Verdrag betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit
De Lid-Staten van de Raad van Europa, die dit Verdrag hebben ondertekend,
Overwegende, dat de Raad van Europa tot doel heeft een grotere eenheid tussen zijn Leden tot stand te brengen;
Overwegende, dat meervoudige nationaliteit een bron van moeilijkheden vormt en dat een gezamenlijk streven om de gevallen van meervoudige nationaliteit die zich tussen de Lid-Staten voordoen, zoveel mogelijk te beperken, beantwoordt aan het door de Raad van Europa nagestreefde doel;
Overwegende, dat het wenselijk is, dat personen die de nationaliteit van twee of meer Verdragsluitende Partijen bezitten, hun militaire verplichtingen jegens één van die partijen behoeven na te komen;
Zijn het volgende overeengekomen:
HOOFDSTUK I. Beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit
Artikel 1
Meerderjarige onderdanen van de Verdragsluitende Partijen verliezen hun nationaliteit, indien zij ten gevolge van een uitdrukkelijke wilsverklaring de nationaliteit van een andere Partij verkrijgen door naturalisatie, optie of herstel in die nationaliteit; aan hen mag geen vergunning worden gegeven hun vroegere nationaliteit te behouden.
Indien zij op dezelfde wijze de nationaliteit van een andere Partij verkrijgen, verliezen minderjarige onderdanen van de Verdragsluitende Partijen eveneens hun nationaliteit, mits hun nationale wet in die mogelijkheid voorziet en de omtrent bevoegdheid of vertegenwoordiging gestelde regels in acht zijn genomen; aan hen mag geen vergunning worden verleend hun vroegere nationaliteit te behouden.
Met uitzondering van hen die gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn, verliezen eveneens hun nationaliteit minderjarige kinderen die op het tijdstip en ten gevolge van de naturalisatie, de optie of het herstel in de nationaliteit van hun vader en moeder, van rechtswege de nationaliteit van een andere Verdragsluitende Partij verkrijgen. Wanneer slechts één van de ouders zijn nationaliteit verliest, bepaalt de wet van die Verdragsluitende Partij waarvan de minderjarige de nationaliteit bezat, wie van zijn ouders hij in de nationaliteit zal volgen. In dit laatste geval kan die wet het verlies van de nationaliteit laten afhangen van de instemming van de andere ouder of van de wettelijke vertegenwoordiger met de verkrijging van de nieuwe nationaliteit.
Evenwel kan, zonder inbreuk te maken op de bepalingen van de wet van elk der Verdragsluitende Partijen met betrekking tot de herkrijging van de nationaliteit, de Partij waarvan de minderjarigen bedoeld in de voorgaande alinea de nationaliteit hebben bezeten, bijzondere regels stellen, krachtens welke zij, na het bereiken van de meerderjarigheid, die nationaliteit door een uitdrukkelijke wilsverklaring kunnen herkrijgen.
Wat betreft het verlies van nationaliteit als bedoeld in dit artikel wordt door de wet van de Verdragsluitende Partij, waarvan de betrokkene de nationaliteit bezit, bepaald wat onder meerderjarigheid en minderjarigheid dient te worden verstaan, alsmede welke eisen aan bevoegdheid en vertegenwoordiging zijn te stellen.
Onverminderd de bepalingen van het eerste lid en, waar van toepassing, het tweede lid, kan elk van deze Partijen, wanneer een onderdaan van een Verdragsluitende Partij de nationaliteit verkrijgt van een andere Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij is geboren en verblijft, of zijn gewone verblijf heeft gehad gedurende een tijdvak dat aanvangt voor de leeftijd van 18 jaar, bepalen dat hij de oorspronkelijke nationaliteit behoudt.
Onverminderd de bepalingen van het eerste lid en, waar van toepassing, het tweede en het vijfde lid, kan elk van deze Partijen, in geval van een huwelijk tussen onderdanen van verschillende Verdragsluitende Partijen, bepalen dat de echtgenoot die door een uitdrukkelijke wilsverklaring de nationaliteit van de andere echtgenoot verkrijgt, de oorspronkelijke nationaliteit behoudt.
