Benelux-overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen
De Regering van het Koninkrijk België,
De Regering van het Groothertogdom Luxemburg,
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,
Bezield door het verlangen naar gelijkvormigheid in de rechtsbeginselen en de overeenstemming in de juridische oplossingen voor hun landen,
Van mening zijnde, dat er aanleiding bestaat om de rechten van de slachtoffers van ongevallen, welke door motorrijtuigen op hun grondgebied worden veroorzaakt, door de invoering van een stelsel van verplichte verzekering te waarborgen,
Overwegende anderzijds, dat volkomen eenmaking van het recht voor dit onderwerp bezwaren blijkt op te leveren en dat voorts er mede kan worden volstaan, dat de voornaamste, onmisbaar te achten regelen gemeenschappelijk zijn voor de drie landen, met dien verstande dat ieder der landen de vrijheid behoudt voor zijn grondgebied bepalingen af te kondigen, die de waarborg ten behoeve van de benadeelden vergroten,
Overwegende tenslotte, dat de aanvaarding door de drie landen van een gelijksoortig stelsel met betrekking tot de verplichte verzekering inzake de wettelijke aansprakelijkheid de mogelijkheid biedt om overeenkomstig de doelstellingen van het Benelux-Unieverdrag bij te dragen tot de verwezenlijking van het vrije verkeer van personen en goederen in Benelux door aan de binnengrenzen der drie landen de controle op de verzekering van motorrijtuigen af te schaffen,
Zijn de volgende bepalingen overeengekomen:
Artikel 1
§ 1. De Verdragsluitende Partijen verbinden zich uiterlijk op de dag van het in werking treden van deze Overeenkomst hun nationale wetgeving op de verplichte verzekering tegen de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe motorrijtuigen aanleiding kunnen geven, aan te passen aan de bij deze Overeenkomst behorende Gemeenschappelijke bepalingen.
§ 2. Ieder der Verdragsluitende Partijen behoudt de bevoegdheid, de bij deze Overeenkomst behorende Gemeenschappelijke bepalingen te vervangen door bepalingen, die grotere waarborgen geven aan de benadeelden.
Artikel 2
§ 1. Ieder der Verdragsluitende Partijen behoudt de bevoegdheid:
-
- de verzekering te vervangen door een zekerheidstelling voor wat betreft bepaalde door haar aan te wijzen personen;
-
- bepaalde motorrijtuigen, welke naar haar oordeel nauwelijks gevaar opleveren, vrij te stellen van de verplichting tot verzekering; van deze bevoegdheid kan slechts gebruik worden gemaakt met instemming van het Comité van Ministers, ingesteld bij artikel 15 van het Benelux-Unieverdrag;
-
- de motorrijtuigen, toebehorende aan overheidslichamen en aan bepaalde door haar aan te wijzen rechtspersonen van openbaar nut, vrij te stellen van de verplichting tot verzekering;
-
- de sommen vast te stellen, waarvoor de verzekering moet worden gesloten;
-
- af te wijken van artikel 11 van de bij deze Overeenkomst behorende Gemeenschappelijke bepalingen, voor wat betreft de aldaar bedoelde nietigheden, excepties en verval;
-
- de gevolgen te bepalen welke de overdracht van de eigendom van motorrijtuigen zal hebben met betrekking tot de verzekering;
-
- af te wijken van artikel 5 van de bij deze Overeenkomst behorende Gemeenschappelijke bepalingen, wat betreft schade tot een gering bedrag, geleden door personen die binnen haar grondgebied hun verblijfplaats hebben;
-
- de verplichting tot het sluiten van de verzekering in door haar te bepalen gevallen te doen rusten op een ander dan de eigenaar;
-
- eveneens in het buitenland gestald te achten de motorrijtuigen die zij tijdelijk registreren en die bestemd zijn op korte termijn het land te verlaten.
§ 2. Evenwel zullen de afwijkingen, welke door een der Verdragsluitende Partijen bij wet of reglement overeenkomstig de in dit artikel vermelde voorbehouden worden uitgevaardigd, slechts gelden voor het grondgebied van die Staat en geen afbreuk doen aan de volledige toepassing van de wet op de verplichte verzekering van de andere Verdragsluitende Staten, op welker grondgebied wordt gereden.
Artikel 3
Ten einde te voorkomen dat de benadeelden schade lijden ten gevolge van een uitsluiting van de verzekering, zoals deze wordt toegestaan door § 2 van artikel 4 van de bij deze Overeenkomst behorende Gemeenschappelijke bepalingen, verbinden de Verdragsluitende Partijen zich de bevoegdheid tot het organiseren van snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten of -wedstrijden voor motorrijtuigen afhankelijk te stellen van een vergunning van overheidswege.
