Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Korea
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Korea, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen,
Partijen zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart en de Overeenkomst inzake de Doortocht van Internationale Luchtdiensten, die beide op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening werden opengesteld,
Geleid door de wens een Overeenkomst te sluiten met het doel luchtdiensten in te stellen en te exploiteren tussen en via hun onderscheiden grondgebieden,
Zijn hierbij als volgt overeengekomen:
Artikel 1
(1). Tenzij uit de inhoud van deze Overeenkomst anders mocht blijken hebben de volgende termen de daaraan hierbij toegekende betekenis:
- (a). onder „luchtvaartautoriteiten” wordt, wat de Republiek Korea betreft, verstaan de Minister van Verkeer en/of elke persoon of instelling die bevoegd is enige functie te vervullen, die thans door de Minister voornoemd wordt vervuld of soortgelijke functies; en wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst en/of elke persoon of instelling die bevoegd is enige functie te vervullen, die thans door de Directeur-Generaal voornoemd wordt vervuld of soortgelijke functies;
- (b). onder „aangewezen luchtvaartmaatschappij” wordt een luchtvaartmaatschappij verstaan die een der Overeenkomstsluitende Partijen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van deze Overeenkomst, door schriftelijke kennisgeving aan de andere Overeenkomstsluitende Partij, heeft aangewezen voor de exploitatie van luchtdiensten op de in de Bijlage bij deze Overeenkomst omschreven routes;
- (c). onder „grondgebied” in verband met een Overeenkomstsluitende Partij wordt verstaan het land en de daaraan grenzende territoriale wateren, die onder soevereiniteit, suzereiniteit, bescherming, beheer of bestuur van die Overeenkomstsluitende Partij staan;
- (d). onder „het Verdrag” wordt verstaan het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 te Chicago ter ondertekening werd opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig artikel 90 van dat Verdrag aangenomen bijlagen en alle overeenkomstig de artikelen 90 en 94 aangenomen wijzigingen van de bijlagen of van het Verdrag;
- (e). de benamingen „luchtdienst”, „internationale luchtdienst”, „luchtvaartmaatschappij” en „landing voor niet-commerciële doeleinden” hebben dezelfde betekenis als daaraan in artikel 96 van het Verdrag wordt toegekend;
- (f). onder „overeengekomen diensten” wordt verstaan alle geregelde luchtdiensten, uitgevoerd op de routes omschreven in de Bijlage bij deze Overeenkomst, of zoals gewijzigd in overeenstemming met artikel 13, tweede lid, van deze Overeenkomst.
(2). De Bijlage vormt een integrerend onderdeel van deze Overeenkomst en iedere verwijzing naar de „Overeenkomst” houdt, tenzij anders is bepaald, mede een verwijzing in naar de Bijlage.
Artikel 2
(1). Elke Overeenkomstsluitende Partij verleent aan de andere Overeenkomstsluitende Partij de in deze Overeenkomst omschreven rechten voor het instellen van overeengekomen diensten.
(2). Met inachtneming van de bepalingen van deze Overeenkomst geniet een door elke Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij de volgende voorrechten:
- (a). om zonder te landen over het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij te vliegen;
- (b). om op dat grondgebied te landen voor andere dan verkeersdoeleinden;
- (c). om op dat grondgebied te landen op de voor alle routes in de Bijlage bij deze Overeenkomst genoemde punten voor het afzetten en opnemen van passagiers, vracht en post in internationaal verkeer, afkomstig van of bestemd voor andere aldus aangewezen punten.
(3). Geen van de in het tweede lid van dit artikel genoemde voorrechten wordt geacht een luchtvaartmaatschappij van een der Overeenkomstsluitende Partijen het recht te geven tot het opnemen op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij van passagiers, vracht of post tegen vergoeding of beloning en bestemd voor een ander punt op het grondgebied van die andere Overeenkomstsluitende Partij.
Artikel 3
Elke Overeenkomstsluitende Partij heeft het recht langs diplomatieke weg bij een schriftelijke kennisgeving aan de andere Overeenkomstsluitende Partij een of meer luchtvaartmaatschappijen aan te wijzen voor de exploitatie van het internationale luchtvervoer op de in de bijlage omschreven routes en een eerder aangewezen luchtvaartmaatschappij te vervangen door een andere luchtvaartmaatschappij.
