Verdrag inzake verkeerstekens
De Verdragsluitende Partijen,
Erkennend dat een internationale eenvormigheid van verkeerstekens en -symbolen, alsmede van verkeerstekens op het wegdek noodzakelijk is om het internationale wegverkeer te vergemakkelijken en de verkeersveiligheid te verhogen,
Zijn de navolgende bepalingen overeengekomen:
HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Verdrag hebben de onderstaande uitdrukkingen de daaraan in dit artikel toegekende betekenis:
- (a). „Nationale wetgeving” van een Verdragsluitende Partij: het geheel van de nationale of plaatselijke wetten en voorschriften die op het grondgebied van die Verdragsluitende Partij van kracht zijn;
- (b). „Bebouwde kom”: een gebied dat op de plaatsen waar men dit binnen- of uitrijdt door speciale verkeerstekens als zodanig wordt aangeduid, dan wel een gebied dat in de nationale wetgeving op andere wijze is omschreven;
- (c). „Weg”: het gehele oppervlak van elke weg of straat die voor het openbaar verkeer openstaat;
- (d). „Rijbaan”: dat deel van een weg dat gewoonlijk voor het verkeer met voertuigen wordt gebruikt; een weg kan een aantal rijbanen bevatten die duidelijk zichtbaar van elkaar gescheiden zijn, bijvoorbeeld door een scheidende strook of een verschil in niveau;
- (e). „Rijstrook”: elk van de delen waarin de rijbaan in de lengterichting kan worden verdeeld, al of niet aangegeven door strepen op het wegdek in de lengterichting, welke rijstrook voldoende breed moet zijn voor één rij rijdende motorvoertuigen, anders dan motorfietsen;
- (e)bis. ,Fietsstrook’: een deel van de rijbaan dat voor fietsen bestemd is. Een fietsstrook wordt van de rest van de rijbaan onderscheiden door op het wegdek in de lengterichting aangebrachte tekens.
- (e)ter. ,Fietspad’: een aparte weg of deel van een weg bestemd voor fietsen en die of dat als zodanig wordt aangegeven. Een fietspad wordt van andere wegen of andere gedeelten van dezelfde weg gescheiden door fysieke maatregelen.
- (f). „Kruising”: elke gelijkvloerse kruising, samenvoeging of splitsing van wegen, met inbegrip van de open stukken die door dergelijke kruisingen, samenvoegingen of splitsingen zijn ontstaan;
- (g). „Overweg”: gelijkvloerse kruising tussen een weg en een spoor- of tramweg met vrije baan;
- (h). „Autosnelweg”: een weg die speciaal is ontworpen en aangelegd voor verkeer met motorvoertuigen en waarop aanliggende percelen geen uitweg hebben en die
- (i). behalve op bepaalde plaatsen of tijdelijk, is voorzien van gescheiden rijbanen voor beide verkeersrichtingen, welke rijbanen van elkaar gescheiden zijn hetzij door een scheidende strook die niet voor het verkeer is bestemd, hetzij, bij uitzondering, op andere wijze;
- (ii). geen andere weg, spoor- of tramweg of voetpad op hetzelfde niveau kruist; en
- (iii). door speciale verkeerstekens als autosnelweg is aangeduid.
- (i). Een voertuig wordt geacht: Het staat de Verdragsluitende Partijen echter vrij voertuigen die niet in beweging zijn zoals bedoeld in bovenstaande subparagraaf (ii) als „stilstaand” te beschouwen gedurende een tijdsbestek dat de door de nationale wetgeving vastgestelde duur niet te boven gaat en niet in beweging zijnde voertuigen als „geparkeerd” te beschouwen wanneer deze voertuigen niet in beweging zijn zoals bedoeld in bovenstaande subparagraaf (i), en dit het geval is gedurende een tijdsbestek dat de door de nationale wetgeving vastgestelde duur wèl te boven gaat;
- (i). „stilstaand” te zijn wanneer het niet in beweging is gedurende de tijd die nodig is om personen te laten in- of uitstappen of om goederen in of uit te laden; en
- (ii). „geparkeerd” te zijn wanneer het niet in beweging is om elke andere reden dan de noodzaak een conflictsituatie met een weggebruiker te vermijden of een botsing met een obstakel te vermijden, of om aan verkeersvoorschriften te voldoen, en wanneer de tijd gedurende welke het voertuig niet in beweging is niet is beperkt tot de tijd, nodig om personen te laten in- of uitstappen of om goederen in of uit te laden.
