Verdrag inzake verkeerstekens
De Verdragsluitende Partijen,
Erkennend dat een internationale eenvormigheid van verkeerstekens en -symbolen, alsmede van verkeerstekens op het wegdek noodzakelijk is om het internationale wegverkeer te vergemakkelijken en de verkeersveiligheid te verhogen,
Zijn de navolgende bepalingen overeengekomen:
HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Verdrag hebben de onderstaande uitdrukkingen de daaraan in dit artikel toegekende betekenis:
- (a). „Nationale wetgeving” van een Verdragsluitende Partij: het geheel van de nationale of plaatselijke wetten en voorschriften die op het grondgebied van die Verdragsluitende Partij van kracht zijn;
- (b). „Bebouwde kom”: een gebied dat op de plaatsen waar men dit binnen- of uitrijdt door speciale verkeerstekens als zodanig wordt aangeduid, dan wel een gebied dat in de nationale wetgeving op andere wijze is omschreven;
- (c). „Weg”: het gehele oppervlak van elke weg of straat die voor het openbaar verkeer openstaat;
- (d). „Rijbaan”: dat deel van een weg dat gewoonlijk voor het verkeer met voertuigen wordt gebruikt; een weg kan een aantal rijbanen bevatten die duidelijk zichtbaar van elkaar gescheiden zijn, bijvoorbeeld door een scheidende strook of een verschil in niveau;
- (e). „Rijstrook”: elk van de delen waarin de rijbaan in de lengterichting kan worden verdeeld, al of niet aangegeven door strepen op het wegdek in de lengterichting, welke rijstrook voldoende breed moet zijn voor één rij rijdende motorvoertuigen, anders dan motorfietsen;
- (e)bis. ,Fietsstrook’: een deel van de rijbaan dat voor fietsen bestemd is. Een fietsstrook wordt van de rest van de rijbaan onderscheiden door op het wegdek in de lengterichting aangebrachte tekens.
- (e)ter. ,Fietspad’: een aparte weg of deel van een weg bestemd voor fietsen en die of dat als zodanig wordt aangegeven. Een fietspad wordt van andere wegen of andere gedeelten van dezelfde weg gescheiden door fysieke maatregelen.
- (f). „Kruising”: elke gelijkvloerse kruising, samenvoeging of splitsing van wegen, met inbegrip van de open stukken die door dergelijke kruisingen, samenvoegingen of splitsingen zijn ontstaan;
- (g). „Overweg”: gelijkvloerse kruising tussen een weg en een spoor- of tramweg met vrije baan;
- (h). „Autosnelweg”: een weg die speciaal is ontworpen en aangelegd voor verkeer met motorvoertuigen en waarop aanliggende percelen geen uitweg hebben en die
- (i). behalve op bepaalde plaatsen of tijdelijk, is voorzien van gescheiden rijbanen voor beide verkeersrichtingen, welke rijbanen van elkaar gescheiden zijn hetzij door een scheidende strook die niet voor het verkeer is bestemd, hetzij, bij uitzondering, op andere wijze;
- (ii). geen andere weg, spoor- of tramweg of voetpad op hetzelfde niveau kruist; en
- (iii). door speciale verkeerstekens als autosnelweg is aangeduid.
- (i). Een voertuig wordt geacht: Het staat de Verdragsluitende Partijen echter vrij voertuigen die niet in beweging zijn zoals bedoeld in bovenstaande subparagraaf (ii) als „stilstaand” te beschouwen gedurende een tijdsbestek dat de door de nationale wetgeving vastgestelde duur niet te boven gaat en niet in beweging zijnde voertuigen als „geparkeerd” te beschouwen wanneer deze voertuigen niet in beweging zijn zoals bedoeld in bovenstaande subparagraaf (i), en dit het geval is gedurende een tijdsbestek dat de door de nationale wetgeving vastgestelde duur wèl te boven gaat;
- (i). „stilstaand” te zijn wanneer het niet in beweging is gedurende de tijd die nodig is om personen te laten in- of uitstappen of om goederen in of uit te laden; en
- (ii). „geparkeerd” te zijn wanneer het niet in beweging is om elke andere reden dan de noodzaak een conflictsituatie met een weggebruiker te vermijden of een botsing met een obstakel te vermijden, of om aan verkeersvoorschriften te voldoen, en wanneer de tijd gedurende welke het voertuig niet in beweging is niet is beperkt tot de tijd, nodig om personen te laten in- of uitstappen of om goederen in of uit te laden.
- (j). „Fiets”: elk voertuig met ten minste twee wielen, dat uitsluitend wordt voortbewogen door de spierkracht van de berijders, in het bijzonder door middel van pedalen of van met de hand bewogen hefbomen;
- (k). „Bromfiets”: elk voertuig met twee of drie wielen, dat is uitgerust met een verbrandingsmotor met een maximale cilinderinhoud van 50 cm3 en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 50 km per uur. Het staat de Verdragsluitende Partijen echter vrij krachtens hun nationale wetgeving niet als bromfietsen te beschouwen voertuigen die wat het gebruik betreft niet de eigenschappen van een fiets vertonen, in het bijzonder de eigenschap dat zij door pedalen kunnen worden voortbewogen, of waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid, het massa of bepaalde eigenschappen van de motor bepaalde grenzen overschrijden. Niets in deze omschrijving mag zó worden uitgelegd dat dit de Verdragsluitende Partijen zou beletten bromfietsen op dezelfde wijze te behandelen als fietsen wat betreft de toepassing van de bepalingen van hun nationale verkeerswetgeving;
- (l). „Motorfiets”: elk voertuig op twee wielen, met of zonder zijspanwagen, dat is voorzien van een voortstuwende motor. De Verdragsluitende Partijen kunnen in hun nationale wetgeving ook driewielige voertuigen als motorfietsen aanmerken, mits het ledig massa daarvan maximaal 400 kg bedraagt. De uitdrukking „motorfiets” heeft geen betrekking op bromfietsen hoewel de Verdragsluitende Partijen, mits zij hiertoe een verklaring afleggen overeenkomstig artikel 46, tweede lid, van dit Verdrag, voor de toepassing van dit Verdrag bromfietsen als motorfietsen kunnen beschouwen;
- (m). „Gemotoriseerd voertuig”: elk zichzelf over de weg voortstuwend voertuig anders dan een bromfiets, in de gebieden van de Verdragsluitende Partijen die bromfietsen niet als motorfietsen beschouwen, en anders dan een voertuig dat op rails wordt voortbewogen;
- (n). „Motorvoertuig”: elk gemotoriseerd voertuig dat gewoonlijk wordt gebruikt voor het vervoer van personen of goederen langs de weg, of om voertuigen, die worden gebruikt voor het vervoer van personen of goederen, langs de weg voort te trekken. Deze uitdrukking omvat mede trolleybussen, dat wil zeggen voertuigen die in verbinding staan met een elektrische geleiding, en niet op rails rijden. Zij heeft geen betrekking op voertuigen zoals landbouwtrekkers, die slechts bij uitzondering worden gebruikt om personen of goederen langs de weg te vervoeren, of om voertuigen, die personen of goederen vervoeren, langs de weg te trekken;
- (o). „Aanhangwagen”: elk voertuig dat is bestemd om door een gemotoriseerd voertuig te worden getrokken; de uitdrukking omvat tevens opleggers;
- (p). „Oplegger”: elke aanhangwagen die is bestemd om dusdanig aan een motorvoertuig te worden gekoppeld dat een deel ervan op het motorvoertuig rust en dat een aanzienlijk deel van het massa van de oplegger en van de lading door het motorvoertuig wordt gedragen;
- (q). „Bestuurder”: degene die een motorvoertuig of enig ander voertuig bestuurt (met inbegrip van een fiets), of die vee, hetzij enkele dieren hetzij in kudden, of trek-, last- of rijdieren op de weg onder zijn hoede heeft;
- (r). „Maximum toegestaan massa”: het maximumgewicht van het voertuig in beladen toestand, toegelaten door het bevoegde gezag van de Staat waar het voertuig is ingeschreven;
- (s). „Totaalgewicht”: het werkelijke massa van het voertuig, met inbegrip van lading, bemanning en passagiers;
- (t). „Rijrichting” en „overeenkomstig de rijrichting”: de rechterzijde indien, ingevolge de nationale wetgeving, de bestuurder een tegemoetkomend voertuig aan zijn linkerzijde moet laten voorbijgaan; in het omgekeerde geval betekenen deze uitdrukkingen: de linkerzijde;
- (u). Onder de eis dat de bestuurder andere voertuigen „voorrang” moet verlenen wordt verstaan dat hij niet mag doorrijden of een manoeuvre mag voortzetten, indien zulks de kans met zich zou brengen, dat bestuurders van andere voertuigen gedwongen worden de richting of de snelheid van hun voertuig plotseling te wijzigen.
Artikel 2. Bijlagen bij het Verdrag
De Bijlagen bij dit Verdrag, te weten:
Bijlage 1: Verkeerstekens;
- Deel A: Gevaarstekens;
- Deel B: Voorrangstekens;
- Deel C: Verbodstekens of beperkende tekens;
- Deel D: Gebodstekens;
- Deel E: Tekens die een bijzonder voorschrift inhouden;
- Deel F: Tekens betreffende informatie, voorzieningen of diensten;
- Deel G: Tekens die een richting aangeven of een bebakening of aanduiding inhouden;
- Deel H: Onderborden;
Bijlage 2: Op het wegdek aangebrachte tekens;
Bijlage 3: Weergave in kleuren van tekens, symbolen en onderborden zoals bedoeld in Bijlage 1;
zijn integrerende onderdelen van dit Verdrag.
Artikel 3. Verplichtingen van de Verdragsluitende Partijen
- (a). De Partijen bij dit Verdrag aanvaarden het in dit Verdrag beschreven stelsel van verkeerstekens en -symbolen, alsmede van op het wegdek aangebrachte verkeerstekens, en verbinden zich dit zo spoedig mogelijk over te nemen. Hiertoe
- (i). verbinden de Verdragsluitende Partijen zich, onder voorbehoud van de tijdslimieten, aangegeven in het tweede en derde lid van dit artikel, wanneer dit Verdrag een verkeersteken, symbool of teken op het wegdek voorschrijft om een bepaalde regel of een bepaalde mededeling aan de weggebruikers kenbaar te maken, geen ander teken, symbool of teken op het wegdek te gebruiken om die regel of mededeling kenbaar te maken;
- (ii). staat het de Verdragsluitende Partijen vrij wanneer dit Verdrag geen verkeersteken, symbool of teken op het wegdek voorschrijft om een bepaalde regel of een bepaalde mededeling aan weggebruikers kenbaar te maken, voor deze doeleinden elk teken, symbool of teken op het wegdek te gebruiken dat zij willen, mits een dergelijk teken, symbool of teken op het wegdek in dit Verdrag geen andere betekenis is toegekend, en mits het overeenkomt met het door het Verdrag voorgeschreven stelsel.
