Overeenkomst inzake economische samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Indonesië,
Verlangende de economische samenwerking tussen hun landen tot hun wederzijds voordeel te bevorderen en uit te breiden,
Voornemens gunstige voorwaarden te scheppen voor het doen van investeringen door onderdanen van een der Staten op het grondgebied van de andere Staat en zodanige investeringen te bevorderen,
Zijn als volgt overeengekomen:
HOOFDSTUK I. Economische samenwerking
Artikel 1
Uitgaande van de beginselen van wederkerigheid en wederzijds voordeel nemen de Overeenkomstsluitende Partijen de verplichting op zich, hun samenwerking op economisch gebied te bevorderen, ten einde hun onderscheiden landen verder te ontwikkelen.
Artikel 2
De Overeenkomstsluitende Partijen bevorderen de grootst mogelijke uitbreiding van hun betrekkingen op het gebied van de industrie, de handel, de landbouw, de zeescheepvaart, het vervoer en andere diensten tussen hun onderscheiden landen.
In het kader en met inachtneming van hun nationale wetgeving bevorderen zij de samenwerking tussen maatschappijen, verenigingen en andere organisaties van welke aard ook, of dochterondernemingen daarvan, die met hun nationale economie verband houden, alsmede tussen al hun andere onderdanen die economische activiteiten verrichten, ten einde hun hulpbronnen verder tot ontwikkeling te brengen. Ten aanzien van de industrie, de handel, de landbouw, de zeescheepvaart, het vervoer en andere diensten bevorderen zij met name samenwerking met betrekking tot:
- de oprichting van nieuwe ondernemingen of de uitbreiding van bestaande ondernemingen;
- de verlening van bijstand bij of de deelneming aan de leiding van ondernemingen;
- de invoering van nieuwe produktietechnieken en de verbetering van bestaande technieken;
- het onderzoek naar en de exploitatie van natuurlijke rijkdommen;
- de overdracht van kennis en de samenwerking op technisch gebied;
- de benoeming van agenten en/of vertegenwoordigers;
alsmede samenwerking op elke andere passende wijze.
Met betrekking tot de vorm van de samenwerking bij de werkzaamheden bedoeld in de voorgaande alinea erkennen de Overeenkomstsluitende Partijen, zonder enige andere vorm van samenwerking te willen uitsluiten, het belang van gezamenlijke ondernemingen waarin onderdanen van beide Staten deelnemen.
Artikel 3
Elke Overeenkomstsluitende Partij neemt de verplichting op zich, ten aanzien van de andere Overeenkomstsluitende Partij en voor zover de wetgeving van de eerste Partij zulks toelaat, het volgende te vergemakkelijken:
- a). het organiseren door de andere Overeenkomstsluitende Partij en haar onderdanen van economische en commerciële tentoonstellingen en soortgelijke manifestaties op haar grondgebied;
- b). de invoer, vrij van rechten, van goederen, materialen en uitrusting voor gebruik bij zodanige tentoonstellingen en soortgelijke manifestaties mits zij binnen een bepaald tijdvak weer worden uitgevoerd;
- c). de invoer, vrij van rechten, van goederen, materialen en uitrusting voor gebruik bij technische werkzaamheden ten behoeve van overheidsinstellingen of particuliere ondernemingen, mits zij binnen een bepaald tijdvak weer worden uitgevoerd;
- d). de wederuitvoer, vrij van rechten, van de goederen, materialen en uitrusting bedoeld onder b) en c);
- e). de verkoop van goederen, materialen en uitrusting bedoeld onder b) en c) op het grondgebied waar zij zijn gebruikt, onder voorbehoud betaling van rechten.
HOOFDSTUK II. Investeringen
Artikel 4
Vervallen
Artikel 5
Vervallen
Artikel 6
Vervallen
Artikel 7
Vervallen
Artikel 8
Vervallen
Artikel 9
Vervallen
Artikel 10
Vervallen
Artikel 11
Vervallen
HOOFDSTUK III. Belastingen, heffingen en lasten
Artikel 12
Voor de toepassing van dit Hoofdstuk:
- a). wordt onder de term „onderdanen”, gebezigd ten aanzien van een Overeenkomstsluitende Partij, verstaan:
- i). alle natuurlijke personen die de nationaliteit van die Overeenkomstsluitende Partij bezitten; en
- ii). alle rechtspersonen, vennootschappen en verenigingen die hun positie als zodanig ontlenen aan het op het grondgebied van die Overeenkomstsluitende Partij geldende recht;
- b). wordt onder de term „inwoners”, gebezigd ten aanzien van een Overeenkomstsluitende Partij, mede verstaan alle maatschappijen gevestigd op het grondgebied van die Overeenkomstsluitende Partij.
