Overeenkomst tot oprichting van de Afrikaanse Ontwikkelingsbank, gedaan te Khartoem op 4 augustus 1963, zoals gewijzigd bij Resolutie 05-79 aangenomen door de Raad van Bestuur op 17 mei 1979

Type Verdrag
Publication 2002-07-05
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regeringen namens wie deze Overeenkomst is ondertekend,

Vastbesloten de Afrikaanse solidariteit te versterken door middel van economische samenwerking tussen Afrikaanse Staten,

Overwegend de noodzaak van een versnelling van de ontplooiing en ontginning van respectievelijk de omvangrijke menselijke hulpbronnen en natuurlijke rijkdommen van Afrika ten einde de economische ontwikkeling en de sociale vooruitgang in dat gebied te stimuleren,

Zich rekenschap gevend van het belang van een coördinatie van nationale plannen voor economische en sociale ontwikkeling voor de bevordering van de harmonische groei van de Afrikaanse economieën in hun geheel en voor de uitbreiding van de Afrikaanse buitenlandse handel en inzonderheid de handel tussen de Afrikaanse landen,

Beseffend dat de oprichting van een financiële instelling voor alle Afrikaanse landen gezamenlijk, zou bijdragen tot de verwezenlijking van deze doeleinden,

Ervan overtuigd dat een deelgenootschap van Afrikaanse en niet-Afrikaanse landen via een zodanige instelling een extra toestroming van internationaal kapitaal zal vergemakkelijken voor de economische ontwikkeling en sociale vooruitgang van het gebied, tot wederzijds voordeel van alle partijen bij deze Overeenkomst,

Zijn overeengekomen hierbij op te richten de Afrikaanse Ontwikkelingsbank (hierna te noemen „de Bank”), waarop de onderstaande bepalingen van toepassing zijn:

HOOFDSTUK I. DOEL, TAKEN, LIDMAATSCHAP EN STRUCTUUR

Artikel 1. Doel

Het doel van de Bank is bij te dragen tot de duurzame economische ontwikkeling en de sociale vooruitgang van haar regionale leden – afzonderlijk en tezamen.

Artikel 2. Taken
1.

Om aan haar doel te beantwoorden, vervult de Bank de volgende taken:

2.

Bij het vervullen van haar taken streeft de Bank naar samenwerking met nationale, regionale en subregionale ontwikkelingsinstellingen in Afrika. Met hetzelfde oogmerk dient zij samen te werken met andere internationale organisaties die een soortgelijk doel nastreven en met andere instellingen die zich bezig houden met de ontwikkeling van Afrika.

3.

De Bank wordt bij al haar besluiten geleid door het bepaalde in de artikelen 1 en 2 van deze Overeenkomst.

Artikel 3. Lidmaatschap en geografisch gebied
1.

Elk Afrikaans land dat de status van onafhankelijk land heeft, kan regionaal lid van de Bank worden. Het verwerft het lidmaatschap overeenkomstig artikel 64, eerste of tweede lid, van deze Overeenkomst.

2.

Het geografisch gebied waarover het regionale lidmaatschap en de ontwikkelingsactiviteiten van de Bank zich kunnen uitstrekken (in deze Overeenkomst te noemen „Afrika” of „Afrikaans”, naar gelang het zinsverband vereist), omvat het Afrikaanse continent en de Afrikaanse eilanden.

3.

Niet-regionale landen die lid van het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds zijn of worden, of die bijdragen aan het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds hebben verstrekt of verstrekken op voorwaarden en bedingen die gelijksoortig zijn aan de voorwaarden en bedingen van de Overeenkomst tot oprichting van het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds, kunnen ook tot de Bank worden toegelaten op tijdstippen en ingevolge algemene regels als door de Raad van Bestuur vast te stellen. Zodanige algemene regels kunnen alleen worden gewijzigd bij besluit van de Raad van Bestuur met een twee derde meerderheid van het totale aantal bestuurders, met inbegrip van twee derde van de bestuurders van niet-regionale leden, die niet minder dan drie vierde van het totale aantal stemmen van de Lid-Staten vertegenwoordigen.

