Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, de Bondsrepubliek Duitsland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake samenwerking bij de ontwikkeling en exploitatie van het gas-ultracentrifuge-procédé voor de produktie van verrijkt uranium

Type Verdrag
Publication 1971-07-19
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het Koninkrijk der Nederlanden,

de Bondsrepubliek Duitsland en

het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland;

Van oordeel zijnde dat het van groot belang is dat verrijkt uranium beschikbaar komt voor andere doeleinden dan de vervaardiging van kernwapens;

Overwegende dat in de nabije toekomst een snelle toeneming van het aantal kerncentrales in Europa en elders is te verwachten;

Overwegende dat het van belang is in Europa een aanzienlijke capaciteit voor de verrijking van uranium te ontwikkelen ten einde te kunnen voldoen aan de vraag naar verrijkt uranium als brandstof voor deze centrales;

Overwegende dat in hun onderscheiden landen vorderingen op het gebied van de ontwikkeling van de gas-ultracentrifugemethode zijn gemaakt;

Overwegende dat gezamenlijke ontwikkeling van deze methode de Europese samenwerking op technologisch gebied zal versterken en dat gezamenlijke industriële exploitatie van deze methode zal bijdragen tot de economische integratie van Europa;

Uitdrukking gevend aan hun bereidheid te overwegen samen te werken met Europese of andere landen die belangstelling hebben voor de produktie van verrijkt uranium volgens de gas-ultracentrifuge-methode;

Voorts uitdrukking gevend aan hun bereidheid hun samenwerking in te passen in het verband van een grotere Europese gemeenschap;

In herinnering brengend de op 4 maart 1970 te Almelo ondertekende Interim-Overeenkomst inzake beveiligingsmaatregelen en rubricering en uitdrukking gevend aan hun voornemen geëigende beveiligingsmaatregelen toe te passen ter uitvoering van een gemeenschappelijk rubriceringsbeleid ten aanzien van het gas-ultracentrifuge-procédé;

Wederom bevestigend dat iedere afspraak tot samenwerking in overeenstemming zal moeten zijn met het beleid van de Overeenkomstsluitende Partijen inzake de niet-verspreiding van kernwapens, waaraan zij groot belang hechten, alsmede met hun internationale verplichtingen op dit gebied, en dat geëigende internationale veiligheidscontrole daarop zal worden toegepast;

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel I

(1). De Overeenkomstsluitende Partijen werken samen overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst met als doel de verrijking van uranium volgens het gasultracentrifuge-procédé en de fabricage van de voor dit procédé benodigde gas-ultracentrifuges.

(2). De Overeenkomstsluitende Partijen bevorderen de oprichting en de exploitatie van gezamenlijke industriële ondernemingen voor de bouw van fabrieken voor de verrijking van uranium volgens het gas-ultracentrifuge-procédé en voor het exploiteren van die fabrieken, alsmede voor het op andere wijze op commerciële grondslag exploiteren van dit procédé.

(3). Iedere Overeenkomstsluitende Partij of elk door haar aangewezen commercieel lichaam heeft het recht in de gezamenlijke industriële ondernemingen bedoeld in lid (2) van dit Artikel deel te nemen op basis van gelijkheid van belangen te zamen met de andere Overeenkomstsluitende Partijen of de door hen aangewezen commerciële lichamen.

(4). De Overeenkomstsluitende Partijen bevorderen de integratie van hun onderzoek en ontwikkelingswerk op dit gebied met als doel de uitvoering van een geïntegreerd programma voor onderzoek en ontwikkeling door de in het tweede lid van dit Artikel bedoelde gezamenlijke industriële ondernemingen ten einde een concurrerende positie ten opzichte van andere producenten van verrijkt uranium op te bouwen en te handhaven.

Artikel II

(1). Ten einde te voorzien in een doeltreffend toezicht door de Overeenkomstsluitende Partijen overeenkomstig de bepalingen van dit Artikel op de in Artikel I van deze Overeenkomst omschreven samenwerking, wordt een Gemengde Commissie ingesteld.

(2). De Gemengde Commissie bestaat uit een door iedere Overeenkomstsluitende Partij daartoe aangewezen vertegenwoordiger, die door adviseurs kan worden bijgestaan. De Commissie neemt al haar beslissingen met eenparigheid van stemmen. Iedere vertegenwoordiger heeft een stem.

(3). Het voorzitterschap van de Gemengde Commissie wordt bij toerbeurt door de vertegenwoordiger van elke Overeenkomstsluitende Partij voor een termijn van een jaar uitgeoefend.