- (b). Ten einde de technieken voor regeling van het verkeer te verbeteren, en met het oog op het nut van proefnemingen alvorens wijzigingen op dit Verdrag voor te stellen, staat het de Verdragsluitende Partijen vrij, tijdelijk en voor experimentele doeleinden, op bepaalde weggedeelten af te wijken van de bepalingen van dit Verdrag.
De Verdragsluitende Partijen verbinden zich, uiterlijk vier jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag in hun grondgebieden, alle verkeerstekens, symbolen, installaties of tekens op het wegdek te vervangen of aan te vullen, die, hoewel zij de kenmerken bezitten van een verkeersteken, symbool, installatie of teken op het wegdek behorend tot het door het Verdrag voorgeschreven stelsel, in het gebruik een andere betekenis hebben dan die welke daaraan door dit Verdrag wordt toegekend.
De Verdragsluitende Partijen verbinden zich ertoe, binnen vijftien jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag in hun grondgebieden, alle verkeerstekens- symbolen, installaties of tekens op het wegdek te vervangen, die niet overeenkomen met het door het Verdrag voorgeschreven stelsel. Ten einde weggebruikers vertrouwd te maken met het in dit Verdrag voorgeschreven stelsel, kunnen gedurende deze periode vroegere verkeerstekens en -symbolen nog worden gebruikt naast die welke in dit Verdrag zijn voorgeschreven.
Niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat dit van de Verdragsluitende Partijen zou eisen dat zij alle typen verkeerstekens en tekens op het wegdek die in dit Verdrag zijn voorgeschreven zouden moeten overnemen. De Verdragsluitende Partijen dienen integendeel het aantal typen verkeerstekens of tekens op het wegdek dat zij aannemen, tot het hoogst noodzakelijke te beperken.
Artikel 4
De Verdragsluitende Partijen verplichten zich ervoor te zorgen dat het verboden is:
- (a). aan een verkeersteken, aan de paal of standaard daarvan, of aan andere installaties waarmee het verkeer geregeld wordt, wat dan ook te bevestigen dat niets te maken heeft met het doel van zo'n teken of installatie; indien de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan echter een organisatie zonder winstoogmerk machtigen informatieve tekens te installeren, kunnen zij deze organisatie ook toestaan het eigen embleem op het teken of de paal of standaard aan te brengen, mits dit de begrijpelijkheid van het teken niet vermindert;
- (b). borden, mededelingen, aanduidingen of installaties aan te brengen, die verward zouden kunnen worden met verkeerstekens of andere verkeersregelende apparaten, deze minder goed zichtbaar of minder doeltreffend zouden maken, of weggebruikers zouden kunnen verblinden of hun aandacht zouden kunnen afleiden op een wijze die de verkeersveiligheid in gevaar brengt.
HOOFDSTUK II. VERKEERSTEKENS
Artikel 5
Het in dit Verdrag voorgeschreven stelsel onderscheidt de volgende categorieën verkeerstekens:
- (a). Gevaarstekens: deze tekens zijn bedoeld om weggebruikers te waarschuwen voor een gevaar op de weg en om hun tevens de aard van dit gevaar kenbaar te maken;
- (b). Tekens die een bepaald voorschrift inhouden: deze tekens hebben ten doel aan weggebruikers kenbaar te maken dat er bepaalde verplichtingen, beperkingen of verboden zijn, waaraan zij zich dienen te houden; deze zijn onderverdeeld in:
- (i). Voorrangstekens;
- (ii). Verbodstekens of beperkende tekens; en
- (iii). Gebodstekens;
- (iv). Tekens die een bijzonder voorschrift inhouden;
- (c). Informatieve tekens: deze tekens hebben ten doel weggebruikers aanwijzingen te geven of hun andere inlichtingen te verschaffen die van nut kunnen zijn; deze tekens zijn onderverdeeld in:
- (i). Tekens betreffende informatie, voorzieningen of diensten;
- (ii). Tekens die een richting aangeven of een bebakening of aanduiding inhouden:
- Vooraanduidingstekens;
- Richtingtekens;
- Tekens ter identificatie van een weg;
- Tekens ter identificatie van een plaats of plek;
- Bevestigingstekens;
- Tekens die een aanduiding inhouden;
- (iii). Onderborden.
Wanneer dit Verdrag een keuze toestaat tussen verschillende tekens of verschillende symbolen,
- (a). verbinden de Verdragsluitende Partijen zich ertoe slechts één van deze tekens of symbolen voor hun gehele gebied of gebieden over te nemen;
- (b). dienen de Verdragsluitende Partijen ernaar te streven door middel van regionale overeenkomsten tot dezelfde keuze te komen;
- (c). zijn de bepalingen van artikel 3, derde lid, van dit Verdrag van toepassing op alle tekens en symbolen van de typen die niet zijn gekozen.
Artikel 6
Tekens dienen zodanig te worden geplaatst dat de bestuurders voor wie ze zijn bedoeld ze gemakkelijk en tijdig kunnen herkennen. Zij dienen als regel te worden geplaatst aan die zijde van de weg die overeenkomt met de rijrichting; ze kunnen echter boven de rijbaan worden geplaatst of herhaald. Elk teken dat is geplaatst aan de zijde van de weg die overeenkomt met de rijrichting, dient boven, of aan de andere zijde van de rijbaan te worden herhaald, indien de plaatselijke omstandigheden van dien aard zijn, dat de tekens niet zouden kunnen worden gezien door de bestuurders voor wie ze zijn bedoeld.
Alle tekens zijn over de hele breedte van de rijbaan die voor het verkeer openstaat van toepassing op de bestuurders voor wie ze bedoeld zijn. Het is echter ook toegestaan dat tekens alleen van toepassing zijn voor één of meer rijstroken, wanneer de rijbaan door in de lengterichting op het wegdek aangebrachte tekens in rijstroken is verdeeld.
In dit geval wordt een van de drie volgende bebakeningsmogelijkheden toegepast:
- a. Het teken, indien nodig met toevoeging van een verticale pijl, wordt boven de desbetreffende rijstrook geplaatst, of
- b. Het teken wordt geplaatst aan de rand van de rijbaan wanneer zonder twijfel uit tekens op het wegdek blijkt dat het desbetreffende teken alleen van toepassing is op de rijstrook gelegen aan de rand van de rijbaan die overeenkomt met de rijrichting en dat het enige doel van dit teken is een plaatselijk voorschrift dat reeds door tekens op het wegdek wordt aangegeven, te bevestigen, of
- c. De tekens E,1 of E,2 omschreven in Bijlage 1, Deel E, Titel II, paragraaf 1 en 2 van dit Verdrag, of de tekens G,11 en G,12 omschreven in Bijlage 1, Deel G, Titel V, paragraaf 1 en 2, worden aan de rand van de rijbaan geplaatst.
Indien het bevoegde gezag van mening is dat een teken niet doeltreffend zou zijn indien het in de zijberm van een weg met gescheiden rijbanen zou worden geplaatst, is het geoorloofd het op de scheidende strook te plaatsen en in dit geval behoeft het niet in de zijberm van de weg te worden herhaald.
Het verdient aanbeveling dat de nationale wetgeving bepaalt:
- (a). dat tekens zodanig worden geplaatst dat zij geen belemmering vormen voor het verkeer van voertuigen op de rijbaan, en, indien zij in de zijbermen zijn geplaatst, dat zij de voetgangers zo min mogelijk hinderen. Het verschil in hoogte tussen de rijbaan aan de zijde waar het teken is geplaatst en de onderste rand van het teken, dient voor alle tekens van dezelfde categorie of dezelfde route zoveel mogelijk gelijk te zijn;
- (b). dat de borden van zodanige afmeting zijn dat het teken op een afstand gemakkelijk zichtbaar is en gemakkelijk kan worden begrepen door degene die het nadert; onder voorbehoud van de bepalingen van subparagraaf (c) van dit lid, dienen deze afmetingen te zijn aangepast aan de gebruikelijke snelheid van voertuigen;
- (c). dat de afmetingen van gevaarstekens en van tekens die een bepaald voorschrift inhouden (behoudens tekens die een bijzonder voorschrift inhouden) op het grondgebied van elke Verdragsluitende Partij genormaliseerd zijn. Over het algemeen dienen er vier formaten te zijn voor elk type teken: klein, normaal, groot en zeer groot. Kleine tekens dienen te worden gebruikt overal waar de omstandigheden het gebruik van de normale tekens onmogelijk maken, of waar het verkeer alleen langzaam kan rijden; ze mogen ook worden gebruikt om een voorafgaand teken te herhalen. Grote tekens dienen op zeer brede wegen waarop met hoge snelheden wordt gereden te worden gebruikt. Zeer grote tekens dienen te worden gebruikt op wegen waarop met zeer hoge snelheden wordt gereden, zoals autosnelwegen.
Artikel 7
Het verdient aanbeveling dat de nationale wetgeving bepaalt dat, teneinde ze 's nachts beter zichtbaar en leesbaar te maken, verkeerstekens langs de weg, met name gevaarstekens, tekens die een bepaald voorschrift inhouden en richtingstekens verlicht zijn dan wel retroreflecterend zijn, mits dit er niet toe leidt dat weggebruikers erdoor worden verblind.
De Verdragsluitende Partijen mogen ook het gebruik van fluorescerende materialen toestaan; in dat geval moeten zij aangeven voor welke tekens deze materialen mogen worden gebruikt.
In de nationale wetgeving moeten regels worden opgesteld voor het gebruik van verlichte, retroreflecterende en fluorescerende tekens. De nationale wetgeving moet ook aangeven in welke situaties elke categorie retroreflecterende materialen moet worden gebruikt.
Donkere of lichte grafische elementen van verschillende kleuren in de tekens kunnen worden onderscheiden door middel van respectievelijk lichte of donkere smalle contrasterende strepen.
Niets in dit Verdrag verbiedt het gebruik van tekens die bedoeld zijn om informatie, waarschuwingen of voorschriften te geven, en die uitsluitend van toepassing zijn op bepaalde tijden of op bepaalde dagen, en die alleen zichtbaar zijn wanneer hetgeen zij kenbaar maken ter zake dienend is.
Artikel 8
Ten einde het begrijpen van tekens internationaal te vergemakkelijken, is het stelsel van verkeerstekens dat in dit Verdrag is voorgeschreven, gebaseerd op het gebruik van vormen en kleuren die kenmerkend zijn voor elke categorie tekens en, waar mogelijk, op het gebruik van beeldsymbolen in plaats van teksten. In die gevallen waarin de Verdragsluitende Partijen het noodzakelijk achten de voorgeschreven symbolen te wijzigen, mogen deze wijzigingen hun essentiële kenmerken niet veranderen.
1bis. In gevallen waarin installaties voor variabele verkeerstekens worden gebruikt, moeten de hierop weergegeven teksten en symbolen eveneens overeenkomen met het in dit Verdrag voorgeschreven stelsel van verkeerstekens. Indien echter de technische eisen van een bepaald type systeem dit rechtvaardigen, met name om een goede leesbaarheid te waarborgen, en met dien verstande dat geen verkeerde interpretatie mogelijk is, mogen de voorgeschreven donker gekleurde tekens of symbolen in een lichte kleur worden weergegeven; lichte achtergronden worden dan vervangen door donkere achtergronden. De rode kleur van een symbool van een teken en de rand daarvan mogen niet worden gewijzigd.