- (j). „Fiets”: elk voertuig met ten minste twee wielen, dat uitsluitend wordt voortbewogen door de spierkracht van de berijders, in het bijzonder door middel van pedalen of van met de hand bewogen hefbomen;
- (k). „Bromfiets”: elk voertuig met twee of drie wielen, dat is uitgerust met een verbrandingsmotor met een maximale cilinderinhoud van 50 cm3 en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 50 km per uur. Het staat de Verdragsluitende Partijen echter vrij krachtens hun nationale wetgeving niet als bromfietsen te beschouwen voertuigen die wat het gebruik betreft niet de eigenschappen van een fiets vertonen, in het bijzonder de eigenschap dat zij door pedalen kunnen worden voortbewogen, of waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid, het massa of bepaalde eigenschappen van de motor bepaalde grenzen overschrijden. Niets in deze omschrijving mag zó worden uitgelegd dat dit de Verdragsluitende Partijen zou beletten bromfietsen op dezelfde wijze te behandelen als fietsen wat betreft de toepassing van de bepalingen van hun nationale verkeerswetgeving;
- (l). „Motorfiets”: elk voertuig op twee wielen, met of zonder zijspanwagen, dat is voorzien van een voortstuwende motor. De Verdragsluitende Partijen kunnen in hun nationale wetgeving ook driewielige voertuigen als motorfietsen aanmerken, mits het ledig massa daarvan maximaal 400 kg bedraagt. De uitdrukking „motorfiets” heeft geen betrekking op bromfietsen hoewel de Verdragsluitende Partijen, mits zij hiertoe een verklaring afleggen overeenkomstig artikel 46, tweede lid, van dit Verdrag, voor de toepassing van dit Verdrag bromfietsen als motorfietsen kunnen beschouwen;
- (m). „Gemotoriseerd voertuig”: elk zichzelf over de weg voortstuwend voertuig anders dan een bromfiets, in de gebieden van de Verdragsluitende Partijen die bromfietsen niet als motorfietsen beschouwen, en anders dan een voertuig dat op rails wordt voortbewogen;
- (n). „Motorvoertuig”: elk gemotoriseerd voertuig dat gewoonlijk wordt gebruikt voor het vervoer van personen of goederen langs de weg, of om voertuigen, die worden gebruikt voor het vervoer van personen of goederen, langs de weg voort te trekken. Deze uitdrukking omvat mede trolleybussen, dat wil zeggen voertuigen die in verbinding staan met een elektrische geleiding, en niet op rails rijden. Zij heeft geen betrekking op voertuigen zoals landbouwtrekkers, die slechts bij uitzondering worden gebruikt om personen of goederen langs de weg te vervoeren, of om voertuigen, die personen of goederen vervoeren, langs de weg te trekken;
- (o). „Aanhangwagen”: elk voertuig dat is bestemd om door een gemotoriseerd voertuig te worden getrokken; de uitdrukking omvat tevens opleggers;
- (p). „Oplegger”: elke aanhangwagen die is bestemd om dusdanig aan een motorvoertuig te worden gekoppeld dat een deel ervan op het motorvoertuig rust en dat een aanzienlijk deel van het massa van de oplegger en van de lading door het motorvoertuig wordt gedragen;
- (q). „Bestuurder”: degene die een motorvoertuig of enig ander voertuig bestuurt (met inbegrip van een fiets), of die vee, hetzij enkele dieren hetzij in kudden, of trek-, last- of rijdieren op de weg onder zijn hoede heeft;
- (r). „Maximum toegestaan massa”: het maximumgewicht van het voertuig in beladen toestand, toegelaten door het bevoegde gezag van de Staat waar het voertuig is ingeschreven;
- (s). „Totaalgewicht”: het werkelijke massa van het voertuig, met inbegrip van lading, bemanning en passagiers;
- (t). „Rijrichting” en „overeenkomstig de rijrichting”: de rechterzijde indien, ingevolge de nationale wetgeving, de bestuurder een tegemoetkomend voertuig aan zijn linkerzijde moet laten voorbijgaan; in het omgekeerde geval betekenen deze uitdrukkingen: de linkerzijde;
- (u). Onder de eis dat de bestuurder andere voertuigen „voorrang” moet verlenen wordt verstaan dat hij niet mag doorrijden of een manoeuvre mag voortzetten, indien zulks de kans met zich zou brengen, dat bestuurders van andere voertuigen gedwongen worden de richting of de snelheid van hun voertuig plotseling te wijzigen.
Artikel 2. Bijlagen bij het Verdrag
De Bijlagen bij dit Verdrag, te weten:
Bijlage 1: Verkeerstekens;
- Deel A: Gevaarstekens;
- Deel B: Voorrangstekens;
- Deel C: Verbodstekens of beperkende tekens;
- Deel D: Gebodstekens;
- Deel E: Tekens die een bijzonder voorschrift inhouden;
- Deel F: Tekens betreffende informatie, voorzieningen of diensten;
- Deel G: Tekens die een richting aangeven of een bebakening of aanduiding inhouden;
- Deel H: Onderborden;
Bijlage 2: Op het wegdek aangebrachte tekens;
Bijlage 3: Weergave in kleuren van tekens, symbolen en onderborden zoals bedoeld in Bijlage 1;
zijn integrerende onderdelen van dit Verdrag.
