← Geldende tekst · Geschiedenis

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de wederkerige erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke zaken

Geldende tekst a fecha 1970-01-02

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en

Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en van Haar andere Rijken en Gebieden, Hoofd van de Commonwealth (hierna te noemen: „Hare Britse Majesteit”);

De wens koesterende om op grondslag van wederkerigheid een regeling te treffen voor de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke zaken,

Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten en hebben tot hun gevolmachtigden benoemd:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

Zijne Excellentie de Heer H. J. de Koster, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken;

Hare Britse Majesteit:

Voor het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland:

Zijne Excellentie Sir Isham Peter Garran, K. C. M. G., Harer Britse Majesteits Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur te 's-Gravenhage en

De Right Honourable Lord Gardiner, Lord High Chancellor van Groot-Brittannië;

Die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben uitgewisseld, zijn overeengekomen als volgt:

Het onderhavige Verdrag is in de verhouding Nederland-Verenigd Koninkrijk vanaf 1 januari 1987 vervangen door het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken en onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 54, tweede lid, en artikel 56 van het Verdrag van 1968. Het onderhavige Verdrag blijft echter volledig van kracht in de verhouding Nederland, enerzijds, en het Baljuwschap Guernsey, het Baljuwschap Jersey, het eiland Man en Hong Kong, anderzijds; het blijft eveneens van kracht tussen de Nederlandse Antillen, Aruba en het Verenigd Koninkrijk (Trb. 1987/56).

Algemene bepalingen

Artikel I

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

Artikel II
1.

Onverminderd het bepaalde bij het tweede en het vierde lid van dit artikel is dit Verdrag van toepassing op vonnissen in burgerlijke zaken, die na het tijdstip van inwerkingtreding van dit Verdrag zijn gewezen door de navolgende gerechten:

2.

Dit Verdrag is niet van toepassing op:

3.

Dit Verdrag sluit niet uit, dat een in het gebied van een der Hoge Verdragsluitende Partijen gewezen vonnis dat niet onder de werking van dit Verdrag valt of dat is gewezen onder omstandigheden waarin dit Verdrag de erkenning of tenuitvoerlegging niet vereist, niettemin in het gebied van de andere Hoge Verdragsluitende Partij wordt erkend en ten uitvoer gelegd op grond van de alsdan ter plaatse geldende interne rechtsregelen.

4.

Een Hoge Verdragsluitende Partij is niet verplicht dit Verdrag toe te passen op een vonnis, gewezen terzake van schade, welke valt onder de werking van een Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie, waarbij die Hoge Verdragsluitende Partij eveneens Verdragsluitende Partij is.

Erkenning van vonnissen

Artikel III
1.

Voor de toepassing van dit Verdrag heeft erkenning van een vonnis tot gevolg, dat dit wordt geacht gezag van gewijsde te bezitten tussen de betrokken partijen in alle gedingen berustende op dezelfde oorzaak; in deze gedingen kan op de beslissing een beroep worden gedaan bij wijze van verweer of als grondslag voor een tegenvordering.

2.

Onverminderd het bepaalde in het derde tot vijfde lid van dit artikel worden vonnissen, die zijn gewezen in het gebied van een der Hoge Verdragsluitende Partijen, erkend in het gebied van de andere tenzij ten genoegen van het aangezochte gerecht wordt aangetoond, dat een van de hiernavolgende weigeringsgronden aanwezig is:

3.

Indien de schuldenaar het aangezochte gerecht aantoont, dat een rechtsmiddel is ingesteld of dat hij gerechtigd en ook voornemens is om in het land van het oorspronkelijke gerecht een rechtsmiddel tegen het vonnis aan te wenden, dan mag het aangezochte gerecht het vonnis erkennen, doch het kan ook, indien de schuldenaar zulks verzoekt, hetzij de erkenning weigeren of zijn beslissing aanhouden teneinde de schuldenaar een redelijke termijn te geven om op grond van het ingestelde rechtsmiddel tot het einde voort te procederen of om een rechtsmiddel aan te wenden.

4.

Indien ten genoegen van het aangezochte gerecht wordt aangetoond, dat vóór de datum van het vonnis van het oorspronkelijke gerecht het daarbij berechte geschil onderwerp is geweest van een beslissing van een gerecht dat ter zake bevoegdheid bezat, dan kan het aangezochte gerecht weigeren het vonnis van het oorspronkelijke gerecht te erkennen.

5.

Erkenning wordt niet geweigerd op de enkele grond dat het oorspronkelijke gerecht bij zijn keuze van het op de zaak toepasselijke rechtsstelsel regels van internationaal privaatrecht heeft toegepast die afwijken van die welke door het aangezochte gerecht worden in acht genomen.

Artikel IV
1.

Voor de toepassing van artikel III, tweede lid, onder a, zijn, onverminderd het bepaalde in het tweede tot vierde lid van dit artikel, de gerechten van het land van het oorspronkelijke gerecht bevoegd:

2.

