Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Arabische Republiek inzake de instelling van geregelde luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden

Type Verdrag
Publication 1966-06-25
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Arabische Republiek (hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen),

Partij zijnde bij het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart, dat ter ondertekening is opengesteld te Chicago op 7 december 1944 (hierna te noemen het Verdrag),

Overwegende dat het wenselijk is luchtdiensten op veilige en ordelijke wijze te organiseren en de ontwikkeling van de internationale samenwerking op dit gebied zoveel mogelijk te bevorderen, en tevens overwegende dat het wenselijk is het internationale luchtverkeer te bevorderen tegen de laagste tarieven die verenigbaar zijn met gezonde economische beginselen als middel tot het scheppen van een vriendschappelijke verstandhouding en goede wil tussen de volkeren en te verzekeren dat de vele indirecte voordelen van deze vorm van vervoer aan het welzijn van beide landen ten goede zullen komen,

En wensende een overeenkomst te sluiten met het doel geregelde commerciële luchtvervoersdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden te bevorderen,

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1
1.

Elke Overeenkomstsluitende Partij verleent aan de andere Overeenkomstsluitende Partij het recht luchtdiensten (hierna te noemen „overeengekomen luchtdiensten”) te exploiteren op de in de bijlage bij de Overeenkomst omschreven routes (hierna te noemen „omschreven luchtroutes”).

2.

Met inachtneming van de bepalingen van deze Overeenkomst, kunnen deze diensten onmiddellijk dan wel op een later tijdstip geheel of gedeeltelijk worden geopend, zulks naar verkiezing van de Overeenkomstsluitende Partij aan welke de rechten zijn verleend.

Artikel 2
1.

Elke Overeenkomstsluitende Partij doet aan de andere Overeenkomstsluitende Partij schriftelijk mededeling van de aanwijzing van één of meer luchtvaartmaatschappijen met het oog op de exploitatie van de overeengekomen luchtdiensten krachtens deze Overeenkomst.

2.

Na ontvangst van de aanwijzing verleent de andere Overeenkomstsluitende Partij met inachtneming van het bepaalde in lid 3 van dit artikel en in artikel 3 van deze Overeenkomst, zonder onnodig uitstel, aan de aangewezen luchtvaartmaatschappijen de passende exploitatievergunning.

3.

De luchtvaartautoriteiten van een Overeenkomstsluitende Partij kunnen, alvorens een exploitatievergunning te verlenen aan een door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij, verlangen dat de luchtvaartmaatschappij ten genoegen van die luchtvaartautoriteiten aantoont, dat zij in staat is de bepalingen na te komen, die worden gesteld op grond van de wetten, bepalingen en voorschriften die zij gewoonlijk toepassen ten aanzien van de exploitatie van geregelde luchtdiensten, mits zodanige wetten, bepalingen en voorschriften niet strijdig zijn met de bepalingen van het Verdrag en van deze Overeenkomst.

4.

Nadat aan de bepalingen van lid 1 en 2 van dit artikel is voldaan, kan een aldus aangewezen luchtvaartmaatschappij aan welke aldus een vergunning is verleend, op ieder willekeurig tijdstip een aanvang maken met de exploitatie van de overeengekomen luchtdiensten.

Artikel 3
1.

Elke Overeenkomstsluitende Partij heeft het recht de aanvaarding van de aanwijzing van een luchtvaartmaatschappij te weigeren en de rechten omschreven in artikel 5 van deze Overeenkomst niet te verlenen of in te trekken, of ten aanzien van de uitoefening van die rechten door een luchtvaartmaatschappij de voorwaarden te stellen die zij noodzakelijk acht in alle gevallen waarin niet te haren genoegen is gebleken, dat het overwegende eigendomsrecht en het daadwerkelijke toezicht op die luchtvaartmaatschappij berusten bij de Overeenkomstsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij aanwijst, dan wel bij onderdanen van de Overeenkomstsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij aanwijst.

2.

Elke Overeenkomstsluitende Partij heeft het recht de uitoefening door een luchtvaartmaatschappij van de rechten, omschreven in artikel 5 van deze Overeenkomst op te schorten of ten aanzien van de uitoefening van die rechten door een luchtvaartmaatschappij de voorwaarden te stellen die zij noodzakelijk acht in elk geval dat de luchtvaartmaatschappij in gebreke blijft de wetten, bepalingen en voorschriften van de Overeenkomstsluitende Partij die die rechten verleent, na te komen of anderszins in gebreke blijft de exploitatie te doen geschieden in overeenstemming met de in deze Overeenkomst vervatte voorwaarden. Zulk een eenzijdige stap zal echter niet worden gedaan voordat van het voornemen daartoe aan de andere Overeenkomstsluitende Partij mededeling is gedaan en overleg tussen de luchtvaartautoriteiten van beide Overeenkomstsluitende Partijen niet binnen een termijn van achtentwintig dagen na de dagtekening van bedoelde mededeling tot overeenstemming heeft geleid.

