Verdrag inzake de erkenning van beslissingen betreffende de huwelijksband

Type Verdrag
Publication 1981-07-30
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, de Franse Republiek, het Koninkrijk Griekenland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Zwitserse Bondsstaat en de Republiek Turkije, leden van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand,

Geleid door de wens op het grondgebied van elk der Verdragsluitende Staten de erkenning der in een van die Staten gegeven beslissingen betreffende de huwelijksband, te vergemakkelijken,

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1

Elke beslissing inzake het ontbinden, het slaken, het bestaan of het niet-bestaan, de geldigheid of de nietigheid van de huwelijksband, gegeven in een der Verdragsluitende Staten, wordt onder voorbehoud van inachtneming van het bepaalde in de artikelen 2, 3 en 4, erkend in de andere Verdragsluitende Staten en heeft daar hetzelfde gezag als in de Staat waarin deze beslissing is gegeven, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

Artikel 2

De erkenning van een buitenlandse beslissing mag niet worden geweigerd op de enkele grond dat de autoriteit die heeft beslist, niet bevoegd was volgens het internationaal privaatrecht van de Staat waar deze beslissing wordt ingeroepen, behalve wanneer beide echtgenoten onderdanen van die Staat zijn.

Artikel 3

De erkenning van een buitenlandse beslissing, waarbij een andere wet is toegepast dan die, welke het internationaal privaatrecht van de Staat waar deze beslissing wordt ingeroepen aanwijst, mag op die enkele grond niet worden geweigerd, tenzij aan elk van beide volgende voorwaarden is voldaan:

Artikel 4

Wanneer erkenning wordt gevraagd van twee onverenigbare buitenlandse beslissingen, wordt alleen de beslissing die het eerst in kracht van gewijsde is gegaan erkend.

Artikel 5

Beslissingen aangaande de in artikel 1 bedoelde onderwerpen, welke door de autoriteiten van een der Verdragsluitende Staten zijn gegeven en waarvan erkenning wordt gevraagd in een andere Verdragsluitende Staat, mogen uitsluitend worden onderworpen aan een onderzoek dat betrekking heeft op de hierboven aangegeven voorwaarden.

Artikel 6

De wetgeving van elke Verdragsluitende Staat bepaalt welke autoriteit bevoegd is inzake erkenning en welke procedure daarbij moet worden gevolgd.

Deze autoriteit wordt in een bijlage van dit Verdrag voor elke Verdragsluitende Staat omschreven.

Artikel 7

De in dit Verdrag bedoelde erkenning betreft uitsluitend de bepalingen van de buitenlandse beslissing inzake het ontbinden, het slaken, het bestaan of het niet-bestaan, de geldigheid of de nietigheid van de huwelijksband alsook de beslissingen die betrekking hebben op de schuld van partijen of van één van hen of, in geval van nietigverklaring, op hun goede trouw.

Op deze erkenning kan niet worden teruggekomen, zelfs niet bij het onderzoek van een beschikking tot regeling van vermogensrechtelijke kwesties, van het gezag over de kinderen of enige andere bijkomende of voorlopige beschikking.

Artikel 8

De op grond van dit Verdrag in een Verdragsluitende Staat erkende beslissingen worden, zonder formaliteiten, in de registers van de burgerlijke stand of in andere openbare registers van die Staat, opgenomen, wanneer de wet van die Staat de openbaarmaking van soortgelijke beslissingen die binnen zijn grondgebied worden gegeven voorschrijft.

Artikel 9

Wanneer een beslissing tot ontbinding of nietigverklaring van een huwelijk in een Verdragsluitende Staat op grond van dit Verdrag is erkend, kan in die Staat de voltrekking van een nieuw huwelijk niet worden geweigerd op de enkele grond dat de wet van een andere Staat die ontbinding of die nietigverklaring niet toelaat of niet erkent.