De bepalingen van het eerste lid van dit artikel zijn niet van toepassing op vonnissen in een procedure betreffende onroerend goed, doch de bevoegdheid van het oorspronkelijke gerecht zal worden erkend, wanneer dit goed is gelegen in het land van het oorspronkelijke gerecht.

3.

De bepalingen van het eerste lid van dit artikel zijn niet van toepassing op vonnissen, welke zijn gewezen ter zake van een vordering in rem met betrekking tot schepen, luchtvoertuigen of hun lading. De bevoegdheid van het oorspronkelijke gerecht wordt evenwel erkend, wanneer deze schepen, luchtvoertuigen of hun lading ten tijde van de aanvang van het geding voor dat gerecht gelegen waren in het land van het oorspronkelijke gerecht.

4.

De bevoegdheid van het oorspronkelijke gerecht wordt niet erkend in de onder d en e van het eerste lid en in het tweede en het derde lid van dit artikel vermelde gevallen, indien het geding voor het oorspronkelijke gerecht was aanhangig gemaakt in strijd met een overeenkomst ingevolge welke het geschil op een andere wijze zou worden beslecht dan door een procedure voor de gerechten van het land van het oorspronkelijke gerecht.

Tenuitvoerlegging van vonnissen

Artikel V
1.

Onverminderd het bepaalde in het tweede lid van dit artikel wordt een in het gebied van een der Hoge Verdragsluitende Partijen gewezen vonnis ingevolge hetwelk een geldsom is verschuldigd, in het gebied van de andere ten uitvoer gelegd op de wijze bepaald in de artikelen VI tot VIII van dit Verdrag,

met dien verstande, dat de beslissing niet zal worden ten uitvoer gelegd, indien:

2.

Indien de schuldenaar ten genoegen van het aangezochte gerecht aantoont, dat een rechtsmiddel is ingesteld of dat hij gerechtigd is om een rechtsmiddel aan te wenden en ook voornemens is dit te doen, dan behoeft de tenuitvoerlegging van het vonnis niet te worden toegestaan en kan het aangekochte gerecht die maatregelen treffen, die naar zijn interne wet geoorloofd zijn.

Artikel VI
1.

Alvorens een in het gebied van het Koninkrijk der Nederlanden gewezen vonnis in het Verenigd Koninkrijk kan worden ten uitvoer gelegd, moet de schuldeiser zich op de daartoe door het aangezochte gerecht voorgeschreven wijze met een verzoek om registratie wenden:

2.

Het verzoek om registratie dient vergezeld te gaan van:

3.

De in het tweede lid genoemde bescheiden behoeven geen verder bewijs van echtheid.

4.

Indien een verzoek is gedaan in overeenstemming met het eerste en het tweede lid van dit artikel en het desbetreffende vonnis voldoet aan artikel V, wordt de registratie verleend.

Artikel VII
1.

Alvorens een in het gebied van het Verenigd Koninkrijk gewezen vonnis in het Koninkrijk der Nederlanden kan worden ten uitvoer gelegd, moet de schuldeiser overeenkomstig de bij het aangezochte gerecht voorgeschreven wijze een verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging richten tot de rechtbank van het arrondissement waar de schuldenaar woonplaats of vermogen heeft.

2.

Het verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging dient vergezeld te gaan van:

3.

De in het tweede lid genoemde bescheiden behoeven geen verder bewijs van echtheid.

4.

Indien een verzoek is gedaan in overeenstemming met het eerste en het tweede lid van dit artikel en het desbetreffende vonnis voldoet aan artikel V, wordt het verlof tot tenuitvoerlegging verleend.

Artikel VIII
1.

Een vonnis heeft van de datum af waarop registratie ingevolge artikel VI of verlof tot tenuitvoerlegging ingevolge artikel VII is verleend, voor wat betreft de tenuitvoerlegging uit krachte van die registratie of dat verlof, in het land van het aangezochte gerecht dezelfde kracht als ware het een vonnis dat op die datum in dat land zelf was gewezen.

2.

De rechtsgang ter verkrijging van registratie van een beslissing ingevolge artikel VI en tot verkrijging van verlof tot tenuitvoerlegging ingevolge artikel VII wordt zo eenvoudig en weinig tijdrovend mogelijk gehouden en van hem die registratie of verlof tot tenuitvoerlegging verzoekt, zal geen zekerheidstelling voor kosten worden verlangd.

3.

Het aangezochte gerecht zal voor een verzoek om registratie of om verlening van het verlof tot tenuitvoerlegging een termijn van ten minste zes jaar toestaan, te rekenen van de datum waarop het vonnis door het oorspronkelijke gerecht is gewezen, wanneer in het land van het oorspronkelijke gerecht tegen dit vonnis geen beroep bij een hoger gerecht is ingesteld of, indien zodanig beroep wel is ingesteld, te rekenen van de datum van het vonnis in laatste aanleg.

4.

