Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Montenegro, anderzijds
Artikel 18. Reglement van orde, gedragscode en wijziging van dit protocol
De Stabilisatie- en associatieraad stelt uiterlijk 6 maanden na de inwerkingtreding van dit protocol het reglement van orde vast voor het verloop van de werkzaamheden van het arbitragepanel.
De Stabilisatie- en associatieraad stelt uiterlijk 6 maanden na de inwerkingtreding van dit protocol aanvullend bij het reglement van orde een gedragscode vast om de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de scheidsrechters te waarborgen.
De Stabilisatie- en associatieraad kan besluiten dit protocol te wijzigen.
Artikel 1
Montenegro mag deelnemen aan de volgende communautaire programma’s:
- a. de programma’s die worden opgesomd in de bijlage bij de kaderovereenkomst tussen de Gemeenschap en Servië en Montenegro inzake de algemene beginselen voor de deelname van Servië en Montenegro aan communautaire programma’s1)PB L 192 van 22.7.2005, blz. 29. ,
- b. de programma’s die na 27 juli 2005 werden ingesteld of verlengd en die een openstellingsclausule bevatten die in de deelname van Montenegro voorziet.
Artikel 2
Montenegro verstrekt een financiële bijdrage aan de algemene begroting van de Europese Unie in overeenstemming met de specifieke programma’s waaraan het deelneemt.
Artikel 3
Vertegenwoordigers van Montenegro mogen als waarnemers de vergaderingen bijwonen van de comités van beheer die belast zijn met het toezicht op de programma’s waaraan Montenegro een financiële bijdrage levert, voor zover deze betrekking hebben op de onderwerpen die Montenegro aangaan.
Artikel 4
Ten aanzien van projecten en initiatieven die door deelnemers uit Montenegro worden ingediend, gelden in het kader van de betrokken programma’s voor zover mogelijk dezelfde voorwaarden, regels en procedures als voor de lidstaten.
Artikel 5
De specifieke voorwaarden voor de deelname van Montenegro aan elk afzonderlijk programma, in het bijzonder de verschuldigde financiële bijdrage, wordt vastgesteld bij een overeenkomst in de vorm van een memorandum van overeenstemming tussen de Europese Commissie, die optreedt namens de Gemeenschap, en Montenegro.
Indien Montenegro verzoekt om externe bijstand van de Gemeenschap overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1085/2006 van de Raad van 17 juli 2006 tot invoering van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA)2)PB L 210 van 31.7.2006, blz. 82. , dan wel overeenkomstig een eventuele toekomstige soortgelijke verordening waarin in externe communautaire bijstand voor Montenegro mocht worden voorzien, worden de voorwaarden voor het gebruik door Montenegro van de bijstand van de Gemeenschap vastgesteld in een financieringsmemorandum.
Artikel 6
Overeenkomstig het financieel reglement van de Gemeenschap wordt in het memorandum van overeenstemming bepaald dat door of op gezag van de Europese Commissie, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen financiële controles of audits worden verricht.
Er worden gedetailleerde bepalingen vastgesteld inzake financiële controle en audits, administratieve maatregelen, sancties en invordering, waarbij aan de Europese Commissie, OLAF en de Rekenkamer bevoegdheden worden toegekend die gelijkwaardig zijn met hun bevoegdheden ten aanzien van begunstigden of contractanten die in de Gemeenschap zijn gevestigd.
Artikel 7
Uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst, en vervolgens iedere drie jaar, kan de Stabilisatie- en associatieraad de tenuitvoerlegging van dit protocol evalueren aan de hand van de werkelijke deelname van Montenegro aan een of meer communautaire programma’s.
GEDAAN te Luxemburg, de vijftiende oktober 2007.
Artikel 1. Toepasselijke regels van oorsprong
Voor de toepassing van deze overeenkomst zijn aanhangsel I en de relevante bepalingen van aanhangsel II van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels1)PbEU L 54 van 26.2.2013, blz. 4. („de conventie”), van toepassing.
Alle verwijzingen naar de „desbetreffende overeenkomst” in aanhangsel I en in de desbetreffende bepalingen van aanhangsel II van de Conventie gelden als verwijzingen naar deze overeenkomst.
Artikel 2. Geschillenregeling
Indien er een geschil ontstaat in verband met de controleprocedures in artikel 32 van aanhangsel I van de conventie dat niet kan worden opgelost door de douaneautoriteit die de controle heeft aangevraagd en de douaneautoriteit die de controle moet uitvoeren, wordt het aan de Stabilisatie- en associatieraad voorgelegd.
In alle gevallen is de wetgeving van het land van invoer van toepassing op de regeling van geschillen tussen een importeur en de douaneautoriteiten van het land van invoer.
Artikel 3. Wijzigingen van het protocol
De Stabilisatie- en associatieraad kan besluiten bepalingen van dit protocol te wijzigen.
Artikel 4. Opzegging van de conventie
Indien ofwel de Europese Unie ofwel Montenegro de depositaris van de conventie schriftelijk te kennen geeft de conventie op grond van artikel 9 te willen opzeggen, onderhandelen de Europese Unie en Montenegro onmiddellijk over oorsprongsregels voor de toepassing van deze overeenkomst.
Tot de inwerkingtreding van deze nieuw overeengekomen oorsprongsregels, blijven op deze overeenkomst de op het moment van opzegging geldende oorsprongsregels in aanhangsel I en, in voorkomend geval, de relevante bepalingen van aanhangsel II van de conventie van toepassing. Vanaf de opzegging worden de oorsprongsregels in aanhangsel I en, in voorkomend geval, de relevante bepalingen van aanhangsel II van de conventie echter zo uitgelegd dat zij uitsluitend bilaterale cumulatie tussen de Europese Unie en Montenegro toestaan.
Artikel 5. Overgangsbepalingen – cumulatie
Niettegenstaande artikel 3 van aanhangsel I van de conventie blijven de in de artikelen 3 en 4 van protocol nr. 3 bij deze overeenkomst vastgestelde regels betreffende cumulatie, zoals goedgekeurd door de Europese Unie en Montenegro bij het sluiten van de overeenkomst2)PbEU L 108 van 29.4.2010, blz. 3., van toepassing tussen de partijen bij deze overeenkomst tot de conventie voor alle in die artikelen genoemde overeenkomstsluitende partijen bij de conventie van toepassing is geworden.
Niettegenstaande artikel 16, lid 5, en artikel 21, lid 3, van aanhangsel I van de conventie mag het bewijs van oorsprong een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of een oorsprongsverklaring zijn indien bij de cumulatie alleen EVA-landen, de Faeröer, de Europese Unie, Turkije en de deelnemers aan het stabilisatie- en associatieproces zijn betrokken.
Artikel 1. Doel
Het doel van dit protocol is de samenwerking tussen de partijen inzake het vervoer over land, in het bijzonder het transitoverkeer, te bevorderen en in dat verband toe te zien op gecoördineerde ontwikkeling van het vervoer door en via de grondgebieden van de partijen, door middel van de volledige en coherente toepassing van alle bepalingen van dit protocol.
Artikel 2. Toepassingsgebied
De samenwerking heeft betrekking op het vervoer over land, met name het wegvervoer, het spoorvervoer en het gecombineerde vervoer, alsmede de desbetreffende infrastructuur.
In dit verband omvat het toepassingsgebied van dit protocol in het bijzonder:
- –. de vervoersinfrastructuur op het grondgebied van elk der beide partijen, voor zover noodzakelijk om de doelstellingen van dit protocol te verwezenlijken,
- –. de toegang tot de markt van het wegvervoer, op basis van wederkerigheid,
- –. de onontbeerlijke begeleidende maatregelen van juridische en administratieve aard, met inbegrip van maatregelen op commercieel, fiscaal, sociaal en technisch gebied,
- –. samenwerking bij het ontwikkelen van een vervoerssysteem dat aan milieueisen voldoet,
- –. regelmatige uitwisseling van informatie over de ontwikkeling van het vervoersbeleid van de partijen, met bijzondere aandacht voor de vervoersinfrastructuur.