Verdragsluitende Partijen die, overeenkomstig artikel 3, eerste lid, onder (a) (ii), van dit Verdrag, tekens of symbolen wensen aan te nemen die niet zijn voorgeschreven in dit Verdrag, dienen ernaar te streven regionaal tot overeenstemming te komen met betrekking tot zo'n nieuw teken of symbool.
Niets in dit Verdrag verbiedt de toevoeging, hoofdzakelijk teneinde het begrijpen van tekens te vergemakkelijken, van een opschrift op een rechthoekig bord onder het teken, of op een rechthoekig bord waarop tevens het teken is aangebracht; een dergelijk opschrift mag ook op het teken zelf worden geplaatst, indien zulks het begrijpen van het teken niet moeilijker maakt voor bestuurders die het opschrift niet kunnen begrijpen.
In gevallen waarin het bevoegde gezag het raadzaam acht de betekenis van een teken of symbool te verduidelijken of de toepassing van een teken te beperken tot bepaalde tijdvakken, kan dit worden gedaan door middel van een opschrift op het teken, op de wijze bepaald in Bijlage 1 bij dit Verdrag, of op een onderbord. Indien de toepassing van tekens die een bepaald voorschrift inhouden, moet worden beperkt tot bepaalde weggebruikers of indien bepaalde weggebruikers van dit voorschrift worden uitgezonderd, geschiedt dit door middel van onderborden, in overeenstemming met Bijlage 1, Deel H, paragraaf 4 (borden H, 5a; H, 5b en H, 6).
De opschriften zoals bedoeld in het derde en het vierde lid van dit artikel dienen in de landstaal of in één of meer van de landstalen te zijn, en tevens, indien de betrokken Verdragsluitende Partij zulks raadzaam acht, in andere talen, met name de officiële talen van de Verenigde Naties.
GEVAARSTEKENS
Artikel 9
In Bijlage 1 bij dit Verdrag zijn in Deel A, Titel I, de modellen weergegeven voor gevaarstekens en in Deel A, Titel II, de symbolen die op deze borden dienen te worden aangebracht; Deel A, Titel II, geeft tevens enige aanwijzingen voor het gebruik. Overeenkomstig Artikel 46, tweede lid, van dit Verdrag, dient elke Staat de Secretaris-Generaal ervan in kennis te stellen of hij voor gevaarstekens Aa of Ab als model heeft gekozen.
Het aantal gevaarstekens dient niet onnodig te worden vergroot, maar dergelijke tekens dienen te worden geplaatst om voor mogelijke gevaren op de weg te waarschuwen daar, waar deze voor een bestuurder die met de nodige voorzichtigheid rijdt, moeilijk tijdig zijn waar te nemen.
Gevaarstekens dienen op zodanige afstand van het gevaarspunt te worden geplaatst, dat zij overdag en 's nachts zo doeltreffend mogelijk zijn, met inachtneming van de toestand van de weg en de verkeersomstandigheden, met name de normale snelheid van de voertuigen en de afstand waarop het teken zichtbaar is.
De afstand tussen het teken en het begin van een gevaarlijk weggedeelte kan kenbaar worden gemaakt op een onderbord H,1 van Bijlage 1, Deel H, bij dit Verdrag, geplaatst overeenkomstig de bepalingen van dat Deel; deze informatie dient te worden verschaft wanneer de afstand tussen het teken en het begin van het gevaarlijke weggedeelte niet door bestuurders kan worden beoordeeld en afwijkt van de afstand die zij gewoonlijk kunnen verwachten.
Gevaarstekens kunnen worden herhaald, met name op autosnelwegen en op wegen die als autosnelwegen worden behandeld. Wanneer zij worden herhaald, dient de afstand tussen het teken en het begin van het gevaarlijke weggedeelte te worden aangegeven overeenkomstig de bepalingen van het vierde lid van dit artikel. Ten aanzien van gevaarstekens die waarschuwen voor beweegbare bruggen en voor overwegen, staat het de Verdragsluitende Partijen echter vrij de volgende bepalingen toe te passen:
Een rechthoekig bord met de langste zijde verticaal en voorzien van drie schuine rode banen op een wit of geel vlak, kan worden geplaatst onder gevaarstekens met een van de symbolen A,5, A,25, A,26 of A,27 beschreven in Bijlage 1, Deel A, Titel II, paragraaf 5, 25, 26 en 27 bij dit Verdrag, mits aanvullende tekens in de vorm van borden met dezelfde vorm met respectievelijk een of twee schuine rode banen op een wit of geel vlak zijn opgesteld op ongeveer eenderde en tweederde van de afstand tussen het teken en de spoorlijn. Deze tekens mogen worden herhaald aan de tegenovergestelde zijde van de rijbaan. De in dit lid genoemde borden worden nader beschreven in Deel A, Titel II, paragraaf 29, van Bijlage 1 bij dit Verdrag.
Indien een gevaarsteken wordt gebruikt om te waarschuwen voor een gevaar op een weggedeelte van een bepaalde lengte (bijvoorbeeld voor een reeks gevaarlijke bochten of een deel van de rijbaan dat in slechte toestand verkeert), en indien het wenselijk is de lengte van dat gedeelte aan te geven, dient zulks te worden gedaan op een onderbord, overeenkomstig model 2 van Bijlage 7 bij dit Verdrag, dat dient zulks te worden gedaan op een onderbord H,2 van Bijlage 1, Deel H, bij dit Verdrag, dat dient te worden geplaatst in overeenstemming met de bepalingen van dat Deel.
Tekens die een bepaald voorschrift inhouden
Artikel 10. Voorrangstekens
De tekens om weggebruikers van de bijzondere voorrangsregels bij kruisingen in kennis te stellen zijn tekens B,1, B,2, B,3 en B,4. De tekens om aan weggebruikers een voorrangsregeling op smalle weggedeelten kenbaar te maken zijn de tekens B,5 en B,6. Deze tekens zijn beschreven in Bijlage 1, Deel B, bij dit Verdrag.
Teken B,1 VOORRANG VERLENEN wordt gebruikt om bestuurders ervan in kennis te stellen dat zij, op de kruising waar dit teken is geplaatst, voorrang moeten verlenen aan voertuigen op de weg die zij naderen.
Teken B.2. STOP wordt gebruikt om aan bestuurders kenbaar te maken dat zij, bij de kruising waar het teken is geplaatst, dienen te stoppen alvorens zich op die kruising te begeven en dat zij voorrang dienen te verlenen aan voertuigen op de weg die zij naderen. Overeenkomstig artikel 46, tweede lid, van dit Verdrag, dient elke Staat de Secretaris-Generaal ervan in kennis te stellen of hij B,2a of B,2b als model voor het STOP-teken heeft gekozen.
Teken B,1 of B,2 mag op een andere plaats dan bij een kruising worden geplaatst, indien het bevoegde gezag dit noodzakelijk acht.
Tekens B,1 en B,2 dienen vlak voor kruisingen te worden geplaatst, indien mogelijk op één lijn met het punt waar voertuigen dienen te stoppen of waar zij niet voorbij mogen rijden wanneer zij voorrang moeten verlenen.
Voor het geven van een vóórwaarschuwingsteken voor teken B,1, wordt het zelfde teken gebruikt, voorzien van een onderbord H,1, zoals omschreven in Bijlage 1, Deel H, bij dit Verdrag.
Voor het geven van een vóórwaarschuwingsteken voor teken B,2, wordt teken B,1 gebruikt, voorzien van een onderbord met het ,STOP’-symbool en een getal dat de afstand tot teken B,2 aangeeft.
Teken B,3 VOORRANGSWEG dient te worden gebruikt om aan gebruikers van een weg kenbaar te maken dat, op kruisingen van deze weg met andere wegen, de bestuurders van voertuigen die op die andere wegen rijden of er vandaan komen, voorrang moeten verlenen aan de voertuigen die op deze weg rijden. Dit teken kan aan het begin van de weg worden geplaatst en na elke kruising worden herhaald; het kan ook vóór of bij de kruising worden geplaatst. Wanneer teken B,3 op een weg is geplaatst, dient teken B,4 EINDE VOORRANGSWEG te worden geplaatst bij het naderen van het punt waar de voorrangsweg ophoudt voorrang boven andere wegen te hebben. Teken B,4 kan enige malen worden herhaald vóór het punt waar de voorrang eindigt; het teken of de tekens die voor dit punt zijn geplaatst, worden dan voorzien van een onderbord H,1, weergegeven in Bijlage 1, Deel H.
Indien op een weg voor een kruising wordt gewaarschuwd door middel van een gevaarsteken dat een van de symbolen A,19 bevat, of indien de weg bij die kruising een voorrangsweg is en als zodanig is aangeduid door tekens B,3 zoals bedoeld in het zevende lid van dit artikel, dient op alle andere wegen bij die kruising een teken B,1 of B,2 te worden geplaatst; het plaatsen van tekens B,1 of B,2 is echter niet verplicht op wegen zoals paden of niet-verharde wegen, waar bestuurders bij kruisingen ook voorrang dienen te verlenen wanneer een dergelijk teken ontbreekt. Een teken B,2 dient uitsluitend te worden geplaatst indien het bevoegde gezag het raadzaam acht van bestuurders te eisen dat zij stoppen, met name uit hoofde van slecht zicht voor bestuurders op de weggedeelten aan beide zijden van de kruising die zij naderen.
Artikel 11. Verbodstekens of beperkende tekens
Deel C van Bijlage 1 bij dit Verdrag beschrijft de verbodstekens en beperkende tekens en geeft hun betekenis weer. Het beschrijft tevens de tekens die het einde van deze verboden en beperkingen, of van een van deze, aanduiden.
Artikel 12. Gebodstekens
Deel D van Bijlage 1 bij dit Verdrag beschrijft de gebodstekens en geeft hun betekenis weer.
Artikel 13. Bepalingen die op alle tekens beschreven in Bijlage 1, Delen C en D, bij dit Verdrag van toepassing zijn
Verbods- en gebodstekens en beperkende tekens dienen te worden geplaatst in de onmiddellijke nabijheid van het punt waar het gebod, de beperking of het verbod begint en kunnen worden herhaald indien het bevoegde gezag zulks noodzakelijk acht. Indien het bevoegde gezag het raadzaam acht, uit hoofde van zichtbaarheid of om weggebruikers van te voren te waarschuwen, kunnen deze tekens evenwel op een passende afstand worden geplaatst vóór het punt waar het gebod, de beperking of het verbod van toepassing is. Onder de tekens die vóór het punt zijn geplaatst waar het gebod, de beperking of het verbod van toepassing is, wordt een onderbord H,1 geplaatst, weergegeven in Bijlage 1, Deel H.
Tekens die een bepaald voorschrift inhouden en die op één lijn zijn geplaatst met het teken dat het begin van een bebouwde kom vermeldt, of kort daar achter, geven aan dat het voorschrift van toepassing is binnen de gehele bebouwde kom, tenzij door middel van andere tekens op bepaalde gedeelten binnen de bebouwde kom een ander voorschrift is aangegeven.
