Overeenkomst inzake het internationale vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen en het gebruik van speciale vervoermiddelen bij dit vervoer (ATP)
De Overeenkomstsluitende Partijen,
Verlangend te komen tot een betere kwaliteitshandhaving van bederfelijke levensmiddelen tijdens het vervoer, met name in het internationale handelsverkeer,
Overwegende, dat verbetering van die kwaliteitshandhaving uitbreiding van de handel in bederfelijke levensmiddelen zal brengen,
Zijn overeengekomen als volgt:
Hoofdstuk I. Speciale vervoermiddelen
Artikel 1
In het internationaal vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen mogen vervoermiddelen niet worden aangeduid als „geïsoleerde”, „niet-mechanisch gekoelde”, „mechanisch gekoelde”, „verwarmde” of „mechanisch gekoelde en verwarmde ” vervoermiddelen, tenzij zij beantwoorden aan de definities en normen vervat in Bijlage 1 bij deze Overeenkomst.
Artikel 2
De Overeenkomstsluitende Partijen nemende nodige maatregelen opdat de in artikel 1 genoemde vervoermiddelen, overeenkomstig het bepaalde in de aanhangsels 1, 2, 3 en 4 van Bijlage 1 bij deze Overeenkomst, worden gecontroleerd en wordt nagegaan of deze aan bedoelde normen beantwoorden. Elke Overeenkomstsluitende Partij erkent de geldigheid van certificaten van goedkeuring die, overeenkomstig het bepaalde in Bijlage 1 bij deze Overeenkomst, aanhangsel 1, derde lid, zijn afgegeven door de bevoegde instantie van een andere Overeenkomstsluitende Partij. Elke Overeenkomstsluitende Partij kan de geldigheid erkennen van certificaten van goedkeuring die, overeenkomstig het bepaalde in Bijlage 1 bij deze Overeenkomst, aanhangsel 1 en 2, zijn afgegeven door de bevoegde instantie van een Staat niet zijnde een Overeenkomstsluitende Partij.
Hoofdstuk II. Het gebruik van speciale vervoermiddelen bij het internationaal vervoer van bepaalde aan bederf onderhevige levensmiddelen
Artikel 3
Het bepaalde in artikel 4 van deze Overeenkomst geldt voor alle vormen van vervoer, zowel voor rekening van anderen als voor eigen rekening, dat - onder voorbehoud van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel - uitsluitend per spoor of over de weg, of in een combinatie van beide, wordt uitgevoerd, van
- -. diepbevroren of bevroren levensmiddelen,
- -. levensmiddelen genoemd in Bijlage 3 van deze Overeenkomst, ook indien zij niet diepbevroren of bevroren zijn,
indien de plaats waar de goederen of het vervoermiddel dat deze goederen bevat worden geladen in een spoorwagon of een wegvervoermiddel en de plaats waar de goederen of het vervoermiddel dat deze goederen bevat worden uitgeladen in twee verschillende Staten zijn gelegen en de plaats waar de goederen worden uitgeladen is gelegen op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij.
Ingeval het vervoer een of meer zeereizen omvat, anders dan die welke zijn bedoeld in het tweede lid van dit artikel, dient elk vervoer over land afzonderlijk te worden beschouwd.
Het in het eerste lid van dit artikel bepaalde is eveneens van toepassing op zeereizen van minder dan 150 km, mits de goederen zonder tussentijdse verlading worden verscheept in het (de) voor het vervoer over land gebruikte vervoermiddel(en), en deze zeereizen voorafgaan aan en/of volgen op vervoer over land als bedoeld in het eerste lid van dit artikel.
Niettegenstaande het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit artikel, behoeven de Overeenkomstsluitende Partijen het in artikel 4 van deze Overeenkomst bepaalde niet toe te passen op het vervoer van niet voor menselijke consumptie bestemd voedsel.