Artikel 4
1.

De wetten, bepalingen en voorschriften van een Overeenkomstsluitende Partij, in het bijzonder die betreffende het binnenkomen in of het vertrek uit haar grondgebied van luchtvaartuigen gebezigd in de internationale luchtvaart, of betreffende de exploitatie van en het vliegen met zodanige luchtvaartuigen tijdens het verblijf binnen haar grondgebied, zijn van toepassing op luchtvaartuigen van de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere Overeenkomstsluitende Partij.

2.

De wetten, bepalingen en voorschriften van een Overeenkomstsluitende Partij, in het bijzonder die betreffende het binnenkomen in of het vertrek uit haar grondgebied van passagiers, bemanningen of lading van luchtvaartuigen (zoals voorschriften betreffende binnenkomst, in- en uitklaring, immigratie, paspoorten, douane, quarantaine en deviezenbepalingen) zijn van toepassing op de passagiers, bemanningen en lading van de luchtvaartuigen van de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere Overeenkomstsluitende Partij gedurende het verblijf binnen het grondgebied van eerstgenoemde Overeenkomstsluitende Partij.

Artikel 5

Met betrekking tot de exploitatie van de overeengekomen diensten verleent elke Overeenkomstsluitende Partij aan de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere Overeenkomstsluitende Partij het recht tot overvliegen en het recht tot landen voor niet-verkeersdoeleinden alsmede het recht, om, met inachtneming van het bepaalde in artikel 6 en 7, op haar grondgebied internationaal verkeer af te zetten en op te nemen, dat afkomstig is uit of bestemd is voor het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij of van een derde land.

Artikel 6
1.

Er dient voor de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van elke Overeenkomstsluitende Partij een eerlijke en gelijke gelegenheid te zijn om de omschreven luchtroutes tussen hun onderscheiden grondgebieden te exploiteren.

2.

Het voornaamste doel van de luchtdiensten aangeboden door de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van een der Overeenkomstsluitende Partijen blijft het aanbieden van vervoerscapaciteit die, met inachtneming van een redelijke bezettingsgraad, is aangepast aan de bestaande en redelijkerwijze te verwachten vervoersvraag tussen het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappijen aanwijst en de landen van uiteindelijke bestemming van het verkeer.

3.

De door de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van beide Overeenkomstsluitende Partijen aangeboden capaciteit dient in een redelijke verhouding te staan tot de vraag naar vervoer.

Artikel 7

Bij de exploitatie van de overeengekomen lucht diensten zullen de luchtvaartmaatschappijen van elke Overeenkomstsluitende Partij rekening houden met de belangen van de luchtvaartmaatschappijen van de andere Overeenkomstsluitende Partij opdat de diensten die laatstgenoemde maatschappijen op het geheel of op een deel van dezelfde routes aanbieden niet bovenmatig worden getroffen.

Artikel 8
1.

De luchtvaartuigen van de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van een Overeenkomstsluitende Partij, die het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij binnenkomen, verlaten of erover vliegen, alsook de voorraden motorbrandstof, smeermiddelen, reservedelen, normale uitrustingstukken en voorraden die zich bij binnenkomst in het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij aan boord van die luchtvaartuigen bevinden en aan boord blijven, zijn vrijgesteld van douanerechten en andere heffingen, zelfs indien deze goederen aan boord van die luchtvaartuigen worden verbruikt tijdens vluchten binnen dat grondgebied.

2.

De aldus vrijgestelde goederen worden niet uitgeladen dan met toestemming van de douaneautoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partij en blijven, indien zij uitgeladen zijn, onder douanetoezicht totdat zij nodig zijn voor gebruik aan boord van de luchtvaartuigen van de aangewezen luchtvaartmaatschappij of totdat zij weder worden uitgevoerd.

3.

Motorbrandstof, smeermiddelen, reservedelen, normale uitrustingstukken en voorraden die onder douanetoezicht voor rekening van de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van een Overeenkomstsluitende Partij in het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij worden ingevoerd ter bevoorrading van de luchtvaartuigen van die aangewezen luchtvaartmaatschappijen, en motorbrandstof, smeermiddelen, reservedelen, normale uitrustingstukken en voorraden die binnen dat grondgebied onder douanetoezicht aan boord van die luchtvaartuigen worden genomen, zijn eveneens vrijgesteld van douanerechten en andere heffingen, zelfs indien deze goederen door die luchtvaartuigen worden verbruikt tijdens vluchten boven het grondgebied van die Overeenkomstsluitende Partij.

4.

Dezelfde vrijstelling van zodanige rechten en heffingen wordt verleend ten aanzien van reservedelen, normale uitrustingstukken en voorraden die worden betrokken van de tot dat: doel door andere luchtvaartmaatschappijen aangelegde voorraden en die onder douanetoezicht in die luchtvaartuigen worden aangebracht of anderszins aan boord worden genomen.