Artikel 4. Structuur

De Bank heeft een Raad van Bestuur, een College van Bewindvoerders, een president, ten minste een vice-president en andere leidinggevende functionarissen en employés die taken zullen verrichten als door de Bank bepaald.

HOOFDSTUK II. KAPITAAL

Artikel 5. Maatschappelijk kapitaal
2.

Het maatschappelijk kapitaal wordt verdeeld in volgestorte aandelen en niet-volgestorte aandelen. De verhouding tussen de volgestorte en de niet-volgestorte aandelen wordt van tijd tot tijd vastgesteld door de Raad van Bestuur. Storting van de niet-volgestorte aandelen kan worden verzocht voor het doel omschreven in artikel 7, vierde lid, onderdeel a, van deze Overeenkomst.

3.

Behoudens het bepaalde in het vierde lid van dit artikel kan het maatschappelijk kapitaal worden verhoogd telkens wanneer de Raad van Bestuur zulks wenselijk acht. Tenzij het kapitaal alleen wordt verhoogd ten behoeve van de aanvankelijke eerste inschrijving van een lid, wordt het besluit van de Raad genomen met een twee derde meerderheid van het totale aantal bestuurders die niet minder dan drie vierde van het totale aantal stemmen van de leden vertegenwoordigen.

4.

Het maatschappelijk kapitaal en verhogingen daarvan worden voor inschrijving toegewezen aan regionale en niet-regionale leden in een zodanige verhouding dat de onderscheiden groepen voor inschrijving beschikken over een zodanig aantal aandelen dat, indien daarop volledig zou worden ingeschreven, daardoor de regionale leden zestig procent van het totale aantal stemmen zouden hebben en niet-regionale leden veertig procent van het totale aantal stemmen.

Artikel 6. Inschrijving op aandelen
1.

Ieder lid schrijft aanvankelijk in op de aandelen van het kapitaal van de Bank. De aanvankelijke inschrijving van elk lid bestaat uit een gelijk aantal volgestorte en niet-volgestorte aandelen. Het aantal aandelen waarop aanvankelijk dient te worden ingeschreven door een Staat die het lidmaatschap verwerft overeenkomstig artikel 64, eerste lid, van deze Overeenkomst is het aantal dat voor deze Staat is vastgelegd in bijlage A bij deze Overeenkomst, die een integrerend deel hiervan vormt. Het aantal aandelen waarop aanvankelijk dient te worden ingeschreven door andere leden wordt bepaald door de Raad van Bestuur.

2.

In geval van een verhoging van het kapitaal voor een ander doel dan alleen voor een aanvankelijke inschrijving van een lid, heeft elk lid het recht in te schrijven, op door de Raad van Bestuur vast te stellen eenvormige voorwaarden en bedingen, voor een gedeelte van de verhoging van het kapitaal naar verhouding van het gedeelte dat zijn aandelen waarop hij tot dan heeft ingeschreven vormen in het totale kapitaal van de Bank. De leden zijn echter niet verplicht in te schrijven op een gedeelte van zulk een verhoogd kapitaal.

3.

Een lid kan de Bank verzoeken zijn inschrijving te verhogen op door de Raad van Bestuur vast te stellen voorwaarden en bedingen.

4.

Aandelen in het kapitaal waarop aanvankelijk was ingeschreven door Staten die het lidmaatschap verwerven overeenkomstig artikel 64, eerste lid, van deze Overeenkomst, worden uitgegeven tegen de pari-waarde, tenzij de Raad van Bestuur in bijzondere omstandigheden besluit deze op andere voorwaarden uit te geven.

5.

De aansprakelijkheid uit hoofde van het aandelenbezit is beperkt tot het niet betaalde gedeelte van de prijs van uitgifte.

