Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (AETR)
De Overeenkomstsluitende Partijen,
Verlangende de ontwikkeling en de verbetering van het internationale vervoer van personen en goederen over de weg te bevorderen,
Overtuigd van de noodzaak de veiligheid van het wegverkeer te vergroten, bepaalde arbeidsvoorwaarden in het internationale vervoer over de weg te regelen overeenkomstig de beginselen van de Internationale Arbeidsorganisatie en, in gezamenlijk overleg, bepaalde maatregelen vast te stellen om de naleving van een zodanige regeling te verzekeren,
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Definities
In deze Overeenkomst betekent:
- a). „voertuig”: elk motorrijtuig of elke aanhangwagen; deze term omvat elk samenstel van voertuigen;
- b). „motorrijtuig”: elk voertuig, voorzien van een voortstuwingsmotor, dat zich op eigen kracht over de weg voortbeweegt en dat dient voor het vervoer over de weg van personen en goederen of voor het over de weg trekken van voertuigen die worden gebruikt voor het vervoer van personen of goederen; deze term omvat geen landbouwtraktoren;
- c). „aanhangwagen”: elk voertuig bestemd om te worden gekoppeld aan een motorrijtuig; deze term omvat opleggers;
- d). „oplegger”: elke aanhangwagen bestemd om op zodanige wijze aan een motorrijtuig te worden gekoppeld, dat hij gedeeltelijk steunt op en dat een aanmerkelijk deel van zijn gewicht en van het gewicht van zijn lading wordt gedragen door dat motorrijtuig;
- e). „samenstel van voertuigen”: aaneengekoppelde voertuigen die als eenheid aan het wegverkeer deelnemen;
- f). „Toelaatbaar maximum totaalgewicht”: het maximum totaalgewicht van het beladen voertuig dat door de bevoegde autoriteit van de Staat waarin het voertuig is geregistreerd toelaatbaar is verklaard;
- g). „Wegvervoer”: iedere verplaatsing die geheel of gedeeltelijk wordt afgelegd op voor het publiek openstaande wegen met een leeg of beladen voertuig dat wordt gebruikt voor het vervoer van passagiers of goederen;
- h). „internationaal wegvervoer”: elk wegvervoer waarbij ten minste één grens wordt overschreden;
- i). ,geregeld vervoer’: het geregeld vervoer van personen in een bepaalde frequentie en langs vastgestelde routes, waarbij reizigers op vaste stopplaatsen kunnen in- en uitstappen. De vervoervoorwaarden, in het bijzonder het aantal reizen, de dienstregeling, de tarieven en de vervoerplicht worden, voor zover zij niet bij een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling zijn vastgesteld, neergelegd in een exploitatiereglement of overeenkomstige documenten die door de bevoegde instanties van de Overeenkomstsluitende Partijen moeten worden goedgekeurd en door de vervoerder vóór de inwerkingstelling daarvan moeten worden bekendgemaakt. Als geregeld vervoer wordt ook aangemerkt, wie ook het vervoer organiseert, het vervoer van bepaalde categorieën personen met uitsluiting van andere reizigers, voor zover het vervoer geschiedt op de in de eerste alinea van deze definitie bepaalde wijze. Dit vervoer, in het bijzonder het vervoer van werknemers naar het werk en van het werk naar hun woonplaats of het vervoer van leerlingen naar onderwijsinstellingen en van onderwijsinstellingen naar hun woonplaats, wordt hierna ,speciaal geregeld vervoer' genoemd;
- j). „Bestuurder”: iedere persoon al dan niet in loondienst, die het voertuig bestuurt, zelfs gedurende korte tijd, dan wel zich in het kader van zijn taken in het voertuig bevindt teneinde dit in voorkomend geval te kunnen besturen;
- k). „lid van de bemanning” of „bemanningslid”: de bestuurder of een der volgende, al dan niet in loondienst zijnde personen:
- i). de bijrijder, d.w.z. iedere persoon die de bestuurder begeleidt ten einde hem bij het uitvoeren van bepaalde handelingen behulpzaam te zijn en die gewoonlijk metterdaad deelneemt aan de vervoerhandelingen, zonder dat hij in de zin van paragraaf j) van dit artikel de hoedanigheid van bestuurder heeft;
