Verdrag inzake de sluikhandel over zee, ter uitvoering van artikel 17 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen
De lidstaten van de Raad van Europa, die hun instemming tot uitdrukking hebben gebracht te worden gebonden door het op 20 december 1988 te Wenen tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, hierna te noemen „het Verdrag van Wenen”,
Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden;
Overtuigd van de noodzaak een gemeenschappelijk strafrechtelijk beleid te voeren dat is gericht op bescherming van de samenleving;
Overwegende dat de bestrijding van de zware criminaliteit, die een steeds groter internationaal probleem is geworden, een nauwe samenwerking vereist op internationaal niveau;
Geleid door de wens hun samenwerking zoveel mogelijk uit te breiden teneinde de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen over zee tegen te gaan, in overeenstemming met het internationale zeerecht en met volledige eerbiediging van het beginsel van vrijheid van scheepvaart;
Overwegende derhalve dat artikel 17 van het Verdrag van Wenen dient te worden aangevuld met een regionaal verdrag teneinde hieraan uitvoering te geven en de doeltreffendheid daarvan te vergroten,
Zijn het volgende overeengekomen:
HOOFDSTUK I. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
- a. „tussenkomende staat”: een staat die partij is en die een andere partij heeft verzocht dan wel voornemens is te verzoeken te worden gemachtigd om op grond van dit Verdrag maatregelen te nemen tegen een vaartuig dat de vlag voert of de nationaliteitskentekens toont van de andere staat die partij is;
- b. „primaire rechtsmacht”, wanneer een vlaggestaat alsmede een andere staat rechtsmacht heeft ten aanzien van een relevant strafbaar feit: het recht om zijn rechtsmacht bij voorrang uit te oefenen, met uitsluiting van de uitoefening van de rechtsmacht van de andere staat met betrekking tot het strafbare feit;
- c. „relevant strafbaar feit”: ieder strafbaar feit als omschreven in artikel 3, eerste lid, van het Verdrag van Wenen;
- d. „vaartuig”: een boot of schip van welke aard dan ook, met inbegrip van luchtkussenvaartuigen en onderzeeërs.
HOOFDSTUK II. INTERNATIONALE SAMENWERKING
TITEL 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 2. Algemene beginselen
De partijen werken zoveel mogelijk samen om, in overeenstemming met het internationale zeerecht, de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen over zee tegen te gaan.
Bij de tenuitvoerlegging van dit Verdrag zorgen de partijen ervoor dat hun optreden optimaal bijdraagt aan de doeltreffendheid van de dwangmiddelen ter bestrijding van de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen over zee.
Bij iedere maatregel die wordt genomen overeenkomstig dit Verdrag wordt naar behoren rekening gehouden met de noodzaak om, in overeenstemming met het internationale zeerecht, geen inbreuk te maken op of afbreuk te doen aan de rechten en verplichtingen en de uitoefening van de rechtsmacht van kuststaten.
Geen enkele bepaling van dit Verdrag mag zodanig worden uitgelegd dat daardoor inbreuk wordt gemaakt op het ne bis in idem beginsel, zoals dit in het nationale recht wordt toegepast.
De partijen erkennen het nut van het verzamelen en uitwisselen van informatie over vaartuigen, ladingen en feiten, indien zij van mening zijn dat deze uitwisseling van informatie een andere partij zou kunnen helpen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen over zee tegen te gaan.
De bepalingen van dit Verdrag laten de immuniteit van oorlogsschepen en andere staatsschepen die voor niet-commerciële doeleinden worden gebruikt onverlet.
Artikel 3. Rechtsmacht
Elke partij neemt de maatregelen die nodig zijn om haar rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de relevante strafbare feiten wanneer deze zijn begaan aan boord van een vaartuig dat haar vlag voert.
Voor de toepassing van dit Verdrag neemt elke partij de maatregelen die nodig zijn om haar rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de relevante strafbare feiten die zijn begaan aan boord van een vaartuig dat de vlag voert dan wel de nationaliteitskentekens toont of een andere nationaliteitsaanduiding voert van een andere partij bij dit Verdrag. Deze rechtsmacht kan slechts worden uitgeoefend in overeenstemming met dit Verdrag.
Voor de toepassing van dit Verdrag neemt elke partij de maatregelen die nodig zijn om haar rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de relevante strafbare feiten die zijn begaan aan boord van een vaartuig zonder nationaliteit of een vaartuig dat krachtens het internationale recht wordt gelijkgesteld met een vaartuig zonder nationaliteit.
De vlaggestaat heeft primaire rechtsmacht met betrekking tot ieder relevant strafbaar feit dat is begaan aan boord van zijn schip.
Elke staat kan bij de ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, dan wel op een later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, de andere partijen bij dit Verdrag mededelen welke criteria hij voornemens is te hanteren met betrekking tot de uitoefening van zijn rechtsmacht op grond van het tweede lid van dit artikel.