Onverminderd de bepalingen van het tweede lid, waar van toepassing, kan elk van deze Partijen, wanneer een minderjarige onderdaan van een Verdragsluitende Partij wiens ouders onderdanen van verschillende Verdragsluitende Partijen zijn, de nationaliteit van een van zijn ouders verkrijgt, bepalen dat hij de oorspronkelijke nationaliteit behoudt.
Artikel 2
Hij die de nationaliteit van twee of meer Verdragsluitende Partijen bezit, kan van één of meer van die nationaliteiten afstand doen, mits de Verdragsluitende Partij van welker nationaliteit hij afstand wenst te doen, daarin toestemt.
Die toestemming mag niet worden geweigerd door de Verdragsluitende Partij waarvan een meerderjarige de nationaliteit van rechtswege bezit, indien hij zijn gewoon verblijf heeft buiten het grondgebied van die Partij.
Evenmin mag toestemming worden geweigerd door de Verdragsluitende Partij waarvan een minderjarige onderdaan voldoet aan de voorwaarden bedoeld in de voorgaande alinea mits zijn nationale wet hem toestaat door een eenvoudige verklaring zijn nationaliteit te verliezen en de omtrent bevoegdheid of vertegenwoordiging gestelde regels in acht zijn genomen.
Wat onder meerderjarigheid en minderjarigheid dient te worden verstaan, alsmede welke eisen aan bevoegdheid en vertegenwoordiging zijn te stellen, wordt bepaald door de wet van de Verdragsluitende Partij van welker nationaliteit de betrokken persoon afstand wenst te doen.
Artikel 3
De Verdragsluitende Partij van welker nationaliteit de betrokken persoon afstand wenst te doen, verlangt daarvoor geen bijzonder recht of enige andere betaling.
Artikel 4
De bepalingen van dit Verdrag laten onverlet de voor beperking van de gevallen van meervoudige nationaliteit gunstiger bepalingen, welke zijn of later mochten worden opgenomen, hetzij in de nationale wet van een Verdragsluitende Partij, hetzij in enig ander verdrag of enige andere overeenkomst gesloten tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen.
HOOFDSTUK II. Militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit
Artikel 5
Hij die de nationaliteit van twee of meer Verdragsluitende Partijen bezit, behoeft zijn militaire verplichtingen slechts ten opzichte van één van die Partijen na te komen.
De wijze waarop uitvoering zal worden gegeven aan de bepaling van het eerste lid, kan bij bijzondere overeenkomsten tussen belanghebbende Verdragsluitende Partijen worden vastgesteld.
Artikel 6
Voor zover bij bijzondere overeenkomsten welke zijn of zullen worden gesloten, geen andere voorzieningen zijn getroffen, zijn de volgende bepalingen van toepassing op hem die de nationaliteit van twee of meer Verdragsluitende Partijen bezit.
-
- Hij is onderworpen aan de militaire verplichtingen jegens de Partij op welker grondgebied hij gewoonlijk verblijft. Evenwel staat het hem tot het bereiken van de leeftijd van 19 jaar vrij zich te onderwerpen aan de militaire verplichtingen jegens enige andere Partij waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit, door het sluiten van een vrijwillige verbintenis tot werkelijke dienst voor een tijdvak waarvan de totale duur tenminste gelijk moet zijn aan die van de werkelijke militaire dienst bij de andere Partij.
-
- Hij die zijn gewoon verblijf heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij waarvan hij geen onderdaan is, of op het grondgebied van een staat welke geen Partij is, heeft de vrijheid te kiezen bij welke van de Verdragsluitende Partijen waarvan hij de nationaliteit bezit hij zijn militaire verplichtingen wenst te vervullen.