Na ontvangst van een dergelijke aanwijzing en van een aanvraag van de aangewezen luchtvaartmaatschappij, in de vorm en op de wijze die is voorgeschreven voor exploitatievergunningen, verleent elke Overeenkomstsluitende Partij onverwijld de aldus aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere Overeenkomstsluitende Partij de desbetreffende exploitatievergunningen met inachtneming van de bepalingen van dit artikel, mits:
- a. in het geval van (een) luchtvaartmaatschappij(en) aangewezen door het Koninkrijk der Nederlanden:
- i. de luchtvaartmaatschappij op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden gevestigd is overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en beschikt over een geldige exploitatievergunning afgegeven door een lidstaat van de Europese Unie in overeenstemming met het recht van de Europese Unie, en
- ii. de lidstaat van de Europese Unie die verantwoordelijk is voor de afgifte van het bewijs luchtvaartexploitant daadwerkelijk controleert of de luchtvaartmaatschappij de regelgeving naleeft en de desbetreffende luchtvaartautoriteit duidelijk wordt vermeld in de aanwijzing; en
- iii. de luchtvaartmaatschappij haar voornaamste plaats van bedrijfsuitoefening heeft op het grondgebied van de lidstaat van de Europese Unie waarvan zij de geldige exploitatievergunning heeft ontvangen, en
- iv. de luchtvaartmaatschappij rechtstreeks of via een meerderheidsbelang eigendom is van en daadwerkelijk onder toezicht staat van lidstaten van de Europese Unie en/of de Europese Vrijhandelsassociatie en/of van onderdanen van deze staten; en
- b. in het geval van (een) luchtvaartmaatschappij(en) aangewezen door de Republiek Korea:
- i. de luchtvaartmaatschappij op het grondgebied van de Republiek Korea gevestigd is en beschikt over een geldige exploitatievergunning afgegeven door de Republiek Korea in overeenstemming met de van toepassing zijnde wetten en voorschriften van de Republiek Korea, en
- ii. de Republiek Korea daadwerkelijk controleert of de luchtvaartmaatschappij de regelgeving naleeft en de desbetreffende luchtvaartautoriteit duidelijk wordt vermeld in de aanwijzing, en
- iii. de luchtvaartmaatschappij rechtstreeks of via een meerderheidsbelang eigendom is van en daadwerkelijk onder toezicht staat van de Republiek Korea en/of van onderdanen van de Republiek Korea; en
- c. de Overeenkomstsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij(en) aanwijst de in artikel 11bis over veiligheid van de luchtvaart en artikel 11ter over beveiliging van de luchtvaart vervatte normen handhaaft en toepast; en
- d. de aangewezen luchtvaartmaatschappij in staat is te voldoen aan de in de wetten en voorschriften gestelde voorwaarden die de Overeenkomstsluitende Partij die de aanvraag of aanvragen behandelt gewoonlijk toepast op de exploitatie van het internationale luchtvervoer.
Na ontvangst van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde exploitatievergunning kan (kunnen) de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) een aanvang maken met de exploitatie van het overeengekomen vervoer, mits zij de bepalingen van deze Overeenkomst naleeft (naleven).