Iedere staat die geen oorlogsschepen of militaire luchtvaartuigen in dienst heeft, noch andere staatsschepen of -luchtvaartuigen die voor niet-commerciële doeleinden worden gebruikt, waarmee hij zou kunnen optreden als tussenkomende staat in de zin van dit Verdrag, kan bij de ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring mededelen dat hij het tweede en derde lid van dit artikel niet zal toepassen. Een staat die een dergelijke verklaring heeft afgelegd, is verplicht deze in te trekken wanneer de omstandigheden die dit voorbehoud rechtvaardigen, niet meer bestaan.
Artikel 4. Bijstand aan de vlaggestaat
Een partij die redelijke gronden heeft om te vermoeden dat een vaartuig dat haar vlag voert, betrokken is bij of wordt gebruikt voor het begaan van een relevant strafbaar feit, kan de bijstand van de andere partijen inroepen om een einde te maken aan het gebruik voor dat doel. De aldus aangezochte partijen verlenen deze bijstand met de middelen waarover zij beschikken.
In zijn verzoek kan de vlaggestaat onder meer de aangezochte partij machtigen om, met inachtneming van alle voorwaarden of beperkingen die daaraan kunnen worden gesteld, alle of enkele van de in dit Verdrag genoemde maatregelen te nemen.
Wanneer de aangezochte partij erin toestemt te handelen volgens de machtiging die haar door de vlaggestaat is verleend overeenkomstig het tweede lid, zijn de bepalingen van dit Verdrag betreffende de rechten en plichten van de tussenkomende staat en de vlaggestaat, al naar gelang en indien niet anders is bepaald, onderscheidenlijk op de aangezochte partij en de verzoekende partij van toepassing.
Artikel 5. Vaartuigen zonder nationaliteit
Een partij die redelijke gronden heeft om te vermoeden dat een vaartuig zonder nationaliteit of dat krachtens het internationale recht wordt gelijkgesteld met een vaartuig zonder nationaliteit, betrokken is bij of wordt gebruikt voor het begaan van een relevant strafbaar feit, doet hiervan mededeling aan de andere partijen die het meest rechtstreeks lijken te zijn betrokken en kan de bijstand van iedere partij inroepen om een einde te maken aan het gebruik voor dat doel. De aldus aangezochte partij verleent deze bijstand met de middelen waarover zij beschikt.
Wanneer een partij overeenkomstig het eerste lid informatie heeft ontvangen, en optreedt, gaat zij na welke maatregelen daartoe geschikt zijn en oefent zij haar rechtsmacht uit ten aanzien van ieder relevant strafbaar feit dat eventueel is begaan door personen aan boord van het vaartuig.
Iedere partij die maatregelen heeft genomen op grond van dit artikel, stelt de partij die de informatie heeft verstrekt of die haar bijstand heeft ingeroepen, zo spoedig mogelijk op de hoogte van de resultaten van alle maatregelen die zijn genomen ten aanzien van het vaartuig en van personen aan boord.
TITEL 2. MACHTIGINGSPROCEDURE
Artikel 6. Grondregels betreffende de machtiging
Wanneer de tussenkomende staat redelijke gronden heeft om te vermoeden dat een vaartuig dat de vlag voert of de nationaliteitskentekens toont van een andere partij dan wel een andere nationaliteitsaanduiding voert, betrokken is bij of wordt gebruikt voor het begaan van een relevant strafbaar feit, kan de tussenkomende staat de vlaggestaat verzoeken te worden gemachtigd om het vaartuig aan te houden en om aan boord te gaan buiten de territoriale wateren van enige partij en enkele of alle van de andere in dit Verdrag genoemde maatregelen te nemen. Dergelijke maatregelen kunnen op grond van dit Verdrag niet worden genomen zonder de machtiging van de vlaggestaat.
Artikel 7. Besluit inzake het verzoek om machtiging
De vlaggestaat bevestigt onmiddellijk de ontvangst van het in artikel 6 bedoelde verzoek om machtiging en deelt zo spoedig mogelijk en, voor zover mogelijk binnen vier uur na ontvangst van het verzoek, mede welk besluit hij heeft genomen naar aanleiding van het verzoek.
Artikel 8. Voorwaarden
Indien de vlaggestaat het verzoek inwilligt, kan deze machtiging worden onderworpen aan voorwaarden of beperkingen. In dergelijke voorwaarden of beperkingen kan met name worden bepaald dat de vlaggestaat uitdrukkelijk machtiging moet hebben verleend voordat de tussenkomende staat specifieke maatregelen neemt.
Elke staat kan bij de ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring verklaren dat hij, wanneer hij optreedt als tussenkomende staat, zijn tussenkomst afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de personen die zijn nationaliteit bezitten en die krachtens artikel 15 worden overgedragen aan de vlaggestaat en daar worden veroordeeld voor een relevant strafbaar feit, de mogelijkheid moeten hebben om te worden overgebracht naar de tussenkomende staat om de opgelegde straf te ondergaan.
