Douaneovereenkomst inzake de tijdelijke invoer van pedagogisch materiaal

Type Verdrag
Publication 1986-09-06
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Preambule

De Overeenkomstsluitende Partijen bij deze Overeenkomst, tot stand gekomen onder auspiciën van de Internationale Douameraad met medewerking van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (UNESCO),

Overwegende dat het internationale verkeer van pedagogisch materiaal een belangrijke bijdrage vormt voor de ontwikkeling van het onderwijs en de beroepsopleiding, die van fundamenteel belang zijn voor economische en sociale vooruitgang,

Ervan overtuigd dat de aanvaarding van algemene faciliteiten voor de tijdelijke invoer van pedagogisch materiaal met vrijstelling van rechten en belastingen daartoe een doeltreffende bijdrage kan vormen,

Zijn als volgt overeengekomen:

HOOFDSTUK I. Begripsomschrijvingen

Artikel 1

In deze Overeenkomst wordt verstaan onder:

HOOFDSTUK II. Werkingssfeer

Artikel 2

Iedere Overeenkomstsluitende Partij verbindt zich tijdelijke invoer toe te staan voor:

Artikel 3

Bij de tijdelijke invoer van pedagogisch materiaal, reservedelen en gereedschappen kan als voorwaarde worden gesteld dat de goederen:

Artikel 4

Elke Overeenkomstsluitende Partij kan geheel of gedeeltelijk de verplichtingen die zij krachtens deze Overeenkomst heeft aangegaan, opschorten, indien:

worden voortgebracht of voorhanden zijn in het land van invoer.

HOOFDSTUK III. Bijzondere bepalingen

Artikel 5

Iedere Overeenkomstsluitende Partij verbindt zich in alle gevallen waarin zij dit mogelijk acht, geen zekerheid te eisen voor het bedrag van de rechten en belastingen bij invoer en genoegen te nemen met een schriftelijke verbintenis. Een zodanige verbintenis kan hetzij bij iedere invoer worden geëist, hetzij algemeen voor een bepaald tijdvak of, indien mogelijk, voor de duur van de erkenning van de instelling.

Artikel 6
1.

Pedagogisch materiaal waarvoor tijdelijke invoer is toegestaan moet binnen zes maanden na de datum van invoer weder worden uitgevoerd. De douaneautoriteiten van het land van tijdelijke invoer kunnen echter verlangen dat het materiaal weder wordt uitgevoerd binnen een kortere termijn, indien deze laatste voldoende wordt geacht om het doel van de tijdelijke invoer te verwezenlijken.

2.

De douaneautoriteiten kunnen om geldige redenen een langere termijn toestaan of de eerste termijn verlengen.

3.

Indien wetenschappelijk materiaal waarvoor tijdelijke invoer is toegestaan - hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk - niet weder kan worden uitgevoerd als gevolg van inbeslagneming of beslaglegging anders dan op vordering van particulieren, wordt de verplichting tot wederuitvoer opgeschort voor de duur van het beslag.

Artikel 7

Pedagogisch materiaal waarvoor tijdelijke invoer is toegestaan mag weder worden uitgevoerd in een of meer zendingen langs elk douanekantoor dat daartoe is opengesteld, ook als dit kantoor een ander is dan het kantoor van invoer.

Artikel 8

Aan pedagogisch materiaal waarvan tijdelijke invoer is toegestaan mag een andere bestemming worden gegeven dan wederuitvoer, in het bijzonder invoer tot verbruik binnenslands, mits wordt voldaan aan de voorwaarden en bepalingen die worden voorgeschreven door de wetgeving en voorschriften van het land van tijdelijke invoer.

Artikel 9

De in deze Overeenkomst neergelegde verplichting tot wederuitvoer geldt niet voor pedagogisch materiaal dat ernstig is beschadigd ten gevolge van een deugdelijk vastgesteld ongeval mits, naar gelang de douaneautoriteiten zulks vorderen, het materiaal:

Artikel 10

De bepalingen van artikel 9 zijn eveneens van toepassing op delen die zijn vervangen als gevolg van een herstelling van het pedagogisch materiaal of van wijzigingen welke dit materiaal heeft ondergaan tijdens het verblijf in het land van tijdelijke invoer.

Artikel 11

De bepalingen van de artikelen 6 tot en met 9 zijn eveneens van toepassing op de reservedelen en gereedschappen als bedoeld in artikel 2.

HOOFDSTUK IV. Algemene bepalingen

Artikel 12
1.

Elke Overeenkomstsluitende Partij zal de douaneformaliteiten verbonden aan de faciliteiten voorzien in deze Overeenkomst tot een minimum beperken. Alle voorschriften betreffende deze formaliteiten zullen terstond bekend worden gemaakt.