Artikel 4
Voor het vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen als aangegeven in de Bijlagen 2 en 3 bij deze Overeenkomst dient gebruik te worden gemaakt van de in artikel 1 van deze Overeenkomst bedoelde vervoermiddelen, tenzij de voor de gehele duur van het vervoer te verwachten temperaturen deze eis beslist onnodig maken om de temperaturen, als vastgelegd in de Bijlagen 2 en 3 bij deze Overeenkomst, te kunnen handhaven. De keuze en het gebruik van het vervoermiddel dient zodanig te zijn dat het mogelijk is de in deze Bijlagen vastgelegde temperaturen te handhaven tijdens de gehele duur van het vervoer.
Tevens dienen alle nodige maatregelen te worden genomen, in het bijzonder wat betreft de temperaturen van de levensmiddelen bij inlading, de ijsvoorziening bij de aanvang van het vervoer en onderweg of andere noodzakelijke handelingen. Niettemin is het in dit lid bepaalde uitsluitend van toepassing voor zover het niet strijdig is met internationale verplichtingen met betrekking tot internationaal vervoer, die door de Overeenkomstsluitende Partijen zijn aangegaan op grond van verdragen welke op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst van kracht waren, of van daarvoor in de plaats gekomen verdragen.
Indien gedurende een transport dat onderworpen is aan de bepalingen van deze Overeenkomst aan het bepaalde in het eerste lid van dit artikel niet is voldaan,
- (a). mag niemand de levensmiddelen na beëindiging van het vervoer binnen het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij van de hand doen, tenzij de bevoegde instanties van die Overeenkomstsluitende Partij het verenigbaar achten met de eisen van de volksgezondheid daartoe machtiging te verlenen, mits in dat geval aan de bij het verlenen van bedoelde machtiging door die instanties eventueel te stellen voorwaarden wordt voldaan;
- (b). mag elke Overeenkomstsluitende Partij, met het oog op de volksgezondheid of het voorkomen van dierenziekten en voor zover dit niet strijdig is met de andere in de laatste zin van het eerste lid van dit artikel bedoelde internationale verplichtingen, de invoer van de levensmiddelen binnen haar grondgebied verbieden of deze invoer binden aan door haar vast te stellen voorwaarden.
Vervoerders die voor rekening van derden vervoersopdrachten uitvoeren zijn gehouden te handelen overeenkomstig het in het eerste lid van dit artikel bepaalde, slechts voor zover zij zich verbonden hebben prestaties te leveren of te doen leveren, die zijn gericht op het naleven daarvan en voor zover zulks afhankelijk is van het leveren van die prestaties. Indien andere personen, natuurlijke personen of rechtspersonen, zich hebben verbonden prestaties te leveren of te doen leveren, die zijn gericht op het naleven van de bepalingen van deze Overeenkomst, zijn zij gehouden de naleving daarvan te waarborgen, voor zover deze afhankelijk is van de prestaties welke zij op zich genomen hebben, te leveren of te doen leveren.
Voor de duur van een transport dat wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst en waarbij de plaats van inlading op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij is gelegen, berust de verantwoordelijkheid voor het naleven van het in het eerste lid van dit artikel bepaalde, met inachtneming van het bepaalde in het derde lid van dit artikel,
- -. in geval het vervoer betreft dat wordt uitgevoerd voor rekening van derden, bij de persoon, een natuurlijke persoon dan wel een rechtspersoon, die, volgens het vervoerbewijs, de afzender is of, zo een vervoerbewijs ontbreekt, bij de persoon, een natuurlijke persoon dan wel een rechtspersoon, die de vervoerovereenkomst met de vervoerder heeft aangegaan;
- -. in de overige gevallen bij de persoon, een natuurlijke persoon dan wel een rechtspersoon, die het transport uitvoert.
Hoofdstuk III. Diverse bepalingen
Artikel 5
De bepalingen van deze Overeenkomst zijn niet van toepassing op vervoer over land dat zonder tussentijdse verlading van de goederen geschiedt met gebruikmaking van laadkisten die geclassificeerd zijn als voor de zeevaart geschikte koellaadkisten, mits deze transporten voorafgegaan of gevolgd worden door zeereizen, anders dan die welke bedoeld zijn in het tweede lid van artikel 3 van deze Overeenkomst.