TITEL 3. VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DE MAATREGELEN
Artikel 9. Toegestane maatregelen
Na de machtiging van de vlaggestaat te hebben ontvangen en met inachtneming van de eventuele krachtens artikel 8, eerste lid, daaraan verbonden voorwaarden en beperkingen, kan de tussenkomende staat de volgende maatregelen nemen:
- i.
- a. het vaartuig aanhouden en aan boord gaan;
- b. het vaartuig en iedere persoon aan boord onder zijn effectieve controle brengen;
- c. alle in dit artikel onder ii) bedoelde maatregelen nemen die noodzakelijk worden geacht om vast te stellen of een relevant strafbaar feit is begaan en om het bewijsmateriaal dat daarop betrekking heeft in beslag te nemen;
- d. het vaartuig en iedere persoon aan boord dwingen zich te doen begeleiden naar het grondgebied van de tussenkomende staat en het vaartuig vast te houden teneinde een nader onderzoek in te stellen;
- ii. en, na het vaartuig onder zijn effectieve controle te hebben gebracht:
- a. het vaartuig alsmede iedere persoon en ieder voorwerp aan boord, met inbegrip van de lading, aan een onderzoek onderwerpen;
- b. iedere container openen of doen openen, testen uitvoeren en monsters nemen van alles wat zich aan boord bevindt;
- c. iedere persoon aan boord verlangen om informatie omtrent hemzelf of omtrentiedervoorwerp dat zich aan boord bevindt;
- d. eisen dat documenten, boeken of registers worden overgelegd die betrekking hebben op het vaartuig of personen of voorwerpen aan boord, en foto's nemen of kopieën maken van al datgene waarvan de overlegging kan worden geëist door de bevoegde autoriteiten;
- e. alle aan boord van het vaartuig aangetroffen bewijsmiddelen of materiaal in beslag nemen, veiligstellen en bewaren.
Iedere maatregel genomen krachtens het eerste lid van dit artikel laat onverlet ieder krachtens de wetgeving van de tussenkomende staat bestaand recht van de verdachte om niet mee te werken aan zijn eigen veroordeling.
Artikel 10. Uitvoeringsmaatregelen
Indien, naar aanleiding van maatregelen genomen uit hoofde van artikel 9, de tussenkomende staat over bewijsmateriaal beschikt betreffende een begaan relevant strafbaar feit, welk bewijsmateriaal overeenkomstig zijn wetgeving de aanhouding van de betrokkenen of de vasthouding van het vaartuig, dan wel beide, zou rechtvaardigen, kan hij hiertoe overgaan.
De tussenkomende staat stelt de vlaggestaat onverwijld in kennis van de ingevolge het eerste lid hierboven genomen maatregelen.
Het vaartuig mag niet langer worden vastgehouden dan strikt noodzakelijk is om het onderzoek betreffende de relevante strafbare feiten af te ronden. Wanneer er redelijke gronden zijn om te vermoeden dat de eigenaars van het vaartuig rechtstreeks zijn betrokken bij een relevant strafbaar feit, kunnen het vaartuig en de lading nog worden vastgehouden na afronding van het onderzoek. Personen die niet van een relevant strafbaar feit worden verdacht, worden in vrijheid gesteld en voorwerpen die niet als bewijsmiddel kunnen dienen, worden teruggegeven.
Niettegenstaande de bepalingen van het voorgaande lid, kunnen de tussenkomende staat en de vlaggestaat met een derde staat die partij is bij dit Verdrag overeenkomen dat het vaartuig wordt begeleid naar het grondgebied van die derde staat; zodra het vaartuig zich op dat grondgebied bevindt, wordt de derde staat voor de toepassing van dit Verdrag als tussenkomende staat beschouwd.
Artikel 11. Tenuitvoerlegging van maatregelen
De maatregelen genomen krachtens de artikelen 9 en 10 worden beheerst door de wetgeving van de tussenkomende staat.
De maatregelen genomen krachtens artikel 9, eerste lid, letters a, b en d, worden slechts ten uitvoer gelegd door oorlogsschepen of militaire luchtvaartuigen, dan wel door andere vaartuigen of luchtvaartuigen die duidelijke merktekens tonen waaruit blijkt dat zij in staatsdienst zijn en dat zij hiertoe gemachtigd zijn.
- a. Een ambtenaar van de tussenkomende staat mag in de vlaggestaat niet worden vervolgd wegens in de uitoefening van zijn functie verrichte handelingen. In een dergelijk geval is de ambtenaar vatbaar voor vervolging in de tussenkomende staat alsof de feiten die het strafbare feit opleveren binnen de rechtsmacht van die staat waren begaan.
- b. In alle in de vlaggestaat ingestelde procedures worden strafbare feiten die zijn gericht tegen een ambtenaar van de tussenkomende staat met betrekking tot maatregelen die zijn uitgevoerd ingevolge de artikelen 9 en 10, geacht te zijn gericht tegen een ambtenaar van de vlaggestaat.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.