Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF)
- a. vanwege de aangebrachte wijzigingen niet wordt voldaan aan de grenswaarden van de parameters vervat in de UTP’s en in voorkomend geval in de nationale technische specificaties die overeenkomstigartikel 12 van de APTU geldig zijn teneinde te onderzoeken of het voertuig en het gebruiksgebied technisch compatibel zijn;
- b. door de wijzigingen het algehele veiligheidsniveau van het desbetreffende subsysteem wordt verminderd;
- c. deze in de desbetreffende UTP’s vereist is.
Indien een nieuwe gebruikstoelating nodig is, stuurt de aanvrager de desbetreffende Verdragsstaat een dossier waarin het project wordt beschreven. De Verdragsstaat beslist in hoeverre de bepalingen van de desbetreffende UTP’s op het project moeten worden toegepast.
De Verdragsstaat neemt zijn beslissing uiterlijk vier maanden na de indiening van het volledige dossier door de aanvrager.
Indien een nieuwe toelating vereist is en indien de UTP’s niet volledig worden toegepast, moet het voertuig aan een nieuwe toelating worden onderworpen waarop de voorwaarden van artikel 6, § 4van toepassing zijn en stelt de Verdragsstaat de Secretaris-Generaal in kennis van:
- a. de reden waarom een UTP niet volledig wordt toegepast,
- b. de technische criteria die in plaats van de UTP’s van toepassing zijn,
- c. de organen die verantwoordelijk zijn voor het beoordelen van de onder b bedoelde technische criteria. De Secretaris-Generaal publiceert de informatie waarvan kennisgeving is gedaan op de website van de Organisatie.
§ 12. § 11 is van overeenkomstige toepassing op een certificaat van het typeontwerp en elke verklaring betreffende de constructie of de onderdelen van de desbetreffende constructie.
Artikel 10a. Regels voor de intrekking of opschorting van technische certificaten
§ 1. Indien de bevoegde autoriteit van een Verdragsstaat niet zijnde de staat die de (eerste) gebruikstoelating heeft verleend, vaststelt dat niet voldaan wordt aan de eisen, stelt zij de autoriteit die de (eerste) toelating heeft verleend met alle details in kennis; indien de niet-naleving betrekking heeft op een certificaat van het typeontwerp, wordt tevens de autoriteit die dit certificaat heeft afgegeven in kennis gesteld.
§ 2. Een gebruikscertificaat kan worden ingetrokken:
- a. wanneer het voertuig niet langer voldoet aan:
- –. de voorschriften vervat in de UTP’s en in de van toepassing zijnde nationale voorschriften die van kracht zijn overeenkomstigartikel 12 van de APTU Uniforme Regelen, of
- –. de bijzondere toelatingsvoorwaarden uit hoofde van artikel 7a, of
- –. de constructie- en uitrustingsvoorschriften in het RID, of
- b. indien de houder niet voldoet aan de eis van de bevoegde autoriteit de gebreken binnen de voorgeschreven termijn te verhelpen of;
- c. indien niet voldaan wordt aan de voorschriften en voorwaarden die voortvloeien uit een beperkte toelating uit hoofde van artikel 10, § 10.
§ 3. Uitsluitend de autoriteit die een certificaat van het typeontwerp of gebruikscertificaat heeft verleend kan het intrekken.
§ 4. Een gebruikscertificaat wordt opgeschort:
- a. indien het technisch onderzoek, de inspecties, het onderhoud en de revisies van het voertuig zoals voorgeschreven in zijn onderhoudsdossier, in de UTP’s, in de bijzondere voorwaarden voor een toelating uit hoofde van artikel 7a of de in de RID vervatte constructie- en uitrustingsvoorschriften niet worden uitgevoerd (of indien de termijnen niet worden nageleefd);
- b. indien bij ernstige schade aan een voertuig geen gevolg gegeven wordt aan de opdracht van de bevoegde autoriteit het voertuig te tonen;
- c. indien niet voldaan wordt aan deze Uniforme Regelen en de voorschriften vervat in de UTP’s;
- d. indien niet voldaan wordt aan de ingevolgeartikel 12 van de APTU Uniforme Regelen van kracht zijnde toepasselijke nationale bepalingen of de ingevolge artikel 13 van de APTU Uniforme Regelen daaraan equivalent verklaarde bepalingen. Het certificaat wordt opgeschort voor de betrokken Verdragsstaat of Verdragsstaten.
§ 5. Het gebruikscertificaat vervalt wanneer het voertuig buiten dienst wordt gesteld. Van de buitendienststelling wordt overeenkomstig artikel 13, § 4 kennisgegeven.
§ 6. §§ 1 tot en met 4 zijn van overeenkomstige toepassing op een certificaat van het typeontwerp.
Artikel 10b. Regels voor beoordelingen en procedures
De Commissie van technisch deskundigen is bevoegd (andere) bindende bepalingen aan te nemen voor beoordelingen en procedureregels voor technische toelating. Bepalingen voor de beoordelingen zijn vervat in de relevante UTP.