Artikel 6
Elke Overeenkomstsluitende Partij neemt alle gewenste maatregelen ter waarborging van de naleving van de bepalingen van deze Overeenkomst. De bevoegde instanties van de Overeenkomstsluitende Partijen houden elkaar op de hoogte van de met dit doel genomen algemene maatregelen.
Indien een Overeenkomstsluitende Partij een inbreuk vaststelt gemaakt door een persoon die op het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij woont, of die persoon een boete oplegt, geeft de bevoegde instantie van de eerste Partij de bevoegde instantie van de andere Partij kennis van de vastgestelde inbreuk en van de opgelegde boete.
Artikel 7
De Overeenkomstsluitende Partijen behouden het recht bilaterale of multilaterale overeenkomsten aan te gaan waarin bepaald wordt dat de bepalingen, van toepassing op zowel speciale vervoermiddelen als op de temperaturen die bij het vervoer van bepaalde aan bederf onderhevige levensmiddelen dienen te worden gehandhaafd, strenger mogen zijn dan de bepalingen van deze Overeenkomst, met name vanwege bijzondere klimatologische omstandigheden. Deze bepalingen zijn slechts van toepassing op internationaal vervoer dat wordt verricht tussen de Overeenkomstsluitende Partijen die bilaterale of multilaterale overeenkomsten als bedoeld in dit artikel hebben gesloten. Van deze overeenkomst dient kennisgeving te worden gedaan aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties die de Overeenkomstsluitende Partijen die deze overeenkomsten niet hebben ondertekend daarvan mededeling doet.
Artikel 8
Het niet nakomen van de bepalingen van deze Overeenkomst tast niet het bestaan of de geldigheid aan van voor het uitvoeren van het vervoer afgesloten overeenkomsten.
Hoofdstuk IV. Slotbepalingen
Artikel 9
Staten die lid zijn van de Economische Commissie voor Europa en Staten, die, overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 8 van het mandaat van de Commissie, met raadgevende stem tot de Commissie zijn toegelaten, kunnen partij worden bij deze Overeenkomst,
- (a). door haar te ondertekenen;
- (b). door haar te bekrachtigen na haar onder voorbehoud van bekrachtiging te hebben ondertekend; of
- (c). door ertoe toe te treden.
Staten die, overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 11 van het mandaat van de Economische Commissie voor Europa, aan bepaalde werkzaamheden van de Commissie kunnen deelnemen, kunnen bij deze Overeenkomst partij worden door na de inwerkingtreding ervan tot de Overeenkomst toe te treden.
Deze Overeenkomst staat ter ondertekening open tot en met 31 mei 1971. Van die datum af staat zij open voor toetreding.
Bekrachtiging of toetreding geschiedt door nederlegging van een akte bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
Artikel 10
Elke Staat kan op het tijdstip dat hij deze Overeenkomst zonder voorbehoud van bekrachtiging ondertekent of zijn akte van bekrachtiging of toetreding nederlegt, alsmede op elk later tijdstip door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties gerichte kennisgeving verklaren, dat deze Overeenkomst niet van toepassing is op vervoer binnen al zijn buiten Europa gelegen grondgebieden of één daarvan. Nieuwe Overeenkomstsluitende Partijen die vanaf 30 april 1999 toetreden tot de A.T.P.-Overeenkomst en het eerste lid van dit artikel toepassen, zijn niet gerechtigd om in overeenstemming met de in het tweede lid van artikel 18 bepaalde procedure bezwaar te maken tegen ontwerp-wijzigingen.