2.

De douanecontrole op en de in- en uitklaring van pedagogisch materiaal, reservedelen en gereedschappen zullen, indien dit mogelijk is en gelegen komt, worden uitgevoerd op de plaats waar het materiaal wordt gebruikt.

Artikel 13

De bepalingen van deze Overeenkomst bevatten minimumfaciliteiten. Zij beletten niet de toepassing van ruimere faciliteiten die bepaalde Overeenkomstsluitende Partijen toestaan of in de toekomst eventueel zullen toestaan hetzij unilateraal, hetzij krachtens bilaterale of multilaterale overeenkomsten.

Artikel 14

Voor de toepassing van deze Overeenkomst kunnen de gebieden van de Overeenkomstsluitende Partijen die een douane-unie of een economische unie vormen, worden beschouwd als één gebied.

Artikel 15

De bepalingen van deze Overeenkomst beletten niet dat uit hoofde van de nationale wetgeving en op grond van overwegingen van openbare zedelijkheid, openbare veiligheid, hygiëne of volksgezondheid ofwel om redenen van bescherming van octrooien en fabrieksen handelsmerken beperkingen worden opgelegd en toezicht wordt uitgeoefend.

Artikel 16

Elke inbreuk op de bepalingen van deze Overeenkomst, elke verwisseling, valse verklaring of handeling die tot gevolg heeft dat een natuurlijk persoon of rechtspersoon of het materiaal ten onrechte de voordelen geniet van de in deze Overeenkomst neergelegde regelen stelt de overtreder in het land waar het delict is begaan bloot aan de straffen voorzien in de wetgeving van dat land en aan de betaling van de verschuldigde rechten en belastingen bij invoer.

HOOFDSTUK V. Slotbepalingen

Artikel 17
1.

Elke Staat die Lid is van de Raad en elke Staat die Lid is van de Organisatie der Verenigde Naties of van haar gespecialiseerde organisaties kan Partij bij deze Overeenkomst worden door:

2.

Deze Overeenkomst staat tot en met 30 juni 1971 bij de zetel van de Raad te Brussel open voor ondertekening door de Staten bedoeld in het eerste lid van dit artikel. Na deze datum kunnen zij tot deze Overeenkomst toetreden.

3.

Elke Staat die geen Lid is van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde organisaties, tot welke door de Secretaris-Generaal van de Raad op verzoek van de Overeenkomstsluitende Partijen een daartoe strekkende uitnodiging is gericht, kan Partij worden bij deze Overeenkomst door toetreding, nadat de Overeenkomst in werking is getreden.

4.

De akten van bekrachtiging of toetreding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad.

Artikel 18
1.

Deze Overeenkomst treedt in werking drie maanden nadat vijf van de in het eerste lid van artikel 17 van deze Overeenkomst bedoelde Staten haar hebben ondertekend zonder voorbehoud van bekrachtiging of hun akten van bekrachtiging of toetreding hebben nedergelegd.

2.

Voor elke Staat die deze Overeenkomst ondertekent zonder voorbehoud van bekrachtiging, die haar bekrachtigt of ertoe toetreedt nadat vijf Staten haar hebben ondertekend zonder voorbehoud van bekrachtiging of hun akten van bekrachtiging of toetreding hebben nedergelegd, treedt deze Overeenkomst in werking: drie maanden nadat deze Staat heeft ondertekend zonder voorbehoud van bekrachtiging of zijn akte van bekrachtiging of toetreding heeft nedergelegd.

Artikel 19
1.

Elke Staat kan, hetzij ten tijde van de ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging, of van de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of toetreding, hetzij daarna, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad gerichte kennisgeving, verklaren dat deze Overeenkomst mede van toepassing zal zijn op alle of op bepaalde gebieden voor welker buitenlandse betrekkingen hij verantwoordelijk is, of waarvoor hij internationaal verantwoordelijk is. Deze kennisgeving wordt van kracht drie maanden na de datum waarop de Secretaris-Generaal van de Raad haar ontvangt. De Overeenkomst kan echter niet worden toegepast in de gebieden genoemd in de kennisgeving, voordat de Overeenkomst van kracht wordt ten aanzien van de betrokken Staat.

2.

Elke Staat die met toepassing van het eerste lid van dit artikel heeft medegedeeld dat deze Overeenkomst mede wordt toegepast in een gebied voor welks buitenlandse betrekkingen hij verantwoordelijk is, of waarvoor hij internationaal verantwoordelijk is, kan overeenkomstig de bepalingen van artikel 21 van deze Overeenkomst aan de Secretaris-Generaal van de Raad mededelen dat dit gebied de Overeenkomst niet langer zal toepassen.