- ii). een conducteur, d.w.z. iedere persoon die de bestuurder van een voertuig voor personenvervoer vergezelt en die met name is belast met het afgeven en controleren van biljetten of andere documenten die de reizigers het recht geven met het voertuig te reizen;
- l). ,week’: het tijdvak tussen maandag 0.00 uur en zondag 24.00 uur;
- m). „Rust”: een ononderbroken tijdvak gedurende hetwelk de bestuurder vrijelijk over zijn tijd kan beschikken;
- n). „Onderbreking”: een tijdvak gedurende hetwelk een bestuurder niet mag rijden noch andere werkzaamheden mag verrichten en dat uitsluitend voor herstel wordt benut;
- o). „Dagelijkse rusttijd”: het dagelijkse tijdvak gedurende hetwelk een bestuurder vrijelijk over zijn tijd kan beschikken, bestaande uit een “normale dagelijkse rusttijd” en een „verkorte dagelijkse rusttijd”: „Normale dagelijkse rusttijd”: een rustperiode van ten minste 11 uren. Als alternatief mag deze normale dagelijkse rust worden genoten in twee tijdvakken; het eerste moet een ononderbroken tijdvak van ten minste 3 uren zijn en het tweede een ononderbroken tijdvak van ten minste 9 uren; „Verkorte dagelijkse rusttijd”: een rustperiode van ten minste 9 uren, doch minder dan 11 uren;
- p). „Wekelijkse rusttijd”: het wekelijkse tijdvak gedurende hetwelk een bestuurder vrijelijk over zijn tijd kan beschikken, bestaande uit een “normale wekelijkse rusttijd” en een „verkorte wekelijkse rusttijd”: „Normale wekelijkse rusttijd”: een rustperiode van ten minste 45 uren; „Verkorte wekelijkse rusttijd”: een rustperiode van ten minste 45 uren die, onder de voorwaarden van artikel 8, zesde lid, van de Overeenkomst kan worden bekort tot een minimum van 24 achtereenvolgende uren;
- q). „Andere werkzaamheden”: alle werkzaamheden behoudens rijden, met inbegrip van werkzaamheden voor dezelfde of een andere werkgever, binnen of buiten de vervoerssector. Dit omvat niet de wachttijd en tijd waarin niet wordt gereden in een bewegend voertuig, op een veerboot of op een trein;
- r). „Rijtijd”: de duur van de rijactiviteit die automatisch, halfautomatisch of handmatig wordt geregistreerd onder de in deze Overeenkomst vervatte voorwaarden;
- s). „Dagelijkse rijtijd”: de totale opgetelde rijtijd tussen het einde van de ene dagelijkse rustperiode en de aanvang van de volgende dagelijkse rustperiode of tussen een dagelijkse rustperiode en een wekelijkse rustperiode;
- t). “Wekelijkse rijtijd”: de totale gedurende een week opgetelde rijtijd;
- u). „Rijperiode”: de opgetelde rijtijd vanaf het tijdstip waarop een bestuurder na een rustperiode of onderbreking met rijden aanvangt totdat hij een rustperiode of onderbreking neemt. De rijperiode kan aaneengesloten of onderbroken zijn;
- v). „Meervoudige bemanning”: een situatie waarin er zich tijdens elke rijperiode tussen twee opeenvolgende dagelijkse rusttijden of tussen een dagelijkse rusttijd en een wekelijkse rusttijd ten minste twee bestuurders in het voertuig bevinden om het te besturen. Bij meervoudige bemanning is de aanwezigheid van een andere bestuurder of andere bestuurders gedurende het eerste uur facultatief, maar gedurende de resterende periode verplicht;
- w). „Vervoersonderneming”: een natuurlijke persoon, een rechtspersoon, een vereniging of een groep personen zonder rechtspersoonlijkheid, met of zonder winstoogmerk, of een officiële instantie, met eigen rechtspersoonlijkheid of afhankelijk van een autoriteit met rechtspersoonlijkheid, die zich bezighoudt met wegvervoer voor rekening van derden of voor eigen rekening.
Artikel 2. Toepassingsgebied
Deze Overeenkomst is op het grondgebied van elke Overeenkomstsluitende Partij van toepassing op al het internationaal vervoer over de weg dat wordt verricht door een voertuig dat is geregistreerd op het grondgebied van genoemde Overeenkomstsluitende Partij of op het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij.
