Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Indonesië inzake de tussen de beide landen nog bestaande financiële vraagstukken
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Indonesië;
Verlangende, de nog tussen deze landen bestaande financiële vraagstukken te regelen;
Overwegende dat dit dient te geschieden in een enkele, alles omvattende overeenkomst, die voorziet in de betaling van een forfaitair bedrag;
Overwegende dat een zodanige overeenkomst dient te zijn gebaseerd op beginselen van rechtvaardigheid, menselijkheid en billijkheid;
Zijn overeengekomen als volgt:
Artikel 1
In deze Overeenkomst omvat de uitdrukking „bestaande financiële vraagstukken” alle financiële vorderingen van elk der Overeenkomstsluitende Partijen en haar onderdanen op de andere Overeenkomstsluitende Partij en haar onderdanen, hetzij uit hoofde van bilaterale overeenkomsten, hetzij uit anderen hoofde, onder andere pensioenrechten, voor zover deze vorderingen vóór 15 augustus 1962 zijn ontstaan.
De uitdrukking „bestaande financiële vraagstukken” omvat niet rechten en verplichtingen die voortspruiten uit de (normale) handelsbetrekkingen tussen beide landen en uit de bestaande bilaterale betalingsovereenkomst, noch de verplichtingen die elk der Partijen heeft tegenover onderdanen van de andere Partij als gevolg van contractuele betrekkingen of van uitspraken van de nationale rechters van een van beide landen.
Deze Overeenkomst heeft eveneens betrekking op de verliezen, geleden door Nederlandse onderdanen, als gevolg van de feitelijke onmogelijkheid hun eigendomsrechten, bedoeld in het derde lid van artikel XXII van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië inzake Westelijk Nieuw-Guinea (West-Irian), in West-Irian uit te oefenen.
Artikel 2
De twee Overeenkomstsluitende Partijen onthouden zich ervan hun onderscheiden vorderingen te specificeren en de vorderingen der andere Partij te toetsen of te erkennen.
Artikel 3
De Overeenkomstsluitende Partijen zijn het erover eens dat door betaling door de Indonesische Regering van een bedrag van zeshonderd miljoen Nederlandse gulden aan de Nederlandse Regering alle bestaande financiële vraagstukken volledig en definitief zullen zijn geregeld.
De Indonesische Regering betaalt het bedrag van zeshonderd miljoen Nederlandse gulden, verminderd met het bedrag van 36 miljoen gulden dat in 1965 als eerste betaling werd gereserveerd op een bijzondere rekening ten name van De Nederlandsche Bank N.V., in de boeken van De Indonesische Overzeese Bank N.V., in de termijnen vermeld in artikel 4 van deze Overeenkomst.
Artikel 4
Met het oog op de huidige omstandigheden, wordt het resterende bedrag van vijfhonderd vierenzestig miljoen Nederlandse gulden als volgt betaald.
Te beginnen op 31 december 1973 betaalt de Republiek Indonesië het in lid 1 genoemde bedrag in dertig gelijke jaarlijkse termijnen. Over de openstaande bedragen is met ingang van 1 januari 1974 een rente van 1 procent per jaar verschuldigd. De eerste rentebetaling dient te geschieden op 31 december 1974.
Alle betalingen geschieden door storting op de rekening van de Nederlandse Regering bij De Nederlandsche Bank N.V.
Artikel 5
De uitvoering van deze Overeenkomst ontslaat de Overeenkomstsluitende Partijen en hun onderdanen van alle verplichtingen tegenover elkaar voorzover deze verplichtingen direct of indirect voortvloeien uit de uitvoering door de Republiek Indonesië van vóór 15 augustus 1962 genomen wetgevende en/of administratieve maatregelen waardoor Nederlandse belangen zijn getroffen.
Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing op de in het tweede lid van artikel 1 omschreven rechten en verplichtingen.
Artikel 6
Het staat de Nederlandse Regering vrij te beslissen welke natuurlijke personen en welke rechtspersonen recht hebben op de door de Republiek Indonesië ter beschikking gestelde gelden en welke bedragen aan elk van hen zullen worden betaald.
Artikel 7
Deze Overeenkomst treedt in werking op de dag waarop beide Regeringen elkaar schriftelijk hebben medegedeeld dat de in hun onderscheiden landen grondwettelijk voorgeschreven formaliteiten zijn vervuld.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto by their respective Governments, have signed the present Agreement.
DONE at The Hague, this seventh day of September 1966, in duplicate in the English language.
For the Government of the Kingdom of the Netherlands,
(sd.) J. LUNS
For the Government of Republic of Indonesia,
(sd.) HAMENGKU BUWONO
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.