Verbodstekens of beperkende tekens zijn van toepassing vanaf de plaats waar zij zijn geplaatst tot aan het punt waar een teken staat dat het verbod of de beperking opheft, of anders tot aan de volgende kruising. Indien het verbod of de beperking van toepassing moet blijven na de kruising, wordt het teken herhaald in overeenstemming met de bepalingen in de nationale wetgeving.
Indien een teken dat een bepaald voorschrift inhoudt van toepassing is op alle wegen in een bepaalde zone (zonale geldigheid), wordt het teken weergegeven op de wijze omschreven in Bijlage 1, Deel E, Titel II, paragraaf 8, onder (a), bij dit Verdrag.
Het einde van de in het vierde lid hierboven genoemde zones, wordt aangegeven op de wijze omschreven in Bijlage 1, Deel E, Titel II, paragraaf 8, onder (b), bij dit Verdrag.
Artikel 13bis. Tekens die een bijzonder voorschrift inhouden
In deel E van Bijlage 1 bij dit Verdrag worden de tekens beschreven die een bijzonder voorschrift inhouden en wordt hun betekenis verklaard.
De tekens E,7a, E,7b , E,7c of E,7d en E,8a, E,8b, E,8c of E,8d wijzen de weggebruikers op het feit dat de algemene bepalingen die op het grondgebied van de Staat het verkeer in de bebouwde kom regelen, van toepassing zijn vanaf de tekens E,7a, E,7b, E,7c of E,7d tot aan de tekens E,8a, E,8b, E,8c of E,8d, behoudens afwijkende voorschriften, aangeduid door andere tekens op bepaalde weggedeelten in de bebouwde kom. Teken B,4 wordt echter altijd geplaatst op een voorrangsweg die wordt aangegeven door middel van teken B,3 wanneer deze weg binnen de bebouwde kom ophoudt een voorrangsweg te zijn. De bepalingen van artikel 14, tweede, derde en vierde lid, zijn op deze tekens van toepassing.
2bis. Teken E, 11a moet worden gebruikt bij tunnels van 1000 m of meer en in de bij nationale wetgeving bepaalde gevallen. Bij tunnels van 1000 m of meer moet de lengte worden vermeld ofwel in het onderste gedeelte van het teken ofwel op een onderbord H, 2, als beschreven in Bijlage 1, Deel H. Overeenkomstig artikel 8, derde lid, van dit Verdrag mag de naam van de tunnel worden vermeld.
De tekens E,12a, E,12b of E,12c worden geplaatst bij voetgangersoversteekplaatsen indien het bevoegde gezag zulks raadzaam acht.
De tekens die een bijzonder voorschrift inhouden worden, met inachtneming van de vereisten van artikel 6, eerste lid, alleen geplaatst op plaatsen waar het bevoegde gezag dit noodzakelijk acht. Deze tekens mogen worden herhaald; door middel van een onderbord mag de afstand tussen het teken en het aangegeven punt worden vermeld; deze afstand mag ook op het onderste gedeelte van het teken zelf worden vermeld.
Informatieve tekens
Artikel 14
In de delen F en G van Bijlage 1 bij dit Verdrag worden de tekens beschreven die nuttige informatie kenbaar maken aan weggebruikers, of worden voorbeelden gegeven van deze tekens; in deze Delen worden tevens enkele aanwijzingen voor het gebruik gegeven.
Het opschrift op de informatieve tekens (ii) bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder c, dient in landen die geen Latijnse letters gebruiken, zowel in de landstaal te zijn aangebracht als met Latijnse letters te zijn herschreven op een wijze die de uitspraak in de landstaal zo dicht mogelijk benadert.
In landen waar geen Latijnse letters worden gebruikt, mogen de woorden, die met Latijnse letters zijn geschreven ofwel op het zelfde teken worden aangebracht als de woorden in de landstaal, of op een herhalingsteken.
Een teken mag geen opschriften bevatten in meer dan twee talen.
Artikel 15. Vooraanduidingstekens
Vooraanduidingstekens dienen op zodanige afstand vóór de kruising te worden geplaatst dat hun doeltreffendheid overdag en 's nachts zo groot mogelijk is, met inachtneming van de toestand van de weg en de verkeersomstandigheden, met name van de gebruikelijke snelheid van de voertuigen en van de afstand waarop het teken zichtbaar is; deze afstand hoeft niet groter te zijn dan 50 m binnen de bebouwde kom, maar mag niet minder zijn dan 500 m op autosnelwegen en op andere wegen met snelverkeer. De tekens kunnen worden herhaald. Een onderbord kan de afstand aangeven tussen het teken en de kruising; deze afstand kan ook op het onderste deel van het teken zelf worden aangegeven.
Artikel 16. Richtingtekens
Eén richtingteken mag de namen van verschillende plaatsen vermelden; de namen dienen dan op het bord onder elkaar te staan. De letters die voor één plaatsnaam zijn gebruikt mogen alleen groter zijn dan die voor de andere, indien de betrokken stad de grootste is.
Wanneer afstanden zijn aangegeven, dienen de desbetreffende cijfers op één lijn te zijn geplaatst met de plaatsnaam. Op pijlvormige richtingborden dienen deze cijfers tussen de plaatsnaam en de punt van de pijl te worden geplaatst; op rechthoekige borden dienen zij achter de plaatsnaam te worden geplaatst.
Artikel 17. Tekens ter identificatie van een weg
De tekens die worden gebruikt om wegen te identificeren, hetzij door het aangeven van hun nummer, samengesteld uit cijfers, uit letters of uit een combinatie van cijfers en letters, hetzij door het aangeven van hun naam, dienen te bestaan uit dat nummer of die naam gevat in een rechthoek of een schild. Verdragsluitende Partijen die een wegenclassificatiestelsel hebben, kunnen de rechthoek echter vervangen door het symbool van hun wegenclassificatie.
Artikel 18. Tekens ter identificatie van een plaats of plek
De tekens die worden gebruikt ter identificatie van een plaats of plek kunnen worden gebruikt om de grens tussen twee landen, of de grens tussen twee bestuurlijke onderdelen van hetzelfde land, of de naam van een rivier, een bergpas, een mooi plekje, enz. aan te duiden. Deze tekens dienen op opvallende wijze te verschillen van de in artikel 13bis, tweede lid, bij dit Verdrag, genoemde tekens.
Artikel 19. Bevestigingstekens
Bevestigingstekens kunnen worden gebruikt om de richting van een weg te bevestigen, indien het bevoegde gezag zulks noodzakelijk acht, bijvoorbeeld waar de weg een grote bebouwde kom verlaat. Deze tekens dienen de namen van één of meer plaatsen te vermelden, zoals bepaald in artikel 16, eerste lid, van dit Verdrag. Wanneer de afstanden worden aangegeven, dienen de desbetreffende cijfers achter de plaatsnaam te worden geplaatst.
Artikel 20
Vervallen
Artikel 21. Bepalingen die algemeen op informatieve tekens van toepassing zijn
De informatieve tekens zoals bedoeld in de artikelen 15 tot en met 19 van dit Verdrag, dienen te worden geplaatst waar het bevoegde gezag zulks raadzaam acht. Andere informatieve tekens dienen uitsluitend te worden geplaatst waar het bevoegde gezag zulks van wezenlijk belang acht, zulks met inachtneming van de bepalingen van artikel 6, eerste lid; met name de tekens F,2 tot en met F,7 dienen uitsluitend te worden geplaatst op wegen waarop voorzieningen voor reparaties in noodgevallen, benzineverkoop, onderdak en het verkrijgen van verfrissingen en maaltijden zeldzaam zijn.
Informatieve tekens kunnen worden herhaald. Een onderbord kan de afstand aangeven tussen het teken en de plaats waarop het teken betrekking heeft; deze afstand kan ook worden aangegeven op het onderste deel van het teken zelf.
Tekens betreffende stilstaan en parkeren
Artikel 22
Vervallen
HOOFDSTUK III. VERKEERSLICHTEN
Artikel 23. Lichten voor het verkeer met voertuigen
Onder voorbehoud van de bepalingen in het twaalfde lid van dit artikel, zijn de enige lichten die mogen worden gebruikt als lichten om het verkeer met voertuigen te regelen, met uitzondering van die welke uitsluitend zijn bestemd voor voertuigen ten dienste van het openbaar vervoer, de volgende met de hieronder aangegeven betekenis:
- (a). Niet-knipperende lichten:
- (i). Een groen licht betekent dat het verkeer mag doorrijden; een groen licht voor de regeling van het verkeer bij een kruising houdt echter niet in dat bestuurders mogen doorrijden indien het verkeer, in de richting waarin zij willen doorrijden, zodanig is vastgelopen, dat zij, indien zij zich toch op de kruising zouden begeven, deze waarschijnlijk nog niet zouden hebben verlaten als de lichten verspringen;
- (ii). Een rood licht betekent dat het verkeer niet mag doorrijden; voertuigen mogen de stopstreep niet overschrijden of mogen, indien er geen stopstreep is, niet verder rijden dan tot het verkeerslicht, of het verkeer mag zich, indien het verkeerslicht in het midden of aan de overkant van een kruising is geplaatst, niet op die kruising begeven, noch op een voetgangersoversteekplaats bij die kruising;
- (iii). Een amber licht, dat hetzij alleen, hetzij tegelijk met het rode licht dient aan te gaan; wanneer het alleen aangaat betekent dit dat geen enkel voertuig de stopstreep of het verkeerslicht meer mag voorbijrijden, tenzij het de stopstreep of het verkeerslicht reeds zo dicht is genaderd, dat het niet meer op veilige wijze tot stilstand kan worden gebracht vóór de stopstreep of het verkeerslicht. Indien het verkeerslicht in het midden of aan de overkant van een kruising is geplaatst, betekent het aangaan van het amber licht dat een voertuig zich niet op de kruising of op een voetgangersoversteekplaats bij die kruising mag begeven, tenzij het de oversteekplaats of de kruising reeds zo dicht is genaderd als het licht aangaat, dat het niet meer op veilige wijze tot stilstand kan worden gebracht alvorens zich op de kruising of op de voetgangersoversteekplaats te begeven. Wanneer het amber licht tegelijk met het rode licht brandt, betekent dit dat de lichten op het punt staan te verspringen, maar dit oefent dan geen invloed uit op het verbod door te rijden bij rood licht;
- (b). Knipperlichten:
- (i). Een rood knipperlicht, of twee rode lichten die beurtelings knipperen, zo, dat het ene aan is terwijl het andere uit is, en die op dezelfde paal of standaard en op dezelfde hoogte zijn gemonteerd, en in dezelfde richting zijn afgesteld, betekent dat voertuigen niet over de stopstreep mogen rijden of, indien er geen stopstreep is, dat zij niet verder mogen rijden dan het verkeerslicht; deze lichten mogen uitsluitend worden gebruikt bij overwegen, bij toeritten van beweegbare bruggen of steigers van veerboten, en om aan te geven dat het verkeer niet mag doorrijden omdat brandweerwagens die weg oprijden, of omdat er een vliegtuig in aantocht is dat op geringe hoogte over de weg zal vliegen;
- (ii). Een enkel amber knipperlicht of twee amber lichten die beurtelings knipperen betekent dat bestuurders wel mogen doorrijden, maar dat zij zulks met grote voorzichtigheid dienen te doen.