Artikel 3. Definities
Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:
- a. „communautair transitoverkeer”: de doorvoer van goederen over het grondgebied van Montenegro door een in de Gemeenschap gevestigde transporteur vanuit of naar een lidstaat van de Gemeenschap;
- b. „Montenegrijns transitoverkeer”: de doorvoer van goederen over het grondgebied van de Gemeenschap, door een in Montenegro gevestigde transporteur, van Montenegro naar een derde land of van een derde land naar Montenegro;
- c. „gecombineerd vervoer”: goederenvervoer waarbij de vrachtwagen, de aanhangwagen, de oplegger met of zonder trekker, de wissellaadbak of de container van 20 voet of meer gebruik maakt van de weg voor het eerste of het laatste gedeelte van het traject, en voor het andere gedeelte van het spoor of de binnenwateren, of van een zeetraject wanneer dat traject meer bedraagt dan 100 km hemelsbreed gemeten, en het begin- of het eindvervoer over de weg verricht;
- –. hetzij tussen de laadplaats van de goederen en het dichtstbij gelegen geschikte spoorwegstation van inlading, voor wat het beginvervoer betreft, en tussen het dichtstbij gelegen geschikte spoorwegstation van uitlading en de losplaats van de goederen, voor wat het eindvervoer betreft;
- –. hetzij binnen een afstand van ten hoogste 150 km hemelsbreed gemeten, vanaf de rivier- of zeehaven van in- of van uitlading.
INFRASTRUCTUUR
Artikel 4. Algemene bepaling
De overeenkomstsluitende partijen komen overeen maatregelen voor de ontwikkeling van de vervoersinfrastructuur te nemen en op elkaar af te stemmen, als een wezenlijk middel om de problemen op te lossen die zich voordoen in het goederenvervoer door Montenegro, met name op de wegen 1, 2b, 4 en 6 die respectievelijk de verbinding vormen tussen de grens met Kroatië en Bar, tussen de grens met Bosnië en Herzegovina en de grens met Albanië, tussen de grens met Servië en Misici en tussen Ribaravina en Bac op de grens met Servië; de spoorwegen 2 en 4 die Podgorica verbinden met de grens met Albanië en de grens met Servië met Bar; de haven van Bar en het vliegveld van Podgorica, die deel uitmaken van het fundamentele netwerk voor transportinfrastructuur als gedefinieerd in het memorandum van overeenstemming waarnaar wordt verwezen in artikel 5.
Artikel 5. Planning
De ontwikkeling van een multimodaal regionaal vervoersnetwerk op het grondgebied van Montenegro dat aan de behoeften van Montenegro en van Zuidoost-Europa voldoet en de belangrijkste weg- en spoorwegverbindingen, binnenwateren, binnenhavens, havens, luchthavens en andere relevante knooppunten van het netwerk omvat, is voor de Gemeenschap en voor Montenegro van bijzonder belang. Dit netwerk is gedefinieerd in het memorandum van overeenstemming voor de ontwikkeling van een fundamenteel netwerk voor transportinfrastructuur voor Zuidoost-Europa dat in juni 2004 door de ministers van de regio en de Europese Commissie werd ondertekend. De ontwikkeling van het netwerk en de selectie van de prioriteiten worden doorgevoerd door een stuurgroep met vertegenwoordigers van alle ondertekenende partijen.
Artikel 6. Financiële aspecten
De Gemeenschap kan, in het kader van artikel 116 van de overeenkomst, financieel bijdragen aan de uitvoering van de noodzakelijke in artikel 5 bedoelde infrastructuurwerken. Zij kan deze bijdrage verstrekken in de vorm van kredieten van de Europese Investeringsbank, en op elke andere wijze waarop zij nog meer middelen kan vrijmaken.
Om de werkzaamheden te bespoedigen, zal de Europese Commissie zoveel mogelijk trachten het gebruik van andere aanvullende middelen te bevorderen, zoals investeringen van lidstaten van de Gemeenschap op bilaterale basis of met gebruikmaking van openbare of particuliere middelen.
VERVOER PER SPOOR EN GECOMBINEERD VERVOER
Artikel 7. Algemene bepaling
De partijen nemen de nodige maatregelen voor de ontwikkeling en de bevordering van het vervoer per spoor en van het gecombineerde vervoer en stemmen deze op elkaar af, met het doel een groot deel van het bilaterale verkeer met en het transitoverkeer door Montenegro in de toekomst op milieuvriendelijker wijze te doen plaatsvinden.
Artikel 8. Bijzondere aspecten met betrekking tot de infrastructuur
In het kader van de modernisering van de Montenegrijnse spoorwegen moet het nodige worden gedaan om deze aan het gecombineerde vervoer aan te passen, met bijzondere aandacht voor de ontwikkeling of aanleg van terminals, de afmetingen van de tunnels en de capaciteit, waarvoor aanzienlijke investeringen vereist zijn.
Artikel 9. Ondersteunende maatregelen
De partijen nemen alle nodige maatregelen ter bevordering van de ontwikkeling van gecombineerd vervoer.
Deze maatregelen hebben ten doel:
- –. gebruikers en expediteurs aan te moedigen van gecombineerd vervoer gebruik te maken;
- –. het gecombineerde vervoer concurrerend te maken ten opzichte van het wegvervoer, met name door middel van financiële steun van de Gemeenschap of Montenegro in het kader van hun respectieve wetgevingen;
- –. het gebruik van gecombineerd vervoer over lange afstanden te bevorderen en met name het gebruik van wissellaadbakken, containers en vervoer zonder begeleiding in het algemeen te bevorderen;
- –. de snelheid en betrouwbaarheid van gecombineerd vervoer te verbeteren, in het bijzonder door:
- –. de frequentie van konvooien te verhogen en aan de behoeften van de expediteurs en gebruikers aan te passen,
- –. de wachttijden bij terminals te bekorten en de productiviteit ervan op te voeren,
- –. het gecombineerde vervoer toegankelijker te maken door belemmeringen op toegangswegen op gepaste wijze weg te nemen,
- –. het gewicht, de afmetingen en de technische kenmerken van het gespecialiseerde materiaal indien nodig te harmoniseren, en met name te zorgen voor de nodige compatibiliteit van de afmetingen, en overleg te plegen bij de bestelling en het in bedrijf nemen van het als gevolg van de ontwikkeling van het verkeer vereiste materieel,
- –. en in het algemeen alle andere passende maatregelen te nemen.
Artikel 10. Rol van de spoorwegen
In het licht van de verdeling van de bevoegdheden tussen de staat en de spoorwegen doen de partijen hun spoorwegmaatschappijen de aanbeveling om voor zowel het personen- als het goederenvervoer:
- –. de bilaterale en multilaterale samenwerking en de samenwerking in het kader van internationale spoorwegorganisaties op alle gebieden te versterken, in het bijzonder ten aanzien van de verbetering van de kwaliteit en de veiligheid van de vervoersdiensten;
- –. gezamenlijk te streven naar een organisatie van de spoorwegen die expediteurs ertoe aanmoedigt hun goederen per spoor in plaats van over de weg te vervoeren, met name voor transitodoeleinden, op basis van eerlijke concurrentie en met behoud van de vrije keuze van de gebruiker;
- –. de deelname van Montenegro aan de tenuitvoerlegging en toekomstige ontwikkeling van het acquis van de Gemeenschap op het gebied van de ontwikkeling van de spoorwegen voor te bereiden.
VERVOER OVER DE WEG
Artikel 11. Algemene bepalingen
Wat de toegang tot elkaars vervoersmarkt betreft, komen de partijen overeen in het beginstadium en onverminderd lid 2 de regeling te handhaven die voortvloeit uit bilaterale overeenkomsten of andere internationale bilaterale verdragen die tussen de lidstaten van de Gemeenschap en Montenegro zijn gesloten of, bij het ontbreken van dergelijke overeenkomsten of verdragen, uit de feitelijke situatie in 1991.