(4). De Gemengde Commissie stelt haar eigen reglement van orde vast en beslist welke regelingen op bestuurlijk terrein voor een goede uitoefening van haar taken nodig zijn. In het reglement van orde worden geeigende voorzieningen getroffen voor het gebruik van de Duitse, de Engelse en de Nederlandse taal. De kosten verbonden aan het doen functioneren van de Gemengde Commissie worden gelijkelijk omgeslagen over de Overeenkomstsluitende Partijen.

(5). De Gemengde Commissie heeft tot taak:

(6). Gedurende de periode waarin een aanvankelijk scheidend vermogen van in totaal 350 ton per jaar wordt opgebouwd, keurt de Gemengde Commissie ook die bepalingen van de belangrijkste tussen de gezamenlijke industriële ondernemingen te sluiten contracten goed die belangrijke financiële gevolgen kunnen hebben.

(7). De Gemengde Commissie kan te allen tijde aan de gezamenlijke industriële ondernemingen richtlijnen geven ingevolge door de Commissie krachtens het vijfde of zesde lid van dit Artikel genomen beslissingen; de gezamenlijke industriële ondernemingen hebben de plicht deze richtlijnen ten uitvoer te leggen.

Artikel III

(3). De Overeenkomstsluitende Partijen houden elkander via de Gemengde Commissie op de hoogte van technische en/of economische ontwikkelingen die de exploitatie op commerciële basis van het gas-ultracentrifuge-procédé door de gezamenlijke industriële ondernemingen in belangrijke mate zouden kunnen beïnvloeden.

Artikel IV

(1). Ten aanzien van de in Artikel I van de Overeenkomst omschreven samenwerking, passen de Overeenkomstsluitende Partijen de bepalingen toe van Bijlage I bij deze Overeenkomst betreffende octrooien en andere industriële rechten, welke Bijlage een integrerend deel van deze Overeenkomst uitmaakt.

(2). Met inachtneming van de bepalingen van dit Artikel en van Artikel III van deze Overeenkomst maken de Overeenkomstsluitende Partijen, tenzij anders is overeengekomen, geen gebruik van gegevens die hun ingevolge deze Overeenkomst zijn overgedragen noch delen zij deze aan iemand mede, behalve ten behoeve van de in Artikel I van de Overeenkomst omschreven samenwerking.

Artikel V

(1). Ten aanzien van de in Artikel I van de Overeenkomst omschreven samenwerking, passen de Overeenkomstsluitende Partijen de bepalingen toe van Bijlage II bij deze Overeenkomst betreffende beveiligingsmaatregelen en rubricering, welke Bijlage een integrerend deel van deze Overeenkomst uitmaakt.

(2). Op de datum van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst treedt de op 4 maart 1970 te Almelo ondertekende Interim-Overeenkomst inzake beveiligingsmaatregelen en rubricering buiten werking en worden alle gegevens en documenten, overgedragen met inachtneming van de bepalingen daarvan, beschermd alsof zij krachtens deze Overeenkomst waren overgedragen.

Artikel VI

(1). De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich gezamenlijk en ieder voor zich te verzekeren dat gegevens, uitrusting, basismaterialen of bijzondere splijtbare materialen, in hun bezit ten behoeve van of als gevolg van de in Artikel I van deze Overeenkomst omschreven samenwerking, niet zullen worden gebruikt door een niet-kernwapenstaat om kernwapens of andere nucleaire explosiemiddelen te vervaardigen of anderszins te verwerven of de beschikkingsmacht over zodanige kernwapens of nucleaire explosiemiddelen te verkrijgen, dan wel om een niet-kernwapenstaat te helpen, aan te moedigen of ertoe te bewegen kernwapens of andere nucleaire explosiemiddelen te vervaardigen of anderszins te verwerven of de beschikkingsmacht over zodanige kernwapens of nucleaire explosiemiddelen te verkrijgen. Voor de toepassing van dit lid betekent de uitdrukking „niet-kernwapenstaat” een Staat, daaronder begrepen elke door deze Overeenkomst gebonden Staat, die vóór 1 januari 1967 geen kernwapen of ander nucleair explosiemiddel heeft vervaardigd en tot ontploffing heeft gebracht.

(2). Voorts verbinden de Overeenkomstsluitende Partijen zich te verzekeren dat de in Artikel I van deze Overeenkomst bedoelde gezamenlijke industriële ondernemingen geen uranium van de voor wapens vereiste verrijkingsgraad zullen produceren voor de vervaardiging van kernwapens of andere nucleaire explosiemiddelen.

