschreven routes.

(2). Na ontvangst van deze aanwijzing verleent de andere Overeenkomstsluitende Partij, met inachtneming van het bepaalde in de leden 3 en 4 van dit artikel, onverwijld de vereiste exploitatievergunning aan de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen.

(3). De luchtvaartautoriteiten van de ene Overeenkomstsluitende Partij kunnen eisen dat een door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij aantoont dat zij in staat is te voldoen aan de voorwaarden die worden gesteld bij de wetten en voorschriften welke die autoriteiten gewoonlijk en redelijkerwijze ten aanzien van de exploitatie van internationale luchtdiensten overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag toepassen op de exploitatie van internationale commerciële luchtdiensten.

(4). Elke Overeenkomstsluitende Partij heeft het recht geen genoegen te nemen met de aanwijzing van een luchtvaartmaatschappij en de in lid 2 van artikel 2 van dit Verdrag genoemde voorrechten aan een luchtvaartmaatschappij te onthouden of te ontnemen dan wel aan de uitoefening van die voorrechten door een luchtvaartmaatschappij die voorwaarden te verbinden welke zij noodzakelijk oordeelt in elk geval waarin niet ten genoegen van die Overeenkomstsluitende Partij is aangetoond dat een aanmerkelijk deel van de eigendom van en het daadwerkelijke toezicht op die luchtvaartmaatschappij berust bij de Overeenkomstsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij aanwijst, of bij haar onderdanen.

(5). Op elk tijdstip nadat aan de bepalingen van lid 1 en van lid 2 van dit artikel is voldaan kan een zodanig aangewezen en bevoegde luchtvaartmaatschappij een aanvang maken met de exploitatie van de overeengekomen diensten, mits ten aanzien van die diensten een overeenkomstig de bepalingen van artikel 7 van deze Overeenkomst vastgesteld tarief van kracht is.

(6). Elke Overeenkomstsluitende Partij heeft het recht de uitoefening van de rechten van een luchtvaartmaatschappij zoals bepaald in lid 2 van artikel 2 van deze Overeenkomst op te schorten of ten aanzien van de uitoefening van deze rechten de voorwaarden te stellen die zij noodzakelijk acht wanneer die luchtvaartmaatschappij de wetten en voorschriften van de Overeenkomstsluitende Partij die de rechten verleent niet nakomt of anderszins de exploitatie niet uitoefent volgens de door deze Overeenkomst gestelde voorwaarden, mits een zodanig recht slechts wordt uitgeoefend na overleg met de andere Overeenkomstsluitende Partij, tenzij onmiddellijke opschorting of het stellen van voorwaarden noodzakelijk is om hernieuwde inbreuken op de wetten of voorschriften te voorkomen.

Artikel 4

(1). Luchtvaartuigen die door de door een Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappijen op internationale diensten worden gebruikt, alsook hun normale uitrustingsstukken, reservedelen, voorraden motorbrandstof en smeermiddelen, proviand (met inbegrip van etenswaren, dranken en tabaksartikelen) die zich aan boord bevinden van die luchtvaartuigen, zijn bij binnenkomst op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij vrijgesteld van alle douanerechten, inspectiekosten en andere rechten en heffingen, onder voorwaarde dat die uitrustingsstukken en voorraden aan boord van de luchtvaartuigen blijven totdat zij weer worden uitgevoerd.

(2). Voorraden motorbrandstof, smeermiddelen, reservedelen, normale uitrustingsstukken en proviand, die op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij worden ingevoerd door of namens een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere Overeenkomstsluitende Partij, of aan boord genomen worden van door die aangewezen luchtvaartmaatschappij gebruikte luchtvaartuigen en die uitsluitend bestemd zijn voor gebruik bij de exploitatie van internationale diensten, zijn vrijgesteld van alle nationale rechten en heffingen, daaronder begrepen douanerechten en inspectiekosten die worden geheven op het grondgebied van de eerste Overeenkomstsluitende Partij, zelfs wanneer die voorraden moeten worden gebruikt op de gedeelten van de route die worden afgelegd boven het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partij waar zij aan boord zijn genomen. Verlangd kan worden dat de bovenvermelde goederen onder douanetoezicht en -controle blijven.