In afwachting van de sluiting van een overeenkomst tussen de Gemeenschap en Montenegro over de toegang tot de markt van het wegvervoer, zoals in artikel 12 bepaald, en over wegenbelasting, zoals in artikel 13, lid 2, bepaald, werkt Montenegro samen met de lidstaten van de Gemeenschap om deze bilaterale overeenkomsten aan te passen aan dit protocol.
De partijen komen overeen met ingang van de datum waarop deze overeenkomst in werking treedt, het communautaire transitoverkeer onbeperkt toegang te verlenen tot Montenegro en het Montenegrijnse transitoverkeer onbeperkt toegang te verlenen tot de Gemeenschap.
Indien als gevolg van de krachtens lid 2 verleende rechten het communautaire transitoverkeer over de weg in zodanige mate toeneemt dat aan de wegeninfrastructuur en/of de doorstroming van het verkeer op de in artikel 5 bedoelde verbindingen daardoor ernstige schade wordt toegebracht of dreigt te worden toegebracht, en zich onder deze zelfde omstandigheden problemen voordoen op het grondgebied van de Gemeenschap in de nabijheid van de grenzen met Montenegro, wordt de kwestie voorgelegd aan de Stabilisatie- en associatieraad overeenkomstig artikel 121 van de overeenkomst. De partijen kunnen voorstellen doen voor uitzonderlijke tijdelijke, niet-discriminerende maatregelen die noodzakelijk zijn om deze schade te verminderen of te beperken.
Indien de Gemeenschap voorschriften vaststelt om de verontreiniging door in de Europese Unie geregistreerde vrachtwagens te verminderen, zijn gelijkwaardige voorschriften van toepassing op in Montenegro geregistreerde vrachtwagens die op het grondgebied van de Gemeenschap aan het verkeer wensen deel te nemen. De Stabilisatie- en associatieraad beslist over de noodzakelijke modaliteiten.
De partijen onthouden zich van alle eenzijdige maatregelen of handelingen die tot discriminatie tussen vervoerders of voertuigen uit de Gemeenschap en vervoerders of voertuigen uit Montenegro zouden kunnen leiden. Zij nemen alle dienstige maatregelen om het wegvervoer naar of in transito over het grondgebied van de andere overeenkomstsluitende partij te vergemakkelijken.
Artikel 12. Markttoegang
De partijen verbinden zich bij voorrang ertoe samen te werken om, behoudens hun interne voorschriften, te streven naar:
- –. regelingen ter bevordering van een vervoersstelsel dat beantwoordt aan de behoeften van beide partijen en dat enerzijds verenigbaar is met de voltooiing van de interne markt van de Gemeenschap en het gemeenschappelijke vervoersbeleid, en anderzijds met de economische politiek en het vervoersbeleid van Montenegro;
- –. een definitieve regeling voor de toekomstige toegang tot elkaars wegvervoersmarkt op basis van wederkerigheid.
Artikel 13. Belastingen, tol en andere heffingen
De partijen erkennen dat belastingen, tol en andere heffingen ten laste van de wegvoertuigen van beide partijen vrij moeten zijn van discriminatie.
De partijen openen onderhandelingen om zo snel mogelijk tot een overeenkomst te komen inzake wegenbelasting, op basis van de regels die de Gemeenschap op dit gebied heeft vastgesteld. Deze overeenkomst is met name gericht op vrije doorstroming van het grensoverschrijdende verkeer, geleidelijke opheffing van de verschillen tussen de wegenbelastingstelsels van de partijen en het voorkomen van concurrentievervalsing ten gevolge van deze verschillen.
In afwachting van de resultaten van de in lid 2 bedoelde onderhandelingen nemen de partijen de discriminatie weg tussen vrachtvervoerders uit de Gemeenschap en uit Montenegro bij de toepassing van belastingen en heffingen op het verkeer en/of het bezit van vrachtwagens en van alle speciale belastingen en heffingen op het vervoer over het grondgebied van de partijen. Montenegro verbindt zich ertoe de Europese Commissie op verzoek het bedrag aan belastingen, tol en andere heffingen die het toepast mede te delen, alsmede de methode die voor de berekening daarvan wordt toegepast.
Tot de in lid 2 en artikel 12 bedoelde overeenkomsten zijn gesloten, kunnen na de inwerkingtreding van deze overeenkomst voorgestelde wijzigingen van fiscale heffingen, tolheffing en andere heffingen op het communautaire transitoverkeer door Montenegro, alsmede van de systemen voor de inning ervan, niet eerder worden ingevoerd dan na overleg.
Artikel 14. Afmetingen en gewichten
Montenegro aanvaardt dat wegvoertuigen die beantwoorden aan de communautaire normen voor afmetingen en gewichten vrij en zonder beperking ter zake aan het verkeer op de in artikel 5 bedoelde wegen mogen deelnemen. Tot zes maanden na de inwerkingtreding van deze overeenkomst wordt op wegvoertuigen die niet aan de bestaande normen van Montenegro voldoen een speciale niet-discriminerende heffing toegepast, die evenredig is met de schade die door de hogere asdruk wordt veroorzaakt.
Montenegro streeft ernaar zijn huidige regelgeving en normen voor wegenaanleg uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst te harmoniseren met de wetgeving die in de Gemeenschap geldt, en neemt vergaande maatregelen ter verbetering van de in artikel 5 bedoelde wegen, zodat deze binnen de voorgestelde termijn voldoen aan deze nieuwe regelgeving en normen, een en ander in overeenstemming met zijn financiële mogelijkheden.
Artikel 15. Milieu
Met het oog op de bescherming van het milieu streven de partijen ernaar normen voor de uitstoot van gassen en deeltjes en voor het geluidsniveau van vrachtwagens in te voeren die een hoog niveau van bescherming bieden.
Teneinde de industrie duidelijke aanwijzingen te verschaffen en coördinatie bij onderzoek, planning en productie te bevorderen, dienen afwijkende nationale normen op dit gebied te worden vermeden. Voertuigen die voldoen aan de normen die zijn vastgesteld bij internationale overeenkomsten die tevens betrekking hebben op het milieu, mogen zonder verdere beperkingen aan het verkeer op het grondgebied van de partijen deelnemen.
Bij de invoering van nieuwe normen plegen de partijen overleg teneinde bovengenoemde doelstellingen te bereiken.
Artikel 16. Sociale aspecten
Montenegro harmoniseert zijn wetgeving inzake de scholing van vrachtwagenbestuurders, met name wat het vervoer van gevaarlijke stoffen betreft, met de normen van de Europese Gemeenschap.
Montenegro, dat partij is bij de Europese overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanning van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (ERTA), en de Gemeenschap coördineren zo nauw mogelijk hun beleid inzake rijtijden, onderbrekingen en rustperioden van de bestuurders en de samenstelling van de bemanning, in overeenstemming met de toekomstige ontwikkeling van de sociale wetgeving op dit gebied.
De partijen werken samen bij de tenuitvoerlegging en handhaving van de sociale wetgeving op het gebied van het wegvervoer.
De partijen zien toe op de gelijkwaardigheid van hun respectieve wetgeving met betrekking tot de toegang tot het beroep van wegvervoerder, zulks met het oog op wederzijdse erkenning.
Artikel 17. Bepalingen betreffende het verkeer
De partijen wisselen hun ervaringen uit en streven ernaar hun wetgeving te harmoniseren teneinde een betere doorstroming van het verkeer tijdens spitsperioden (weekeinden, feestdagen en het vakantieseizoen) te bewerkstelligen.
In het algemeen bevorderen de partijen de invoering, ontwikkeling en coördinatie van een informatiesysteem voor het wegverkeer.
Zij streven naar harmonisatie van hun wetgeving betreffende het vervoer van aan bederf onderhevige goederen, levende dieren en gevaarlijke stoffen.