Artikel 4
Luchtvaartuigen die door een door een Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij op de overeengekomen diensten worden gebruikt, alsook motorbrandstof, smeeroliën, reservedelen, normale uitrustingsstukken en boordproviand, ingevoerd op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij of op dat grondgebied aan boord van luchtvaartuigen genomen door of namens de andere Overeenkomstsluitende Partij of haar aangewezen luchtvaartmaatschappijen en uitsluitend bestemd voor gebruik door of in luchtvaartuigen van die luchtvaartmaatschappijen zullen door de eerstgenoemde Overeenkomstsluitende Partij ten aanzien van douanerechten, inspectiekosten en andere soortgelijke nationale of plaatselijke rechten en heffingen als volgt worden behandeld:
- (a). motorbrandstof, smeeroliën, reservedelen, normale uitrustingsstukken en boordproviand, die aan boord blijven na de laatst aangedane luchthaven voor het vertrek uit het genoemde grondgebied, zijn vrijgesteld; en
- (b). motorbrandstof, smeeroliën, reservedelen, normale uitrustingsstukken en boordproviand, niet behorende tot het onder (a) genoemde, worden behandeld op een basis, die niet minder gunstig is dan die welke van toepassing is op soortgelijke in het genoemde grondgebied ingevoerde voorraden en die bestemd zijn voor gebruik door of in de vliegtuigen van een nationale luchtvaartmaatschappij van de eerstgenoemde Overeenkomstsluitende Partij of van de meestbegunstigde buitenlandse luchtvaartmaatschappij, die internationale luchtdiensten onderhoudt. Deze behandeling geldt naast die tot de toepassing waarvan elk der Overeenkomstsluitende Partijen verplicht is ingevolge artikel 24 van het Verdrag en vermindert deze verplichting niet.
Artikel 5
Een aangewezen luchtvaartmaatschappij van elk der Overeenkomstsluitende Partijen is gemachtigd op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij zijn eigen technisch en administratief personeel te onderhouden ten einde de overeengekomen diensten te exploiteren, een en ander onverminderd de nationale voorschriften van de onderscheiden Overeenkomstsluitende Partijen.
Artikel 6
(1). Elke Overeenkomstsluitende Partij verleent aan een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere Overeenkomstsluitende Partij het recht van vrije overmaking in U.S.-dollars of, indien beide partijen daarmede instemmen, in een ander wettig betaalmiddel tegen de officiële wisselkoers op het tijdstip van overmaking, van het saldo der ontvangsten na aftrek der uitgaven, dat als winst is geboekt op het grondgebied der eerstgenoemde Overeenkomstsluitende Partij terzake van de exploitatie van de overeengekomen diensten door die aangewezen luchtvaartmaatschappij. De wijze van overmaken van dergelijke winsten dient evenwel in overeenstemming te zijn met de regelingen voor betalingen naar het buitenland zoals die van kracht zijn binnen het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partij, waar de winst is gemaakt.
(2). Ingeval het betalingsverkeer tussen de Overeenkomstsluitende Partijen is geregeld krachtens een bijzondere overeenkomst, wordt die overeenkomst toegepast.
Artikel 7
(1). De wetten en voorschriften van een Overeenkomstsluitende Partij met betrekking tot de toelating tot of het vertrek vanuit haar grondgebied van vliegtuigen, die internationale luchtdiensten onderhouden, of met betrekking tot de exploitatie en navigatie van zulke vliegtuigen tijdens hun verblijf binnen dit grondgebied zijn van toepassing op de vliegtuigen van een door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij en deze vliegtuigen dienen daaraan te voldoen bij aankomst in of vertrek uit of tijdens hun verblijf binnen het grondgebied van de eerstgenoemde Overeenkomstsluitende Partij.
(2). Aan het bepaalde in de wetten en voorschriften van een Overeenkomstsluitende Partij met betrekking tot de aankomst in, het verblijf binnen of het vertrek uit haar grondgebied van passagiers, bemanning, vracht of vliegtuigen, zoals voorschriften betreffende toelating, in- en uitklaring, immigratie, paspoorten, douane en quarantaine, moet worden voldaan bij aankomst in, vertrek uit of verblijf binnen het grondgebied van de eerstgenoemde Overeenkomstsluitende Partij.
Artikel 8
(1). Een aangewezen luchtvaartmaatschappij van elke Overeenkomstsluitende Partij wordt onbelemmerd en gelijkelijk in de gelegenheid gesteld de overeengekomen diensten van vervoer tussen de grondgebieden der beide Partijen te exploiteren.
(2). Bij het exploiteren van de overeengekomen diensten door een aangewezen luchtvaartmaatschappij van elk der Overeenkomstsluitende Partijen wordt rekening gehouden met de belangen van een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere Overeenkomstsluitende Partij ten einde de diensten die laatstgenoemde maatschappij over de gehele route of een gedeelte daarvan onderhoudt, niet te zeer aan te tasten.