Artikel VII

(1). Ten behoeve van de verificatie van de nakoming van de in artikel VI van deze Overeenkomst neergelegde verbintenissen, worden geëigende procedures voor veiligheidscontrole toegepast, die verenigbaar dienen te zijn met de internationale verplichtingen van iedere Overeenkomstsluitende Partij.

(2). Ingevolge het bepaalde in het eerste lid van dit Artikel worden de volgende procedures toegepast:

(3). De Gemengde Commissie treft alle voor de tenuitvoerlegging van dit Artikel noodzakelijke voorzieningen.

Artikel VIII

(1). Ieder geschil dat tussen de Overeenkomstsluitende Partijen ontstaat betreffende de uitlegging of toepassing van deze Overeenkomst of van een beslissing van de Gemengde Commissie, dan wel van maatregelen of regelingen die krachtens een zodanige beslissing ten uitvoer zijn gelegd, wordt verwezen naar de Gemengde Commissie, die zal trachten tot een minnelijke schikking te komen.

(2). Indien het geschil niet op deze wijze is geregeld, dan wordt het, indien mogelijk, door de Overeenkomstsluitende Partijen geregeld.

(3). Indien een geschil niet door de Overeenkomstsluitende Partijen is gereregeld, dan wordt het op verzoek van een daarbij betrokken Overeenkomstsluitende Partij voor arbitrage voorgelegd aan een Scheidsrechterlijke Commissie, tenzij een andere Overeenkomstsluitende Partij hiertegen om redenen van beveiliging bezwaar maakt.

(4). Een zodanige Scheidsrechterlijke Commissie wordt als volgt ad hoc samengesteld. Ieder der bij het geschil betrokken Overeenkomstsluitende Partijen benoemt een lid. Indien evenwel alle drie Overeenkomstsluitende Partijen bij het geschil betrokken zijn en een van hen tegen de twee andere procedeert, dan wel twee tegen de derde, dan benoemen de twee Partijen wier belangen samengaan te zamen een lid. De twee aldus benoemde leden benoemen het derde lid, dat als voorzitter zal optreden. De leden van de Scheidsrechterlijke Commissie worden, met uitzondering van de voorzitter, benoemd binnen twee maanden, en deze laatste binnen drie maanden, te rekenen van de datum van het verzoek om arbitrage.

(5). Indien er binnen de in het vierde lid van dit Artikel gestelde termijn geen benoeming is gedaan, dan kan elke bij het geschil betrokken Overeenkomstsluitende Partij de President van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens verzoeken de benoeming te doen. Indien de President de nationaliteit van een der betrokken Overeenkomstsluitende Partijen bezit of indien hij om andere redenen verhinderd is de benoeming te doen, dan wordt deze door de Vice-President gedaan. Indien de Vice-President de nationaliteit van een der betrokken Overeenkomstsluitende Partijen bezit of indien hij eveneens om andere redenen de benoeming niet kan doen, dan wordt deze gedaan door het in dienstjaren oudste lid van het Hof dat niet de nationaliteit van een der betrokken Overeenkomstsluitende Partijen bezit.

(6). De Scheidsrechterlijke Commissie neemt, op basis van deze Overeenkomst en van algemeen volkenrecht, haar beslissing met meerderheid van stemmen. De Scheidsrechterlijke Commissie stelt haar eigen procedureregeling vast. Een niet bij het geschil betrokken Overeenkomstsluitende Partij kan zich in het geding voegen of daarin tussenkomen.

(7). Tegen een beslissing van de Scheidsrechterlijke Commissie staat geen beroep open. In geval van een geschil betreffende de strekking of draagwijdte van een zodanige beslissing, rust op de Scheidsrechterlijke Commissie de plicht de beslissing op verzoek van een der Overeenkomstsluitende Partijen toe te lichten.

Artikel IX

De Overeenkomstsluitende Partijen kunnen gezamenlijk overeenkomsten sluiten voor samenwerking met Europese of andere Staten of met internationale organisaties. Elk voorstel voor het sluiten van een zodanige overeenkomst wordt door de Gemengde Commissie in overweging genomen.

Artikel X

Deze Overeenkomst laat onverlet de verplichtingen van de Bondsrepubliek Duitsland en van het Koninkrijk der Nederlanden die voortvloeien uit het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

Artikel XI

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.