Indien het aangezochte gerecht vaststelt dat het vonnis van het oorspronkelijke gerecht verschillende onderwerpen betreft en dat een of meer - maar niet alle - onderdelen van het vonnis, indien zij zouden zijn vervat in afzonderlijke vonnissen, in aanmerking zouden zijn gekomen voor registratie of daarvoor verlof tot tenuitvoerlegging zou zijn verleend, dan kan het vonnis worden geregistreerd of verlof worden verleend tot de tenuitvoerlegging ervan uitsluitend voor wat betreft bedoelde onderdelen.

5.

Indien het aangezochte gerecht vaststelt, dat aan het vonnis op de datum van het verzoek gedeeltelijk doch niet geheel door betaling is voldaan, dan wordt registratie of verlof tot tenuitvoerlegging verleend voor het resterende gedeelte dat op die datum nog opeisbaar is, mits overigens het vonnis op grond van de bepalingen van dit Verdrag zou kunnen worden ten uitvoer gelegd.

6.

Indien ter voldoening aan een vonnis een geldsbedrag moet worden betaald, dat is uitgedrukt in een andere muntsoort dan die van het land van het aangezochte gerecht, dan zal het recht van dat land bepalen of, en zo ja op welke wijze voor de voldoening aan of de tenuitvoerlegging van het vonnis het verschuldigde bedrag kan of moet worden omgerekend in de muntsoort van dat land.

7.

Bij de verlening van registratie of verlof tot tenuitvoerlegging zal het aangezochte gerecht op verzoek van de schuldeiser een redelijk bedrag aan kosten, gemaakt voor en in verband met het verlof tot registratie of tenuitvoerlegging, toekennen.

8.

Indien registratie of tenuitvoerlegging van een vonnis is toegestaan, zal de beslissing tot op de datum van het verlof rente dragen tot de hoogte die in de beslissing zelf of in een er bij gevoegde verklaring van het oorspronkelijke gerecht is vastgesteld. Van de datum van het verlof af wordt rente toegekend tot 4 % per jaar over het gehele bedrag (hoofdsom en rente) waarvoor registratie of tenuitvoerlegging is toegestaan.

Slotbepalingen

Artikel IX

Alle geschillen die mochten rijzen in verband met de uitlegging of toepassing van dit Verdrag worden opgelost langs de diplomatieke weg.

Artikel X
1.

De Regeringen van de Hoge Verdragsluitende Partijen kunnen op elk tijdstip door Notawisseling de werking van dit Verdrag uitbreiden tot:

2.

In de in het vorige lid bedoelde Notawisseling wordt tevens aangegeven welke gerechten van het desbetreffende gebied of van het desbetreffende deel van het Koninkrijk zullen worden beschouwd als gerechten op welker vonnissen dit Verdrag van toepassing is en tot welke gerechten een verzoek om registratie of om verlof tot tenuitvoerlegging moet worden gericht.

3.

Ten aanzien van vonnissen gewezen in een gebied nadat de uitbreiding tot dat gebied van kracht is geworden, worden de gerechten die in de desbetreffende Notawisseling zijn aangegeven als gerechten op welker vonnissen dit Verdrag van toepassing is, geacht te zijn genoemd in artikel II, eerste lid.

4.

Een uitbreiding zal van kracht worden één maand na de datum van de Notawisseling.

5.

Ieder der Hoge Verdragsluitende Partijen is bevoegd, na het verstrijken van een termijn van drie jaar na de datum, waarop een uitbreiding van dit Verdrag tot een van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde gebieden van kracht is geworden, deze uitbreiding te beëindigen met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden, door kennisgeving langs de diplomatieke weg.

6.

De opzegging van dit Verdrag ingevolge artikel XI heeft ook gevolg voor een gebied, waartoe de werking van het Verdrag is uitgebreid ingevolge het eerste lid van dit artikel, tenzij door de Hoge Verdragsluitende Partijen uitdrukkelijk anders is overeengekomen.

Artikel XI

Dit Verdrag zal worden bekrachtigd. De oorkonden van bekrachtiging zullen te Londen worden uitgewisseld. Het Verdrag zal drie maanden nadat de oorkonden van bekrachtiging zijn uitgewisseld in werking treden en het zal gedurende drie jaar na zijn inwerkingtreding van kracht blijven. Indien geen van de Hoge Verdragsluitende Partijen de andere tenminste zes maanden vóór het verstrijken van de vermelde termijn van drie jaar langs de diplomatieke weg heeft kennis gegeven van zijn wens het Verdrag op te zeggen, dan zal het van kracht blijven tot op de dag waarop zes maanden verstreken zijn na de datum waarop een van de Hoge Verdragsluitende Partijen van de opzegging zal hebben kennis gegeven.

TEN BEWIJZE WAARVAN de hogergenoemde gevolmachtigden dit Verdrag hebben ondertekend en van hun zegels voorzien.

GEDAAN in tweevoud te 's-Gravenhage, op 17 november 1967, in de Nederlandse en de Engelse taal, welke beide teksten gelijkelijk gezag hebben.

Voor Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

(w.g.) H. J. DE KOSTER

Voor Hare Britse Majesteit:

(w.g.) PETER GARRAN

(w.g.) GARDINER C.