Zodanige vergunning kan slechts worden verleend, indien een verzekering, welke aan de bij deze Overeenkomst behorende Gemeenschappelijke bepalingen beantwoordt, de burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekt van de organisatoren en van de personen bedoeld in artikel 3 van de genoemde bepalingen.
Ieder der Verdragsluitende Partijen kan echter in haar wetgeving bepalen, dat de schaden, toegebracht aan bestuurders en andere inzittenden van motorrijtuigen die deelnemen aan de ritten of wedstrijden, bedoeld in het vorige lid, alsook de schaden toegebracht aan die motorrijtuigen van deze verzekering worden uitgesloten.
Artikel 4
De Verdragsluitende Partijen laten tot het verkeer op hun grondgebied toe, zonder dat een verzekering is gesloten,
- a. de motorrijtuigen, welke zijn voorzien van een bewijs van de Regering van een van de Verdragsluitende Staten, inhoudende dat het motorrijtuig aan die Staat toebehoort,
- b. de motorrijtuigen, toebehorende aan overheidslichamen of aan rechtspersonen van openbaar nut, behorende tot een andere Verdragsluitende Staat, welke door laatstgenoemde Staat zijn vrijgesteld van de verplichting tot verzekering.
De Verdragsluitende Partijen erkennen de rechtsmacht van de gerechten van het land waarin wordt gereden en nemen op zich de schade, toegebracht door motorrijtuigen, bedoeld in het vorige lid, te vergoeden onder de omstandigheden waarin de Staat, op wiens grondgebied wordt gereden, daartoe zou zijn gehouden indien het zijn eigen motorrijtuigen betrof.
De wijze van toepassing en uitvoering van de bepalingen van dit artikel wordt, indien daartoe aanleiding bestaat, geregeld bij Beschikking van het Comité van Ministers, ingesteld bij artikel 15 van het Benelux-Unieverdrag.
Artikel 5
Ieder der Verdragsluitende Partijen verbindt zich de bevoegdheid te erkennen van de gerechten van de andere Staten, bij wie overeenkomstig artikel 7 van de bij deze Overeenkomst behorende Gemeenschappelijke bepalingen een zaak wordt aanhangig gemaakt.
Artikel 6
Ieder der Verdragsluitende Partijen verbindt zich alle nodige maatregelen te nemen, welke van belang zijn voor de toepassing van de verplichte verzekering en voor de vergoeding der schade door de bureaus in de gevallen als bedoeld in § 2 van artikel 2 van de bij deze Overeenkomst behorende Gemeenschappelijke bepalingen.
Artikel 7
§ 1. Ieder der Verdragsluitende Partijen verbindt zich de nodige maatregelen te nemen met het oog op de oprichting op haar grondgebied van een waarborgfonds, waartegen de benadeelden een recht op een schadeloosstelling kunnen doen gelden:
-
- wanneer de identiteit van het motorrijtuig niet is vastgesteld;
-
- wanneer de verplichting tot verzekering niet is nagekomen, behalve in de gevallen, bedoeld in artikel 2, § 2, lid 3 van de bij deze Overeenkomst behorende Gemeenschappelijke bepalingen;
-
- wanneer iemand zich door diefstal of geweldpleging van het motorrijtuig heeft meester gemaakt of wanneer iemand dit wetende en zonder geldige reden een dergelijk motorrijtuig gebruikt;
-
- wanneer de toegelaten verzekeraar insolvent is. In dit geval kan echter ieder der Verdragsluitende Partijen de tussenkomst door het waarborgfonds vervangen door iedere andere maatregel, dienende tot het verzekeren van een schadeloosstelling aan de benadeelden.
§ 2. Ieder der Verdragsluitende Partijen bepaalt, voor de gevallen waarin de tussenkomst van het waarborgfonds voorzien is, de voorwaarden waaronder de schadeloosstelling wordt toegekend en de omvang daarvan.
Artikel 8
§ 1. Ieder der Verdragsluitende Partijen verbindt zich passende maatregelen te nemen ter verzekering van de naleving van de verplichtingen, opgelegd bij de bij deze Overeenkomst behorende Gemeenschappelijke bepalingen.
§ 2. Ieder van haar verbindt zich in haar wetgeving strafbepalingen op te nemen tegen:
-
- de persoon op wie de verplichting rust de verzekering te sluiten, die een motorrijtuig doet deelnemen of toelaat dat het deelneemt aan het verkeer op de openbare weg of op terreinen, die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een beperkt aantal personen, die het recht hebben om er te komen, zonder dat een verzekering is gesloten, welke beantwoordt aan de bij deze Overeenkomst behorende Gemeenschappelijke bepalingen, of wanneer de verzekering is vervallen.