Deze Overeenkomst is, tenzij door de Overeenkomstsluitende Partijen op wier grondgebied het vervoer plaatsvindt anders is overeengekomen, evenwel niet van toepassing op internationaal vervoer over de weg, verricht met:
- a. voertuigen bestemd voor het vervoer van goederen waarvan het toelaatbaar maximum totaalgewicht, dat van aanhangwagens of opleggers daaronder begrepen, niet meer dan 3,5 ton bedraagt;
- b. voertuigen gebruikt voor het vervoer van personen die, uit hoofde van hun constructie en hun uitrusting, geschikt zijn voor het vervoer van ten hoogste negen personen, de bestuurder daaronder begrepen, en voor dat doel zijn bestemd;
- c. voertuigen bestemd voor het vervoer van personen via geregeld vervoer waarvan het traject van de route ten hoogste 50 kilometer bedraagt;
- d. voertuigen waarvan de toegestane maximumsnelheid ten hoogste 40 km per uur bedraagt;
- e. voertuigen van, of zonder bestuurder gehuurd door, de strijdkrachten, civiele bescherming, brandweer en korpsen voor de handhaving van de openbare orde voorzover het vervoer plaatsvindt in het kader van de taak waarmee deze organen zijn belast en onder hun controle valt;
- f. voertuigen gebruikt bij noodsituaties of reddingsoperaties, met inbegrip van het niet-commerciële vervoer van humanitaire hulpgoederen;
- g. speciaal voor medische doeleinden gebruikte voertuigen;
- h. speciale bergingsvoertuigen die binnen een straal van 100 km van hun thuisbasis actief zijn;
- i. voertuigen die op de weg worden beproefd met het oog op de technische ontwikkeling, reparatie of onderhoud, en nieuwe of vernieuwde voertuigen die nog niet in gebruik zijn genomen;
- j. voertuigen met een toelaatbaar maximum totaalgewicht van ten hoogste 7,5 ton, gebruikt voor niet-commercieel vervoer van goederen;
- k. commerciële voertuigen die krachtens de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partij waar ermee wordt gereden een historische status hebben, en die voor niet-commercieel vervoer van personen of goederen worden gebruikt.
Artikel 3. Toepassing van een aantal bepalingen van deze Overeenkomst op wegvervoer verricht door voertuigen ingeschreven in de landen die geen Partij zijn bij deze Overeenkomst
Elke Overeenkomstsluitende Partij past ten aanzien van internationaal wegvervoer, verricht door een voertuig dat is ingeschreven op het grondgebied van een land dat geen Partij is bij deze Overeenkomst, op haar grondgebied bepalingen toe die ten minste even streng zijn als die welke zijn neergelegd in de artikelen 5, 6, 7, 8, 9 en 10 van deze Overeenkomst.
- a. Elke Overeenkomstsluitende Partij heeft echter de bevoegdheid, bij voertuigen die zijn geregistreerd in een land dat geen Partij is bij deze Overeenkomst, in plaats van het controle apparaat overeenkomstig de bepalingen van de Bijlage bij deze Overeenkomst, slechts handmatig door ieder bemanningslid ingevulde dagelijkse registratiebladen te eisen voor het tijdvak vanaf het tijdstip van binnenkomst op het grondgebied van de eerste Overeenkomstsluitende Partij.
- b. Hiertoe noteert elk bemanningslid op zijn registratieblad de informatie met betrekking tot zijn beroepsactiviteiten en rusttijden, met gebruikmaking van de juiste grafische symbolen als omschreven in artikel 12 van de Bijlage bij deze Overeenkomst.
Artikel 4. Algemene beginselen
Elke Overeenkomstsluitende Partij kan hogere minima of lagere maxima toepassen dan die welke zijn neergelegd in de artikelen 5 tot en met 8. De bepalingen van deze Overeenkomst blijven echter van toepassing op bestuurders die internationaal wegvervoer verrichten met voertuigen die zijn ingeschreven in een ander land dat Partij of geen Partij is bij deze Overeenkomst.
