Culturele Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Tunesië
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Tunesië, de wens koesterende de culturele banden tussen de beide landen te versterken en een nauwe samenwerking op het gebied van onderwijs, kunsten en wetenschappen te bewerkstelligen, de vriendschappelijke verstandhouding te bevestigen en een zo volledig mogelijk begrip tussen de beide volken te handhaven, hebben besloten een culturele overeenkomst te sluiten en zijn de volgende bepalingen overeengekomen:
Artikel I
De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich de samenwerking tussen de beide landen op het gebied van cultuur, kunst en wetenschappen aan te moedigen en wel door het nemen van alle daartoe noodzakelijke maatregelen. Zij verbinden zich met name ertoe:
- a). de uitwisseling te bevorderen van leden van de wetenschappelijke staf van instellingen van hoger onderwijs, van hoogleraren, geleerden, wetenschappelijke onderzoekers en studenten tussen de wetenschappelijke instellingen en de universiteiten van beide landen, en hun alle faciliteiten te verlenen met betrekking tot de binnenkomst en het verblijf, zulks overeenkomstig de in elk der beide landen van kracht zijnde wetten;
- b). elk in haar eigen land studiebeurzen in te stellen teneinde studenten en jonge afgestudeerden van het andere land de gelegenheid te bieden hun studie voort te zetten aan wetenschappelijke instellingen en universiteiten, dan wel hun wetenschappelijke opleiding te voltooien;
- c). aan bursalen, studenten, stagiaires en wetenschappelijke onderzoekers de toegang tot monumenten, bibliotheken, archiefcollecties, musea en andere culturele en wetenschappelijke instellingen te vergemakkelijken;
- d). de organisatie van tentoonstellingen, concerten en lezingen aan te moedigen die tot een betere kennis van de cultuur van het andere land bijdragen;
- e). de samenwerking op het gebied van cultuur, wetenschap, sport en maatschappelijk leven te bevorderen tussen de in beide landen erkende onderwijsinstellingen;
- f). elk op haar eigen grondgebied, en overeenkomstig de in elk der beide landen van kracht zijnde wetten, werkzaamheden op het gebied der oudheidkunde door het andere land ondernomen te vergemakkelijken.
Artikel II
De bevoegde Autoriteiten in elk der beide landen nemen de maatregelen die noodzakelijk zijn om de waarde der door de instellingen van het andere land verleende diploma's en academische titels te bepalen.
Artikel III
De Overeenkomstsluitende Partijen keuren de oprichting van bilaterale genootschappen op Hun onderscheiden grondgebieden goed, welke ten doel hebben de wetenschappelijke en culturele samenwerking tussen de beide landen te bevorderen. Deze genootschappen zijn aan de in elk land van kracht zijnde wetten en voorschriften onderworpen.
Artikel IV
De bevoegde Autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen treffen in onderling overleg de nadere maatregelen die nodig zijn ter uitvoering van het bepaalde in de bovenstaande artikelen. Te dien einde wordt in elk van beide landen een commissie ingesteld die tot taak heeft aan de Regering voorstellen te doen ter uitvoering van de onderhavige Overeenkomst.
In elk van beide landen worden de leden van deze commissie benoemd door de Minister die voor de uitvoering van de onderhavige Overeenkomst verantwoordelijk is. De diplomatieke vertegenwoordiger van de andere Overeenkomstsluitende Partij kan worden uitgenodigd aan de beraadslagingen van die commissie deel te nemen.
Artikel V
De onderhavige Overeenkomst zal worden bekrachtigd en de akten van bekrachtiging zullen zo spoedig mogelijk te 's-Gravenhage worden uitgewisseld. De Overeenkomst zal in werking treden op de datum van de uitwisseling van de akten van bekrachtiging.
Artikel VI
Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is de onderhavige Overeenkomst van toepassing op het in Europa gelegen gebied.
Artikel VII
De onderhavige Overeenkomst blijft van kracht voor een tijdvak van vijf jaar. Indien zij niet zes maanden voor de datum van haar beëindiging is opgezegd, wordt zij stilzwijgend verlengd, met dien verstande dat elk van de Overeenkomstsluitende Partijen zich in dat geval het recht voorbehoudt haar op ieder tijdstip op te zeggen met inachtneming van een termijn van zes maanden.
EN FOI DE QUOI, les Plénipotentiaires respectifs ont signé le présent accord et y ont apposé leurs sceaux.
FAIT à Tunis, le 11 février 1964, en double exemplaire, en langue française.
Pour le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas,
(s.) Th. P. BERGSMA
Pour le Gouvernement de la République Tunisienne,
(s.) TAÏEB SAHBANI
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.