6.

De aandelen worden op generlei wijze verpand of bezwaard. Zij zijn slechts overdraagbaar aan de Bank.

Artikel 7. Betaling van de inschrijving
2.

De betalingen van de bedragen in het volgestorte kapitaal waarop aanvankelijk door de leden van de Bank is ingeschreven, dienen te worden verricht in convertibele valuta. De Raad van Bestuur stelt de wijze van betaling vast van andere bedragen van het volgestorte kapitaal waarop door de leden is ingeschreven.

3.

De Raad van Bestuur stelt de data vast voor de betaling van bedragen van het volgestorte kapitaal, waarop door de leden van de Bank is ingeschreven, waarop het bepaalde in het eerste lid van dit artikel niet van toepassing is.

5.

De Bank bepaalt de plaats voor betalingen ingevolge dit artikel, met dien verstande dat tot het tijdstip van de eerste vergadering van haar Raad van Bestuur, bepaald in artikel 66 van deze Overeenkomst, de betaling van de eerste termijn, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, dient te geschieden aan de Trustee, bedoeld in artikel 66.

Artikel 8. Bijzondere fondsen
1.

De Bank kan overgaan tot het instellen, of worden belast met het beheer, van Bijzondere Fondsen, waarvan de bedoeling is, dat zij bijdragen tot de verwezenlijking van haar doelstellingen die binnen haar arbeidsterrein vallen. Zij kan de middelen behorend tot zodanige Bijzondere Fondsen ontvangen, bezitten, gebruiken, vastleggen of op andere wijze daarover beschikken.

2.

De middelen van zodanige Bijzondere Fondsen dienen afzonderlijk en gescheiden te worden gehouden van de gewone kapitaalmiddelen van de Bank overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van deze Overeenkomst.

3.

De Bank stelt de bijzondere regels en voorschriften vast die nodig zijn voor het beheer en het gebruik van elk Bijzonder Fonds, altijd met dien verstande dat:

Artikel 9. Gewone kapitaalmiddelen

Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder de uitdrukking „gewone kapitaalmiddelen” van de Bank mede verstaan:

Artikel 10. Bijzondere middelen
1.

Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt met de uitdrukking „bijzondere middelen” bedoeld de middelen van de Bijzondere Fondsen en wordt daaronder mede verstaan:

2.

Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder de uitdrukking „bijzondere middelen toebehorend aan een Bijzonder Fonds” mede verstaan de middelen, fondsen en inkomsten die in het voorgaande lid worden bedoeld en die - naar gelang het geval - worden bijgedragen aan, geleend of ontvangen door, zijn toegekomen aan of ter beschikking staan van het desbetreffende Bijzondere Fonds overeenkomstig de regels en voorschriften die op dat Bijzondere Fonds van toepassing zijn.

Artikel 11. Scheiding van middelen
1.

De gewone kapitaalmiddelen en de bijzondere middelen van de Bank worden te allen tijde en in alle opzichten volledig van elkaar gescheiden gehouden, gebruikt, belast, belegd of anderszins aangewend. Elk Bijzonder Fonds, de middelen en rekeningen daarvan worden volledig gescheiden gehouden van andere Bijzondere Fondsen en de middelen en rekeningen daarvan.

2.

De gewone kapitaalmiddelen van de Bank mogen in geen geval worden belast met, of gebruikt worden tot betaling van verliezen of verplichtingen, voortvloeiend uit werkzaamheden of andere activiteiten van een Bijzonder Fonds. Bijzondere middelen, behorend tot een Bijzonder Fonds mogen in geen geval worden belast met of gebruikt worden tot betaling van verliezen of verplichtingen voortvloeiend uit werkzaamheden of andere activiteiten van de Bank, gefinancierd uit haar gewone kapitaalmiddelen of uit bijzondere middelen die aan een ander Bijzonder Fonds toebehoren.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.