De verkeerslichten van het driekleurenstelsel bestaan uit drie niet-knipperende lichten die onderscheidenlijk rood, amber en groen zijn; het groene licht mag alleen aan zijn wanneer het rode en het amber licht uit zijn.
De verkeerslichten van het tweekleurenstelsel bestaan uit een niet-knipperend rood licht en een niet-knipperend groen licht. Het rode licht en het groene licht mogen niet tegelijk aan zijn. Verkeerslichten van een tweekleurenstelsel mogen uitsluitend worden gebruikt voor een tijdelijke installatie, zulks met inachtneming van het tijdsbestek dat volgens artikel 3, derde lid, van dit Verdrag is toegestaan voor het vervangen van bestaande installaties.
- a. De bepalingen van artikel 6, eerste, tweede en derde lid, van het Verdrag die betrekking hebben op verkeerstekens, zijn van toepassing op verkeerslichten, behalve die welke worden gebruikt bij overwegen.
- b. Verkeerslichten bij kruisingen dienen te worden geplaatst voor de kruising of in het midden van en boven de kruising; zij kunnen worden herhaald aan de overzijde van de kruising en/of op ooghoogte van de bestuurders.
- c. Daarnaast verdient het aanbeveling dat de nationale wetgeving bepaalt dat verkeerslichten:
- (i). zo worden geplaatst dat zij voertuigen die zich in het verkeer op de rijbaan voortbewegen niet hinderen en, in geval van in de berm geplaatste verkeerslichten, dat zij voetgangers zo min mogelijk hinderen;
- (ii). gemakkelijk zichtbaar moeten zijn van een afstand en onmiddellijk te begrijpen wanneer men ze nadert; en
- (iii). op het grondgebied van elke Verdragsluitende Partij worden genormaliseerd voor de verschillende categorieën wegen.
De lichten van de driekleuren- en tweekleurenstelsels zoals bedoeld in het tweede en het derde lid van dit artikel, dienen verticaal of horizontaal te worden gerangschikt.
Indien de lichten verticaal zijn gerangschikt dient het rode licht bovenaan te worden geplaatst; indien de lichten horizontaal zijn gerangschikt dient het rode licht te worden geplaatst aan de zijde tegenovergesteld aan die van de rijrichting.
In het driekleurenstelsel dient het amber licht in het midden te worden geplaatst.
Alle lichten in de verkeerslichten van de driekleuren- en tweekleurenstelsels zoals bedoeld in het tweede en het derde lid van dit artikel dienen rond te zijn. De rode knipperlichten zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel dienen eveneens rond te zijn.
Een amber knipperlicht kan als enig licht worden geplaatst; een dergelijk licht kan eveneens worden gebruikt in plaats van het driekleurenstelsel gedurende perioden waarin er weinig verkeer is.
Het rode, amberkleurige en groene licht van een driekleurenstelsel mag worden vervangen door pijlen in dezelfde kleur op een zwarte achtergrond. De verlichte pijlen hebben dezelfde betekenis als de lichten, maar het verbod of de toestemming beperkt zich tot de richting of richtingen die door de pijl of pijlen worden aangeduid. Pijlen die betekenen dat het verkeer al dan niet rechtdoor mag rijden, dienen omhoog te wijzen. Hiervoor mogen zwarte pijlen op een rode, amberkleurige of groene achtergrond worden gebruikt. Deze pijlen hebben dezelfde betekenis als de bovengenoemde pijlen.
Indien een verkeerslicht van het driekleurenstelsel één of meer extra groene lichten bevat met één of meer pijlen, dan betekent het aangaan van de lichten in deze extra pijl of pijlen dat het verkeer mag doorrijden in de richting door deze pijl of pijlen aangeduid, ongeacht de fase waarin het driekleurenstelsel zich op dat ogenblik bevindt; het betekent tevens dat, indien voertuigen zich bevinden op een rijstrook die uitsluitend is bedoeld voor het verkeer in de richting die door de pijl is aangeduid of in de richting die dit verkeer moet inslaan, de bestuurders in de aangeduide richting moeten doorrijden indien zij, door te stoppen, het verkeer van de achter hen aan rijdende voertuigen op dezelfde rijstrook zouden belemmeren, met dien verstande dat zij de voertuigen in de verkeersstroom waarin zij op het punt staan zich te begeven, eerst moeten laten passeren en dat voetgangers niet in gevaar worden gebracht. Deze extra groene lichten dienen bij voorkeur in hetzelfde vlak naast het gewone groene licht te worden geplaatst.
- a. Wanneer groene of rode lichten zijn geplaatst boven rijstroken die zijn aangegeven door strepen in de lengterichting van een rijbaan die meer dan twee rijstroken heeft, betekent het rode licht dat het verkeer niet mag doorrijden op de rijstrook waarboven het is geplaatst, en betekent het groene licht dat het verkeer op die rijstrook wèl mag doorrijden. Het aldus geplaatste rode licht dient de vorm te hebben van twee schuine, gekruiste balken en het aldus geplaatste groene licht dient de vorm te hebben van een pijl met de punt naar beneden.
- b. Indien het bevoegde gezag het noodzakelijk acht bij lichten een ,tussen- of overgangsteken' in te voeren, dient dit teken de vorm te hebben van een amberkleurige of witte diagonaal naar links of rechts beneden gerichte pijl, of twee van dergelijke respectievelijk naar links en rechts beneden gerichte pijlen; deze pijlen mogen knipperen. Deze amberkleurige of witte pijlen betekenen dat de rijstrook weldra voor het verkeer wordt gesloten en dat de weggebruikers op deze rijstrook zich op de door de pijl aangeduide rijstrook dienen te begeven.
De nationale wetgeving kan bepalen dat bij bepaalde overwegen een langzaam knipperend maanwit licht wordt geplaatst, welk licht betekent dat het verkeer mag doorrijden.
In die gevallen waarin verkeerslichten uitsluitend betrekking hebben op fietsers, kan deze beperking indien zulks nodig is om verwarring te voorkomen, worden aangeduid door het silhouet van een fiets in het licht zelf aan te brengen of door een licht van klein formaat te gebruiken, aangevuld met een rechthoekig bord waarop een fiets is afgebeeld.
Artikel 24. Voetgangerslichten
De enige lichten die kunnen worden gebruikt als voetgangerslichten zijn de volgende, met de hieronder aangegeven betekenis;
- (a). Niet-knipperende lichten:
- (i). Een groen licht betekent dat voetgangers mogen oversteken;
- (ii). Een amber licht betekent dat voetgangers niet mogen oversteken, maar dat zij die zich reeds op de rijbaan bevinden naar de overkant mogen doorlopen;
- (iii). Een rood licht betekent dat voetgangers zich niet op de rijbaan mogen begeven.
- (b). Knipperlichten: een groen knipperlicht betekent dat de periode waarin voetgangers de rijbaan mogen oversteken op het punt staat te worden beëindigd en dat het rode licht elk ogenblik kan aangaan.
Voetgangerslichten dienen bij voorkeur van het tweekleurenstelsel te zijn, met twee lichten, onderscheidenlijk één rood en één groen licht; zij kunnen echter ook van het driekleurenstelsel zijn met drie lichten, onderscheidenlijk één rood, één amber en één groen licht. Er mag nooit meer dan één licht tegelijk aan zijn.
De lichten dienen verticaal te zijn gerangschikt, met het rode licht altijd bovenaan en het groene licht altijd onderaan geplaatst.
Het rode licht dient bij voorkeur de vorm te hebben van een stilstaande voetganger of voetgangers en het groene licht die van een lopende voetganger of voetgangers.
Voetgangerslichten dienen zo te zijn ontworpen en gerangschikt, dat de mogelijkheid is uitgesloten dat zij door bestuurders kunnen worden aangezien voor verkeerslichten bestemd voor verkeer met voertuigen.
Voetgangerslichten bij voetgangersoversteekplaatsen mogen worden aangevuld met hoorbare of tastbare signalen om het oversteken van de rijbaan voor blinde voetgangers te vergemakkelijken.
HOOFDSTUK IV. OP HET WEGDEK AANGEBRACHTE TEKENS
Artikel 25
Op het wegdek van de rijbaan aangebrachte tekens worden gebruikt, indien het bevoegde gezag zulks noodzakelijk acht, om het verkeer te regelen of om weggebruikers te waarschuwen of te geleiden. Zij kunnen zowel alleen worden gebruikt als te zamen met andere verkeerstekens om de betekenis daarvan extra nadruk te verlenen of te verduidelijken.
Artikel 26
Een teken in de lengterichting dat bestaat uit een doorgetrokken streep op het wegdek van de rijbaan betekent dat het voertuigen is verboden zich geheel of gedeeltelijk over deze streep te begeven en, indien deze streep twee rijrichtingen scheidt, dat het voertuigen verboden is aan de zijde van de streep te rijden die voor de bestuurder ligt tegenover de kant van de rijbaan overeenkomstig zijn rijrichting. Een teken in de lengterichting dat uit twee doorgetrokken strepen bestaat heeft dezelfde betekenis.
- (a). Een teken in de lengterichting dat bestaat uit een regelmatig onderbroken streep op de rijbaan houdt geen verbod in, maar wordt gebruikt om:
- (i). rijstroken aan te geven om het verkeer te geleiden; of
- (ii). te waarschuwen dat men een doorgetrokken streep nadert en te waarschuwen voor het verbod dat een dergelijke streep inhoudt, of om te waarschuwen dat men een ander weggedeelte nadert dat een bepaald gevaar oplevert.
- (b). De verhouding tussen de lengte van de onderbrekingen in de streep en de lengte van de strepen dient, indien de onderbroken strepen worden gebruikt voor het doel zoals aangeduid in subparagraaf (a) (ii) van dit lid, aanzienlijk kleiner te zijn dan wanneer zij worden gebruikt voor het doel zoals aangeduid in subparagraaf (a) (i) van dit lid.
- (c). Dubbele onderbroken strepen mogen worden gebruikt om een rijstrook of rijstroken aan te duiden waarop het verkeer in tegengestelde richting kan rijden, in overeenstemming met artikel 23, elfde lid, bij dit Verdrag.
Wanneer een teken in de lengterichting bestaat uit een doorgetrokken streep vlak naast een onderbroken streep op het wegdek van de rijbaan, dienen bestuurders uitsluitend rekening te houden met de streep aan hun zijde. Deze bepaling belet bestuurders die een ander voertuig op de geoorloofde wijze hebben ingehaald, niet hun gewone plaats op de rijbaan weer in te nemen.