Artikel 11. Technische certificaten
§ 1. De constructietypetoelating en de gebruikstoelating worden vastgelegd in afzonderlijke documenten genoemd: „Certificaat van het typeontwerp” en „Gebruikscertificaat”.
§ 2. Het certificaat van het typeontwerp:
- a. vermeldt de ontwerper en de beoogde fabrikant van het constructietype van het voertuig;
- b. gaat vergezeld van het technisch dossier in de bijlagen;
- c. omschrijft in voorkomend geval de bijzondere gebruiksbeperkingen en voorwaarden voor het constructietype van een voertuig en daarmee overeenkomende voertuigen;
- d. gaat vergezeld van het beoordelingsrapport of de beoordelingsrapporten in de bijlage(n);
- e. omschrijft in voorkomend geval alle relevante verklaringen (inzake conformiteit en verificatie) die zijn afgegeven;
- f. vermeldt de bevoegde autoriteit die het certificaat heeft afgegeven, de datum van afgifte en is voorzien van de handtekening van de autoriteit;
- g. vermeldt in voorkomend geval de geldigheidsduur van het certificaat;
- h. gaat voor voertuigen waarop artikel 6, § 4 van toepassing is vergezeld van afschriften van eventuele aanvullende nationale toelatingen.
§ 3. Het gebruikscertificaat bevat:
- a. alle in § 2 bedoelde gegevens;
- b. het gebruiksgebied van het voertuig;
- c. de waarden van de parameters vervat in de UTP’s en in voorkomend geval in de nationale technische specificaties overeenkomstig artikel 12 van de APTU, teneinde te onderzoeken of het voertuig en het gebruiksgebied technisch compatibel zijn;
- d. de conformiteit van het voertuig met de desbetreffende UTP’s en alle nationale specificaties overeenkomstig artikel 12 van de APTU, wat betreft de onder c. bedoelde parameters;
- e. de voorwaarden voor het gebruik van het voertuig en andere beperkingen;
- f. de identificatiecode(s) van het voertuig of de voertuigen waarop het certificaat betrekking heeft;
- g. informatie over de houder van het voertuig of de voertuigen waarop het certificaat op de datum van afgifte betrekking heeft;
- h. in voorkomend geval de geldigheidsduur van het certificaat.
§ 4. Het gebruikscertificaat kan betrekking hebben op een groep individuele voertuigen van hetzelfde type, in welk geval de overeenkomstig § 3 vereiste gegevens voor elk van de voertuigen van de groep afzonderlijk worden vermeld; het technisch dossier bevat een lijst met identificeerbare documentatie betreffende de tests die op elk voertuig zijn uitgevoerd.
§ 5. Het technisch dossier bevat de vereiste informatie overeenkomstig de bepalingen in de UTP’s.
§ 6. De certificaten worden afgedrukt in een van de werktalen overeenkomstig artikel 1, § 6, van het Verdrag.
§ 7. De in §§ 2 en 3 genoemde certificaten worden door de bevoegde autoriteit aan de aanvrager afgegeven.
§ 8. Het gebruikscertificaat heeft betrekking op het object. Zodra het voertuig in gebruik is, overhandigt de houder van het gebruikscertificaat (met inbegrip van het technisch dossier), indien deze niet de feitelijke houder is, het onverwijld aan de feitelijke houder met inbegrip van het onderhoudsdossier en stelt alle instructies voor onderhoud en gebruik die hij nog in bezit heeft ter beschikking.
§ 9. § 8 is van overeenkomstige toepassing op voertuigen en spoorwegmaterieel dat overeenkomstig artikel 19 is toegelaten, waarbij de desbetreffende documentatie bestaat uit de documentatie met betrekking tot de goedkeuring en andere documentatie die informatie bevat die geheel of gedeeltelijk beantwoordt aan de specificaties voor het technisch dossier en onderhoudsdossier.
Artikel 12. Standaardmodellen
§ 1. De Organisatie schrijft uniforme modellen voor van de certificaten bedoeld in artikel 11 en van het beoordelingsrapport ingevolge artikel 10, § 7.
§ 2. De modellen worden uitgewerkt en aangenomen door de Commissie van technisch deskundigen en worden gepubliceerd op de website van de organisatie.
§ 3. De Commissie van technisch deskundigen kan besluiten dat certificaten volgens een ander omschreven model dan hetgeen in de Uniforme Regelen wordt voorgeschreven, mits die de ingevolge artikel 11 vereiste gegevens bevatten, als gelijkwaardig substituut mogen worden aangemerkt.
