Europese Overeenkomst inzake de doorbetaling van studietoelagen aan in het buitenland studerende studenten
De Lid-Staten van de Raad van Europa die deze Overeenkomst hebben ondertekend,
Gelet op het Europees Cultureel Verdrag, ondertekend te Parijs op 19 december 1954;
Gelet op Resolutie No. 4 van de Europese Ministers van Onderwijs, aangenomen op hun 4de Conferentie in Londen van 14-16 april 1964, waarin zij verklaarden zich ervan bewust te zijn dat het noodzakelijk is de uitwisseling tussen Europese landen te bevorderen van studenten en in het bijzonder van hen die reeds een academisch examen met goed gevolg hebben afgelegd en waarin zij uiting gaven aan de hoop dat de vereiste stappen zouden worden genomen opdat de nationale stelsels van financiële steun aan studenten ook gelden wanneer dezen gedurende een bepaalde periode in andere Europese landen studeren;
Overwegende dat studie in een ander dan het eigen land van de student kan bijdragen tot zijn culturele en academische verrijking;
Overwegende dat de fundamentele culturele gemeenschap die bestaat tussen de Lid-Staten van de Raad van Europa die het Europees Cultureel Verdrag hebben ondertekend en de andere Staten die tot dit Verdrag zijn toegetreden, een zodanige uitwisseling mogelijk maakt;
Overwegende dat het van belang is dat er binnen de Europese gemeenschap op het gebied van cultuur en onderwijs, waaraan zij een nog hechtere grondslag willen geven, de grootst mogelijke vrijheid van beweging bestaat voor personen die een universitaire studie volgen of wetenschappelijk onderzoek verrichten,
Zijn als volgt overeengekomen:
Artikel 1
Voor de toepassing van deze Overeenkomst:
- (a). wordt onder „instellingen voor wetenschappelijk onderwijs” verstaan:
- (i). universiteiten;
- (ii). andere instellingen voor wetenschappelijk onderwijs die voor de toepassing van deze Overeenkomst zijn erkend door de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied zij zijn gevestigd;
- (b). wordt onder „studietoelage” verstaan alle rechtstreekse financiële steun toegekend aan studenten in de verschillende fasen van het wetenschappelijk onderwijs, verstrekt door de Staat of een andere autoriteit, met inbegrip van toelagen voor de betaling van collegegelden, vergoedingen voor levensonderhoud en leningen voor studiedoeleinden.
Artikel 2
Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onderscheid gemaakt tussen de Overeenkomstsluitende Partijen al naar de autoriteit in hun grondgebied die bevoegd is studietoelagen toe te kennen is:
- (a). de Staat;
- (b). andere autoriteiten;
- (c). de Staat en/of andere autoriteiten, al naar gelang het geval.
Artikel 3
De studietoelage toegekend door een Overeenkomstsluitende Partij behorend tot de categorie bedoeld onder (a) van artikel 2, ten einde een van haar onderdanen in staat te stellen een bepaalde studie te ondernemen of wetenschappelijk onderzoek te verrichten aan een instelling voor wetenschappelijk onderwijs op haar grondgebied wordt aan deze onderdaan doorbetaald indien hem op zijn verzoek en met de goedkeuring van de autoriteiten die toezicht uitoefenen op zijn studie of onderzoek, wordt toegestaan deze studie of dit onderzoek voort te zetten aan een instelling voor wetenschappelijk onderwijs op het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij.
Artikel 4
Geen enkele bepaling in deze Overeenkomst mag zo worden uitgelegd dat zij van invloed zou zijn op de geldende regels en voorschriften betreffende de toelating van studenten tot instellingen voor wetenschappelijk onderwijs, of op de eisen die door de studietoelagen verlenende autoriteiten ten aanzien van bevredigende studieresultaten of de duur van de studie of van het onderzoek voor toekenning of verlenging van de studietoelage worden gesteld.
Artikel 5
De Overeenkomstsluitende Partijen behorende tot de categorie bedoeld onder (b) van artikel 2 zenden de tekst van deze Overeenkomst toe aan de autoriteiten die op hun grondgebied bevoegd zijn in aangelegenheden betreffende de toekenning van studietoelagen en bevorderen zoveel mogelijk dat die autoriteiten het in artikel 3 neergelegde beginsel in welwillende overweging nemen en toepassen.
