Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer
De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag,
In herinnering brengend dat de volkeren van alle landen sedert vele eeuwen de rechtspositie van diplomatieke vertegenwoordigers erkennen,
Indachtig de doelstellingen en beginselen van het Handvest der Verenigde Naties betreffende de soevereine gelijkheid der staten, de handhaving van internationale vrede en veiligheid, alsmede de bevordering van vriendschappelijke betrekkingen tussen de volkeren,
In de overtuiging dat een internationaal verdrag inzake diplomatiek verkeer en diplomatieke voorrechten en immuniteiten een bijdrage zou betekenen tot de ontwikkeling van vriendschappelijke betrekkingen tussen de volkeren, ongeacht de verschillen in hun grondwettelijke en maatschappelijke stelsels,
Beseffend dat het doel van deze voorrechten en immuniteiten niet is personen te bevoorrechten, doch te verzekeren dat diplomatieke zendingen als vertegenwoordigers der staten doelmatig functioneren,
Bevestigend dat de regels van het internationale gewoonterecht van toepassing dienen te blijven op aangelegenheden die door de bepalingen van dit Verdrag niet uitdrukkelijk worden geregeld,
Zijn overeengekomen als volgt:
Artikel 1
In dit Verdrag hebben de navolgende uitdrukkingen de hieronder aangegeven betekenissen:
- (a). het „hoofd van de zending”, de persoon die door de zendstaat is aangewezen om in die hoedanigheid op te treden;
- (b). de „leden van de zending”, het hoofd van de zending en de personeelsleden van de zending;
- (c). de „personeelsleden van de zending”, leden van het diplomatieke personeel of van het administratieve en technische personeel en van het bedienend personeel van de zending;
- (d). de „leden van het diplomatieke personeel”, de leden van het personeel van de zending die een diplomatieke rang bezitten;
- (e). een „diplomatiek ambtenaar”, het hoofd van de zending of een lid van het diplomatieke personeel van de zending;
- (f). de „leden van het administratieve en technische personeel”, de leden van het personeel van de zending die werkzaam zijn bij de administratieve en technische dienst van de zending;
- (g). de „leden van het bedienend personeel”, de leden van het personeel van de zending die werkzaam zijn bij de huishoudelijke dienst van de zending;
- (h). een „particuliere bediende”, een persoon die in de huishoudelijke dienst van een lid van het personeel van de zending is en niet in dienst is van de zendstaat;
- (i). de „gebouwen van de zending”, de gebouwen of delen van gebouwen en de daarbij behorende terreinen, ongeacht wie daarvan de eigenaar is, die gebruikt worden voor de werkzaamheden van de zending, daarbij inbegrepen de ambtswoning van het hoofd van de zending.
Artikel 2
Het aanknopen van diplomatieke betrekkingen tussen de staten, alsmede de vestiging van diplomatieke zendingen, geschiedt met wederzijds goedvinden.
Artikel 3
De functies van een diplomatieke zending omvatten o.a.:
- (a). het vertegenwoordigen van de zendstaat in de ontvangende staat;
- (b). het behartigen van de belangen van de zendstaat en van zijn onderdanen, binnen de door het volkenrecht toegestane grenzen in de ontvangende staat;
- (c). het onderhandelen met de regering van de ontvangende staat;
- (d). het met alle wettige middelen nagaan van de toestanden en ontwikkelingen in de ontvangende staat en het uitbrengen van verslag daarvan aan de regering van de zendstaat;
- (e). het bevorderen van vriendschappelijke betrekkingen tussen de zendstaat en de ontvangende staat en het tot ontwikkeling brengen van hun economische, culturele en wetenschappelijke betrekkingen.
Niets in dit Verdrag mag zodanig worden uitgelegd dat het de uitoefening van consulaire functies door een diplomatieke zending verhindert.
Artikel 4
De zendstaat dient er zich van te overtuigen dat de ontvangende staat agrément heeft verleend ten aanzien van de persoon die de zendstaat voornemens is als hoofd van de zending van die staat te accrediteren.