De partijen streven tevens naar harmonisatie van de technische hulpverlening aan bestuurders, de verspreiding van belangrijke verkeersinformatie en andere voor het toerisme nuttige zaken, en eerste hulp bij ongelukken, inclusief ambulancediensten.
Artikel 18. Verkeersveiligheid
Uiterlijk op het einde van het tweede jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst harmoniseert Montenegro zijn wetgeving inzake verkeersveiligheid, met name ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen, met die van de Gemeenschap.
Montenegro, als partij bij de Europese Overeenkomst betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, en de Gemeenschap coördineren hun beleid inzake het vervoer van gevaarlijke goederen zo nauw mogelijk.
De partijen werken samen bij de tenuitvoerlegging en handhaving van de wetgeving inzake verkeersveiligheid, met name wat betreft rijbewijzen en maatregelen om verkeersongevallen terug te dringen.
VEREENVOUDIGING VAN FORMALITEITEN
Artikel 19. Vereenvoudiging van formaliteiten
De partijen komen overeen het goederenvervoer per spoor en over de weg, zowel bilateraal als in transito, te vereenvoudigen.
De partijen komen overeen onderhandelingen te openen met het oog op sluiting van een overeenkomst betreffende vereenvoudiging van de controles en formaliteiten in het goederenvervoer.
De partijen komen overeen waar nodig verdere vereenvoudigingsmaatregelen aan te moedigen en hiertoe gezamenlijk actie te ondernemen.
SLOTBEPALINGEN
Artikel 20. Verruiming van het toepassingsgebied
Indien één van de partijen bij de toepassing van dit protocol tot de conclusie komt dat andere maatregelen, die niet onder het toepassingsgebied van dit protocol vallen, in het belang van een gecoördineerd Europees vervoersbeleid zijn en met name het probleem van het transitoverkeer kunnen helpen oplossen, dan legt zij de andere partij voorstellen voor zulke maatregelen voor.
Artikel 21. Uitvoering
De samenwerking tussen de partijen vindt plaats in het kader van een speciaal subcomité, dat overeenkomstig artikel 123 van deze overeenkomst zal worden opgericht.
De taken van dit subcomité zijn in het bijzonder:
- a. het formuleren van plannen voor samenwerking op het gebied van vervoer per spoor, gecombineerd vervoer, onderzoek op vervoersgebied en milieu;
- b. het analyseren van de toepassing van de bepalingen van dit protocol en het doen van aanbevelingen aan het Stabilisatie- en associatiecomité voor passende oplossingen voor problemen die zich kunnen voordoen;
- c. het evalueren, twee jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst, van de stand van zaken wat de verbetering van de infrastructuur en de gevolgen van het vrije transitoverkeer betreft;
- d. het coördineren van de activiteiten op het gebied van controle, prognoses en ander statistisch werk betreffende het internationale vervoer, met name het transitoverkeer.
Artikel 1. Definities
Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:
- a. „douanewetgeving”: de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die op het grondgebied van de partijen van toepassing zijn op de invoer, de uitvoer en de doorvoer van goederen en de plaatsing daarvan onder andere douaneregelingen of -procedures, met inbegrip van verbods-, beperkings- en controlemaatregelen;
- b. „verzoekende autoriteit”: een bevoegde administratieve autoriteit die hiertoe door een overeenkomstsluitende partij is aangewezen en die op grond van dit protocol een verzoek om bijstand indient;
- c. „aangezochte autoriteit”: een bevoegde administratieve autoriteit die hiertoe door een overeenkomstsluitende partij is aangewezen en die op grond van dit protocol een verzoek om bijstand ontvangt;
- d. „persoonsgegevens”: alle inlichtingen over een bepaalde of te bepalen natuurlijke persoon;
- e. „met de douanewetgeving strijdige handeling”: elke overtreding of poging tot overtreding van de douanewetgeving.
Artikel 2. Toepassingsgebied
De overeenkomstsluitende partijen verlenen elkaar bijstand, op de onder hun bevoegdheid vallende gebieden, en op de wijze en op de voorwaarden als bij dit protocol vastgesteld, om ervoor te zorgen dat de douanewetgeving correct wordt toegepast, in het bijzonder bij de preventie, de opsporing en het onderzoek van handelingen in strijd met deze wetgeving.
De bijstand in douanezaken waarin dit protocol voorziet, geldt voor elke administratieve autoriteit van de overeenkomstsluitende partijen die bevoegd is voor de toepassing van dit protocol. De bijstand in douanezaken doet geen afbreuk aan de regels betreffende de wederzijdse bijstand in strafzaken. Hij geldt ook niet voor informatie die is verkregen krachtens bevoegdheden welke op verzoek van de rechterlijke autoriteiten worden uitgeoefend, tenzij deze autoriteiten met de mededeling van deze informatie instemmen.
Bijstand bij de invordering van rechten, heffingen en boetes valt niet onder dit protocol.
Artikel 3. Bijstand op verzoek
Op aanvraag van de verzoekende autoriteit verschaft de aangezochte autoriteit eerstgenoemde alle ter zake dienende informatie die deze nodig heeft om erop toe te zien dat de douanewetgeving correct wordt toegepast, met inbegrip van informatie betreffende voorgenomen of vastgestelde handelingen die met deze wetgeving in strijd zijn of zouden kunnen zijn.
Op aanvraag van de verzoekende autoriteit deelt de aangezochte autoriteit haar mede:
- a. of goederen die uit het gebied van een overeenkomstsluitende partij zijn uitgevoerd op regelmatige wijze in de andere overeenkomstsluitende partij zijn ingevoerd, onder vermelding, in voorkomend geval, van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst;
- b. of goederen die in het gebied van een overeenkomstsluitende partij zijn ingevoerd op regelmatige wijze uit de andere overeenkomstsluitende partij zijn uitgevoerd, onder vermelding, in voorkomend geval, van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst.
Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, in het kader van haar wetgeving, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat toezicht wordt uitgeoefend op:
- a. natuurlijke personen of rechtspersonen van wie redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij handelingen verrichten of hebben verricht die met de douanewetgeving in strijd zijn;
- b. plaatsen waar goederen op zodanige wijze worden opgeslagen dat redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij bedoeld zijn om bij handelingen in strijd met de douanewetgeving te worden gebruikt;
- c. goederen die op zodanige wijze worden of kunnen worden vervoerd dat redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij bestemd zijn om in strijd met de douanewetgeving te worden gebruikt;
- d. vervoermiddelen die op zodanige wijze worden of kunnen worden gebruikt dat redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij bestemd zijn om in strijd met de douanewetgeving te worden gebruikt.
Artikel 4. Ongevraagde bijstand
De overeenkomstsluitende partijen verlenen elkaar ongevraagd bijstand overeenkomstig hun wetten, voorschriften en andere rechtsinstrumenten indien zij dit noodzakelijk achten voor de juiste toepassing van de douanewetgeving, in het bijzonder indien zij informatie hebben verkregen over:
- –. handelingen die met deze wetgeving in strijd zijn of lijken te zijn en die van belang kunnen zijn voor de andere overeenkomstsluitende partij;
- –. nieuwe middelen of methoden die bij handelingen in strijd met de douanewetgeving worden gebruikt;
- –. goederen waarvan bekend is dat zij het voorwerp vormen van handelingen in strijd met de douanewetgeving;
- –. natuurlijke personen of rechtspersonen van wie redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij handelingen verrichten of hebben verricht die met de douanewetgeving in strijd zijn;
- –. middelen van vervoer waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij gebruikt zijn of kunnen worden om handelingen te verrichten die met de douanewetgeving in strijd zijn.
Artikel 5. Afgifte van documenten/Kennisgeving van besluiten
Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, overeenkomstig haar wetgeving, alle maatregelen die nodig zijn voor:
- –. de afgifte van documenten,
- –. de kennisgeving van besluiten,
die van de verzoekende autoriteit uitgaan en verband houden met de toepassing van dit protocol aan een geadresseerde die op haar grondgebied verblijft of gevestigd is.