(3). De door een aangewezen luchtvaartmaatschappij op de omschreven routes te onderhouden diensten hebben als eerste doel de verschaffing van capaciteit, die beantwoordt aan de vraag naar vervoer tussen het land, waar die luchtvaartmaatschappij gevestigd is en het land van uiteindelijke bestemming van het vervoer. Het recht van een aangewezen luchtvaartmaatschappij van elk der Overeenkomstsluitende Partijen tot laden en lossen op punten, gelegen op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij, van internationaal vervoer bestemd voor of afkomstig uit derde landen via de omschreven routes, wordt toegepast in overeenstemming met de algemene beginselen van normale afwikkeling, waaraan de beide Overeenkomstsluitende Partijen zich zullen houden, onverminderd de algemene beginselen volgens welke de capaciteit dient te zijn afgestemd op:
- (a). de vervoersbehoeften tussen het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partij, die een luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen en de bestemmingen van het vervoer op de omschreven routes;
- (b). de behoeften van het doorgaande luchtvervoer;
- (c). de vervoersbehoeften van het gebied dat door de luchtvaartmaatschappij wordt aangedaan, nadat rekening is gehouden met plaatselijke en regionale diensten; en
- (d). de toereikendheid van andere, door de luchtvaartmaatschappij van elk der beide Overeenkomstsluitende Partijen of door die van andere landen ingestelde, luchtdiensten tussen hun onderscheiden grondgebieden.
Artikel 9
(1). De tarieven geheven door de luchtvaartmaatschappij van een Overeenkomstsluitende Partij voor vervoer naar of van het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij dienen te worden vastgesteld op redelijk niveau, waarbij behoorlijk rekening wordt gehouden met alle daarvoor in aanmerking komende factoren, daaronder begrepen de exploitatiekosten, een redelijke winst, de kenmerkende eigenschappen van de dienst (zoals maatstaven voor snelheid en accommodatie) en de tarieven van andere luchtvaartmaatschappijen voor de omschreven routes of enig gedeelte daarvan.
(2). De in het eerste lid van dit artikel bedoelde tarieven, evenals de tarieven van de agentenprovisie die daarop worden verleend, dienen, indien mogelijk, in onderlinge overeenstemming tussen de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van beide Overeenkomstsluitende Partijen te worden vastgesteld en, waar zulks gewenst is, in onderling overleg met andere luchtvaartmaatschappijen, die de gehele route of een gedeelte daarvan exploiteren, en die overeenstemming dient, zo mogelijk, te worden bereikt door middel van de procedure van de Internationale Luchtvervoersvereniging („International Air Transport Association”) ter vaststelling van de tarieven.
(3). De aldus overeengekomen tarieven worden aan de luchtvaartautoriteiten van de beide Overeenkomstsluitende Partijen ter goedkeuring voorgelegd ten minste negentig (90) dagen voor de voorgestelde datum van invoering; in bijzondere gevallen kan dit tijdvak worden verkort, behoudens toestemming van de genoemde autoriteiten.
(4). Indien de betrokken aangewezen luchtvaartmaatschappijen niet tot overeenstemming kunnen komen omtrent een van deze tarieven, of indien om een andere reden een tarief niet kan worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid van dit artikel, of indien gedurende de eerste dertig (30) dagen van de periode van negentig (90) dagen genoemd in het derde lid van dit artikel de ene Overeenkomstsluitende Partij aan de andere Overeenkomstsluitende Partij kennisgeving doet van haar ontevredenheid over een tarief vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid van dit artikel, trachten de luchtvaartautoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen in onderling overleg het tarief vast te stellen.
(5). Indien de luchtvaartautoriteiten niet tot overeenstemming kunnen komen omtrent de goedkeuring van een hun volgens het derde lid van dit artikel voorgelegd tarief en omtrent de vaststelling van een tarief volgens het vierde lid, wordt het geschil opgelost overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van deze Overeenkomst.
(6). Geen tarief wordt van kracht indien de luchtvaartautoriteiten van een der Overeenkomstsluitende Partijen dit niet hebben goedgekeurd.