Artikel 13. Registers
§ 1. Er worden voertuigregisters in de vorm van een of meer nationale of regionale elektronische databanken opgericht die informatie over voertuigen bevatten ter zake waarvan een gebruikscertificaat is afgegeven. Het register omvat tevens voertuigen die zijn toegelaten overeenkomstig artikel 19; het kan tevens voertuigen bevatten die uitsluitend voor het rijden in nationaal verkeer zijn toegelaten. Het register of de registers:
- a. voldoet of voldoen aan de specificaties die door de Commissie van technisch deskundigen zijn aangenomen;
- b. wordt of worden bijgehouden;
- c. is of zijn toegankelijk voor de bevoegde autoriteiten van alle Verdragstaten, de spoorwegondernemingen en de infrastructuurbeheerders, alsook voor personen of organisaties die belast zijn met de inschrijving van voertuigen of die in het register genoemd zijn.
§ 1a. De Organisatie richt een register op van certificaten van met het onderhoud belaste entiteiten (ECM) en certificatie-instanties van deze entiteiten en houdt dit actueel, of maakt dit register toegankelijk.
§ 1b. De Organisatie richt een register op van markeringscodes van houders van voertuigen en houdt dit actueel, of maakt dit register toegankelijk.
§ 2. [gereserveerd]
§ 3. De Commissie van technisch deskundigen kan besluiten andere gegevens ten behoeve van de exploitatie van de spoorwegen in een databank op te nemen, zoals typeontwerpen, informatie inzake verklaringen, inspecties en onderhoud van de toegelaten voertuigen (waaronder de datum van de volgende voorziene inspectie), informatie die nodig is om te kunnen vaststellen of er technische compabiliteit is tussen voertuig en netwerk, informatie over ongevallen en incidenten en registers met de codering van voertuigen, locaties, spoorwegvervoerondernemingen, houders, infrastructuurbeheerders, werkplaatsen, fabrikanten, etc.
§ 4. De Commissie van technisch deskundigen is bevoegd te besluiten de in dit artikel genoemde registers en databases te wijzigen, samen te voegen of in te trekken. De Commissie van technisch deskundigen stelt de technisch-functionele architectuur van de in dit artikel genoemde registers vast en kan ook specificeren welke gegevens deze moeten bevatten, hoe en wanneer de gegevens moeten worden aangeleverd, welke toegangsrechten er zullen zijn alsmede andere administratieve en organisatorische bepalingen, zoals de toe te passen databasestructuur. In alle gevallen dient de registratiehouder de entiteit die het register bijhoudt onverwijld in kennis te stellen bij wijziging van de houder, van de ECM, van een buitendienststelling, van een officieel stilzetten, van opschortingen en intrekkingen van certificaten, van verklaringen of andere bewijsstukken en van veranderingen aan een voertuig die afwijken van het toegelaten constructietype.
§ 5. Voor de toepassing van dit artikel neemt de Commissie van technisch deskundigen door Verdragsstaten en regionale organisaties opgezette registers in acht teneinde onnodige belasting voor de betrokken partijen zoals regionale organisaties, Verdragsstaten, bevoegde autoriteiten en de industrie te voorkomen. Teneinde ook de kosten voor de Organisatie tot een minimum te beperken en een coherent registersysteem te bewerkstelligen, stemmen alle betrokken partijen hun plannen en de ontwikkeling van registers die onder deze Uniforme Regelen vallen af met de Organisatie.
§ 6. De volgens § 1 in de databank geregistreerde gegevens worden aangemerkt als voldoende bewijs van de technische toelating van een voertuig.
§ 7. De Commissie van technisch deskundigen kan besluiten dat de kosten van oprichting en beheer van de databank geheel of gedeeltelijk worden gedragen door de gebruikers.
Artikel 14. Opschriften en tekens
§ 1. De voertuigen die toegelaten zijn tot het verkeer moeten zijn voorzien van de in de UTP’s voorgeschreven opschriften en tekens, met inbegrip van een uniek voertuignummer. De bevoegde autoriteit die de (eerste) gebruikstoelating verleent moet waarborgen dat aan elk voertuig een alfanumerieke identificatiecode wordt toegekend. Deze code, die de landcode van de eerste Staat van toelating omvat, moet op elk voertuig worden aangebracht en worden opgenomen in het NVR van die Staat.
§ 2. De Commissie van technisch deskundigen kan een teken vastleggen waarmee wordt aangetoond dat het voertuig waarop het teken is aangebracht tot het internationale verkeer is toegelaten overeenkomstig deze Uniforme Regelen.
§ 3. De Commissie van technisch deskundigen kan de overgangsperiodes vaststellen gedurende welke de tot het rijden in het internationaal verkeer toegelaten voertuigen voorzien mogen zijn van opschriften en tekens die afwijken van hetgeen wordt voorgeschreven in §§ 1 en 2.
Artikel 15. Onderhoud van voertuigen
§ 1. De voertuigen moeten in een zodanig goede staat van onderhoud gehouden worden dat zij voldoen aan de in artikel 7 omschreven bepalingen. Hun staat bij het rijden of bij het gebruik in het internationaal verkeer mag op geen enkele wijze schadelijk zijn voor de operationele veiligheid, de infrastructuur, het milieu of de volksgezondheid. De voertuigen moeten daartoe beschikbaar gesteld worden voor en onderworpen worden aan de revisies, inspecties en het onderhoud zoals voorgeschreven in het onderhoudsdossier. Het is de verantwoordelijkheid van de houder hiertoe een ECM aan te wijzen.