Artikel 10

Indien tevoren bij een autoriteit van een der Verdragsluitende Staten een vordering is ingesteld inzake het ontbinden, het slaken, het bestaan of het niet-bestaan, de geldigheid of de nietigheid van de huwelijksband, onthouden de autoriteiten der andere Verdragsluitende Staten zich ambtshalve van het nemen van een beslissing ten gronde inzake een bij hen ingestelde vordering betreffende hetzelfde onderwerp, tussen dezelfde partijen, handelend in dezelfde hoedanigheid.

De autoriteit bij wie de zaak het laatst aanhangig is gemaakt is evenwel bevoegd, een uitstel van ten minste een jaar te bepalen, aan het einde waarvan zij een beslissing kan nemen indien met betrekking tot de eerder ingestelde vordering nog geen beslissing ten gronde is gegeven.

Artikel 11

Voor de toepassing van dit Verdrag worden onder „onderdanen van een Staat” de personen verstaan die de nationaliteit van die Staat bezitten, alsook degenen wier persoonlijke staat door de wetten van die Staat wordt beheerst.

Artikel 12

Dit Verdrag is, in de betrekkingen tussen de Staat waar de beslissing is gegeven en die waar haar erkenning wordt gevraagd, slechts van toepassing op beslissingen die genomen zijn na de inwerkingtreding van het Verdrag tussen deze twee Staten.

Artikel 13

Dit Verdrag staat niet in de weg aan de toepassing van internationale overeenkomsten of binnenlandse rechtsregels die gunstiger zijn voor de erkenning van buitenlandse beslissingen.

Artikel 14

De Verdragsluitende Staten stellen de Zwitserse Bondsraad in kennis van de voltooiing der door hun Grondwet vereiste procedures om dit Verdrag binnen hun grondgebied te kunnen toepassen.

De Zwitserse Bondsraad doet mededeling aan de Verdragsluitende Staten en de Secretaris-Generaal van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand van elke kennisgeving in de zin van het voorgaande lid.

Artikel 15

Dit Verdrag treedt in werking te rekenen vanaf de dertigste dag volgend op de datum van nederlegging van de tweede kennisgeving en treedt van dat tijdstip af in werking tussen de twee Staten die deze formaliteit hebben vervuld.

Voor elke Staat die dit Verdrag heeft ondertekend en die de in het vorige artikel bedoelde formaliteit op een later tijdstip vervult, treedt dit Verdrag in werking te rekenen vanaf de dertigste dag volgend op de datum van nederlegging van zijn kennisgeving.

Artikel 16

Elke Verdragsluitende Staat kan bij de ondertekening, bij de in artikel 14 bedoelde kennisgeving of bij de toetreding verklaren dat hij de in dit Verdrag voorziene regeling uitbreidt tot de tenuitvoerlegging van de in het tweede lid van artikel 7 bedoelde bijkomende of voorlopige beschikkingen.

Deze verklaring kan eveneens op een later tijdstip en te allen tijde worden afgelegd door middel van een kennisgeving aan de Zwitserse Bondsraad.

De Zwitserse Bondsraad stelt elke Verdragsluitende Staat en de Secretaris-Generaal van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand van deze verklaring in kennis.

De in het tweede lid van dit artikel bedoelde verklaring wordt van kracht te rekenen vanaf de dertigste dag volgend op de datum waarop de Zwitserse Bondsraad deze kennisgeving heeft ontvangen.

Artikel 17

Elke Verdragsluitende Staat kan, bij de ondertekening, bij de in artikel 14 bedoelde kennisgeving of bij de toetreding verklaren dat wat hem betreft dit Verdrag slechts van toepassing is op een of meer der in artikel 1 genoemde onderwerpen.

Elke Staat die een verklaring overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van dit artikel heeft afgelegd kan daarna te allen tijde, door middel van een kennisgeving aan de Zwitserse Bondsraad, verklaren dat hij de toepassing van het Verdrag uitstrekt tot andere in artikel 1 genoemde onderwerpen.

De Zwitserse Bondsraad stelt elke Verdragsluitende Staat en de Secretaris-Generaal van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand op de hoogte van deze kennisgeving.