Artikel 3. Verplichtingen van de Verdragsluitende Partijen
- (a). De Partijen bij dit Verdrag aanvaarden het in dit Verdrag beschreven stelsel van verkeerstekens en -symbolen, alsmede van op het wegdek aangebrachte verkeerstekens, en verbinden zich dit zo spoedig mogelijk over te nemen. Hiertoe
- (i). verbinden de Verdragsluitende Partijen zich, onder voorbehoud van de tijdslimieten, aangegeven in het tweede en derde lid van dit artikel, wanneer dit Verdrag een verkeersteken, symbool of teken op het wegdek voorschrijft om een bepaalde regel of een bepaalde mededeling aan de weggebruikers kenbaar te maken, geen ander teken, symbool of teken op het wegdek te gebruiken om die regel of mededeling kenbaar te maken;
- (ii). staat het de Verdragsluitende Partijen vrij wanneer dit Verdrag geen verkeersteken, symbool of teken op het wegdek voorschrijft om een bepaalde regel of een bepaalde mededeling aan weggebruikers kenbaar te maken, voor deze doeleinden elk teken, symbool of teken op het wegdek te gebruiken dat zij willen, mits een dergelijk teken, symbool of teken op het wegdek in dit Verdrag geen andere betekenis is toegekend, en mits het overeenkomt met het door het Verdrag voorgeschreven stelsel.
- (b). Ten einde de technieken voor regeling van het verkeer te verbeteren, en met het oog op het nut van proefnemingen alvorens wijzigingen op dit Verdrag voor te stellen, staat het de Verdragsluitende Partijen vrij, tijdelijk en voor experimentele doeleinden, op bepaalde weggedeelten af te wijken van de bepalingen van dit Verdrag.
De Verdragsluitende Partijen verbinden zich, uiterlijk vier jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag in hun grondgebieden, alle verkeerstekens, symbolen, installaties of tekens op het wegdek te vervangen of aan te vullen, die, hoewel zij de kenmerken bezitten van een verkeersteken, symbool, installatie of teken op het wegdek behorend tot het door het Verdrag voorgeschreven stelsel, in het gebruik een andere betekenis hebben dan die welke daaraan door dit Verdrag wordt toegekend.
De Verdragsluitende Partijen verbinden zich ertoe, binnen vijftien jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag in hun grondgebieden, alle verkeerstekens- symbolen, installaties of tekens op het wegdek te vervangen, die niet overeenkomen met het door het Verdrag voorgeschreven stelsel. Ten einde weggebruikers vertrouwd te maken met het in dit Verdrag voorgeschreven stelsel, kunnen gedurende deze periode vroegere verkeerstekens en -symbolen nog worden gebruikt naast die welke in dit Verdrag zijn voorgeschreven.
Niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat dit van de Verdragsluitende Partijen zou eisen dat zij alle typen verkeerstekens en tekens op het wegdek die in dit Verdrag zijn voorgeschreven zouden moeten overnemen. De Verdragsluitende Partijen dienen integendeel het aantal typen verkeerstekens of tekens op het wegdek dat zij aannemen, tot het hoogst noodzakelijke te beperken.
Artikel 4
De Verdragsluitende Partijen verplichten zich ervoor te zorgen dat het verboden is:
- (a). aan een verkeersteken, aan de paal of standaard daarvan, of aan andere installaties waarmee het verkeer geregeld wordt, wat dan ook te bevestigen dat niets te maken heeft met het doel van zo'n teken of installatie; indien de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan echter een organisatie zonder winstoogmerk machtigen informatieve tekens te installeren, kunnen zij deze organisatie ook toestaan het eigen embleem op het teken of de paal of standaard aan te brengen, mits dit de begrijpelijkheid van het teken niet vermindert;
- (b). borden, mededelingen, aanduidingen of installaties aan te brengen, die verward zouden kunnen worden met verkeerstekens of andere verkeersregelende apparaten, deze minder goed zichtbaar of minder doeltreffend zouden maken, of weggebruikers zouden kunnen verblinden of hun aandacht zouden kunnen afleiden op een wijze die de verkeersveiligheid in gevaar brengt.