Artikel 13
Onderdanen van de ene Overeenkomstsluitende Partij worden op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij niet onderworpen aan enigerlei belastingen, heffingen of lasten of enigerlei daarmede verband houdende verplichtingen die zwaarder zijn dan de belastingen, heffingen en lasten en daarmede verband houdende verplichtingen waaraan de onderdanen van die andere Overeenkomst sluitende Partij zijn of kunnen worden onderworpen.
Artikel 14
Ondernemingen gedreven door inwoners van een der Overeenkomstsluitende Partijen worden op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij niet onderworpen aan enigerlei belastingen, heffingen of lasten of enigerlei daarmede verband houdende verplichtingen die zwaarder zijn dan de belastingen, heffingen en lasten en daarmede verband houdende verplichtingen waaraan de ondernemingen gedreven door inwoners van die andere Overeenkomstsluitende Partij zijn of kunnen worden onderworpen.
Artikel 15
Indien ondanks het bepaalde in artikel 13 of artikel 14 van deze Overeenkomst onderdanen van een der Overeenkomstsluitende Partijen of ondernemingen gedreven door inwoners van een der Overeenkomstsluitende Partijen op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij zouden worden onderworpen aan enigerlei belastingen, heffingen of lasten of enigerlei daarmede verband houdende verplichtingen die zwaarder zijn dan de belastingen, heffingen en lasten en daarmede verband houdende verplichtingen waaraan onderdanen van een derde Staat of ondernemingen gedreven door inwoners van een derde Staat zijn of kunnen worden onderworpen, worden de eerstbedoelde onderdanen of ondernemingen op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij niet onderworpen aan enigerlei belastingen, heffingen of lasten of enigerlei daarmede verband houdende verplichtingen die zwaarder zijn dan de belastingen, heffingen en lasten en daarmede verband houdende verplichtingen waaraan de onderdanen van een zodanige derde Staat of de ondernemingen gedreven door inwoners van een zodanige derde Staat zijn of kunnen worden onderworpen.
Artikel 16
Ondernemingen gedreven door maatschappijen gevestigd op het grondgebied van een der Overeenkomststuitende Partijen, waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk, al dan niet rechtstreeks, het eigendom is van of wordt beheerst door een of meer onderdanen of inwoners van de andere Overeenkomstsluitende Partij worden op het grondgebied van de eerstbedoelde Overeenkomstsluitende Partij niet onderworpen aan enigerlei belastingen, heffingen of lasten of aan enigerlei daarmede verband houdende verplichtingen die zwaarder zijn dan de belastingen, heffingen en lasten en daarmede verband houdende verplichtingen waaraan soortgelijke ondernemingen gedreven door een maatschappij gevestigd op het grondgebied van de eerstbedoelde Overeenkomstsluitende Partij zijn of kunnen worden onderworpen.
Artikel 17
Elke Overeenkomstsluitende Partij is gerechtigd bijzondere belastingvoordelen toe te kennen uit hoofde van overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting.
Elke Overeenkomstsluitende Partij is gerechtigd binnen een regionale of sub-regionale economische unie bijzondere belastingfaciliteiten toe te kennen aan zijn eigen onderdanen en inwoners, alsmede aan onderdanen en inwoners van de andere betrokken Lid-Staten, indien zodanige belastingfaciliteiten in het kader van die economische unie zijn vastgesteld.
Artikel 18
Elke Overeenkomstsluitende Partij erkent het recht van de andere Overeenkomstsluitende Partij betaling van een vast bedrag te verlangen als eerste voorwaarde voor het verrichten van onderzoekingen en voor exploitatie op het gebied van de mijnbouw, de bosbouw en de visserij binnen het grondgebied van de laatstgenoemde Overeenkomstsluitende Partij.
Artikel 19
Elke Overeenkomstsluitende Partij erkent het recht van de andere Overeenkomstsluitende Partij aan bepaalde ondernemingen vrijstelling van belastingen, heffingen en lasten te verlenen als middel ter bevordering van de economische ontwikkeling.
HOOFDSTUK IV. Algemeen
Artikel 20
De Overeenkomstsluitende Partijen komen overeen, een Commissie op te richten, bestaande uit door hun onderscheiden Regeringen benoemde vertegenwoordigers.
De Commissie komt op verzoek van een der Overeenkomstsluitende Partijen minstens eenmaal per jaar en beurtelings in 's-Gravenhage en in Djakarta bijeen ter bespreking van aangelegenheden betreffende de tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst en ter bestudering van middelen voor de bevordering van de economische samenwerking tussen de Overeenkomstsluitende Partijen.