§ 2. Alvorens te worden toegelaten tot de exploitatie of het gebruik op het netwerk moet voor elk spoorvoertuig een ECM worden aangewezen en deze entiteit wordt geregistreerd in de databank bedoeld in artikel 13. De ECM draagt er door middel van een onderhoudssysteem zorg voor dat de voertuigen met het onderhoud waarvan zij belast is, in staat zijn veilig te rijden. De ECM kan gebruikmaken van onderaannemers, met inbegrip van onderhoudswerkplaatsen.
De Commissie van technisch deskundigen is bevoegd de regels voor certificering en inspectie van ECM’s en onderhoudsfuncties aan te nemen, met inbegrip van de eisen die aan de betrokken partijen worden gesteld. Deze regels zijn vervat in Aanhangsel A bij deze Uniforme Regelen.
Alle ECM’s moeten voldoen aan de vereisten en beoordelingscriteria omschreven in Aanhangsel A bij deze Uniforme Regelen.
De ECM’s voor goederenwagons moeten worden gecertificeerd.
De ECM’s voor andere voertuigen dan goederenwagons moeten gecertificeerd worden, behalve de in Aanhangsel A bij deze Uniforme Regelen toegestane uitzonderingen.
De ECM-certificaten worden enkel verstrekt door een ECM-certificatie-instantie die in een van de Verdragsstaten is geaccrediteerd of erkend overeenkomstig Aanhangsel A bij deze Uniforme Regelen.
§ 3. Voor zover nodig voor het onderhoud stelt de houder aan de ECM de elementen ter beschikking die betrekking hebben op instructies inzake revisies, voortdurende of periodieke monitoring, bijstelling en onderhoud.
De ECM moet, hetzij rechtstreeks hetzij via de houder, waarborgen dat betrouwbare informatie over onderhoud en beperkingen die van invloed zijn op de exploitatie, noodzakelijk en voldoende om een veilige exploitatie te verzekeren, beschikbaar zijn voor de spoorwegexploitant.
De spoorwegexploitant moet, hetzij rechtstreeks hetzij via de houder, de ECM te zijner tijd voorzien van informatie over de exploitatie van de voertuigen (met inbegrip van afgelegde kilometers, type en omvang van de activiteiten, ongevallen of incidenten) waarvoor de ECM verantwoordelijk is.
§ 4. De ECM van een toegelaten voertuig legt van dat voertuig een onderhoudsdossier en dossier omtrent de staat van onderhoud aan en houdt deze actueel. De ECM stelt de houder in kennis van updates van het dossier omtrent de staat van onderhoud. De dossiers moeten beschikbaar zijn voor inspectie door de bevoegde nationale autoriteit.
Artikel 16. Ongevallen, incidenten en ernstige schade
§ 1. Bij ongevallen of incidenten met of ernstige schade aan spoorvoertuigen zijn alle betrokkenen (de infrastructuurbeheerders, de houders, de ECM, de betrokken spoorwegondernemingen en eventuele andere actoren) verplicht:
- a. onverwijld alle nodige maatregelen te nemen teneinde de veiligheid van het spoorwegverkeer te waarborgen en het milieu en de volksgezondheid te beschermen en
- b. de oorzaken van het ongeval, het incident of de ernstige schade vast te stellen.
§ 1a. De maatregelen overeenkomstig § 1 moeten op elkaar worden afgestemd. Tenzij anders bepaald in de van kracht zijnde bepalingen in de desbetreffende Staat is de beheerder van de infrastructuur belast met de afstemming. Aanvullend op de onderzoeksplicht van de betrokken partijen, kan de Verdragsstaat een onafhankelijk onderzoek gelasten.
§ 2. Een voertuig wordt geacht ernstig te zijn beschadigd wanneer het niet eenvoudig hersteld kan worden, zodat het in een trein kan worden opgenomen en op eigen wielen kan rijden zonder dat de bedrijfsvoering in gevaar wordt gebracht. Indien de reparatie binnen tweeënzeventig uur kan worden uitgevoerd of de kosten in totaal minder dan 0,18 miljoen SDR bedragen, wordt de schade niet als ernstig aangemerkt.
§ 3. Van ongevallen, incidenten en ernstige schade wordt onverwijld kennisgeving gedaan aan de autoriteit die of het orgaan dat het voertuig heeft toegelaten tot het verkeer. Die autoriteit of dat orgaan kan verlangen dat het al dan niet herstelde voertuig wordt getoond teneinde te onderzoeken of de verleende gebruikstoelating nog geldig is. In voorkomend geval moet de procedure voor de gebruikstoelating worden overgedaan.