(3). De normale boorduitrustingsstukken, reservedelen, proviand en voorraden motorbrandstof en smeermiddelen die zich aan boord bevinden van de luchtvaartuigen van een der Overeenkomstsluitende Partijen, kunnen op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij slechts worden uitgeladen met toestemming van de douaneautoriteiten van dat grondgebied, die kunnen eisen dat die goederen onder hun toezicht worden gesteld, totdat ze weer worden uitgevoerd of overeenkomstig de douanevoorschriften een andere bestemming hebben gekregen.

(4). Motorbrandstof, smeermiddelen, reservedelen, normale uitrustingsstukken en proviand die door de ene Overeenkomstsluitende Partij aan boord van een luchtvaartuig worden genomen op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij, en uitsluitend gebruikt worden gedurende vluchten tussen twee punten op het grondgebied van de laatstgenoemde Overeenkomstsluitende Partij, zullen ten aanzien van douanerechten, inspectiekosten en andere dergelijke nationale of plaatselijke rechten en heffingen behandeld worden op een basis die niet minder gunstig is dan die welke op nationale luchtvaartmaatschappijen of de meest begunstigde luchtvaartmaatschappij die dergelijke vluchten uitvoert, van toepassing is.

Artikel 5

(1). De luchtvaartmaatschappijen van de beide Overeenkomstsluitende Partijen worden onbelemmerd en gelijkelijk in de gelegenheid gesteld de overeengekomen diensten op de omschreven routes tussen hun onderscheiden grondgebieden te exploiteren.

(2). De luchtvaartmaatschappijen van de beide Overeenkomstsluitende Partijen houden rekening met de belangen van de luchtvaartmaatschappijen van de andere Overeenkomstsluitende Partij teneinde de diensten welke laatstgenoemde maatschappij op dezelfde route of op een gedeelte daarvan onderhoudt, niet te zeer aan te tasten.

(3). De overeengekomen diensten welke door de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de Overeenkomstsluitende Partijen worden verzorgd, dienen nauwkeurig te worden afgestemd op de behoeften van het publiek aan vervoer op de omschreven routes en zij zullen voornamelijk ten doel hebben tegen een redelijke beladingsgraad voldoende gelegenheid te verschaffen tot het vervoer van passagiers, lading en post afkomstig van of bestemd voor het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen, daarbij rekening houdende met de huidige zowel als met de redelijkerwijze in de toekomst te verwachten behoeften. Voorzieningen in de behoeften voor het vervoer van passagiers, lading en post opgenomen of afgezet op punten op de omschreven routes op de grondgebieden van andere Staten dan die welke de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen, worden getroffen overeenkomstig de algemene beginselen dat er verband moet bestaan tussen de capaciteit en:

Artikel 6

Een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de ene Overeenkomstsluitende Partij mag alleen van een toestel van een andere capaciteit gebruik maken van een punt binnen het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij op voorwaarde dat:

Artikel 7

(1). De tarieven voor alle overeengekomen diensten worden vastgesteld op redelijk niveau, waarbij behoorlijk rekening wordt gehouden met alle in aanmerking komende factoren, daaronder begrepen de exploitatiekosten, een redelijke winst, de kenmerkende eigenschappen van de dienst (zoals maatstaven voor snelheid en accommodatie) en de tarieven van andere luchtvaartmaatschappijen voor enig gedeelte van de omschreven route. Deze tarieven worden vastgesteld overeenkomstig de hierna volgende bepalingen van dit artikel.

(2). De in lid 1 van dit artikel vermelde tarieven, evenals de tarieven van agentencommissies die daarop worden verleend, worden, indien mogelijk, ten aanzien van elk der omschreven routes in onderlinge overeenstemming vastgesteld door de betrokken aangewezen luchtvaartmaatschappijen, in overleg met andere luchtvaartmaatschappijen die een gehele route of een gedeelte daarvan exploiteren, en die overeenstemming dient, zo mogelijk, te worden bereikt door middel van de procedure van de „International Air Transport Association” ter vaststelling van de tarieven. De aldus overeengekomen tarieven worden aan de luchtvaartautoriteiten van de beide Overeenkomstsluitende Partijen ter goedkeuring voorgelegd.