-
- de bestuurder van een motorrijtuig, die dit motorrijtuig doet deelnemen aan het verkeer onder de omstandigheden, als bedoeld onder 1 van deze paragraaf.
Artikel 9
§ 1. Deze Overeenkomst kan niet worden opgezegd vóór het einde van een termijn van twee jaar te rekenen vanaf de datum van zijn inwerkingtreding. De opzegging zal geschieden door middel van een schriftelijke kennisgeving aan het Secretariaat-Generaal van de Benelux Economische Unie, dat hiervan de beide andere Verdragsluitende Partijen onmiddellijk op de hoogte stelt. De opzegging zal van kracht worden één jaar na de dag van de kennisgeving aan het Secretariaat-Generaal.
§ 2. In plaats van deze Overeenkomst op te zeggen kan iedere Staat een bepaald geformuleerd voorstel tot wijziging van één of meer artikelen van de Overeenkomst of van de bij de Overeenkomst behorende Gemeenschappelijke bepalingen doen en daarvan op dezelfde wijze als van een opzegging aan de beide andere Staten kennisgeven. In dat geval zullen de drie Staten trachten tot overeenstemming te komen. Is een jaar verlopen na de dag van de kennisgeving aan de beide andere Staten zonder dat er overeenstemming is bereikt, dan kan de Staat, welke het voorstel gedaan heeft, zijn wetgeving in de voorgestelde zin wijzigen. Van de wijziging wordt op dezelfde wijze als van het voorstel aan de beide andere Staten kennis gegeven. Ieder van deze beide Staten is alsdan bevoegd de Overeenkomst geheel of gedeeltelijk op te zeggen. De opzegging zal drie maanden nadat de kennisgeving daarvan aan het Secretariaat-Generaal is verstrekt, van kracht worden.
Artikel 10
Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is deze Overeenkomst slechts van toepassing op het in Europa gelegen grondgebied.
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden kan de toepassing van deze Overeenkomst uitbreiden tot Suriname en de Nederlandse Antillen bij een daartoe strekkende verklaring, te richten tot het Secretariaat-Generaal van de Benelux Economische Unie, dat hiervan de beide andere Verdragsluitende Partijen onmiddellijk op de hoogte stelt. Een dergelijke kennisgeving zal in werking treden zes maanden na de ontvangst daarvan door het Secretariaat-Generaal.
Artikel 11
Ieder der Verdragsluitende Partijen verbindt zich geen verdrag te sluiten, dat invloed kan hebben op het door de onderhavige Overeenkomst ingevoerde stelsel zonder overeenstemming met de twee andere Verdragsluitende Partijen.
Artikel 12
In afwijking van artikel 12 van de bij deze Overeenkomst behorende Gemeenschappelijke bepalingen en tot een bij Beschikking van het Comité van Ministers, ingesteld bij artikel 15 van het Benelux Unieverdrag, vast te stellen datum, kan ieder der Verdragsluitende Partijen bepalen dat de verbintenissen, welke het bureau, dat belast is met de schade-afwikkeling op grond van internationale verzekeringsbewijzen, op zich heeft genomen, van rechtswege eindigen door het verloop van de termijn waarvoor die bewijzen zijn uitgegeven.
Artikel 13
Deze Overeenkomst zal worden bekrachtigd en de akten van bekrachtiging worden neergelegd bij het Secretariaat-Generaal van de Benelux Economische Unie.
De Overeenkomst zal in werking treden op de eerste dag van de maand, volgende op de datum van neerlegging van de derde akte van bekrachtiging.
Onverminderd het bepaalde in artikel 9, eindigt de Overeenkomst tegelijk met het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie.
Artikel 1
Voor de toepassing van deze wet worden verstaan:
onder motorrijtuigen: rij- of voertuigen, bestemd om zich over de grond te bewegen en die door een mechanische kracht kunnen worden gedreven, zonder aan spoorstaven te zijn gebonden; al hetgeen aan het rij- of voertuig is gekoppeld, wordt als een deel daarvan aangemerkt;
onder verzekerden: zij wier aansprakelijkheid overeenkomstig de bepalingen van deze wet is gedekt;
onder benadeelden: zij die schade hebben geleden welke grond oplevert voor toepassing van deze wet, alsmede hun rechtverkrijgenden;
onder verzekeraar: de verzekeringsonderneming, door de Regering toegelaten in de zin van artikel 2, § 1, en in het geval van § 2, het bureau, belast met de afwikkeling van de schade, welke in België/in Luxemburg/in Nederland is veroorzaakt door motorrijtuigen, die gewoonlijk in het buitenland zijn gestald. De in een Staat geregistreerde motorrijtuigen worden geacht gewoonlijk in die Staat te zijn gestald.