De ontvangende staat is niet verplicht om de zendstaat de redenen van een weigering van het agrément mede te delen.
Artikel 5
De zendstaat kan, nadat hij de betrokken ontvangende staten daarvan op behoorlijke wijze mededeling heeft gedaan, een hoofd van een zending bij meer dan een staat accrediteren of een lid van het diplomatieke personeel bij meer dan een staat aanmelden, tenzij een der ontvangende staten hiertegen uitdrukkelijk bezwaar maakt.
Indien de zendstaat een hoofd van een zending bij een of meer andere staten accrediteert kan deze staat in elke staat waar het hoofd van de zending niet zijn permanente zetel heeft een diplomatieke zending vestigen met een tijdelijk zaakgelastigde aan het hoofd.
Een hoofd van een zending of elk lid van het diplomatieke personeel van de zending kan optreden als vertegenwoordiger van de zendstaat bij internationale organisaties.
Artikel 6
Twee of meer staten kunnen dezelfde persoon als hoofd van een zending bij een andere staat accrediteren, tenzij de ontvangende staat hiertegen bezwaar maakt.
Artikel 7
Met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 5, 8, 9 en 11 is de zendstaat vrij in het aanstellen van de personeelsleden van de zending. Bij de aanstelling van militaire, marine- of luchtmachtattachés kan de ontvangende staat eisen dat hun naam van tevoren ter goedkeuring wordt medegedeeld.
Artikel 8
De leden van het diplomatieke personeel van de zending dienen in beginsel de nationaliteit van de zendstaat te bezitten.
Als leden van het diplomatieke personeel van de zending mogen niet worden benoemd personen die de nationaliteit van de ontvangende staat bezitten, behalve met toestemming van die staat, welke toestemming te allen tijde kan worden ingetrokken.
De ontvangende staat kan zich hetzelfde recht voorbehouden ten aanzien van onderdanen van een derde staat die niet tevens onderdanen van de zendstaat zijn.
Artikel 9
De ontvangende staat kan te allen tijde en zonder dat hij zijn beslissing behoeft te motiveren, de zendstaat ervan verwittigen dat het hoofd van de zending of een lid van het diplomatieke personeel van de zending tot persona non grata is verklaard of dat een ander personeelslid van de zending niet aanvaardbaar is. In dergelijke gevallen roept de zendstaat de betrokken persoon terug of beëindigt zijn werkzaamheden bij de zending. Een persoon kan tot persona non grata, of onaanvaardbaar, worden verklaard voordat hij op het grondgebied van de ontvangende staat is aangekomen.
Indien de zendstaat weigert of in gebreke blijft binnen een redelijke termijn aan zijn verplichtingen krachtens lid 1 van dit artikel te voldoen, kan de ontvangende staat weigeren de betrokken persoon als lid van de zending te erkennen.
Artikel 10
Aan het ministerie van buitenlandse zaken van de ontvangende staat of een ander overeengekomen ministerie, wordt mededeling gedaan van:
- (a). de benoeming van leden van de zending, hun aankomst en hun definitief vertrek of de beëindiging van hun werkzaamheden bij de zending;
- (b). de aankomst en het definitieve vertrek van een persoon die tot het gezin van een lid van de zending behoort en, in daarvoor in aanmerking komende gevallen, het feit dat een persoon gezinslid wordt van een lid van de zending of ophoudt gezinslid te zijn;
- (c). de aankomst en het definitieve vertrek van particuliere bedienden in dienst van de onder (a) van dit lid bedoelde personen en, in daarvoor in aanmerking komende gevallen, het feit dat zij de dienst van deze personen verlaten;
- (d). het aannemen en ontslaan van ingezetenen van de ontvangende staat als leden van de zending of als particuliere bedienden die recht hebben op voorrechten en immuniteiten.
Indien mogelijk dient tevens van tevoren kennis te worden gegeven van aankomst en definitief vertrek.