§ 4. De Verdragsstaten houden registers bij, publiceren onderzoeksrapporten met inbegrip van hun bevindingen en aanbevelingen en stellen de autoriteit die goedkeuringscertificaten afgeeft en de Organisatie in kennis van de oorzaken van ongevallen, incidenten en ernstige schade in het internationaal verkeer die zich hebben voorgedaan op hun grondgebied. De Commissie van technisch deskundigen kan de oorzaken van ongevallen, incidenten en ernstige schade in het internationaal verkeer onderzoeken teneinde eventueel voorschriften voor de constructie en exploitatie van spoorvoertuigen en ander spoorwegmaterieel in de UTP’s op te stellen en kan, zo nodig binnen zeer korte termijn beslissen om Verdragsstaten op te leggen de desbetreffende afgegeven gebruikscertificaten, certificaten van typegoedkeuringen of verklaringen te schorsen.
§ 5. De Commissie van technisch deskundigen kan nadere bindende regels opstellen en aannemen voor het onderzoek naar ongevallen, incidenten en ernstige schade, alsmede eisen stellen aan onafhankelijke onderzoeksorganen van een staat alsmede de vorm en inhoud van rapporten. Ook kan zij de waarden/getallen in § 2 en in artikel 2, onderdeel ff., wijzigen.
Artikel 17. Stilzetten en weigeren van voertuigen
§ 1. Een bevoegde autoriteit, een andere spoorwegonderneming of een infrastructuurbeheerder mag spoorvoertuigen niet weigeren of stilzetten teneinde te beletten dat ze rijden op compatibele spoorweginfrastructuren, wanneer ze voldoen aan deze Uniforme Regelen, de in de UTP’s vervatte voorschriften, de eventueel door de toelatende autoriteit gestelde bijzondere voorwaarden voor de toelating alsmede aan de in het RID vervatte voorschriften voor constructie en exploitatie.
§ 2. Het recht van een bevoegde autoriteit een voertuig te inspecteren en stil te zetten blijft onverlet ingeval van vermoeden van het niet in acht nemen van § 1; onderzoek teneinde zekerheid te verkrijgen moet evenwel zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen een termijn van 24 uur plaatsvinden.
§ 3. Indien een Verdragsstaat een certificaat evenwel niet binnen de in artikel 5, § 7, of artikel 16, § 4, bedoelde termijn schorst of intrekt, zijn andere Verdragsstaten bevoegd het voertuig of de voertuigen in kwestie te weigeren of stil te zetten.
Artikel 18. Niet in acht nemen van de voorschriften
§ 1. Met inachtneming van § 2 en artikel 10a, § 3, onderdeel c, worden de rechtsgevolgen van het niet in acht nemen van deze Uniforme Regelen en de UTP’s geregeld door de bepalingen die van kracht zijn in de Verdragsstaat waarvan de bevoegde autoriteit de gebruikstoelating heeft verleend, met inbegrip van de regels inzake wetsconflicten.
§ 2. De civielrechtelijke en strafrechtelijke gevolgen van het niet in acht nemen van deze Uniforme Regelen en de UTP’s worden voor zover het de infrastructuur betreft geregeld door de bepalingen die van kracht zijn in de Verdragsstaat waarin de infrastructuurbeheerder zijn zetel heeft, met inbegrip van de regels inzake wetsconflicten.
Artikel 19. Overgangsbepalingen
§ 1. Artikel 3, § 1, is van toepassing op bestaande, vernieuwde en verbeterde voertuigen. Overgangsbepalingen voor voertuigen die uit hoofde van RIV, RIC of andere relevante internationale overeenkomsten zijn toegelaten tot het internationaal verkeer en dienovereenkomstig zijn gemarkeerd zijn vastgelegd in dit artikel.
§ 2. Bij de inwerkingtreding van deze Uniforme Regelen worden bestaande voertuigen die met RIV respectievelijk RIC gemarkeerd zijn tot bewijs van het feit dat ze op dat moment voldoen aan de technische bepalingen van de RIV overeenkomst 2000 (herziene versie van 1 januari 2004) respectievelijk RIC overeenkomst, geacht voor gebruik te zijn toegelaten om te rijden op de netwerken van de Verdragsstaten overeenkomstig hun compatibiliteit met de spoorweginfrastructuren (aangeduid door de markeringen op de wagen) waarvoor zij zijn toegelaten door een van de Verdragsstaten.
§ 2a. Bestaande voertuigen die niet met RIV of RIC zijn gemarkeerd, maar volgens bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen Verdragsstaten waarvan kennisgeving is gedaan aan de Organisatie wel zijn toegelaten en gemarkeerd, worden eveneens geacht te zijn toegelaten om te rijden op de netwerken waarop het betreffende verdrag van toepassing is.
§ 3. De tijdelijke toelating overeenkomstig §§ 2 en 2a geldt totdat voor het voertuig een nieuwe toelating nodig is overeenkomstig artikel 10, § 11.