Voor de toepassing van dit artikel worden niet als strepen in de lengterichting beschouwd: strepen die worden gebruikt om de zijkanten van de rijbaan aan te geven ten einde deze beter zichtbaar te maken, strepen die een geheel vormen met strepen die dwars op het wegdek zijn aangebracht om er parkeerplaatsen op de rijbaan mee aan te duiden, of strepen die worden gebruikt om een verbod of beperking voor parkeren of stilstaan aan te duiden.
Artikel 26bis
Het markeren van rijstroken die zijn voorbehouden aan bepaalde categorieën voertuigen, met inbegrip van fietsstroken, dient te geschieden door middel van strepen die zich duidelijk onderscheiden van andere doorgetrokken of onderbroken strepen op de rijbaan, met name door een grotere breedte van de streep en een kortere lengte van de onderbrekingen in de streep.
Indien een rijstrook is voorbehouden aan voertuigen voor geregelde openbaarvervoersdiensten, wordt dit op het wegdek aangegeven door middel van het opschrift ,BUS’ of de letter ,A’. Het teken dat een dergelijke rijstrook aanduidt, dient te zijn een vierkant teken zoals omschreven in Bijlage 1, Deel E, of een rond teken zoals omschreven in Bijlage 1, Deel D, bij dit Verdrag, met daarop het witte symbool van een bus op een blauw vlak. Diagrammen A,58a en A,58b in Bijlage 2 bij dit Verdrag zijn voorbeelden van markeringen voor een rijstrook die is voorbehouden aan voertuigen voor geregelde openbaarvervoersdiensten.
De nationale wetgeving bepaalt onder welke omstandigheden andere voertuigen van de in het eerste lid genoemde rijstrook gebruik mogen maken of deze mogen overschrijden.
Artikel 27
Een teken dat dwars op het wegdek is aangebracht en dat bestaat uit een doorgetrokken streep die dwars over één of meer rijstroken loopt, geeft de lijn aan waarachter bestuurders moeten stilstaan wanneer zij door teken B,2 STOP, zoals bedoeld in artikel 10, derde lid, van dit Verdrag, verplicht worden te stoppen. Een dergelijk teken kan ook worden gebruikt om de lijn aan te geven waarachter bestuurders moeten stilstaan wanneer zij verplicht worden te stoppen door een verkeerslicht, of door een teken dat wordt gegeven door een bevoegde ambtenaar die hét verkeer regelt, of vóór een overweg. Het woord STOP mag ook op het wegdek van de rijbaan worden aangebracht als vóóraanduiding van de bij teken B,2 behorende tekens.
Tenzij het technisch onmogelijk is, dienen de dwarsstrepen, als beschreven in het eerste lid van dit artikel, op het wegdek te worden aangebracht, overal waar teken B,2 is geplaatst.
Een dwars op het wegdek aangebracht teken dat uit een onderbroken streep bestaat die dwars over één of meer rijstroken loopt, geeft de lijn aan die voertuigen gewoonlijk niet mogen overschrijden, wanneer zij voorrang verlenen op grond van teken B,1 VOORRANG VERLENEN, zoals bedoeld in artikel 10, tweede lid, van dit Verdrag. Vóór een dergelijk teken op het wegdek kan een driehoek met brede omlijsting waarvan één zijde parallel loopt met de streep op het wegdek en de daartegenover liggende punt in de richting van de naderende voertuigen wijst, op het wegdek van de rijbaan worden aangebracht om teken B,1 te symboliseren.
Om voetgangersoversteekplaatsen aan te duiden dienen bij voorkeur vrij brede strepen te worden gebruikt, die parallel lopen met de as van de rijbaan.
Om oversteekplaatsen voor fietsers aan te duiden, dienen ofwel dwars op het wegdek aangebrachte tekens te worden gebruikt, ofwel andere tekens, die niet kunnen worden verward met die van voetgangersoversteekplaatsen.
Artikel 28
Andere tekens op het wegdek van de rijbaan aangebracht, zoals pijlen, strepen die parallel of schuin lopen of opschriften, kunnen worden gebruikt om aanduidingen die door verkeerstekens op borden zijn gegeven te herhalen, of om weggebruikers inlichtingen te geven die niet op doeltreffende wijze door middel van verkeerstekens of borden kunnen worden overgebracht. Dergelijke tekens dienen met name te worden gebruikt om de begrenzing van parkeerzones of -stroken aan te geven, om bus- of trolleybushalteplaatsen aan te duiden op plaatsen waar parkeren is verboden, en voor het voorsorteren vóór kruisingen. Indien echter een pijl is aangebracht op het wegdek van een rijbaan, waar deze door middel van strepen in de lengterichting is verdeeld in rijstroken, dienen bestuurders de richting of één van de richtingen te volgen die is (zijn) aangegeven op de rijstrook waarop ze zich bevinden.
Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 27, vierde lid, van dit Verdrag, met betrekking tot voetgangersoversteekplaatsen, betekent het aanbrengen van tekens op een deel van het wegdek van de rijbaan, of op een deel dat enigszins hoger ligt dan het niveau van de rijbaan, en wel met parallel lopende schuine strepen, omlijst door een doorgetrokken of door een onderbroken streep, daar waar zo'n deel door een doorgetrokken streep is omlijst, dat geen voertuig zich op dat weggedeelte mag begeven en daar waar zo'n deel door een onderbroken streep is omlijst, dat geen voertuig zich op dat weggedeelte mag begeven tenzij duidelijk zichtbaar is dat het veilig is zulks te doen, of tenzij dit geschiedt ten einde een zijweg in te slaan aan de andere zijde van de rijbaan.
Een zigzagstreep aan de zijde van de rijbaan betekent dat parkeren aan die zijde van de rijbaan over de gehele lengte van die streep verboden is. Een dergelijke lijn, eventueel in combinatie met het woord ,BUS’ of met de letter ,A’, kan worden gebruikt om een bushalte of trolleybushalte aan te duiden.
Artikel 29
De op het wegdek aangebrachte tekens, genoemd in artikelen 26 tot en met 28 van dit Verdrag, kunnen op het wegdek van de rijbaan worden geschilderd of er op andere wijze op worden aangebracht, mits deze even doeltreffend is.
Indien tekens op het wegdek zijn geschilderd, dienen deze wit of geel te zijn; blauw mag echter worden gebruikt om plaatsen aan te geven waar parkeren is toegestaan onder bepaalde voorwaarden of met bepaalde beperkingen (beperkte duur, betaling, categorie gebruiker, enz.). Voor de toepassing van dit lid wordt onder „wit” mede verstaan tinten zilver of lichtgrijs.
Bij het aanbrengen van opschriften, symbolen en pijlen op het wegdek dient rekening te worden gehouden met de noodzaak deze flink uit te rekken in de richting van het verkeer, zulks wegens de zeer scherpe hoek waaronder ze door bestuurders worden gezien.
Tekens op het wegdek die zijn bedoeld voor rijdende voertuigen moeten door bestuurders tijdig gemakkelijk kunnen worden herkend. Ze moeten overdag en 's nachts zichtbaar zijn. Het verdient aanbeveling dat deze tekens, in het bijzonder in gebieden met onvoldoende verlichting, retroreflecterend zijn.
Artikel 29bis
Wanneer vast aangebrachte tekens op het wegdek voor een bepaald tijdvak moeten worden gewijzigd, in het bijzonder vanwege wegwerkzaamheden of omleidingen, moeten tijdelijke tekens worden aangebracht in kleuren die afwijken van de kleuren die voor vast aangebrachte tekens worden gebruikt.
Tijdelijk aangebrachte tekens gaan boven vast aangebrachte tekens en weggebruikers moeten zich hieraan conformeren. Wanneer de gelijktijdige aanwezigheid van vast en tijdelijk aangebrachte tekens tot verwarring kan leiden, moeten de vast aangebrachte tekens worden bedekt of verwijderd.
Tijdelijk aangebrachte tekens moeten bij voorkeur retroreflecterend zijn en mogen worden voorzien van bakens, kattenogen of reflectoren om de verkeersgeleiding te verbeteren.
Artikel 30
Bijlage 2 bij dit Verdrag bevat een aantal aanbevelingen met betrekking tot de indeling en de ontwerpen voor tekens die op het wegdek worden aangebracht.
HOOFDSTUK V. VERSCHILLENDE BEPALINGEN
Artikel 31. Tekens voor werken in uitvoering
De begrenzingen van werken in uitvoering op de rijbaan dienen duidelijk te worden aangegeven.
Waar de omvang van de werken in uitvoering en de verkeersdichtheid zulks rechtvaardigen, dienen de begrenzingen van de werken te worden aangeduid door middel van al dan niet aaneengesloten waarschuwingshekken die zijn beschilderd met afwisselend rode en witte, of rode en gele, of zwarte en witte, of zwarte en gele strepen; indien deze waarschuwingshekken niet zijn voorzien van reflecterend materiaal dienen de werken bovendien 's nachts te worden aangeduid met lichten en reflectoren. Reflectoren en niet knipperende lichten die voor dit doel worden gebruikt dienen rood of donkergeel te zijn en knipperlichten donkergeel. Evenwel:
- (a). mogen lichten en reflectoren die uitsluitend zichtbaar zijn voor verkeer in één richting en die de begrenzingen aanduiden van de werken aan de zijde tegenover die van de verkeersrichting, wit zijn;
- (b). mogen lichten en reflectoren die de begrenzingen aanduiden van werken die een scheiding van de twee verkeersrichtingen vormen, wit of lichtgeel zijn.
Artikel 32. Bebakening van reflecterende aard of door middel van lichten
Elke Verdragsluitende Partij dient voor haar gehele grondgebied dezelfde kleur of hetzelfde stelsel van kleuren te gebruiken voor de lichten of het reflecterende materiaal die worden gebruikt om de zijkant van de rijbaan aan te duiden.
OVERWEGEN
Artikel 33
- (a). Wanneer bij een overweg een signaalsysteem is geïnstalleerd om te waarschuwen voor naderende treinen of om te waarschuwen dat de bomen of halve bomen op het punt staan te worden gesloten, dan dient dit te bestaan uit een rood knipperlicht of uit twee rode lichten die beurtelings knipperen, zoals bepaald in artikel 23, eerste lid, onder (b), van dit Verdrag. Evenwel:
- (i). mogen rode knipperlichten worden aangevuld of vervangen door lichtsignalen van het driekleurenstelsel rood-amber-groen, zoals bepaald in artikel 23, tweede lid, van dit Verdrag, of door dergelijke signalen zonder het groene licht, indien andere driekleurensignalen zijn geïnstalleerd op de weg vlakbij de overweg of indien de overweg met bomen is uitgerust;
- (ii). behoeft op onverharde wegen met zeer weinig verkeer en op voetpaden slechts een geluidssignaal te worden gebruikt.
- (b). De lichten mogen in alle gevallen worden aangevuld met een geluidssignaal.
De lichten dienen te worden geïnstalleerd aan de kant van de rijbaan die overeenkomt met de rijrichting; wanneer de omstandigheden, zoals de zichtbaarheid van de signalen of de verkeersdichtheid zulks vereisen, dienen de lichten ook aan de andere zijde van de weg te worden geplaatst. Indien men uit hoofde van de plaatselijke omstandigheden daar de voorkeur aan geeft mogen de lichten op een vluchtheuvel in het midden van de rijbaan worden herhaald, of boven de rijbaan worden aangebracht.