Artikel 5. Bemanning
De minimumleeftijd van de bij het vervoer van goederen betrokken bestuurders bedraagt
- a. voor voertuigen, daaronder begrepen, indien van toepassing, aanhangwagens of opleggers, waarvan het toelaatbare maximum totaalgewicht 7,5 ton niet te boven gaat, achttien jaar;
- b. voor andere voertuigen: 21 jaar of 18 jaar, mits de betrokkene in het bezit is van een getuigschrift van vakbekwaamheid dat erkend is door een van de Overeenkomstsluitende Partijen en waaruit blijkt dat hij een opleiding voor vrachtautobestuurders heeft gevolgd. De Overeenkomstsluitende Partijen informeren elkaar over het nationale minimale opleidingsniveau dat in hun land is vereist en over de andere relevante voorwaarden die van toepassing zijn op vrachtautobestuurders in internationaal vervoer overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst.
Bestuurders die tewerkgesteld zijn bij het vervoer van personen dienen de leeftijd van 21 jaar te hebben bereikt.
Bestuurders die tewerkgesteld zijn bij het vervoer van personen op trajecten buiten een straal van 50 kilometer vanaf de gebruikelijke standplaats van het voertuig dienen tevens aan een van de volgende voorwaarden te voldoen:
- a. gedurende ten minste een jaar gewerkt hebben als bestuurder betrokken bij het vervoer van goederen met voertuigen waarvan het toelaatbare maximum totaalgewicht 3,5 ton te boven gaat;
- b. gedurende ten minste een jaar gewerkt hebben als bestuurder betrokken bij het personenvervoer op trajecten binnen een straal van 50 kilometer vanaf de gebruikelijke standplaats van het voertuig, of bij andere vormen van personenvervoer die niet onder deze Overeenkomst vallen, mits de bevoegde autoriteit van mening is dat zij daardoor de vereiste ervaring hebben opgedaan;
- c. houder zijn van een getuigschrift van vakbekwaamheid dat is erkend door een van de Overeenkomstsluitende Partijen en waaruit blijkt dat hij een opleiding heeft voltooid voor bestuurders van voertuigen die zijn bestemd voor het vervoer van personen over de weg.
Artikel 6. Rijtijden
De dagelijkse rijtijd, als omschreven in artikel 1, onderdeel s, van deze Overeenkomst, mag ten hoogste 9 uren bedragen. Ten hoogste twee maal per week mag de rijtijd worden uitgebreid tot 10 uren.
De wekelijkse rijtijd, als omschreven in artikel 1, onderdeel t, van deze Overeenkomst, mag ten hoogste 56 uren bedragen.
De totale opgetelde rijtijd gedurende twee opeenvolgende weken mag ten hoogste 90 uren bedragen.
Rijtijden omvatten alle rijwerkzaamheden op het grondgebied van Overeenkomstsluitende en niet-Overeenkomstsluitende Partijen.
Een bestuurder dient de tijd doorgebracht als omschreven in artikel 1, onderdeel q, alsmede de tijd gedurende welke een voertuig wordt bestuurd voor commerciële activiteiten die niet onder het toepassingsgebied van deze Overeenkomst vallen, als andere werkzaamheden te registreren en dient alle tijdvakken van beschikbaarheid te registreren, als vermeld in artikel 12, paragraaf 3, onderdeel c, van de Bijlage bij deze Overeenkomst. Deze registratie geschiedt handmatig op een registratieblad of afdruk of door gebruikmaking van de functies voor handmatige invoer van het controle apparaat.
Artikel 7. Onderbrekingen
Na een rijperiode van vier en een half uur neemt een bestuurder een aaneengesloten onderbreking van ten minste vijfenveertig minuten, tenzij hij een rusttijd neemt.
Deze onderbreking, als omschreven in artikel 1, onderdeel n, van deze Overeenkomst, mag worden vervangen door een onderbreking van ten minste 15 minuten, gevolgd door een onderbreking van ten minste 30 minuten die zodanig over de rijperiode of onmiddellijk na deze periode worden verdeeld dat aan de vereisten van het eerste lid wordt voldaan.
Voor de toepassing van dit artikel worden de wachttijd en de tijd die niet aan rijden wordt besteed in een bewegend voertuig, op een veerboot of op een trein niet aangemerkt als „andere werkzaamheden” als omschreven in artikel 1, onderdeel q, van deze Overeenkomst; deze tijd mag als „onderbreking” worden aangemerkt.
De in dit artikel in acht genomen onderbrekingen mogen niet worden aangemerkt als dagelijkse rusttijd.
Artikel 8. Rusttijden
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.