§ 4. Het opschrift RIV, RIC of een andere door de Commissie van technisch deskundigen aanvaarde markering op het voertuig alsmede de in de database opgeslagen gegevens bedoeld in artikel 13, worden aangemerkt als voldoende bewijs van de goedkeuring. Elke niet toegelaten wijziging van deze markering wordt als fraude beschouwd en vervolgd volgens het nationale recht.
§ 5. Onverminderd deze overgangsbepaling moeten het voertuig en zijn documentatie voldoen aan de van kracht zijnde bepalingen van de UTP’s inzake markering en onderhoud; tevens moet worden gewaarborgd dat voldaan wordt aan de bepalingen van het van kracht zijnde RID, indien van toepassing. De Commissie van technisch deskundigen kan tevens besluiten dat ongeacht eventuele overgangsbepalingen binnen een bepaalde termijn moet worden voldaan aan in de UTP’s opgenomen veiligheidsbepalingen.
§ 6. Bestaande voertuigen die niet vallen onder het toepassingsgebied van §§ 2 en 2a kunnen op verzoek van een aanvrager aan een bevoegde autoriteit worden toegelaten voor gebruik. Deze bevoegde autoriteit kan de aanvrager verzoeken om aanvullende technische informatie, dat wil zeggen een risicoanalyse en/of tests van het voertuig, alvorens het aanvullend voor gebruik toe te laten. De bevoegde autoriteiten geven zich evenwel ten volle rekenschap van de equivalentietabel bedoeld in artikel 13 van de APTU Uniforme Regelen.
§ 7. De Commissie van technisch deskundigen kan andere overgangsbepalingen aannemen.
Artikel 20. Geschillen
Geschillen omtrent de technische toelating van spoorvoertuigen en ander spoorwegmaterieel beoogd voor gebruik in het internationaal verkeer kunnen worden behandeld door de Commissie van technisch deskundigen indien ze niet beslecht zijn via rechtstreekse onderhandelingen tussen de betrokken partijen. Dergelijke geschillen kunnen in overeenstemming met de procedure omschreven in Titel V van het Verdrag ook aan het scheidsgerecht worden voorgelegd.
EN FOI DE QUOI, les plénipotentiaires soussignés dûment autorisés par leurs Gouvernements respectifs ont signé le présent Protocole.
FAIT à Vilnius, le 3 juin 1999, en un seul exemplaire original dans chacune des langues française, allemande et anglaise; ces exemplaires restent déposés dans les archives de l'OTIF. Des copies certifiées conformes en seront remises à chacun des Etats membres.
Artikel 15a. Samenstelling en exploitatie van treinen
§ 1. De spoorwegvervoeronderneming beheerst de risico’s die met haar activiteiten samenhangen, met name de risico’s die verband houden met de exploitatie van treinen. Daartoe waarborgt zij dat deze treinen voldoen aan de essentiële eisen en zal met name:
- a. de juiste en veilige samenstelling en voorbereiding van treinen waarborgen, met inbegrip van controles vóór vertrek,
- b. met informatie in acht nemen die nodig is voor de veilige exploitatie van elk voertuig, met inbegrip van mogelijke beperkingen voor de exploitatie,
- c. voertuigen uitsluitend gebruiken met inachtneming van de gebruiksvoorwaarden en -beperkingen ervan,
- d. verplicht zijn te voldoen aan de exploitatievoorschriften voor voertuigen in internationaal verkeer, zoals die omschreven in de relevante UTP’s,
- e. waarborgen dat aan elk voertuig een ECM is toegewezen en dat deze ECM, wanneer nodig, over een geldig certificaat beschikt.
§ 2. De in § 1 vervatte regels zijn van overeenkomstige toepassing op entiteiten anders dan spoorwegondernemingen die treinen onder hun eigen verantwoordelijkheid exploiteren.
§ 3. Voor zover nodig voor de exploitatie stelt de houder elke spoorwegonderneming die het voertuig exploiteert de elementen ter beschikking die betrekking hebben op de gebruiksvoorwaarden en -beperkingen en inzake revisies en voortdurende of periodieke monitoring.
§ 4. Voor zover nodig voor de exploitatie stelt de infrastructuurmanager elke spoorwegonderneming die het voertuig op zijn netwerk exploiteert de elementen ter beschikking die betrekking hebben op de kenmerken van de infrastructuur.
Artikel 16. Ongevallen, incidenten en ernstige schade
§ 1. Bij ongevallen, incidenten of ernstige schade aan voertuigen zijn alle betrokkenen (de infrastructuurbeheerders, de houders, de ECM, de betrokken spoorwegondernemingen en eventuele andere actoren) verplicht:
- a. onverwijld alle nodige maatregelen te nemen teneinde de veiligheid van het spoorwegverkeer te waarborgen en het milieu en de volksgezondheid te beschermen;
- b. de oorzaken van het ongeval, het incident of de ernstige schade vast te stellen.