-
- Hij die overeenkomstig de regels vervat in het eerste of tweede lid aan zijn militaire verplichtingen jegens één Verdragsluitende Partij naar de eisen van de wet van die Partij heeft voldaan, wordt geacht te hebben voldaan aan de militaire verplichtingen ten opzichte van de Partij of Partijen waarvan hij eveneens onderdaan is. Dit geldt eveneens voor hem die van zijn militaire verplichtingen is vrijgesteld of vervangende burgerdienst heeft vervuld. Hij die onderdaan is van een Verdragsluitende Partij die geen militaire dienstplicht kent, wordt geacht zijn militaire verplichtingen te hebben vervuld indien hij zijn gewoon verblijf heeft op het grondgebied van die Partij. Niettemin dient hij te worden geacht niet zijn militaire verplichtingen te hebben vervuld jegens de Verdragsluitende Partij of Partijen waarvan hij eveneens onderdaan is en waar men wel militaire dienstplicht kent, tenzij bovenbedoeld gewoon verblijf heeft geduurd tot het bereiken van een bepaalde leeftijd die door iedere betrokken Verdragsluitende Partij dient te worden opgegeven bij ondertekening of bij nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding. Eveneens wordt hij die onderdaan is van een Verdragsluitende Partij die geen militaire dienstplicht kent, geacht zijn militaire verplichtingen te hebben vervuld, indien hij als vrijwilliger in militaire dienst van die Partij is geweest gedurende een totale werkelijke diensttijd die ten minste gelijk is aan de duur van de actieve militaire dienst van de Verdragsluitende Partij of Partijen waarvan hij eveneens onderdaan is, ongeacht waar hij zijn gewoon verblijf heeft.
-
- Hij die voordat dit Verdrag tussen de Verdragsluitende Partijen waarvan hij de nationaliteit bezit van kracht is geworden, aan de militaire verplichtingen jegens één van die Partijen overeenkomstig de wet van die Partij heeft voldaan, wordt geacht te hebben voldaan aan diezelfde verplichtingen jegens de Partij of Partijen waarvan hij eveneens onderdaan is.
-
- Hij die overeenkomstig het bepaalde bij het eerste lid zijn werkelijke militaire dienst heeft vervuld jegens één van de Verdragsluitende Partijen waarvan hij de nationaliteit bezit, en die later zijn gewoon verblijf overbrengt naar het grondgebied van de andere Partij waarvan hij de nationaliteit bezit, kan slechts jegens laatstgenoemde Partij worden onderworpen aan de militaire verplichtingen als grootverlofganger.
-
- De toepassing van de bepalingen van dit artikel beïnvloedt de nationaliteit van de betrokkenen in geen enkel opzicht.
-
- In geval van mobilisatie in één van de Verdragsluitende Partijen gelden de verplichtingen welke uit de bepalingen van dit artikel voortvloeien niet voor die Partij.
HOOFDSTUK III. Toepassing van het Verdrag
Artikel 7
Elke Verdragsluitende Partij past de bepalingen van de hoofdstukken I en II toe.
Elke Verdragsluitende Partij kan evenwel, hetzij bij ondertekening, hetzij bij nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, verklaren dat zij uitsluitend de bepalingen van hoofdstuk I of die van hoofdstuk II zal toepassen.
Zij kan te allen tijde daarna de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa ervan in kennis stellen dat zij alle bepalingen van de hoofdstukken I en II zal toepassen. Deze kennisgeving wordt van kracht op de datum van ontvangst.
De bepalingen van onderscheidenlijk hoofdstuk I of hoofdstuk II zijn slechts van toepassing tussen die Verdragsluitende Partijen die het desbetreffende hoofdstuk toepassen.
HOOFDSTUK IV. Slotbepalingen
Artikel 8
Elke Verdragsluitende Partij kan, hetzij op het tijdstip van ondertekening, hetzij op het tijdstip van de nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, verklaren, dat zij gebruik maakt van één of meer der voorbehouden vermeld in de Bijlage bij dit Verdrag. Geen enkel ander voorbehoud kan worden toegestaan.