De Overeenkomstsluitende Partijen behorende tot de categorie bedoeld onder (c) van artikel 2 passen de bepalingen van artikel 3 toe in gevallen waarin toekenning van studietoelagen onder de bevoegdheid van de Staat valt en het bepaalde in het eerste lid van dit artikel in gevallen waarin de Staat niet de terzake bevoegde autoriteit is.
Artikel 6
Iedere Overeenkomstsluitende Partij kan door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving verklaren dat zij de toepassing van deze Overeenkomst zal uitbreiden tot andere dan de in artikel 3 aangeduide personen.
Artikel 7
Deze Overeenkomst staat open voor ondertekening door de Lid-Staten van de Raad van Europa, die Partij bij deze Overeenkomst kunnen worden door hetzij:
- (a). ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging of aanvaarding; hetzij
- (b). ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging of aanvaarding, gevolgd door bekrachtiging of aanvaarding.
De akten van bekrachtiging of aanvaarding zullen worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Artikel 8
Deze Overeenkomst treedt in werking een maand na de datum waarop, overeenkomstig het in artikel 7 bepaalde, vijf Lid-Staten van de Raad van Europa Partij bij de Overeenkomst zijn geworden.
Ten aanzien van Lid-Staten die de Overeenkomst daarna ondertekenen zonder voorbehoud van bekrachtiging of aanvaarding of die haar bekrachtigen of aanvaarden treedt de Overeenkomst in werking een maand na de datum van zodanige ondertekening of na de datum van nederlegging van de akte van bekrachtiging of aanvaarding.
Artikel 9
Na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst:
- (a). kan iedere niet-Lid-Staat van de Raad van Europa die een Verdragsluitende Partij is bij het Europees Cultureel Verdrag, ondertekend te Parijs op 19 december 1954, tot deze Overeenkomst toetreden;
- (b). kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa iedere Staat die geen lid is van de Raad, uitnodigen tot deze Overeenkomst toe te treden.
Toetreding geschiedt door nederlegging van een akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa en wordt van kracht een maand na de datum van nederlegging daarvan.
Artikel 10
Iedere ondertekenende Staat kan bij de ondertekening of bij nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of aanvaarding, of iedere toetredende Staat kan bij nederlegging van zijn akte van toetreding, aangeven op welk gebied of welke gebieden deze Overeenkomst van toepassing is.
Iedere ondertekenende Staat kan op het ogenblik van de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of aanvaarding of op een later tijdstip, of iedere toetredende Staat kan bij nederlegging van zijn akte van toetreding of op een later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving, de toepasselijkheid van deze Overeenkomst uitbreiden tot het gebied of de gebieden, genoemd in deze kennisgeving, voor de internationale betrekkingen waarvan hij verantwoordelijk is of waarvoor hij bevoegd is overeenkomsten aan te gaan.
Elke krachtens het bepaalde in het voorgaande lid afgelegde verklaring kan, ten aanzien van elk gebied, in die verklaring genoemd, overeenkomstig de in artikel 11 van deze Overeenkomst omschreven procedure worden ingetrokken.
Artikel 11
Deze Overeenkomst is voor onbepaalde tijd van kracht.
Elke Overeenkomstsluitende Partij kan deze Overeenkomst opzeggen door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving.
Deze opzegging wordt van kracht zes maanden na het tijdstip van ontvangst van deze kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Artikel 12
De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa doet aan de Leden van de Raad en iedere Staat die tot deze Overeenkomst is toegetreden, mededeling van:
- (a). elke ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging of aanvaarding;
- (b). elke ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging of aanvaarding;
- (c). de nederlegging van elke akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding;
- (d). elke datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst overeenkomstig artikel 8;
- (e). elke kennisgeving ontvangen krachtens het bepaalde in artikel 6 en artikel 10, leden 2 en 3;
- (f). elke krachtens de bepalingen van artikel 11 ontvangen kennisgeving en de datum waarop de opzegging van kracht wordt.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Agreement.
DONE at Paris, this 12th day of December 1969, in English and French, both texts being equally authoritative, in a single copy which shall remain deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary General of the Council of Europe shall transmit certified copies to each of the signatory and acceding States.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.