Artikel 9
1.

Elke Overeenkomstsluitende Partij draagt er zorg voor, dat haar aangewezen luchtvaartmaatschappijen aan de luchtvaartautoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partij zo lang mogelijk van te voren afschriften van dienstregelingen, tarievenlijsten en alle andere soortgelijke terzake dienende inlichtingen verschaffen betreffende de exploitatie van de overeengekomen luchtdiensten, alsmede afschriften van alle wijzigingen in die dienstregelingen, tarievenlijsten en inlichtingen.

2.

Elke Overeenkomstsluitende Partij draagt er zorg voor, dat haar aangewezen luchtvaartmaatschappijen aan de luchtvaartautoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partij statistieken overleggen betreffende het verkeer dat door hen wordt vervoerd op enig gedeelte van hun overeengekomen diensten.

Artikel 10
1.

De tarieven worden vastgesteld op een redelijk peil, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met alle terzake dienende factoren, waaronder begrepen de kosten van een economische exploitatie, een redelijke winst, verschillen in hoedanigheid van de dienst (waaronder maatstaven van snelheid en accommodatie) en de tarieven die worden geheven door andere luchtvaartmaatschappijen die geregelde luchtdiensten exploiteren op de betreffende routes of gedeelten daarvan.

2.

De tarieven te heffen door een der krachtens deze Overeenkomst aangewezen luchtvaartmaatschappijen ten aanzien van verkeer tussen de grondgebieden van de twee Overeenkomstsluitende Partijen of tussen het grondgebied van een derde land en het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Partijen worden vastgesteld, hetzij:

3.

De tarieven die zijn vastgesteld overeenkomstig lid 2 (b) worden ter kennis gebracht van de luchtvaartautoriteiten van de twee Overeenkomstsluitende Partijen en worden van kracht dertig dagen nadat zij door de genoemde luchtvaartautoriteiten zijn ontvangen, tenzij een der autoriteiten heeft medegedeeld deze niet goed te keuren.

4.

Indien tarieven niet overeenkomstig lid 2 zijn vastgesteld of de luchtvaartautoriteiten van een der Overeenkomstsluitende Partijen hun goedkeuring aan de aldus vastgestelde tarieven onthouden, trachten de Overeenkomstsluitende Partijen zelf tot overeenstemming te komen en nemen alle nodige stappen om aan die overeenstemming uitvoering te geven. Indien de Overeenkomstsluitende Partijen niet tot overeenstemming kunnen komen, wordt het geschil behandeld overeenkomstig artikel 15. Hangende de beslechting van het geschil door overeenstemming of totdat het is beslist krachtens artikel 15, heffen de betrokken luchtvaartmaatschappijen de reeds vastgestelde tarieven, of, indien geen tarieven zijn vastgesteld, redelijke tarieven.

Artikel 11

Deze Overeenkomst wordt geregistreerd bij de Raad van de bij het Verdrag ingestelde Internationale Burgerluchtvaartorganisatie.

Artikel 12

In een geest van nauwe samenwerking zullen de luchtvaartautoriteiten van de twee Overeenkomstsluitende Partijen op verzoek van een der autoriteiten overleg plegen teneinde de inachtneming van de beginselen en de toepassing van de in deze Overeenkomst vastgestelde bepalingen te verzekeren en zij zullen die gegevens uitwisselen, die daartoe nodig zijn.

Artikel 13

Indien ten aanzien van beide Overeenkomstsluitende Partijen een algemeen multilateraal luchtvaartverdrag inzake verkeersrechten voor geregelde internationale luchtdiensten van kracht wordt, wordt deze Overeenkomst met de bepalingen van dat verdrag in overeenstemming gebracht.

Artikel 14

Indien een der Overeenkomstsluitende Partijen het wenselijk acht deze Overeenkomst of haar bijlage te wijzigen, kan zij verzoeken dat tussen de bevoegde autoriteiten van beide Overeenkomstsluitende Partijen overleg wordt gepleegd, welk overleg dient aan te vangen binnen zestig dagen te rekenen van de dagtekening van het verzoek af. Wanneer deze autoriteiten onderling tot overeenstemming komen over de wijzigingen, worden hun aanbevelingen terzake bevestigd door een diplomatieke notawisseling. In geval van een wijziging van de bijlage, geven deze nota's de datum aan waarop de wijziging van kracht wordt. In geval van een wijziging van de Overeenkomst wordt in nota's verklaard dat de wijziging van kracht wordt zodra beide Partijen elkaar hebben medegedeeld, dat aan de krachtens hun nationale wetgeving vereiste formaliteiten is voldaan.

Artikel 15

Onverminderd het bepaalde in artikel 16 van deze Overeenkomst geldt dat:

Artikel 16

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.