§ 1a. De maatregelen overeenkomstig § 1 moeten op elkaar worden afgestemd. Tenzij anders bepaald in de van kracht zijnde bepalingen in de desbetreffende Staat is de beheerder van de infrastructuur belast met de afstemming. Aanvullend op de onderzoeksplicht van de betrokken partijen kan de Verdragsstaat een onafhankelijk onderzoek gelasten.
§ 2. Een voertuig wordt geacht ernstig te zijn beschadigd wanneer het niet eenvoudig zodanig hersteld kan worden dat het in een trein kan worden opgenomen en op eigen wielen kan rijden zonder dat de exploitatie in gevaar wordt gebracht. Indien de reparatie binnen tweeënzeventig uur kan worden uitgevoerd of de kosten in totaal minder dan 0,18 miljoen SDR bedragen, wordt de schade niet als ernstig aangemerkt.
§ 3. Van ongevallen, incidenten en ernstige schade wordt onverwijld kennisgeving gedaan aan de autoriteit die of het orgaan dat het voertuig heeft toegelaten tot het verkeer. Die autoriteit of dat orgaan kan verlangen dat het al dan niet herstelde voertuig wordt getoond teneinde te onderzoeken of de verleende gebruikstoelating nog geldig is. In voorkomend geval moet de procedure voor de gebruikstoelating worden overgedaan.
§ 4. De Verdragsstaten houden registers bij, publiceren onderzoeksrapporten met inbegrip van hun bevindingen en aanbevelingen en stellen de betrokken autoriteit en de Organisatie in kennis van de oorzaken van ongevallen, incidenten en ernstige schade in het internationaal verkeer die zich hebben voorgedaan op hun grondgebied. De Commissie van technisch deskundigen kan de oorzaken van ernstige ongevallen, incidenten en ernstige schade in het internationaal verkeer onderzoeken teneinde eventueel voorschriften voor de constructie en exploitatie van voertuigen in de UTP’s op te stellen en kan, zo nodig binnen korte termijn beslissen Verdragsstaten op te dragen de desbetreffende afgegeven gebruikscertificaten, certificaten van het typeontwerp of verklaringen op te schorten.
§ 5. De Commissie van technisch deskundigen kan nadere bindende regels opstellen en aannemen voor het onderzoek naar ernstige ongevallen, incidenten en ernstige schade, alsmede eisen stellen aan onafhankelijke onderzoeksorganen van een staat alsmede de vorm en inhoud van rapporten. Ook kan zij de waarden en getallen in § 2 en in artikel 2, onder ff., wijzigen.
Artikel 17. Stilzetten en weigeren van voertuigen
§ 1. Een bevoegde autoriteit, een spoorwegonderneming of een infrastructuurbeheerder mag voertuigen niet beletten te rijden op compatibele spoorweginfrastructuren, wanneer ze voldoen aan deze Uniforme Regelen, de in de UTP’s vervatte voorschriften, de eventueel door de toelatende autoriteit gestelde bijzondere voorwaarden voor de toelating alsmede aan de in het RID vervatte voorschriften voor constructie en exploitatie.
Dit artikel laat de verantwoordelijkheid van de spoorwegonderneming zoals omschreven in artikel 15a onverlet.
§ 2. Het recht van een bevoegde autoriteit een voertuig te inspecteren en stil te zetten indien vermoed wordt dat § 1 niet in acht is genomen blijft onverlet; onderzoek teneinde zekerheid te verkrijgen moet evenwel zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen 24 uur plaatsvinden.
§ 3. Indien een Verdragsstaat een certificaat evenwel niet binnen de inartikel 5, § 7, of artikel 16, § 4, bedoelde termijn opschort of intrekt, zijn andere Verdragsstaten bevoegd het voertuig of de voertuigen in kwestie te weigeren of stil te zetten.
Artikel 18. Niet in acht nemen van de voorschriften
§ 1. Met inachtneming van § 2 en artikel 10a, § 4, onderdeel c, worden de rechtsgevolgen van het niet in acht nemen van deze Uniforme Regelen en de UTP’s geregeld door de bepalingen die van kracht zijn in de Verdragsstaat waarvan de bevoegde autoriteit de gebruikstoelating heeft verleend, met inbegrip van de regels inzake wetsconflicten.
§ 2. De civielrechtelijke en strafrechtelijke gevolgen van het niet in acht nemen van deze Uniforme Regelen en de UTP’s worden voor zover het de infrastructuur betreft geregeld door de voorschriften die van kracht zijn in de Verdragsstaat waarin de infrastructuurbeheerder zijn zetel heeft, met inbegrip van de regels inzake wetsconflicten.