(7). De overeenkomstig de bepalingen van dit artikel vastgestelde tarieven blijven van kracht totdat nieuwe tarieven zijn vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.
Artikel 10
Ten einde een nauwe samenwerking te verzekeren ten aanzien van alles wat op de uitvoering van deze Overeenkomst betrekking heeft en ten einde iedere mogelijke onderlinge samenwerking en bijstand tussen de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van beide Partijen voor een billijke en evenwichtige exploitatie van de overeengekomen luchtdiensten te bevorderen wordt door de luchtvaartautoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen overleg gepleegd op verzoek van die autoriteiten.
Artikel 11
Bewijzen van luchtwaardigheid, bewijzen van bevoegdheid en vergunningen, uitgereikt of geldig verklaard door een der Overeenkomstsluitende Partijen en welke niet zijn verlopen, worden door de andere Overeenkomstsluitende Partij als geldig erkend wat betreft de exploitatie van de routes en diensten, voorzien in deze Overeenkomst, mits de vereisten die bij de uitgifte of de geldigverklaring van bedoelde bewijzen en vergunningen zijn gesteld ten minste gelijk zijn aan de minimummaatstaven, die mogen worden aangelegd krachtens het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart. Elke Overeenkomstsluitende Partij behoudt zich evenwel het recht voor om, wat betreft het vliegen over haar eigen grondgebied, de aan haar eigen onderdanen door een andere staat verleende bewijzen van bevoegdheid en vergunningen niet als geldig te erkennen.
Artikel 12
(1). Indien tussen de Overeenkomstsluitende Partijen een geschil mocht ontstaan omtrent de uitlegging of toepassing van deze Overeenkomst, trachten de Overeenkomstsluitende Partijen in de eerste plaats het geschil te regelen door onderling overleg. Dit overleg moet een aanvang nemen binnen zestig (60) dagen na ontvangst van het verzoek van een der Partijen door de andere Partij.
(2). Indien de Overeenkomstsluitende Partijen er niet in slagen door middel van overleg een regeling te treffen, wordt het geschil ter beslissing voorgelegd aan een scheidsgerecht van drie scheidsrechters, van wie er een door elk der Overeenkomstsluitende Partijen wordt aangewezen terwijl over de derde overeenstemming moet worden bereikt door de aldus gekozen twee scheidsrechters, onder het voorbehoud dat een zodanige derde scheidsrechter geen onderdaan is van een der beide Overeenkomstsluitende Partijen. Elk der Overeenkomstsluitende Partijen benoemt binnen twee (2) maanden na de overhandiging door een der Partijen aan de andere Partij van een diplomatieke nota, waarin om voorlegging van het geschil wordt verzocht, haar scheidsrechter en ten aanzien van de derde scheidsrechter moet binnen een (1) maand na een zodanige periode van twee (2) maanden overeenstemming zijn bereikt. Indien een der beide Overeenkomstsluitende Partijen in gebreke blijft haar scheidsrechter binnen de vastgestelde tijd aan te wijzen of indien geen overeenstemming wordt bereikt ten aanzien van de derde scheidsrechter kan door elk der beide Overeenkomstsluitende Partijen aan de President van de Raad van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie worden verzocht een scheidsrechter of eventueel scheidsrechters te benoemen. In dat geval dient de derde scheidsrechter een onderdaan te zijn van een derde staat en dient hij op te treden als President van het scheidsgerecht.
(3). Tenzij door de Overeenkomstsluitende partijen hierin op andere wijze is voorzien bepaalt het scheidsgerecht waar het zitting zal houden en stelt het zijn eigen procedureregels vast.
(4). Het scheidsgerecht tracht het geschil met eenparigheid van stemmen op te lossen. Indien dit evenwel niet mogelijk is wordt het geschil opgelost bij meerderheid van stemmen.
(5). De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe, zich te houden aan iedere ingevolge het tweede, derde en vierde lid van dit artikel genomen beslissing.
Artikel 13
(1). Indien een der Overeenkomstsluitende Partijen het wenselijk acht de bepalingen van deze Overeenkomst te wijzigen, kan zij om overleg met de andere Overeenkomstsluitende Partij verzoeken. Dit overleg vangt aan binnen een termijn van zestig (60) dagen te rekenen van de datum van het verzoek. Aldus overeengekomen wijzigingen worden van kracht wanneer zij zijn bevestigd door een diplomatieke notawisseling.