Verzoeken om de afgifte van documenten of om de kennisgeving van besluiten worden schriftelijk aan de aangezochte autoriteit gericht in een officiële taal van die autoriteit of in een voor die autoriteit aanvaardbaar taal.
Artikel 6. Vorm en inhoud van verzoeken om bijstand
De verzoeken in het kader van dit protocol worden schriftelijk ingediend. Zij gaan vergezeld van de bescheiden die voor de behandeling ervan noodzakelijk zijn. In spoedeisende gevallen kunnen verzoeken mondeling worden gedaan, mits zij onmiddellijk schriftelijk worden bevestigd.
Overeenkomstig lid 1 ingediende verzoeken moeten de volgende gegevens bevatten:
- a. de naam van de verzoekende autoriteit;
- b. de gevraagde maatregel;
- c. het doel en de reden van het verzoek;
- d. de desbetreffende wetten, voorschriften en andere rechtselementen;
- e. zo nauwkeurig en volledig mogelijke informatie betreffende de natuurlijke personen of rechtspersonen waarop het onderzoek betrekking heeft;
- f. een overzicht van de relevante feiten en van het onderzoek dat reeds is uitgevoerd.
Verzoeken moeten worden ingediend in een officiële taal van de aangezochte autoriteit of in een voor deze autoriteit aanvaardbare taal. Deze eis is niet van toepassing op documenten die bij het in lid 1 bedoelde verzoek zijn gevoegd.
Indien een verzoek niet aan de hierboven vermelde eisen voldoet, kan om correctie of aanvulling worden verzocht. Er kunnen echter reeds voorzorgsmaatregelen worden genomen.
Artikel 7. Behandeling van verzoeken
De aangezochte autoriteit behandelt verzoeken om bijstand, binnen de grenzen van haar bevoegdheden en met de middelen waarover zij beschikt, alsof zij voor eigen rekening of in opdracht van een andere autoriteit van dezelfde overeenkomstsluitende partij handelde, door reeds beschikbare informatie te verstrekken en het nodige onderzoek te verrichten of te doen verrichten. Deze bepaling is eveneens van toepassing op enige instantie waaraan de aangezochte autoriteit het verzoek doorzendt indien deze autoriteit niet zelfstandig kan handelen.
Verzoeken om bijstand worden behandeld overeenkomstig de wetten, regels, bepalingen en andere rechtsinstrumenten van de aangezochte overeenkomstsluitende partij.
Daartoe gemachtigde ambtenaren van een overeenkomstsluitende partij kunnen met instemming van de andere overeenkomstsluitende partij en op de door deze gestelde voorwaarden, in de kantoren van de aangezochte autoriteit of van een andere betrokken instantie als bedoeld in lid 1, gegevens verzamelen over handelingen die met de douanewetgeving in strijd zijn of kunnen zijn en die de verzoekende autoriteit voor de toepassing van dit protocol nodig heeft.
Ambtenaren van een overeenkomstsluitende partij kunnen, met instemming van de andere overeenkomstsluitende partij en op de door deze gestelde voorwaarden, aanwezig zijn bij onderzoek dat op het grondgebied van laatstgenoemde wordt verricht.
Artikel 8. Vorm waarin de informatie dient te worden verstrekt
De aangezochte autoriteit deelt de uitslag van het ingestelde onderzoek aan de verzoekende autoriteit mede in de vorm van documenten, gewaarmerkte kopieën van documenten, rapporten en dergelijke.
Deze informatie mag in de vorm van computerbestanden worden verstrekt.
De originelen van dossiers en documenten worden enkel op verzoek toegezonden wanneer gewaarmerkte afschriften ontoereikend zijn. Deze originelen worden ten spoedigste geretourneerd.
Artikel 9. Gevallen waarin geen bijstand behoeft te worden verleend
Bijstand kan worden geweigerd of van voorwaarden of eisen afhankelijk worden gesteld wanneer een partij van oordeel is dat bijstand op grond van dit protocol:
- a. de soevereiniteit zou kunnen aantasten van Montenegro of van de lidstaat die om bijstand is verzocht; of
- b. de openbare orde, veiligheid of andere wezenlijke belangen, met name in de in artikel 10, lid 2, genoemde gevallen, zou kunnen aantasten; of
- c. de schending inhoudt van een industrieel geheim, een handelsgeheim of een beroepsgeheim.
De aangezochte autoriteit kan de bijstand uitstellen indien deze een lopend onderzoek, een lopende strafvervolging of procedure zou verstoren. In dat geval pleegt de aangezochte autoriteit overleg met de verzoekende autoriteit om na te gaan of bijstand kan worden verleend op door de aangezochte autoriteit te stellen voorwaarden.
Wanneer de verzoekende autoriteit om een vorm van bijstand vraagt die zij desgevraagd zelf niet zou kunnen verlenen, vermeldt zij dit in haar verzoek. De aangezochte autoriteit is vrij te bepalen hoe zij op een dergelijk verzoek reageert.
Indien bijstand wordt geweigerd, dient dit besluit en de redenen ervan terstond aan de verzoekende autoriteit te worden medegedeeld.
Artikel 10. Uitwisseling van gegevens en geheimhoudingsplicht
Alle informatie die ter uitvoering van dit protocol in welke vorm dan ook wordt verstrekt, heeft een vertrouwelijk karakter. De verstrekte gegevens vallen onder de geheimhoudingsplicht en worden beschermd volgens de wetgeving van de partij die ze heeft ontvangen, dan wel volgens de regelgeving die op de instellingen van de Gemeenschap van toepassing is.
Persoonsgegevens mogen uitsluitend worden doorgegeven indien de overeenkomstsluitende partij die deze ontvangt zich ertoe verbindt deze op een wijze te beschermen die ten minste gelijkwaardig is aan de wijze waarop de overeenkomstsluitende partij die deze gegevens verstrekt deze beschermt. Te dien einde stellen de overeenkomstsluitende partijen elkaar in kennis van hun ter zake geldende voorschriften, met inbegrip van, in voorkomend geval, de rechtsvoorschriften van de lidstaten van de Gemeenschap.
Het gebruik van op grond van dit protocol verkregen informatie in gerechtelijke en administratieve procedures in verband met overtredingen van de douanewetgeving wordt geacht voor de doeleinden van dit protocol te geschieden. De overeenkomstsluitende partijen kunnen derhalve in hun bewijsvoeringen, verslagen en getuigenissen en bij procedures die bij rechtbanken aanhangig worden gemaakt, gebruik maken van krachtens dit protocol verkregen informatie en geraadpleegde documenten. De bevoegde autoriteit die de informatie heeft verstrekt of inzage heeft gegeven in deze documenten wordt van dergelijk gebruik in kennis gesteld.
De verkregen informatie wordt uitsluitend voor de toepassing van dit protocol gebruikt. Indien een van de overeenkomstsluitende partijen deze informatie voor andere doeleinden wenst te gebruiken, dient zij vooraf om de schriftelijke toestemming te verzoeken van de autoriteit die de informatie heeft verstrekt. Voor dit gebruik gelden dan de eventueel door deze autoriteit vastgestelde beperkingen.
Artikel 11. Deskundigen en getuigen
Een onder een aangezochte autoriteit ressorterende ambtenaar kan worden gemachtigd, binnen de perken van de hem verleende machtiging, als getuige of deskundige op te treden in gerechtelijke of administratieve procedures die betrekking hebben op aangelegenheden waarop dit protocol van toepassing is en daarbij de voor deze procedures noodzakelijke voorwerpen, bescheiden of voor echt gewaarmerkte afschriften voor te leggen. In de convocatie dient uitdrukkelijk te worden vermeld over welke aangelegenheid en in welke functie of hoedanigheid de betrokken ambtenaar zal worden ondervraagd.