Artikel 2
§ 1. Tot het verkeer op de openbare weg en op terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een beperkt aantal personen, die het recht hebben om er te komen, worden motorrijtuigen slechts toegelaten, indien de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, waartoe zij aanleiding kunnen geven, gedekt is door een verzekering welke aan de bepalingen van deze wet beantwoordt.
De verplichting tot het sluiten van de verzekering rust op de eigenaar van het motorrijtuig. Indien een andere persoon de verzekering heeft gesloten, wordt de verplichting van de eigenaar geschorst voor de duur van het door die andere persoon gesloten contract.
§ 2. De verzekering moet worden gesloten bij een tot dat doel door de Regering toegelaten verzekeraar.
Niettemin worden motorrijtuigen, die gewoonlijk in het buitenland zijn gestald, tot het verkeer in België/in Luxemburg/in Nederland toegelaten, mits een bureau, voor dat doel erkend door de Regering, zelf tegenover de benadeelden de verplichting op zich neemt de schade, door die motorrijtuigen toegebracht, overeenkomstig de bepalingen van deze wet te vergoeden.
Deze verplichting valt ten laste van het bureau, zelfs als de verplichting tot verzekering niet is nagekomen, wanneer het een motorrijtuig betreft, dat gewoonlijk in een van de beide andere Beneluxlanden is gestald.
Artikel 3
§ 1. De verzekering moet de burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekken van de eigenaar, van ieder houder, van iedere bestuurder van het verzekerde motorrijtuig en van iedere vervoerde persoon, zulks met uitzondering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van hen die zich door diefstal of geweldpleging de macht over het motorrijtuig hebben verschaft en van hen die, dit wetende, een dergelijk motorrijtuig zonder geldige reden gebruiken.
§ 2. De verzekering moet de schade omvatten, welke aan personen en aan goederen wordt gebracht door in België, in Luxemburg en in Nederland voorgevallen feiten. Zij moet mede de schade omvatten, toegebracht aan personen, die onder welke titel ook, worden vervoerd door het motorrijtuig, dat de schade veroorzaakt; de goederen door dat motorrijtuig vervoerd, kunnen van de verzekering worden uitgesloten.
§ 3. De verzekering moet de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de door het motorrijtuig veroorzaakte schade dekken zoals die aansprakelijkheid voortvloeit uit de toepasselijke wet.
Artikel 4
§ 1. Van het recht op een uitkering kunnen worden uitgesloten:
-
- de bestuurder van het motorrijtuig dat het ongeval veroorzaakt, alsmede de verzekeringnemer en zij wier burgerrechtelijke aansprakelijkheid door de polis is gedekt;
-
- de echtgenoot van de personen bedoeld in vorig nummer, alsmede hun bloed- en aanverwanten in de rechte linie, mits dezen bij hen inwonen en door hen worden onderhouden;
-
- zij, die gerechtigd zijn tot een uitkering uit hoofde van bijzondere wetten inzake schadevergoeding voor arbeidsongevallen, behalve voor zover zij tegen de verzekerde een op burgerrechtelijke aansprakelijkheid berustende vordering behouden.
§ 2. Van de verzekering kan worden uitgesloten de schade, die voortvloeit uit het deelnemen van het motorrijtuig aan snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten en -wedstrijden, waartoe van overheidswege verlof is verleend.
Artikel 5
Indien de overeenkomst een beding inhoudt dat de verzekerde persoonlijk voor een deel in de vergoeding van de schade zal bijdragen, blijft de verzekeraar niettemin jegens de benadeelde gehouden tot betaling van de schadeloosstelling die krachtens de overeenkomst ten laste van de verzekerde blijft.
Artikel 6
§ 1. De verzekering geeft aan de benadeelde een eigen recht tegen de verzekeraar.
§ 2. Indien er meer dan een benadeelde is en het totaal bedrag van de verschuldigde schadeloosstellingen de verzekerde som overschrijdt, worden de rechten van de benadeelden tegen de verzekeraar naar evenredigheid teruggebracht tot het beloop van die som. Niettemin blijft de verzekeraar, die, onbekend met het bestaan van vorderingen van andere benadeelden, te goeder trouw aan een benadeelde een groter bedrag dan het aan deze toekomende deel heeft uitgekeerd, jegens die anderen slechts gehouden tot het beloop van het overblijvende gedeelte van de verzekerde som.
Artikel 7
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.