(2). Wijzigingen van routes worden niet beschouwd als een wijziging van deze Overeenkomst en zij kunnen tot stand worden gebracht door rechtstreekse overeenstemming tussen de luchtvaartautoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen.
Artikel 14
Elke Overeenkomstsluitende Partij kan te allen tijde aan de andere Overeenkomstsluitende Partij mededeling doen dat zij besloten is deze Overeenkomst te beëindigen. Deze mededeling wordt tegelijkertijd gezonden aan de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie. Indien een dergelijke mededeling wordt gedaan loopt de Overeenkomst af twaalf (12) maanden na de datum van ontvangst van de mededeling door de andere Overeenkomstsluitende Partij, tenzij de mededeling in onderling overleg tussen de Overeenkomstsluitende Partijen voor het einde van deze termijn wordt ingetrokken. Indien van de andere Overeenkomstsluitende Partij geen ontvangstbevestiging wordt ontvangen, wordt de mededeling geacht te zijn ontvangen veertien (14) dagen na ontvangst van de mededeling door de Raad van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie.
Artikel 15
Indien een algemeen multilateraal Verdrag inzake luchtvervoer voor beide Overeenkomstsluitende Partijen in werking treedt, wordt deze Overeenkomst zodanig gewijzigd dat zij aansluit bij de bepalingen van een zodanig Verdrag.
Artikel 16
Deze Overeenkomst en alle daarin in overeenstemming met artikel 13 aangebrachte wijzigingen zullen bij de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie worden geregistreerd.
Artikel 17
(1). Deze Overeenkomst dient door elke Overeenkomstsluitende Partij te worden goedgekeurd overeenkomstig haar wettelijke procedure en zal in werking treden op de dag van de uitwisseling van diplomatieke nota's die deze goedkeuring bevestigen.
(2). Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is de Overeenkomst slechts van toepassing op het Rijk in Europa.
IN WITNESS WHEREOF, the undersigned Plenipotentiaries, being duly authorized by their respective Governments, have signed this Agreement and affixed thereto their seals.
DONE at The Hague on 24 June 1970 in duplicate in the English language.
For the Government of the Kingdom of the Netherlands:
(sd.) J. LUNS
For the Government of the Republic of Korea:
(sd.) JIN SANG AN
Artikel 3bis
Elke Overeenkomstsluitende Partij heeft het recht de exploitatievergunningen van een door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij te weigeren, in te trekken, op te schorten of te beperken, wanneer:
- a. in het geval van (een) luchtvaartmaatschappij(en) aangewezen door het Koninkrijk der Nederlanden:
- i. de luchtvaartmaatschappij niet op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden gevestigd is overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of niet beschikt over een geldige exploitatievergunning uitgegeven door een lidstaat van de Europese Unie in overeenstemming met het recht van de Europese Unie, of
- ii. de lidstaat van de Europese Unie die verantwoordelijk is voor de afgifte van het bewijs luchtvaartexploitant niet daadwerkelijk controleert of de aangewezen luchtvaartmaatschappij de regelgeving naleeft of de desbetreffende luchtvaartautoriteit niet duidelijk wordt vermeld in de aanwijzing, of
- iii. de luchtvaartmaatschappij niet haar voornaamste plaats van bedrijfsuitoefening heeft op het grondgebied van de lidstaat van de Europese Unie waarvan zij de geldige exploitatievergunning heeft ontvangen, of
- iv. de luchtvaartmaatschappij niet rechtstreeks of via een meerderheidsbelang eigendom is van of niet daadwerkelijk onder toezicht staat van lidstaten van de Europese Unie en/of de Europese Vrijhandelsassociatie en/of van onderdanen van deze staten, of