Artikel 11
Indien er geen bijzondere overeenkomst bestaat ten aanzien van de omvang van de zending, kan de ontvangende staat eisen dat de omvang van de zending wordt gehouden binnen de grenzen die deze staat als redelijk en normaal beschouwt, waarbij de in de ontvangende staat heersende omstandigheden en de behoeften van de betrokken zending in aanmerking worden genomen.
De ontvangende staat kan eveneens, binnen soortgelijke grenzen en op niet-discriminatoire grondslag, weigeren ambtenaren van een bepaalde categorie te aanvaarden.
Artikel 12
Zonder voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de ontvangende staat mag de zendstaat kantoren die deel uitmaken van de zending niet op andere plaatsen vestigen dan waar de zending zelf is gevestigd.
Artikel 13
Het hoofd van de zending wordt geacht zijn werkzaamheden in de ontvangende staat te hebben aangevangen wanneer hij zijn geloofsbrieven heeft overhandigd of wanneer hij mededeling heeft gedaan van zijn aankomst en een gewaarmerkt afschrift van zijn geloofsbrieven is aangeboden aan het ministerie van buitenlandse zaken van de ontvangende staat of een ander ter zake overeengekomen ministerie, overeenkomstig het in de ontvangende staat heersende gebruik, dat op eenvormige wijze wordt toegepast.
De volgorde van overhandiging der geloofsbrieven of van een gewaarmerkt afschrift daarvan wordt bepaald door de datum en het tijdstip van aankomst van het hoofd van de zending.
Artikel 14
De hoofden der zendingen worden in drie klassen verdeeld, n.l.:
- (a). die van ambassadeur of nuntius, geaccrediteerd bij het staatshoofd, en andere hoofden van zendingen van gelijkwaardige rang;
- (b). die van gezant of internuntius, geaccrediteerd bij het staatshoofd;
- (c). die van zaakgelastigde, geaccrediteerd bij de minister van buitenlandse zaken.
Behalve wat betreft voorrang en etiquette bestaat er geen onderscheid tussen de hoofden van zendingen wegens hun klasse.
Artikel 15
De staten regelen onderling de klasse waartoe de hoofden van hun zendingen zullen behoren.
Artikel 16
De rangorde van de hoofden van zendingen binnen hun onderscheiden klassen wordt bepaald door de datum en het tijdstip waarop zij hun werkzaamheden overeenkomstig artikel 13 aanvangen.
Wijzigingen in de geloofsbrieven van een hoofd van een zending die geen verandering van klasse met zich medebrengen hebben geen invloed op zijn rangorde.
Dit artikel heeft geen invloed op een door de ontvangende staat aanvaard gebruik ten aanzien van de voorrang van de vertegenwoordiger van de Heilige Stoel.
Artikel 17
De rangorde van de leden van het diplomatieke personeel van de zending wordt door het hoofd van de zending medegedeeld aan het ministerie van buitenlandse zaken of aan een ander overeengekomen ministerie.
Artikel 18
De in elke staat met betrekking tot de ontvangst van hoofden van zendingen te volgen procedure is ten aanzien van elke klasse eenvormig.
Artikel 19
Indien de plaats van hoofd der zending open staat of indien het hoofd der zending niet in staat is zijn functie uit te oefenen, treedt een tijdelijk zaakgelastigde op als voorlopig hoofd van de zending. De naam van de tijdelijk zaakgelastigde wordt, hetzij door het hoofd van de zending, hetzij, indien deze daartoe niet in staat is, door het ministerie van buitenlandse zaken van de zendstaat medegedeeld aan het ministerie van buitenlandse zaken van de ontvangende staat of een ander overeengekomen ministerie.
In gevallen waarin in de ontvangende staat geen lid van het diplomatieke personeel van de zending aanwezig is kan de zendstaat, met toestemming van de ontvangende staat, een lid van het administratieve en technische personeel belasten met de waarneming van de dagelijkse administratieve zaken van de zending.
Artikel 20
De zending en het hoofd der zending hebben het recht de vlag en het embleem van de zendstaat te voeren op het terrein van de zending, waaronder begrepen de ambtswoning van het hoofd der zending en zijn vervoermiddelen.