Artikel 19. Overgangsbepalingen
§ 1. [gereserveerd]
§ 2. Deze Uniforme Regelen zijn niet van toepassing op gebruikstoelatingen die vóór 1 januari 2011 werden verleend voor op 1 januari 2011 bestaande voertuigen die met RIV respectievelijk RIC gemarkeerd zijn ten bewijze van het feit dat ze op dat moment voldoen aan de technische bepalingen van de RIV-overeenkomst 2000 (herziene versie van 1 januari 2004) respectievelijk de RIC-overeenkomst, en voor bestaande voertuigen die niet met RIV of RIC zijn gemarkeerd, maar volgens bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen Verdragsstaten waarvan kennisgeving is gedaan aan de Organisatie wel zijn toegelaten en gemarkeerd.
§ 3. Onverminderd § 5 is de oorspronkelijke toelating overeenkomstig § 2 geldig totdat voor het voertuig een nieuwe toelating nodig is overeenkomstig artikel 10, § 11.
§ 4. De in artikel 14 bedoelde opschriften en tekens, alsmede de in de database opgeslagen gegevens bedoeld in artikel 13, § 1, worden aangemerkt als voldoende bewijs van de goedkeuring. Elke niet toegelaten wijziging van deze markering wordt als fraude beschouwd en vervolgd krachtens het nationale recht.
§ 5. Onverminderd deze overgangsbepaling moeten het voertuig en zijn documentatie voldoen aan de van kracht zijnde bepalingen van de UTP’s inzake markering en onderhoud; tevens moet worden gewaarborgd dat voldaan wordt aan de bepalingen van het van kracht zijnde RID, indien van toepassing. De Commissie van technisch deskundigen kan tevens een met redenen omkleed besluit nemen dat omwille van de veiligheid en interoperabiliteit aan de in de UTP ingevoerde voorschriften vóór een bepaalde termijn moet worden voldaan.
§ 6. Bestaande voertuigen die niet vallen onder het toepassingsgebied van § 2 kunnen op verzoek van een aanvrager aan een bevoegde autoriteit worden toegestaan voor gebruik. Deze bevoegde autoriteit kan de aanvrager verzoeken om aanvullende technische informatie, dat wil zeggen een risicoanalyse en/of tests van het voertuig, alvorens het aanvullend voor gebruik toe te laten. Desalniettemin nemen de bevoegde autoriteiten de equivalentietabel bedoeld in artikel 13 van de APTU Uniforme Regelen volledig in acht.
§ 7. De Commissie van technisch deskundigen kan aanvullende overgangsbepalingen aannemen.
Artikel 20. Geschillen
Geschillen omtrent de technische toelating van voertuigen beoogd voor gebruik in het internationaal verkeer kunnen worden behandeld door de Commissie van technisch deskundigen indien ze niet beslecht zijn via rechtstreekse onderhandelingen tussen de betrokken partijen. Dergelijke geschillen kunnen in overeenstemming met de procedure omschreven in Titel V van het Verdrag ook aan het scheidsgerecht worden voorgelegd.
EN FOI DE QUOI, les plénipotentiaires soussignés dûment autorisés par leurs Gouvernements respectifs ont signé le présent Protocole.
FAIT à Vilnius, le 3 juin 1999, en un seul exemplaire original dans chacune des langues française, allemande et anglaise; ces exemplaires restent déposés dans les archives de l'OTIF. Des copies certifiées conformes en seront remises à chacun des Etats membres.
Artikel 21. Bijlagen en aanbevelingen
§ 1. De Commissie van technisch deskundigen beslist over het aannemen en wijzigen van elke Bijlage in overeenstemming met de procedure neergelegd in de artikelen 16, 20 en 33, § 6, van het Verdrag. De beslissingen treden in werking volgens de bepalingen van artikel 35, §§ 3 en 4, van het Verdrag.
§ 2. Een verzoek om aanneming of wijziging van een Bijlage kan ingediend worden door:
- a. elke Verdragsstaat;
- b. elke regionale organisatie zoals omschreven in artikel 2, onder x, van de ATMF;
- c. elke representatieve internationale vereniging, voor de leden waarvan het bestaan van de Bijlage om veiligheids- en bedrijfseconomische redenen onmisbaar is in de uitoefening van hun activiteit.
§ 3. Het ontwikkelen van bijlagen op basis van aanvragen ingediend in overeenstemming met § 2 behoort tot het werkterrein van de Commissie van technisch deskundigen, bijgestaan door ad-hoc werkgroepen en de Secretaris-Generaal.
§ 4. De Commissie van technisch deskundigen kan een aanbeveling doen voor methoden en praktijken met betrekking tot de technische toelating van spoorwegmaterieel dat in internationaal verkeer wordt ingezet.
EN FOI DE QUOI, les plénipotentiaires soussignés dûment autorisés par leurs Gouvernements respectifs ont signé le présent Protocole.
FAIT à Vilnius, le 3 juin 1999, en un seul exemplaire original dans chacune des langues française, allemande et anglaise; ces exemplaires restent déposés dans les archives de l'OTIF. Des copies certifiées conformes en seront remises à chacun des Etats membres.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)