Indien deze kennisgeving is gedaan na de inwerkingtreding van de Overeenkomst voor de Staat die deze kennisgeving doet, is de Overeenkomst na verloop van negentig dagen na de datum waarop de Secretaris-Generaal deze kennisgeving heeft ontvangen niet langer van toepassing op vervoer binnen het (de) in deze kennisgeving aangegeven grondgebied(en).
Een Staat die een verklaring als bedoeld in het eerste lid van dit artikel heeft afgelegd mag op elk later tijdstip door middel van een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving verklaren, dat de Overeenkomst van toepassing is op vervoer binnen een overeenkomstig het eerste lid van dit artikel aangewezen grondgebied en dat de Overeenkomst honderd en tachtig dagen na de datum van ontvangst van deze kennisgeving door de Secretaris-Generaal van toepassing wordt op vervoer binnen genoemd grondgebied.
Artikel 11
Deze Overeenkomst treedt in werking een jaar nadat vijf van de in artikel 9, eerste lid, genoemde Staten haar zonder voorbehoud van bekrachtiging hebben ondertekend of hun akten van bekrachtiging of toetreding hebben nedergelegd.
Ten aanzien van een Staat die deze Overeenkomst bekrachtigt of ertoe toetreedt nadat vijf Staten haar zonder voorbehoud van bekrachtiging hebben ondertekend of hun akten van bekrachtiging of toetreding hebben nedergelegd, treedt deze Overeenkomst een jaar nadat de betrokken Staat zijn akte van bekrachtiging of toetreding heeft nedergelegd, in werking.
Artikel 12
Elke Overeenkomstsluitende Partij kan deze Overeenkomst opzeggen door hiervan aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties kennisgeving te doen.
De opzegging wordt van kracht vijftien maanden na de datum waarop de Secretaris-Generaal kennisgeving van de opzegging heeft ontvangen.
Artikel 13
Deze Overeenkomst houdt op van kracht te zijn indien het aantal Overeenkomstsluitende Partijen gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden na haar inwerkingtreding minder dan vijf bedraagt.
Artikel 14
Elke Staat kan op het tijdstip dat hij deze Overeenkomst zonder voorbehoud van bekrachtiging ondertekent of zijn akte van bekrachtiging of toetreding nederlegt, of op elk later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties gerichte kennisgeving, verklaren dat deze Overeenkomst eveneens zal gelden voor alle gebieden of één of meer daarvan, voor de internationale betrekkingen waarvan die Staat verantwoordelijk is. Deze Overeenkomst geldt voor het gebied of de gebieden genoemd in deze kennisgeving, met ingang van de negentigste dag na ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal of, indien de Overeenkomst op die dag nog niet in werking is getreden, met ingang van de datum van haar inwerkingtreding.
Een Staat die een verklaring als bedoeld in het eerste lid van dit artikel heeft afgelegd, waardoor deze Overeenkomst eveneens geldt voor een gebied voor welks internationale betrekkingen hij verantwoordelijk is, kan deze Overeenkomst, overeenkomstig het bepaalde in artikel 12, ten aanzien van dat gebied afzonderlijk opzeggen.
Artikel 15
Geschillen tussen twee of meer Overeenkomstsluitende Partijen, de uitlegging of toepassing van deze Overeenkomst betreffende, worden, indien mogelijk, door middel van onderlinge onderhandeling geregeld.
Elk geschil dat niet door middel van onderhandeling wordt geregeld, wordt, op verzoek van een der bij het geschil betrokken Overeenkomstsluitende Partijen, aan een scheidsrechterlijke beslissing onderworpen en dienovereenkomstig aan één of meer in onderlinge overeenstemming tussen die Partijen gekozen scheidsmannen ter beslissing voorgelegd.
Indien binnen drie maanden na de datum van het verzoek om een scheidsrechterlijke beslissing de bij het geschil betrokken Partijen niet tot overeenstemming kunnen komen aangaande de keuze van een scheidsman of van scheidsmannen, kan elk van die Partijen de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties verzoeken één enkele scheidsman aan te wijzen, aan wie het geschil ter beslissing zal worden voorgelegd.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.