Artikel 21
De ontvangende staat is de zendstaat behulpzaam bij het op zijn grondgebied, in overeenstemming met zijn wettelijke voorschriften, verwerven van gebouwen voor de zending, of helpt de zendstaat op andere wijze bij het verkrijgen van woon- en kantoorruimte.
De ontvangende staat is, in voorkomende gevallen, de zendingen eveneens behulpzaam bij het verkrijgen van geschikte woonruimte voor de personeelsleden der zendingen.
Artikel 22
De gebouwen van de zending zijn onschendbaar. Vertegenwoordigers van de ontvangende staat mogen deze alleen betreden met toestemming van het hoofd van de zending
Op de ontvangende staat rust de bijzondere verplichting alle geëigende maatregelen te nemen om de gebouwen van de zending tegen indringers en tegen het toebrengen van schade te beschermen en te verhinderen dat de rust van de zending op enigerlei wijze wordt verstoord of aan haar waardigheid afbreuk wordt gedaan.
De gebouwen van de zending, het meubilair en andere daar aanwezige voorwerpen, alsmede de vervoermiddelen van de zending, zijn gevrijwaard tegen onderzoek, vordering, beslaglegging of executoriale maatregelen.
Artikel 23
De zendstaat en het hoofd van de zending zijn vrijgesteld van alle landelijke, gewestelijke of gemeentelijke belastingen en rechten ten aanzien van de gebouwen van die zending, ongeacht of deze eigendom zijn of zijn gehuurd, met uitzondering van belastingen en rechten die gelden als betaling voor bepaalde verleende diensten.
De in dit artikel bedoelde vrijstelling is niet van toepassing op belastingen en rechten die krachtens de wetgeving van de ontvangende staat moeten worden betaald door personen die met de zendstaat of het hoofd van de zending verbintenissen aangaan of hebben.
Artikel 24
Het archief en de documenten van de zending zijn te allen tijde en waar deze zich ook mogen bevinden onschendbaar.
Artikel 25
De ontvangende staat verleent de zending alle faciliteiten ten behoeve van de uitoefening van haar werkzaamheden.
Artikel 26
Met inachtneming van de wetten en regelingen van de ontvangende staat betreffende gebieden waartoe de toegang om redenen van nationale veiligheid verboden of aan beperkingen onderhevig is, draagt de ontvangende staat er zorg voor dat alle leden van de zending zich vrijelijk op zijn grondgebied kunnen bewegen en er vrijelijk kunnen reizen.
Artikel 27
Door de ontvangende staat wordt aan de zending toegestaan voor alle officiële doeleinden onbelemmerd verbindingen te onderhouden; deze verbindingen worden door de ontvangende staat beschermd. Teneinde zich met de regering en met andere zendingen en consulaire posten — waar deze zich ook mogen bevinden — van de zendstaat in verbinding te stellen, mag de zending alle daarvoor in aanmerking komende middelen gebruiken, diplomatieke koeriers en codeberichten daarbij inbegrepen. De zending mag evenwel geen radiozender installeren en gebruiken zonder toestemming van de ontvangende staat.
De officiële briefwisseling van de zending is onschendbaar. Onder officiële briefwisseling wordt verstaan alle op de zending en haar werkzaamheden betrekking hebbende briefwisseling.
De diplomatieke tas mag niet worden geopend of vastgehouden.
De pakketten welke de diplomatieke tas vormen moeten aan de buitenkant duidelijk zichtbare kentekenen dragen, waaruit hun aard blijkt en mogen slechts diplomatieke documenten of voor officieel gebruik bestemde goederen bevatten.
De diplomatieke koerier, die dient te worden voorzien van een officieel document waaruit zijn status en het aantal pakketten welke de diplomatieke tas vormen blijkt, wordt door de ontvangende staat bij de uitoefening van zijn functie beschermd. Hij geniet persoonlijke onschendbaarheid en is gevrijwaard tegen enigerlei vorm van aanhouding of vrijheidsbeneming.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.