De in het tweede lid van dit artikel bedoelde verklaring wordt van kracht te rekenen vanaf de dertigste dag volgend op de datum waarop de Zwitserse Bondsraad deze kennisgeving heeft ontvangen.

Artikel 18

Elke Verdragsluitende Staat kan bij de ondertekening, bij de in artikel 14 bedoelde kennisgeving of bij de toetreding, verklaren dat hij zich het recht voorbehoudt:

Artikel 19

Dit Verdrag is van rechtswege van toepassing op het gehele grondgebied van het moederland van elke Verdragsluitende Staat.

Elke Verdragsluitende Staat kan bij de ondertekening, de kennisgeving als bedoeld in artikel 14, de toetreding of op een later tijdstip, door middel van een kennisgeving aan de Zwitserse Bondsraad verklaren dat de bepalingen van dit Verdrag van toepassing zijn op een of meer van zijn buiten het moederland gelegen gebieden, Staten of gebieden waarvoor hij internationaal verantwoordelijk is. De Zwitserse Bondsraad doet elke Verdragsluitende Staat en de Secretaris-Generaal van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand mededeling van een zodanige kennisgeving. De bepalingen van dit Verdrag worden van toepassing in het gebied of de gebieden aangegeven in de kennisgeving op de zestigste dag volgend op de datum waarop de Zwitserse Bondsraad deze kennisgeving heeft ontvangen.

Elke Staat die een verklaring overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid van dit artikel heeft afgelegd, kan op een later tijdstip te allen tijde door middel van een kennisgeving aan de Zwitserse Bondsraad verklaren, dat dit Verdrag niet meer van toepassing is op een of meer Staten of gebieden die in de verklaring zijn aangeduid.

De Zwitserse Bondsraad stelt elke Verdragsluitende Staat en de Secretaris-Generaal van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand van de nieuwe kennisgeving op de hoogte.

Het Verdrag houdt op van toepassing te zijn op het bedoelde grondgebied op de zestigste dag volgend op de datum waarop de Zwitserse Bondsraad deze kennisgeving heeft ontvangen.

Artikel 20

Elke Lid-Staat van de Raad van Europa of van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand kan tot dit Verdrag toetreden. De Staat die wenst toe te treden, geeft van zijn voornemen kennis door middel van een akte die bij de Zwitserse Bondsraad wordt nedergelegd. Deze doet elke Verdragsluitende Staat en de Secretaris-Generaal van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand mededeling van elke nederlegging van een akte van toetreding. Het Verdrag treedt voor de toetredende Staat in werking op de dertigste dag volgend op de datum van nederlegging van de akte van toetreding.

De nederlegging van de akte van toetreding kan pas plaatsvinden nadat dit Verdrag in werking is getreden.

Artikel 21

Dit Verdrag blijft voor onbepaalde tijd van kracht. Elk der Verdragsluitende Staten is evenwel bevoegd het Verdrag te allen tijde op te zeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving gericht aan de Zwitserse Bondsraad, die de andere Verdragsluitende Staten en de Secretaris-Generaal van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand hiervan in kennis stelt.

Deze bevoegdheid tot opzegging kan niet worden uitgeoefend voordat een jaar is verlopen te rekenen vanaf de in artikel 14 bedoelde kennisgeving of vanaf de toetreding.

De opzegging wordt van kracht na verloop van zes maanden na de datum waarop de Zwitserse Bondsraad de in het eerste lid van dit artikel bedoelde kennisgeving heeft ontvangen.

EN FOI DE QUOI les représentants soussignés, dûment autorisés à cet effet, ont signé la présente Convention.

FAIT à Luxembourg, le 8 septembre 1967 en un seul exemplaire qui sera déposé dans les archives du Conseil fédéral suisse et dont une copie certifiée conforme sera remise par la voie diplomatique à chacun des Etats contractants et au Secrétaire Général de la Commission Internationale de l'Etat Civil.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.