Artikel 12. Kosten van de bijstand
De overeenkomstsluitende partijen brengen elkaar geen kosten in rekening voor uitgaven die ter uitvoering van dit protocol zijn gemaakt, met uitzondering, in voorkomend geval, van de uitgaven voor deskundigen, getuigen, tolken en vertalers die niet in overheidsdienst zijn.
Artikel 13. Uitvoering
Met de tenuitvoerlegging van dit protocol zijn enerzijds de douaneautoriteiten van Montenegro en anderzijds de bevoegde diensten van de Europese Commissie en, in voorkomend geval, de douaneautoriteiten van de lidstaten belast. Deze autoriteiten stellen alle praktische maatregelen en bepalingen voor de toepassing van dit protocol vast, rekening houdend met de geldende regelgeving, met name op het gebied van de gegevensbescherming. Zij kunnen de bevoegde autoriteiten aanbevelingen doen over wijzigingen die naar hun oordeel in dit protocol moeten worden aangebracht.
De overeenkomstsluitende partijen raadplegen elkaar en stellen elkaar in kennis van alle uitvoeringsbepalingen die op grond van dit protocol worden vastgesteld.
Artikel 14. Andere overeenkomsten
Rekening houdend met de respectieve bevoegdheden van de Gemeenschap en van haar lidstaten, geldt voor de bepalingen van dit protocol dat zij:
- –. geen afbreuk doen aan de verplichtingen van de overeenkomstsluitende partijen krachtens andere internationale overeenkomsten of conventies;
- –. worden geacht een aanvulling te vormen op overeenkomsten betreffende wederzijdse bijstand die zijn gesloten of kunnen worden gesloten tussen afzonderlijke lidstaten en Montenegro; en
- –. geen gevolgen hebben voor de communautaire bepalingen betreffende de uitwisseling tussen de bevoegde diensten van de Europese Commissie en de douaneautoriteiten van de lidstaten van gegevens die op grond van dit protocol zijn verkregen en die van belang kunnen zijn voor de Gemeenschap.
Onverminderd het bepaalde in lid 1 hebben de bepalingen van dit protocol voorrang op de bepalingen van bilaterale overeenkomsten betreffende wederzijdse bijstand die tussen afzonderlijke lidstaten en Montenegro zijn of kunnen worden gesloten, indien de bepalingen van laatstgenoemde overeenkomsten met die van dit protocol strijdig zijn.
Ten aanzien van vraagstukken in verband met de toepassing van dit protocol plegen de overeenkomstsluitende partijen onderling overleg om deze op te lossen in het kader van het bij artikel 119 van deze overeenkomst ingestelde Stabilisatie- en associatiecomité.
HOOFDSTUK I. DOELSTELLINGEN EN TOEPASSINGSGEBIED
HOOFDSTUK II. PROCEDURES VOOR GESCHILLENBESLECHTING
AFDELING I. ARBITRAGEPROCEDURE
Artikel 3. Inleiding van de arbitrageprocedure
Indien de partijen er niet in slagen hun geschil bij te leggen, kan de klagende partij overeenkomstig de voorwaarden van artikel 130 van deze overeenkomst bij de andere partij en bij het Stabilisatie- en associatiecomité een schriftelijk verzoek tot instelling van een arbitragepanel indienen.
De klagende partij geeft in haar verzoek het voorwerp van het geschil aan en eventueel de maatregel van de andere partij, of het niet-treffen van een maatregel, die zij beschouwt als in strijd met de bepalingen van artikel 2.
Artikel 4. Samenstelling van het arbitragepanel
Een arbitragepanel bestaat uit drie scheidsrechters.
Binnen 10 dagen na indiening van het verzoek tot instelling van een arbitragepanel bij het Stabilisatie- en associatiecomité overleggen de partijen met elkaar over de samenstelling van het arbitragepanel.
Indien de partijen het binnen de termijn als bedoeld in lid 2 niet eens worden over de samenstelling van het arbitragepanel, kan elke van beide partijen de voorzitter van het Stabilisatie- en associatiecomité of diens vertegenwoordiger verzoeken alle drie de leden van het panel door het lot aan te wijzen uit de lijst als bedoeld in artikel 15, namelijk één uit de personen die door de klagende partij werden voorgesteld, één uit de lijst van de partij waartegen de klacht is ingediend, en één uit de scheidsrechters die door de partijen waren geselecteerd om als voorzitter te fungeren.
Indien de partijen het over een of meerdere leden van het arbitragepanel eens zijn, worden de overige leden volgens dezelfde procedure aangewezen.
De selectie van de scheidsrechters door de voorzitter van het Stabilisatie- en associatiecomité of diens vertegenwoordiger geschiedt in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van elke partij.
De datum van de instelling van het arbitragepanel is de datum waarop de voorzitter van het panel in kennis wordt gesteld van de aanwijzing in onderlinge overeenstemming tussen de partijen van de drie scheidsrechters, of, in voorkomend geval, de datum van hun selectie volgens de procedure van lid 3.
Indien een van de partijen van oordeel is dat een scheidsrechter niet voldoet aan de vereisten van de gedragscode als bedoeld in artikel 18, plegen de partijen overleg, vervangen zij in onderlinge overeenstemming de scheidsrechter en wijzen zij overeenkomstig lid 7 een vervanger aan. Indien de partijen het niet eens worden over de noodzaak om een scheidsrechter te vervangen, wordt de kwestie voor de voorzitter van het arbitragepanel gebracht die dan een eindbeslissing treft.
Indien een van de partijen van oordeel is dat de voorzitter van het arbitragepanel niet voldoet aan de gedragscode als bedoeld in artikel 18, wordt de kwestie voor een van de overige leden van de groep scheidsrechters gebracht die waren geselecteerd om als voorzitter te fungeren, waarbij zijn naam door het lot wordt aangewezen door de voorzitter van het Stabilisatie- en associatiecomité of diens vertegenwoordiger, in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van elke partij, tenzij de partijen het anders overeenkomen.
Indien een scheidsrechter niet aan de procedure kan deelnemen, zich terugtrekt, of overeenkomstig lid 6 wordt vervangen, wordt binnen vijf dagen een vervanger aangewezen overeenkomstig de selectieprocedures die waren gevolgd om de oorspronkelijke scheidsrechter aan te wijzen. De werkzaamheden van het arbitragepanel worden opgeschort voor de duur van deze procedure.
Artikel 5. Uitspraken van het arbitragepanel
Het arbitragepanel deelt zijn uitspraak aan de partijen en aan het Stabilisatie- en associatiecomité mede binnen 90 dagen na de instelling van het arbitragepanel. Indien het arbitragepanel oordeelt dat deze termijn niet kan worden gehaald, stelt de voorzitter van het panel de partijen en het Stabilisatie- en associatiecomité hiervan schriftelijk in kennis, met opgave van de redenen voor het uitstel. In geen geval mag de uitspraak later dan 120 dagen na de instelling van het panel plaatsvinden.
In dringende gevallen, zoals bij aan bederf onderhevige goederen, spant het arbitragepanel zich in om binnen 45 dagen na de instelling van het panel een uitspraak te doen. In geen geval mag dit langer duren dan 100 dagen na de instelling van het panel. Het arbitragepanel kan binnen 10 dagen na de instelling een voorlopige uitspraak doen over de vraag of het een zaak dringend acht.
De uitspraak vermeldt de geconstateerde feiten, de toepasselijkheid van de relevante bepalingen van deze overeenkomst en een fundamentele motivering van alle bevindingen en conclusies. De uitspraak kan aanbevelingen omvatten over de maatregelen die ter uitvoering ervan moeten worden getroffen.
De klagende partij kan haar klacht intrekken door schriftelijke kennisgeving aan de voorzitter van het arbitragepanel, de partij waartegen de klacht is ingediend en het Stabilisatie- en associatiecomité, op elk ogenblik vóór de kennisgeving van de uitspraak aan de partijen en het Stabilisatie- en associatiecomité. Die intrekking doet geen afbreuk aan haar recht om op een later tijdstip een nieuwe klacht betreffende dezelfde kwestie in te dienen.