Artikel 20

Ten aanzien van deze Overeenkomst is geen voorbehoud toegestaan.

Artikel 21
1.

Deze Overeenkomst wordt voor onbepaalde tijd gesloten, doch kan door elke Overeenkomstsluitende Partij worden opgezegd op elk willekeurig tijdstip na de datum van haar inwerkingtreding als vastgesteld in artikel 18 van deze Overeenkomst.

2.

Van de opzegging wordt kennis gegeven door middel van een akte, die wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad.

3.

De opzegging wordt van kracht zes maanden na de datum waarop de Secretaris-Generaal van de Raad de akte van opzegging heeft ontvangen.

Artikel 22
1.

De Overeenkomstsluitende Partijen komen, indien nodig, in vergadering bijeen ten einde de uitvoering van deze Overeenkomst na te gaan en in het bijzonder te overwegen welke maatregelen moeten worden genomen ter verzekering van een eenvormige uitlegging en toepassing van deze Overeenkomst.

2.

Zodanige vergaderingen worden bijeengeroepen door de Secretaris-Generaal van de Raad op verzoek van een of meer Overeenkomstsluitende Partijen. Tenzij de Overeenkomstsluitende Partijen anders beslissen, worden de vergaderingen gehouden op de plaats, waar de Raad is gevestigd.

3.

De Overeenkomstsluitende Partijen stellen voor zodanige vergaderingen het reglement van orde vast.

4.

De besluiten van de Overeenkomstsluitende Partijen worden genomen met twee/derde meerderheid van de aanwezige Overeenkomstsluitende Partijen die aan de stemming deelnemen. Alleen de Overeenkomstsluitende Partijen die een positieve of negatieve stem hebben uitgebracht worden geacht aan de stemming deel te nemen.

5.

De Overeenkomstsluitende Partijen nemen geen besluiten tenzij meer dan de helft van hen aanwezig is.

Artikel 23
1.

Elk geschil tussen de Overeenkomstsluitende Partijen betreffende de uitlegging of de toepassing van deze Overeenkomst wordt zoveel mogelijk bijgelegd door middel van rechtstreekse onderhandelingen tussen de desbetreffende Partijen.

2.

Elk geschil dat niet door rechtstreekse onderhandelingen is bijgelegd, wordt door de Overeenkomstsluitende Partijen tussen welke het geschil is gerezen, voorgelegd aan de Overeenkomstsluitende Partijen in vergadering bijeen overeenkomstig artikel 22 van deze Overeenkomst, die het geschil onderzoeken en aanbevelingen doen met het oog op de bijlegging ervan.

3.

De Overeenkomstsluitende Partijen tussen welke het geschil is gerezen, kunnen van tevoren overeenkomen dat zij de aanbevelingen van de Overeenkomstsluitende Partijen als bindend zullen aanvaarden.

Artikel 24
1.

Wijzigingen van deze Overeenkomst kunnen worden voorgesteld door hetzij een Overeenkomstsluitende Partij hetzij door de Overeenkomstsluitende Partijen, in vergadering bijeen overeenkomstig artikel 22 van deze Overeenkomst.

2.

De tekst van elke aldus voorgestelde wijziging wordt door de Secretaris-Generaal van de Raad medegedeeld aan alle Overeenkomstsluitende Partijen, aan alle andere Staten die haar hebben ondertekend, aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties en aan de Directeur-Generaal van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (UNESCO).

3.

Binnen een termijn van zes maanden na de datum waarop de voorgestelde wijziging is medegedeeld, kan elke Overeenkomstsluitende Partij aan de Secretaris-Generaal van de Raad mededelen:

4.

Zolang een Overeenkomstsluitende Partij die een mededeling als bedoeld in het derde lid, onder (b), van dit artikel heeft gedaan, de Secretaris-Generaal niet van de aanvaarding in kennis heeft gesteld, kan zij, gedurende een termijn van negen maanden na afloop van de termijn van zes maanden als bedoeld in het derde lid van dit artikel, bezwaren tegen de voorgestelde wijziging indienen.

5.

Indien tegen de voorgestelde wijziging bezwaren zijn ingediend overeenkomstig de bepalingen van het derde en het vierde lid van dit artikel, wordt deze wijziging geacht niet te zijn aanvaard en blijft zij zonder gevolgen.

6.

Indien geen bezwaren tegen de voorgestelde wijziging zijn ingediend overeenkomstig de bepalingen van het derde en het vierde lid van dit artikel, wordt de wijziging geacht te zijn aanvaard met ingang van de volgende data:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.