Overeenkomstig artikel 10, vierde lid, van dit Verdrag, kan teken B, 2 STOP bij een overweg worden geplaatst die niet is uitgerust met hele of halve bomen of met lichtsignalen die voor naderende treinen waarschuwen; bij overwegen waar dit teken is geplaatst, dienen bestuurders te stoppen bij de stopstreep of indien er geen stopstreep is, ter hoogte van het teken, en niet door te rijden dan nadat zij zich ervan hebben overtuigd dat er geen trein in aantocht is.
Artikel 34
Bij overwegen die zijn uitgerust met bomen, of met halve bomen die schuin tegenover elkaar aan elke zijde van de spoorlijn zijn geplaatst, betekent de aanwezigheid van dergelijke bomen of halve bomen dwars over de weg dat weggebruikers niet verder mogen rijden dan tot de dichtstbijzijnde boom of halve boom; de beweging van de bomen en de halve bomen, naar een positie dwars over de weg, heeft dezelfde betekenis.
Het branden van het rode licht of de rode lichten zoals vermeld in artikel 33, eerste lid, onder (a), van dit Verdrag, of het in werking zijn van het geluidssignaal, zoals vermeld in genoemd eerste lid, betekenen eveneens dat weggebruikers niet verder mogen rijden dan tot de stopstreep, of, indien er geen stopstreep is, niet verder dan tot het licht of het apparaat waarin het geluidssignaal is gemonteerd. Wanneer het amber licht van het driekleurenstelsel, vermeld in artikel 33, eerste lid, onder (a) (i), brandt, betekent dit dat weggebruikers niet verder mogen rijden dan tot de stopstreep, of, indien er geen stopstreep is, niet verder dan tot dat licht, tenzij het betrokken voertuig het amber licht zo dicht is genaderd wanneer dat licht gaat branden, dat het voertuig niet meer op veilige wijze vóór het teken tot stilstand kan worden gebracht.
Artikel 35
De bomen en halve bomen van overwegen dienen duidelijk te zijn aangegeven met afwisselend witte en rode, of rode en gele, of zwarte en witte, of zwarte en gele strepen. Zij kunnen echter ook helemaal wit of helemaal geel zijn mits in het midden een grote, rode schijf is aangebracht.
Bij alle overwegen die niet met bomen of met halve bomen zijn uitgerust, dient in de onmiddellijke nabijheid van de spoorlijn een teken A,28 te worden aangebracht, zoals beschreven in Bijlage 1, Deel A. Indien er een licht is dat voor naderende treinen waarschuwt, of een teken B,2 ,STOP’, dient het teken A,28 op dezelfde paal of op dezelfde standaard te worden aangebracht als het licht of als teken B,2. Het plaatsen van het teken A,28 is niet verplicht bij:
- (a). een kruising van een weg en een spoorbaan waarover het spoorwegverkeer zich zeer langzaam voortbeweegt en waar het wegverkeer wordt geregeld door een spoorwegemployé die met de hand de noodzakelijke tekens geeft; of
- (b). een kruising van een spoorbaan en een onverharde weg met zeer weinig verkeer, of een voetpad.
Artikel 36
Wegens het bijzondere gevaar dat overwegen opleveren, verplichten de Verdragsluitende Partijen zich ertoe:
- (a). vóór alle overwegen een van de gevaarstekens te laten plaatsen met een van de symbolen A,25, A,26 of A,27; zo'n teken hoeft echter niet geplaatst te worden:
- (i). in bijzondere gevallen die zich binnen de bebouwde kom kunnen voordoen;
- (ii). op onverharde wegen en paden waarop slechts bij uitzondering verkeer met gemotoriseerde voertuigen voorkomt;
- (b). alle overwegen uit te rusten met bomen of met halve bomen of met een signaal dat voor naderende treinen waarschuwt, tenzij weggebruikers de spoorbaan aan beide zijden van de overweg over een zo grote afstand kunnen zien dat, rekening houdende met de maximumsnelheid van de treinen, de bestuurder van een voertuig op de weg die de spoorbaan van één van beide zijden nadert wanneer een trein in zicht is, voldoende tijd heeft om te stoppen alvorens zich op de overweg te begeven, en tenzij voorts weggebruikers die zich reeds op de overweg bevinden wanneer een trein in zicht komt, voldoende tijd hebben om de andere zijde van de overweg te bereiken; het staat de Verdragsluitende Partijen echter vrij van de bepalingen van deze subparagraaf af te wijken bij overwegen waar treinen betrekkelijk langzaam rijden of waar slechts weinig verkeer met gemotoriseerde voertuigen op de weg is;
- (c). elke overweg met bomen of met halve bomen, die worden bediend vanaf een plaats waar de bomen of halve bomen niet zichtbaar zijn, te laten uitrusten met een van de stelsels voor het geven van signalen ter waarschuwing dat een trein nadert, zoals bedoeld in artikel 33, eerste lid, van dit Verdrag;
- (d). elke overweg met bomen of met halve bomen die automatisch worden gesloten door het naderen van een trein, te laten uitrusten met een van de stelsels voor het geven van signalen ter waarschuwing dat een trein nadert, zoals bedoeld in artikel 33, eerste lid, van dit Verdrag;
- (e). ten einde bomen en halve bomen beter zichtbaar te maken, deze te laten uitrusten met reflecterend materiaal of met reflectoren en, zo nodig, ze 's nachts te verlichten; bovendien, op wegen waar 's nachts een dicht verkeer is van motorvoertuigen, de gevaarstekens, die op enige afstand vóór de overweg zijn geplaatst, uit te rusten met reflecterend materiaal of met reflectoren en, zo nodig, ze 's nachts te verlichten;
- (f). waar mogelijk, dicht bij overwegen uitgerust met bomen of met halve bomen, in de lengterichting op het midden van de rijbaan een teken op het wegdek aan te brengen dat voertuigen die de overweg naderen verbiedt zich op de weghelft te begeven die is bestemd voor verkeer uit de tegenovergestelde richting, of zelfs verkeerseilanden aan te brengen die het verkeer in beide richtingen scheiden.
De bepalingen van dit artikel dienen niet te worden toegepast in de gevallen waarnaar wordt verwezen in de laatste zin van artikel 35, tweede lid, van dit Verdrag.
HOOFDSTUK VI. SLOTBEPALINGEN
Artikel 37
Dit Verdrag is tot 31 december 1969 in het Hoofdkwartier der Verenigde Naties te New York opengesteld voor ondertekening door alle Lid-Staten van de Verenigde Naties, van een van de gespecialiseerde organisaties of van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie of door de Staten die Partij zijn bij het Statuut van het Internationale Gerechtshof, alsmede door elke andere Staat die door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is uitgenodigd Partij te worden bij dit Verdrag.
Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging dienen te worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
Dit Verdrag blijft opengesteld voor toetreding door alle Staten bedoeld in het eerste lid van dit artikel. De akten van toetreding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal.
Artikel 38
Elke Staat kan bij de ondertekening of bekrachtiging van dit Verdrag, of bij toetreding tot het Verdrag, alsook te allen tijde daarna, door middel van een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving verklaren dat het Verdrag van toepassing wordt voor een of meer der gebieden voor welker buitenlandse betrekkingen hij verantwoordelijk is. Het Verdrag wordt van toepassing voor het gebied of de gebieden genoemd in de kennisgeving dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal dan wel op de datum waarop het Verdrag in werking treedt in de Staat die de kennisgeving heeft afgelegd, welke van beide data later valt.
Elke Staat die een verklaring aflegt als bedoeld in het eerste lid van dit artikel dient namens de gebieden waarvoor deze verklaring werd afgelegd de verklaringen af te leggen bedoeld in artikel 46, tweede lid, van dit Verdrag.
Elke Staat die een verklaring heeft afgelegd als bedoeld in het eerste lid van dit artikel kan op elk later tijdstip door middel van een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving verklaren dat het Verdrag niet langer van toepassing zal zijn voor het in de kennisgeving genoemde gebied en het Verdrag zal dan niet langer van toepassing zijn voor dit gebied met ingang van een jaar te rekenen van de datum waarop de Secretaris-Generaal de kennisgeving heeft ontvangen.
Artikel 39
Dit Verdrag treedt in werking twaalf maanden na de datum van nederlegging van de vijftiende akte van bekrachtiging of toetreding.
Voor elke Staat die dit Verdrag bekrachtigt of ertoe toetreedt nadat de vijftiende akte van bekrachtiging of van toetreding is nedergelegd, treedt het Verdrag in werking twaalf maanden na de datum waarop deze Staat zijn akte van bekrachtiging of van toetreding heeft nedergelegd.
Artikel 40
Bij zijn inwerkingtreding beëindigt en vervangt dit Verdrag tussen de Verdragsluitende Partijen het Verdrag tot het brengen van eenheid in de verkeerstekens, opengesteld voor ondertekening te Genève op 30 maart 1931, of het Protocol nopens de verkeerstekens, opengesteld voor ondertekening te Genève op 19 september 1949.
Artikel 41
Wanneer dit Verdrag een jaar van kracht is geweest, kan elke Verdragsluitende Partij een of meer wijzigingen in dit Verdrag voorstellen. De tekst van de wijzigingsvoorstellen, vergezeld van een memorie van toelichting, wordt toegezonden aan de Secretaris-Generaal, die deze ter kennis van alle Verdragsluitende Partijen brengt. De Verdragsluitende Partijen hebben de gelegenheid hem, binnen een tijdvak van twaalf maanden te rekenen van de datum van kennisgeving, mede te delen of zij: (a) de wijziging aanvaarden; of (b) de wijziging verwerpen; of (c) wensen dat een conferentie wordt bijeengeroepen ter bestudering van de wijziging. De Secretaris-Generaal doet de tekst van de voorgestelde wijziging tevens toekomen aan alle andere Staten, als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van dit Verdrag.
- (a). Elke wijziging waarvan overeenkomstig het voorgaande lid kennis is gegeven, wordt geacht te zijn aanvaard, indien, binnen het tijdvak van twaalf maanden als bedoeld in het voorgaande lid, minder dan een derde van de Verdragsluitende Partijen de Secretaris-Generaal hebben medegedeeld dat zij de wijziging verwerpen, dan wel dat zij wensen dat een conferentie wordt bijeengeroepen ter bestudering van de wijziging. De Secretaris-Generaal stelt alle Verdragsluitende Partijen in kennis van elke aanvaarding of verwerping van elke voorgestelde wijziging en van verzoeken om een conferentie bijeen te roepen. Indien het totale aantal van dergelijke verwerpingen en verzoeken die gedurende het voorgeschreven tijdvak van twaalf maanden zijn ontvangen minder dan een derde bedraagt van het totale aantal Verdragsluitende Partijen, stelt de Secretaris-Generaal alle Verdragsluitende Partijen ervan in kennis dat de wijziging van kracht zal worden zes maanden na afloop van het tijdvak van twaalf maanden als bedoeld in het voorgaande lid, en wel voor alle Verdragsluitende Partijen met uitzondering van die, welke, gedurende het voorgeschreven tijdvak, de wijziging hebben verworpen of hebben verzocht een conferentie bijeen te roepen om haar te bestuderen.