Het arbitragepanel kan te allen tijde op verzoek van beide partijen zijn werkzaamheden voor een periode van ten hoogste 12 maanden opschorten. Indien de periode van 12 maanden wordt overschreden, komt de autoriteit van het arbitragepanel te vervallen; dit doet geen afbreuk aan het recht van de klagende partij om op een later tijdstip betreffende dezelfde kwestie opnieuw om instelling van een panel te verzoeken.
AFDELING II. NALEVING
Artikel 6. Naleving van de uitspraak van het arbitragepanel
Elke partij neemt alle noodzakelijke maatregelen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven en beide partijen streven ernaar overeen te komen de uitspraak binnen een redelijke termijn na te leven.
Artikel 7. Redelijke termijn voor naleving
Uiterlijk 30 dagen na kennisgeving van de uitspraak van het arbitragepanel aan de partijen, stelt de partij waartegen de klacht is ingediend de klagende partij in kennis van de tijd die nodig zal zijn voor naleving (hierna „redelijke termijn” genoemd). De partijen streven ernaar over deze redelijke termijn tot overeenstemming te komen.
Indien de partijen het niet eens worden over de redelijke termijn voor naleving van de uitspraak van het arbitragepanel, kan de klagende partij het Stabilisatie- en associatiecomité binnen een termijn van 20 dagen na de kennisgeving als bedoeld in lid 1 verzoeken het oorspronkelijke arbitragepanel opnieuw bijeen te roepen om een de lengte van de redelijke termijn vast te stellen. Het arbitragepanel deelt zijn uitspraak binnen een termijn van 20 dagen na indiening van het verzoek mede.
Indien het oorspronkelijke panel, of een of meer van de leden ervan, niet opnieuw bijeen kan komen, zijn de procedures van artikel 4 van dit protocol van toepassing. De termijn waarbinnen het panel zijn uitspraak moet mededelen, blijft 20 dagen na de instelling ervan.
Artikel 8. Herziening van maatregelen getroffen tot naleving van de uitspraak van het arbitragepanel
De partij waartegen de klacht is ingediend stelt de andere partij en het Stabilisatie- en associatiecomité vóór afloop van de redelijke termijn in kennis van alle maatregelen die zij heeft getroffen tot naleving van de uitspraak van het arbitragepanel.
Indien er onenigheid bestaat tussen de partijen over de verenigbaarheid van een maatregel die overeenkomstig lid 1 is medegedeeld, met een van de bepalingen van artikel 2, kan de klagende partij het oorspronkelijke arbitragepanel verzoeken over de zaak uitspraak te doen. In dat verzoek wordt aangegeven waarom de maatregel niet conform deze overeenkomst is. Wanneer het arbitragepanel opnieuw is bijeengeroepen, doet het uitspraak binnen 45 dagen na de datum waarop het opnieuw is ingesteld.
Indien het oorspronkelijke arbitragepanel, of een of meer van de leden ervan, niet opnieuw bijeen kan komen, zijn de procedures van artikel 4 van dit protocol van toepassing. De termijn waarbinnen het panel zijn uitspraak moet mededelen, blijft 45 dagen na de instelling ervan.
Artikel 9. Tijdelijke maatregelen bij niet-naleving
Indien de partij waartegen de klacht is ingediend vóór afloop van de redelijke termijn nalaat kennis te geven van de maatregelen die zijn getroffen tot naleving van de uitspraak van het arbitragepanel, of indien het arbitragepanel oordeelt dat de maatregel waarvan overeenkomstig artikel 8, lid 1, mededeling is gedaan, niet conform is de verplichtingen van de partij krachtens deze overeenkomst, doet de partij waartegen de klacht is ingediend de klagende partij, op haar verzoek, een aanbod van tijdelijke compensatie.
Indien binnen 30 dagen na afloop van de redelijke termijn, of na de uitspraak van het arbitragepanel overeenkomstig artikel 8 dat een getroffen maatregel niet conform deze overeenkomst is, geen overeenstemming wordt bereikt over compensatie, heeft de klagende partij, na kennisgeving aan de andere partij en het Stabilisatie- en associatiecomité, het recht om de krachtens de bepalingen van artikel 2 van dit protocol toegekende voordelen op te schorten in overeenstemming met de economische schade die door de inbreuk werd veroorzaakt. De klagende partij kan de opschorting laten ingaan 10 dagen na de datum van kennisgeving, tenzij de partij waartegen de klacht is ingediend overeenkomstig lid 3 om arbitrage heeft verzocht.
Indien de partij waartegen de klacht is ingediend van oordeel is dat de mate van opschorting niet evenredig is met de mate van de economische schade die door de inbreuk werd veroorzaakt, kan zij binnen de in lid 2 genoemde termijn van 10 dagen bij de voorzitter van het oorspronkelijke arbitragepanel schriftelijk verzoek indienen tot wederinstelling van het oorspronkelijke arbitragepanel. Het arbitragepanel zal zijn uitspraak betreffende de mate van opschorting van voordelen mededelen aan de partijen en het Stabilisatie- en associatiecomité binnen 30 dagen na indiening van het verzoek. De voordelen worden niet opgeschort tot het arbitragepanel uitspraak heeft gedaan en de opschorting geschiedt overeenkomstig de uitspraak van het arbitragepanel.
Opschorting van voordelen is een tijdelijke maatregel en wordt alleen toegepast zolang de maatregel die in strijd was bevonden met deze overeenkomst is ingetrokken of gewijzigd en met deze overeenkomst in overeenstemming gebracht, of tot de partijen overeenkomen het geschil te beslechten.
Artikel 10. Herziening van maatregelen tot naleving getroffen na de opschorting van voordelen
De partij waartegen de klacht is ingediend stelt de andere partij en het Stabilisatie- en associatiecomité in kennis van elke maatregel die zij heeft getroffen tot naleving van de uitspraak van het arbitragepanel en van haar verzoek tot beëindiging van de opschorting van de voordelen door de klagende partij.
Indien de partijen binnen 30 dagen na de mededeling niet tot overeenstemming komen over de verenigbaarheid van de medegedeelde maatregel met de overeenkomst, kan de klagende partij de voorzitter van het oorspronkelijke arbitragepanel schriftelijk verzoeken over de zaak uitspraak te doen. Dit verzoek wordt tegelijkertijd medegedeeld aan de andere partij en aan het Stabilisatie- en associatiecomité. Het arbitragepanel deelt zijn uitspraak binnen een termijn van 45 dagen na indiening van het verzoek mede. Indien het arbitragepanel oordeelt dat een maatregel tot naleving niet conform deze overeenkomst is, onderzoekt het arbitragepanel of de klagende partij de opschorting van voordelen in de oorspronkelijke of in verschillende mate mag voortzetten. Indien het arbitragepanel oordeelt dat een maatregel tot naleving conform deze overeenkomst is, wordt de opschorting van voordelen beëindigd.
Indien het oorspronkelijke arbitragepanel, of een of meer van de leden ervan, niet opnieuw bijeen kan komen, zijn de procedures van artikel 4 van dit protocol van toepassing. De termijn waarbinnen het panel zijn uitspraak moet mededelen, blijft 45 dagen na de instelling ervan.
AFDELING III. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN
Artikel 11. Openbare hoorzittingen
De vergaderingen van het arbitragepanel zijn openbaar onder de voorwaarden van het in artikel 18 vermelde reglement van orde, tenzij het arbitragepanel er uit eigen initiatief of op verzoek van de partijen anders over beschikt.