Hiertoe stelt de Commissie zich voortdurend op de hoogte omtrent de ontwikkeling van hun economische betrekkingen, zowel in bilateraal als in multilateraal verband. Bovendien doet zij aanbevelingen aan de onderscheiden Regeringen wanneer de doelstellingen van deze Overeenkomst zouden kunnen worden bevorderd en een grotere mate van economische samenwerking tot stand zou kunnen worden gebracht.
Artikel 21
Wanneer een aangelegenheid bij zowel deze Overeenkomst als bij een andere internationale overeenkomst die verbindend is voor de Overeenkomstsluitende Partijen is geregeld, belet niets in deze Overeenkomst een onderdaan van een Overeenkomstsluitende Partij zich te beroepen op de bepalingen die voor hem het gunstigst zijn.
Artikel 22
Een geschil tussen de Overeenkomstsluitende Partijen betreffende de uitlegging of de toepassing van deze Overeenkomst dat niet op andere wijze kan worden geregeld, wordt op verzoek van een der partijen bij het geschil voorgelegd aan een uit drie leden bestaand scheidsgerecht. Iedere partij benoemt een scheidsman en de aldus benoemde scheidsmannen benoemen samen een derde scheidsman die geen onderdaan van een der partijen is.
Indien een der partijen geen scheidsman heeft benoemd en indien zij geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de andere partij binnen twee maanden tot deze benoeming over te gaan, wordt de scheidsman op verzoek van laatstbedoelde partij benoemd door de President van het Internationale Gerechtshof.
Indien de twee scheidsmannen binnen twee maanden na hun benoeming niet tot overeenstemming kunnen geraken over de keuze van de derde scheidsman, wordt deze op verzoek van een der partijen benoemd door de President van het Internationale Gerechtshof.
Indien in de gevallen genoemd in het tweede en het derde lid van dit artikel, de President van het Internationale Gerechtshof verhinderd is genoemde functie uit te oefenen of indien hij onderdaan is van een der partijen, geschieden de noodzakelijke benoemingen door de Vice-President. Indien deze verhinderd is genoemde functie uit te oefenen of indien hij onderdaan is van een der partijen, geschieden de noodzakelijke benoemingen door het in jaren oudste lid van het Hof dat geen onderdaan is van een der partijen.
Het scheidsgerecht doet uitspraak op de grondslag van de bepalingen van deze Overeenkomst overeenkomstig de beginselen van het recht. Alvorens uitspraak te doen kan het scheidsgerecht, in ieder stadium van de procedure, een minnelijke schikking van het geschil aan de partijen voorstellen. De bovenstaande bepalingen doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van het scheidsgerecht om een uitspraak ex aequo et bono te doen wanneer partijen aldus overeenkomen.
Tenzij partijen anders beslissen, stelt het scheidsgerecht zijn procedureregels zelf vast.
Het scheidsgerecht beslist bij meerderheid van stemmen. Een zodanige beslissing is onherroepelijk en bindt de partijen bij het geschil.
Artikel 23
Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is deze Overeenkomst van toepassing op het in Europa gelegen grondgebied van het Koninkrijk, op Suriname en op de Nederlandse Antillen, tenzij de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden in haar kennisgeving anders bepaalt.
Artikel 24
Deze Overeenkomst treedt in werking op de dag waarop de Overeenkomstsluitende Partijen elkaar door middel van de wisseling van diplomatieke nota's ervan in kennis stellen dat aan de constitutionele eisen voor de inwerkingtreding van de Overeenkomst is voldaan; zij blijft van kracht voor een tijdvak van 15 jaar.
Tenzij een der Overeenkomstsluitende Partijen twaalf maanden voor het verstrijken van het lopende tijdvak mededeling van beëindiging heeft gedaan, wordt de geldigheidsduur van deze Overeenkomst beschouwd als zijnde stilzwijgend met een nieuw tijdvak van 15 jaar te zijn verlengd.
Artikel 25
Vervallen
Artikel 26
De Overeenkomstsluitende Partijen zullen de onderhavige Overeenkomst voorlopig toepassen, te rekenen van de datum harer ondertekening.
IN WITNESS WHEREOF, the undersigned Representatives, duly authorized thereto, have signed the present Agreement.
DONE at Djakarta, in duplicate, in the English language, this seventh day of July 1968.
For the Government of the Kingdom of the Netherlands,
(sd.) J. LUNS
For the Government of the Republic of Indonesia,
(sd.) A. MALIK
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.