HOOFDSTUK II. VERKEERSTEKENS
Artikel 5
Het in dit Verdrag voorgeschreven stelsel onderscheidt de volgende categorieën verkeerstekens:
- (a). Gevaarstekens: deze tekens zijn bedoeld om weggebruikers te waarschuwen voor een gevaar op de weg en om hun tevens de aard van dit gevaar kenbaar te maken;
- (b). Tekens die een bepaald voorschrift inhouden: deze tekens hebben ten doel aan weggebruikers kenbaar te maken dat er bepaalde verplichtingen, beperkingen of verboden zijn, waaraan zij zich dienen te houden; deze zijn onderverdeeld in:
- (i). Voorrangstekens;
- (ii). Verbodstekens of beperkende tekens; en
- (iii). Gebodstekens;
- (iv). Tekens die een bijzonder voorschrift inhouden;
- (c). Informatieve tekens: deze tekens hebben ten doel weggebruikers aanwijzingen te geven of hun andere inlichtingen te verschaffen die van nut kunnen zijn; deze tekens zijn onderverdeeld in:
- (i). Tekens betreffende informatie, voorzieningen of diensten;
- (ii). Tekens die een richting aangeven of een bebakening of aanduiding inhouden:
- Vooraanduidingstekens;
- Richtingtekens;
- Tekens ter identificatie van een weg;
- Tekens ter identificatie van een plaats of plek;
- Bevestigingstekens;
- Tekens die een aanduiding inhouden;
- (iii). Onderborden.
Wanneer dit Verdrag een keuze toestaat tussen verschillende tekens of verschillende symbolen,
- (a). verbinden de Verdragsluitende Partijen zich ertoe slechts één van deze tekens of symbolen voor hun gehele gebied of gebieden over te nemen;
- (b). dienen de Verdragsluitende Partijen ernaar te streven door middel van regionale overeenkomsten tot dezelfde keuze te komen;
- (c). zijn de bepalingen van artikel 3, derde lid, van dit Verdrag van toepassing op alle tekens en symbolen van de typen die niet zijn gekozen.
Artikel 6
Tekens dienen zodanig te worden geplaatst dat de bestuurders voor wie ze zijn bedoeld ze gemakkelijk en tijdig kunnen herkennen. Zij dienen als regel te worden geplaatst aan die zijde van de weg die overeenkomt met de rijrichting; ze kunnen echter boven de rijbaan worden geplaatst of herhaald. Elk teken dat is geplaatst aan de zijde van de weg die overeenkomt met de rijrichting, dient boven, of aan de andere zijde van de rijbaan te worden herhaald, indien de plaatselijke omstandigheden van dien aard zijn, dat de tekens niet zouden kunnen worden gezien door de bestuurders voor wie ze zijn bedoeld.
Alle tekens zijn over de hele breedte van de rijbaan die voor het verkeer openstaat van toepassing op de bestuurders voor wie ze bedoeld zijn. Het is echter ook toegestaan dat tekens alleen van toepassing zijn voor één of meer rijstroken, wanneer de rijbaan door in de lengterichting op het wegdek aangebrachte tekens in rijstroken is verdeeld.
In dit geval wordt een van de drie volgende bebakeningsmogelijkheden toegepast:
- a. Het teken, indien nodig met toevoeging van een verticale pijl, wordt boven de desbetreffende rijstrook geplaatst, of
- b. Het teken wordt geplaatst aan de rand van de rijbaan wanneer zonder twijfel uit tekens op het wegdek blijkt dat het desbetreffende teken alleen van toepassing is op de rijstrook gelegen aan de rand van de rijbaan die overeenkomt met de rijrichting en dat het enige doel van dit teken is een plaatselijk voorschrift dat reeds door tekens op het wegdek wordt aangegeven, te bevestigen, of
- c. De tekens E,1 of E,2 omschreven in Bijlage 1, Deel E, Titel II, paragraaf 1 en 2 van dit Verdrag, of de tekens G,11 en G,12 omschreven in Bijlage 1, Deel G, Titel V, paragraaf 1 en 2, worden aan de rand van de rijbaan geplaatst.
Indien het bevoegde gezag van mening is dat een teken niet doeltreffend zou zijn indien het in de zijberm van een weg met gescheiden rijbanen zou worden geplaatst, is het geoorloofd het op de scheidende strook te plaatsen en in dit geval behoeft het niet in de zijberm van de weg te worden herhaald.
Het verdient aanbeveling dat de nationale wetgeving bepaalt:
- (a). dat tekens zodanig worden geplaatst dat zij geen belemmering vormen voor het verkeer van voertuigen op de rijbaan, en, indien zij in de zijbermen zijn geplaatst, dat zij de voetgangers zo min mogelijk hinderen. Het verschil in hoogte tussen de rijbaan aan de zijde waar het teken is geplaatst en de onderste rand van het teken, dient voor alle tekens van dezelfde categorie of dezelfde route zoveel mogelijk gelijk te zijn;
- (b). dat de borden van zodanige afmeting zijn dat het teken op een afstand gemakkelijk zichtbaar is en gemakkelijk kan worden begrepen door degene die het nadert; onder voorbehoud van de bepalingen van subparagraaf (c) van dit lid, dienen deze afmetingen te zijn aangepast aan de gebruikelijke snelheid van voertuigen;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.