- (b). Elke Verdragsluitende Partij die, gedurende genoemd tijdvak van twaalf maanden, een voorgestelde wijziging heeft verworpen of heeft verzocht een conferentie bijeen te roepen om haar te bestuderen, kan te allen tijde na afloop van bedoeld tijdvak de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen dat zij de wijziging aanvaardt en de Secretaris-Generaal deelt deze kennisgeving aan alle andere Verdragsluitende Partijen mede. De wijziging wordt dan ten aanzien van de Verdragsluitende Partijen die kennis hebben gegeven van het aanvaarden daarvan van kracht zes maanden na ontvangst van hun kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Indien een voorgestelde wijziging niet is aanvaard overeenkomstig het tweede lid van dit artikel, en indien binnen het tijdvak van twaalf maanden als bedoeld in het eerste lid van dit artikel minder dan de helft van het totale aantal Verdragsluitende Partijen de Secretaris-Generaal heeft medegedeeld dat zij de voorgestelde wijziging verwerpt, en indien ten minste een derde van het totale aantal Verdragsluitende Partijen, maar niet minder dan tien, hem mededeelt haar te aanvaarden dan wel wenst dat een conferentie wordt bijeengeroepen om haar te bestuderen, roept de Secretaris-Generaal een conferentie bijeen ten einde de voorgestelde wijziging of ieder ander voorstel te bestuderen dat hem kan worden voorgelegd overeenkomstig het vierde lid van dit artikel.
Indien een conferentie is bijeengeroepen overeenkomstig het derde lid van dit artikel, nodigt de Secretaris-Generaal alle Staten als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van dit Verdrag daartoe uit. Hij verzoekt alle tot de conferentie uitgenodigde Staten hem, uiterlijk zes maanden voor de openingsdatum van de conferentie, alle voorstellen voor te leggen die zij, behalve de voorgestelde wijziging, ook door de conferentie wensen te laten bestuderen, en hij deelt dergelijke voorstellen, uiterlijk drie maanden voor de openingsdatum van de conferentie, mede aan alle tot de conferentie uitgenodigde Staten.
- (a). Elke wijziging op dit Verdrag wordt geacht te zijn aanvaard indien zij is aanvaard door een twee/derde meerderheid van de ter conferentie vertegenwoordigde Staten, mits deze meerderheid tenminste twee/derde bedraagt van de ter conferentie vertegenwoordigde Verdragsluitende Partijen. De Secretaris-Generaal stelt alle Verdragsluitende Partijen in kennis van het aanvaarden van de wijziging, en de wijziging wordt van kracht twaalf maanden na de datum van deze kennisgeving en wel voor alle Verdragsluitende Partijen met uitzondering van die, welke gedurende dit tijdvak de Secretaris-Generaal ervan in kennis hebben gesteld dat zij de wijziging verwerpen.
- (b). Een Verdragsluitende Partij die de wijziging gedurende genoemd tijdstip van twaalf maanden heeft verworpen kan de Secretaris-Generaal te allen tijde ervan in kennis stellen dat zij de wijziging aanvaardt, en de Secretaris-Generaal deelt deze kennisgeving mede aan alle andere Verdragsluitende Partijen. De wijziging wordt ten aanzien van de Verdragsluitende Partij die kennis heeft gegeven van het aanvaarden daarvan, van kracht zes maanden na ontvangst van deze kennisgeving door de Secretaris-Generaal, of aan het eind van genoemd tijdvak van twaalf maanden, welke van beide data later valt.
Indien de wijziging niet wordt geacht te zijn aanvaard overeenkomstig het tweede lid van dit artikel, en indien aan de in het derde lid van dit artikel voorgeschreven voorwaarden met betrekking tot het bijeenroepen van een conferentie niet is voldaan, wordt de voorgestelde wijziging geacht te zijn verworpen.
Artikel 42
Elke Verdragsluitende Partij kan dit Verdrag opzeggen door middel van een tot de Secretaris-Generaal gerichte schriftelijke kennisgeving. De opzegging wordt van kracht een jaar na de datum van ontvangst van deze kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Artikel 43
Dit Verdrag houdt op van kracht te zijn indien het aantal Verdragsluitende Partijen gedurende een tijdvak van twaalf achtereenvolgende maanden minder is dan vijf.
Artikel 44
Een geschil tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, welk geschil de Partijen niet door onderhandelingen, of door andere middelen tot regeling van een geschil kunnen oplossen, kan, op verzoek van een van de betrokken Verdragsluitende Partijen, bij het Internationale Gerechtshof ter beslissing aanhangig worden gemaakt.
Artikel 45
Niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat een Verdragsluitende Partij daardoor zou worden belet de maatregelen te nemen die deze Partij noodzakelijk acht voor haar binnenlandse of buitenlandse veiligheid en die verenigbaar zijn met het Handvest van de Verenigde Naties, en beperkt blijven tot de vereisten der gegeven omstandigheden.
Artikel 46
Elke Staat kan bij de ondertekening van dit Verdrag, of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of van toetreding, verklaren dat hij zich niet gebonden acht door artikel 44 van dit Verdrag. Andere Verdragsluitende Partijen zijn niet gebonden door artikel 44 met betrekking tot een Verdragsluitende Partij die een dergelijke verklaring heeft afgelegd.
- (a). Bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of van toetreding dient elke Staat, door middel van een tot de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving, voor de toepassing van dit Verdrag te verklaren: Elke Staat kan naderhand te allen tijde door middel van een tot de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving zijn keuze wijzigen door zijn vroegere verklaring door een andere te vervangen.
- (i). welk van de modellen Aa en Ab hij kiest als gevaarsteken (artikel 9, eerste lid); en
- (ii). welk van de modellen B,2a en B,2b hij kiest als stopteken (artikel 10, derde lid).
- (b). Bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of van toetreding kan elke Staat door middel van een tot de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving verklaren dat hij voor de toepassing van dit Verdrag bromfietsen als motorfietsen behandelt (artikel 1, (l)) Door middel van een tot de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving kan elke Staat deze verklaring naderhand te allen tijde intrekken.
De verklaringen bedoeld in het tweede lid van dit artikel, treden in werking zes maanden na de datum waarop de Secretaris-Generaal deze kennisgeving heeft ontvangen, of op de datum waarop het Verdrag voor deze Staat van kracht wordt, welke van beide data later valt.
Elk voorbehoud ten aanzien van dit Verdrag en de bijlagen daarbij, met uitzondering van het voorbehoud bedoeld in het eerste lid van dit artikel, is toegestaan op voorwaarde dat elk voorbehoud schriftelijk wordt gemaakt en dat het, indien het is gemaakt vóór de nederlegging van de akte van bekrachtiging of van toetreding, in deze akte wordt bevestigd. De Secretaris-Generaal deelt deze voorbehouden mede aan alle Staten bedoeld in artikel 37, eerste lid, van dit Verdrag.
Elke Verdragsluitende Partij die een voorbehoud heeft gemaakt óf die een verklaring heeft afgelegd zoals bedoeld in het eerste en het vierde lid van dit artikel, kan dit te allen tijde intrekken door middel van een tot de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving.
Elk voorbehoud gemaakt overeenkomstig het vierde lid van dit artikel,
- (a). wijzigt voor de Verdragsluitende Partij die het voorbehoud heeft gemaakt de bepalingen van dit Verdrag waarop het voorbehoud betrekking heeft, zulks overeenkomstig de draagwijdte van het voorbehoud;
- (b). wijzigt deze bepalingen in dezelfde mate voor de andere Verdragsluitende Partijen ten aanzien van hun betrekkingen met de Verdragsluitende Partij die het voorbehoud heeft gemaakt.
Artikel 47
Behalve de verklaringen, mededelingen en kennisgevingen bedoeld in de artikelen 41 en 46 van dit Verdrag, stelt de Secretaris-Generaal alle Staten, bedoeld in artikel 37, eerste lid, in kennis van:
- a). Ondertekeningen, bekrachtigingen en toetredingen ingevolge artikel 37;
- b). Verklaringen ingevolge artikel 38;
- c). De data waarop dit Verdrag van kracht wordt overeenkomstig artikel 39;
- d). De datum waarop de wijzigingen van dit Verdrag van kracht worden overeenkomstig artikel 41, tweede en vijfde lid;
- e). Opzeggingen ingevolge artikel 42;
- f). De beëindiging van dit Verdrag ingevolge artikel 43.
Artikel 48
De oorspronkelijke tekst van dit Verdrag, gedaan in één enkel exemplaar in de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse taal, zijnde alle vijf teksten gelijkelijk authentiek, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die voor eensluidend gewaarmerkte afschriften daarvan toezendt aan alle Staten bedoeld in artikel 37, eerste lid, van dit Verdrag.
DEEL A. Gevaarstekens
I. Modellen
1
De tekens ,A’, gevaarstekens, dienen te zijn zoals model Aa of als model Ab, die beide hier zijn beschreven en zijn afgebeeld in Bijlage 3, behalve de tekens A,28 en A,29 die respectievelijk in paragraaf 28 en 29 hieronder zijn beschreven. Model Aa is een gelijkzijdige driehoek met één zijde horizontaal en met de daartegenover liggende hoek er boven; het vlak is wit of geel en de rand rood. Model Ab is een vierkant met één diagonaal verticaal; het vlak is geel en de rand, die slechts de omtrek aangeeft, is zwart. Tenzij hun omschrijving anderszins voorschrijft, dienen de symbolen die op deze tekens zijn aangebracht zwart of donkerblauw te zijn.
2
De zijde van het teken model Aa van het normale formaat dient ongeveer 90 cm lang te zijn; die van het kleine model Aa dient ten minste 60 cm lang te zijn. De zijde van het teken Ab van het normale formaat dient ongeveer 60 cm lang te zijn; die van het kleine model Ab dient ten minste 40 cm lang te zijn.
3
Wat betreft de keuze tussen modellen Aa en Ab, zie artikel 5, tweede lid, en artikel 9, eerste lid, bij dit Verdrag.
II. Symbolen voor gevaarstekens en aanwijzingen voor het gebruik van dergelijke tekens
1. Gevaarlijke bocht of bochten
Een waarschuwing voor een gevaarlijke bocht of een opeenvolging van gevaarlijke bochten dient door een van de volgende symbolen te worden aangegeven, naar gelang welk teken van toepassing is:
- a. A,1a: bocht naar links
- b. A,1b: bocht naar rechts
- c. A,1c: dubbele bocht, of een opeenvolging van meer dan twee bochten, waarvan de eerste naar links is
- d. A,1d: dubbele bocht, of een opeenvolging van meer dan twee bochten, waarvan de eerste naar rechts is.
2. Gevaarlijke nederwaartse helling
a. Ten einde te waarschuwen voor een steile nederwaartse helling dient symbool A,2a te worden gebruikt met teken model Aa, of symbool A,2b met teken model Ab.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)