Artikel 12. Inlichtingen en technisch advies
Het panel kan op verzoek van een partij of op eigen initiatief inlichtingen inwinnen bij alle bronnen die het voor de werkzaamheden van het panel passend acht. Het panel heeft tevens het recht deskundigen om advies te vragen indien het dit nuttig acht. Alle op deze manier ingewonnen informatie moet aan beide partijen worden medegedeeld en erover kunnen opmerkingen worden geformuleerd. De belanghebbende partijen zijn gemachtigd bij het arbitragepanel stukken in te dienen als amicus curiae onder de voorwaarden die zijn neergelegd in het reglement van orde als bedoeld in artikel 18.
Artikel 13. Interpretatiebeginselen
De arbitragepanels passen toe en interpreteren de bepalingen van deze overeenkomst volgens de gebruikelijke regels voor de interpretatie van internationaal publiekrecht, met inbegrip van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht. Zij geven geen interpretatie van het acquis communautaire. Het feit dat een bepaling inhoudelijk identiek is met een bepaling van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is niet bepalend voor de interpretatie van die bepaling.
Artikel 14. Besluiten en uitspraken van het arbitragepanel
Alle besluiten van het arbitragepanel, met inbegrip van de vaststelling van de uitspraak, worden getroffen bij meerderheid van stemmen.
Alle uitspraken van het arbitragepanel zijn verbindend voor de partijen. Zij worden ter kennis gebracht van de partijen en van het Stabilisatie- en associatiecomité die ze openbaar maakt, tenzij bij consensus wordt besloten dat niet te doen.
HOOFDSTUK III. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 15. Lijst van scheidsrechters
Het Stabilisatie- en associatiecomité stelt uiterlijk 6 maanden na de inwerkingtreding van dit protocol een lijst van 15 personen op die bereid en geschikt zijn om als scheidsrechter te fungeren. Elke partij kiest 5 personen die als scheidsrechter kunnen optreden. De partijen komen ook 5 personen overeen die als voorzitter van het arbitragepanel kunnen fungeren. Het Stabilisatie- en associatiecomité ziet erop toe dat het aantal personen op de lijst te allen tijde gehandhaafd blijft.
De scheidrechters moeten beschikken over gespecialiseerde kennis en ervaring inzake wetgeving, internationale wetgeving, communautaire wetgeving en/of internationale handel. De scheidsrechters dienen onafhankelijk te zijn, op persoonlijke titel op te treden en niet verbonden te zijn aan of instructies aan te nemen van een organisatie of een regering, en zijn verplicht de in artikel 18 genoemde gedragscode na te leven.
Artikel 16. Relatie tot WTO-verplichtingen
Na de eventuele toetreding van Montenegro tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO) zijn de volgende bepalingen van toepassing:
- a. Arbitragepanels die krachtens dit protocol zijn opgericht doen geen uitspraak in geschillen die verband houden met de rechten en verplichtingen van elke partij krachtens de overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO).
- b. Het recht van elke partij om een beroep te doen op de regeling inzake geschillenbeslechting van dit protocol laat elke maatregel in WTO-verband, met inbegrip van een maatregel tot geschillenbeslechting, onverlet. Indien echter een partij in verband met een specifieke maatregel een procedure voor geschillenbeslechting heeft ingeleid, hetzij krachtens artikel 3, lid 1, van dit protocol, hetzij krachtens de WTO-overeenkomst, kan zij in verband met dezelfde maatregel niet nog een procedure voor geschillenbeslechting in het andere forum inleiden, tenzij de eerste procedure is afgesloten. Voor de toepassing van dit lid worden procedures voor geschillenbeslechting krachtens de WTO-overeenkomst geacht te zijn ingeleid door het verzoek van een partij tot vorming van een panel overeenkomstig artikel 6 van het WTO-memorandum van overeenstemming inzake de regels en procedures betreffende de beslechting van geschillen.
- c. Geen enkele bepaling van dit protocol verhindert een partij de opschorting van verplichtingen die is toegestaan door een orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO, ten uitvoer te leggen.
Artikel 17. Termijnen
Alle in dit protocol vastgestelde termijnen worden gerekend in kalenderdagen vanaf de dag die volgt op de dag waarop het desbetreffende feit plaatsvindt.
Alle in dit protocol vermelde termijnen kunnen in overleg tussen de partijen worden verlengd.
Alle in dit protocol vermelde termijnen kunnen ook door de voorzitter van het arbitragepanel worden verlengd, op redelijk verzoek van een van de partijen of op eigen initiatief.
Artikel 18. Reglement van orde, gedragscode en wijziging van dit protocol
De Stabilisatie- en associatieraad stelt uiterlijk 6 maanden na de inwerkingtreding van dit protocol het reglement van orde vast voor het verloop van de werkzaamheden van het arbitragepanel.
De Stabilisatie- en associatieraad stelt uiterlijk 6 maanden na de inwerkingtreding van dit protocol aanvullend bij het reglement van orde een gedragscode vast om de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de scheidsrechters te waarborgen.
De Stabilisatie- en associatieraad kan besluiten dit protocol te wijzigen.
Artikel 1
Montenegro mag deelnemen aan de volgende communautaire programma’s:
- a. de programma’s die worden opgesomd in de bijlage bij de kaderovereenkomst tussen de Gemeenschap en Servië en Montenegro inzake de algemene beginselen voor de deelname van Servië en Montenegro aan communautaire programma’s1)PB L 192 van 22.7.2005, blz. 29. ,
- b. de programma’s die na 27 juli 2005 werden ingesteld of verlengd en die een openstellingsclausule bevatten die in de deelname van Montenegro voorziet.
Artikel 2
Montenegro verstrekt een financiële bijdrage aan de algemene begroting van de Europese Unie in overeenstemming met de specifieke programma’s waaraan het deelneemt.
Artikel 3
Vertegenwoordigers van Montenegro mogen als waarnemers de vergaderingen bijwonen van de comités van beheer die belast zijn met het toezicht op de programma’s waaraan Montenegro een financiële bijdrage levert, voor zover deze betrekking hebben op de onderwerpen die Montenegro aangaan.
Artikel 4
Ten aanzien van projecten en initiatieven die door deelnemers uit Montenegro worden ingediend, gelden in het kader van de betrokken programma’s voor zover mogelijk dezelfde voorwaarden, regels en procedures als voor de lidstaten.
Artikel 5
De specifieke voorwaarden voor de deelname van Montenegro aan elk afzonderlijk programma, in het bijzonder de verschuldigde financiële bijdrage, wordt vastgesteld bij een overeenkomst in de vorm van een memorandum van overeenstemming tussen de Europese Commissie, die optreedt namens de Gemeenschap, en Montenegro.
Indien Montenegro verzoekt om externe bijstand van de Gemeenschap overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1085/2006 van de Raad van 17 juli 2006 tot invoering van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA)2)PB L 210 van 31.7.2006, blz. 82. , dan wel overeenkomstig een eventuele toekomstige soortgelijke verordening waarin in externe communautaire bijstand voor Montenegro mocht worden voorzien, worden de voorwaarden voor het gebruik door Montenegro van de bijstand van de Gemeenschap vastgesteld in een financieringsmemorandum.
Artikel 6
Overeenkomstig het financieel reglement van de Gemeenschap wordt in het memorandum van overeenstemming bepaald dat door of op gezag van de Europese Commissie, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen financiële controles of audits worden verricht.
Er worden gedetailleerde bepalingen vastgesteld inzake financiële controle en audits, administratieve maatregelen, sancties en invordering, waarbij aan de Europese Commissie, OLAF en de Rekenkamer bevoegdheden worden toegekend die gelijkwaardig zijn met hun bevoegdheden ten aanzien van begunstigden of contractanten die in de Gemeenschap zijn gevestigd.
Artikel 7
Uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst, en vervolgens iedere drie jaar, kan de Stabilisatie- en associatieraad de tenuitvoerlegging van dit protocol evalueren aan de hand van de werkelijke deelname van Montenegro aan een of meer communautaire programma’s.
GEDAAN te Luxemburg, de vijftiende oktober 2007.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)