Elke Verdragsluitende Partij kan een voorbehoud, gemaakt overeenkomstig het voorgaande lid, geheel of gedeeltelijk intrekken door een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte mededeling, welke van kracht wordt op de datum van ontvangst.
Een Verdragsluitende Partij die overeenkomstig dit artikel gebruik heeft gemaakt van een voorbehoud ten aanzien van een bepaling van het Verdrag, kan geen aanspraak maken op de toepassing van die bepaling door een andere Partij. Zij kan evenwel, indien het voorbehoud gedeeltelijk of voorwaardelijk is, aanspraak maken op de toepassing van die bepaling voor zover zij deze zelf heeft aanvaard.
Artikel 9
Elke Verdragsluitende Partij kan door een verklaring, afgegeven aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, hetzij op het tijdstip van ondertekening, hetzij op het tijdstip van de nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, of op ieder ander tijdstip daarna, wat betreft de Staten en gebieden voor welker internationale betrekkingen zij verantwoordelijk is of ten behoeve waarvan zij bevoegd is overeenkomsten te sluiten, de term „onderdanen” omschrijven en de „gebieden” aanduiden waarvoor dit Verdrag van toepassing is.
Elke overeenkomstig dit artikel afgelegde verklaring kan, met betrekking tot de onderdanen en gebieden in die verklaring aangeduid, worden ingetrokken op de voet van artikel 12 van dit Verdrag.
Artikel 10
Dit Verdrag staat open voor ondertekening door de Lid-Staten van de Raad van Europa. Het dient te worden bekrachtigd of aanvaard. De akten van bekrachtiging of aanvaarding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Dit Verdrag treedt in werking een maand na de datum waarop de tweede akte van bekrachtiging of aanvaarding is nedergelegd.
Met betrekking tot iedere ondertekenende Staat die het Verdrag nadien bekrachtigt of aanvaardt, treedt het in werking een maand na de datum waarop hij zijn akte van bekrachtiging of aanvaarding heeft neder gelegd.
Artikel 11
Na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa bij algemene stemmen besluiten iedere Staat die geen Lid van de Raad is, tot toetreding uit te nodigen. Iedere Staat die zulk een uitnodiging heeft ontvangen, kan tot dit Verdrag toetreden door nederlegging van zijn akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Voor iedere Staat die toetreedt, treedt het Verdrag in werking een maand na de datum van nederlegging van zijn akte van toetreding.
Artikel 12
Dit Verdrag blijft voor onbepaalde tijd van kracht.
Iedere Verdragsluitende Partij kan dit Verdrag, wat haar betreft, opzeggen door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Deze opzegging wordt van kracht een jaar na de datum waarop deze kennisgeving door de Secretaris-Generaal is ontvangen.
Artikel 13
De Secretaris-Generaal stelt de Lid-Staten van de Raad eri de Regering van iedere Staat die tot dit Verdrag is toegetreden, in kennis van:
- a). iedere ondertekening en iedere nederlegging van een akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding;
- b). iedere datum van inwerkingtreding van dit Verdrag overeenkomstig de artikelen 10 en 11;
- c). ieder voorbehoud, gemaakt overeenkomstig de bepalingen van artikel 8, 1e lid;
- d). iedere intrekking van ieder voorbehoud, gemaakt overeenkomstig de bepalingen van artikel 8, 2e lid;
- e). iedere verklaring en iedere kennisgeving, ontvangen met betrekking tot de bepalingen van artikel 7 en artikel 9, 1e lid;
- f). iedere kennisgeving, ontvangen met betrekking tot de bepalingen van artikel 9, 2e lid en artikel 12, alsmede de datum waarop de opzegging van kracht wordt.
IN WITNESS WHEREOF, the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Convention.
DONE at Strasbourg, this 6th day of May 1963 in English and in French, both texts being equally authoritative, in a single copy which shall remain deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary-General shall transmit certified copies to each of the signatory and acceding Governments.