(3). Indien de aangewezen luchtvaartmaatschappijen niet tot overeenstemming kunnen komen omtrent een van deze tarieven, of indien om een andere reden omtrent een tarief geen overeenstemming kan worden bereikt overeenkomstig de bepalingen van lid 2 van dit artikel, zullen de luchtvaartautoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen trachten in onderling overleg het tarief vast te stellen.

(4). Indien de luchtvaartautoriteiten niet tot overeenstemming kunnen komen omtrent de goedkeuring van een hun volgens lid 2 van dit artikel voorgelegd tarief of omtrent de vaststelling van een tarief volgens lid 3, wordt het geschil opgelost overeenkomstig de bepalingen van artikel 11 van deze Overeenkomst.

(5). Geen tarief zal van kracht worden indien de luchtvaartautoriteiten van een der Overeenkomstsluitende Partijen daarmede niet tevreden zijn, behoudens op grond van de bepalingen van lid 3 van artikel 11 van deze Overeenkomst.

(6). De overeenkomstig de bepalingen van dit artikel vastgestelde tarieven blijven van kracht totdat nieuwe tarieven zijn vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.

Artikel 8

Elke Overeenkomstsluitende Partij verleent de door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappijen het recht aan hun hoofdkantoren tegen de op de dag van de remise geldende officiële wisselkoers Maleisische dollars of ponden sterling over te maken tot het bedrag van de netto inkomsten in welke valuta deze ook verdiend mogen zijn.

Artikel 8 bis
1.

De Overeenkomstsluitende Partijen komen overeen elkaar de hulp te verlenen die nodig is ter voorkoming van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen en andere wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van luchtvaartuigen, luchthavens en luchtvaartvoorzieningen, alsmede elke andere bedreiging voor de veiligheid van de luchtvaart.

2.

Elke Overeenkomstsluitende Partij stemt ermee in de niet-discriminatoire en algemeen toepasselijke beveiligingsbepalingen na te leven die de andere Overeenkomstsluitende Partij voorschrijft voor de binnenkomst op het grondgebied van die andere Overeenkomstsluitende Partij en toereikende maatregelen te treffen om passagiers en hun handbagage aan controle te onderwerpen. Elke Overeenkomstsluitende Partij neemt tevens elk verzoek van de andere Overeenkomstsluitende Partij om bijzondere beveiligingsmaatregelen voor haar luchtvaartuigen of passagiers te nemen om het hoofd te bieden aan een specifieke dreiging, in welwillende overweging.

3.

De Overeenkomstsluitende Partijen handelen overeenkomstig de toepasselijke bepalingen inzake de beveiliging van de luchtvaart die zijn vastgesteld door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie. Indien een Overeenkomstsluitende Partij van deze bepalingen afwijkt, kan de andere Overeenkomstsluitende Partij verzoeken om overleg met die Overeenkomstsluitende Partij. Tenzij anders overeengekomen door de Overeenkomstsluitende Partijen, vangt dergelijk overleg aan binnen een termijn van zestig (60) dagen na de datum van ontvangst van een dergelijk verzoek. Indien zij er niet in slagen tot een bevredigende oplossing te komen, kan dit een grond vormen voor toepassing van artikel 11 van deze Overeenkomst.

4.

De Overeenkomstsluitende Partijen handelen overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen, ondertekend te Tokio op 14 september 1963, het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen, ondertekend te ’s-Gravenhage op 16 december 1970, en het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, ondertekend te Montreal op 23 september 1971, voor zover de Overeenkomstsluitende Partijen beide partij zijn bij deze verdragen.

5.

Wanneer een incident van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van een luchtvaartuig of andere wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van luchtvaartuigen, luchthavens en luchtvaartvoorzieningen plaatsvindt of dreigt plaats te vinden, verlenen de Overeenkomstsluitende Partijen elkaar bijstand door het vergemakkelijken van de communicatie teneinde snel en veilig een einde te maken aan een dergelijk incident of dergelijke dreiging.

Artikel 9

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.