- v. de luchtvaartmaatschappij reeds luchtvervoer mag exploiteren uit hoofde van een bilaterale overeenkomst tussen de Republiek Korea en een andere lidstaat van de Europese Unie en de Republiek Korea kan aantonen dat zij door het uitoefenen van vervoersrechten uit hoofde van deze Overeenkomst op een route die een punt in die andere lidstaat van de Europese Unie omvat de door deze andere overeenkomst opgelegde beperkingen in vervoersrechten zou omzeilen, of
- vi. de luchtvaartmaatschappij beschikt over een bewijs luchtvaartexploitant afgegeven door een lidstaat van de Europese Unie en er geen bilaterale luchtvaartovereenkomst tussen de Republiek Korea en deze lidstaat van de Europese Unie is en deze lidstaat van de Europese Unie de door de Republiek Korea aangewezen luchtvaartmaatschappij vervoersrechten heeft geweigerd; en
- b. in het geval van (een) luchtvaartmaatschappij(en) aangewezen door de Republiek Korea:
- i. de luchtvaartmaatschappij niet gevestigd is op het grondgebied van de Republiek Korea of niet beschikt over een geldige exploitatievergunning in overeenstemming met de van toepassing zijnde wetten en voorschriften van de Republiek Korea; of
- ii. de Republiek Korea niet daadwerkelijk controleert of de luchtvaartmaatschappij de regelgeving naleeft of de desbetreffende luchtvaartautoriteit niet duidelijk wordt vermeld in de aanwijzing, of
- iii. de luchtvaartmaatschappij niet rechtstreeks of via een meerderheidsbelang eigendom is van en daadwerkelijk onder toezicht staat van de Republiek Korea en/of van onderdanen van de Republiek Korea; of
- c. de Overeenkomstsluitende Partij de in artikel 11bis inzake veiligheid van de luchtvaart en artikel 11ter inzake beveiliging van de luchtvaart vervatte normen niet handhaaft of toepast; of
- d. de luchtvaartmaatschappij verzuimd heeft te voldoen aan de wetten en voorschriften die de Overeenkomstsluitende Partij die de rechten toekent gewoonlijk en redelijkerwijs toepast op de exploitatie van internationaal luchtvervoer.
Tenzij onmiddellijk ingrijpen van wezenlijk belang is ter voorkoming van verdere inbreuken op het eerste lid van dit artikel, worden de bij dit artikel vastgestelde rechten slechts uitgeoefend na overleg met de andere Overeenkomstsluitende Partij. Tenzij anders overeengekomen door de Overeenkomstsluitende Partijen, vangt dergelijk overleg aan binnen een termijn van dertig (30) dagen na de datum van ontvangst van het verzoek.
Artikel 11bis
Elke Overeenkomstsluitende Partij kan te allen tijde verzoeken om overleg over de veiligheidsnormen die door de andere Overeenkomstsluitende Partij worden gehandhaafd op gebieden die betrekking hebben op luchtvaartvoorzieningen, bemanning, luchtvaartuigen of de exploitatie van luchtvaartuigen. Dergelijk overleg vindt plaats binnen dertig (30) dagen na dat verzoek.
Indien een Overeenkomstsluitende Partij na dergelijk overleg oordeelt dat de andere Overeenkomstsluitende Partij op een van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde gebieden de veiligheidsnormen niet op doeltreffende wijze handhaaft en toepast die voldoen aan de normen die op dat moment uit hoofde van het Verdrag van Chicago zijn vastgesteld, stelt de eerstgenoemde Overeenkomstsluitende Partij de andere Overeenkomstsluitende Partij in kennis van dit oordeel en de noodzakelijk geachte stappen om te voldoen aan die normen, en die andere Overeenkomstsluitende Partij neemt binnen vijftien (15) dagen of binnen een overeen te komen langere termijn passende corrigerende maatregelen. Indien de andere Overeenkomstsluitende Partij nalaat binnen de overeengekomen termijn passende maatregelen te nemen, is dit aanleiding voor toepassing van artikel 3bis van deze Overeenkomst.
Ingevolge artikel 16 van het Verdrag van Chicago wordt voorts overeengekomen dat elk luchtvaartuig dat door of, wanneer goedgekeurd, namens een luchtvaartmaatschappij van de ene Overeenkomstsluitende Partij wordt geëxploiteerd op vervoer naar of van het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij, terwijl het zich op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij bevindt, mag worden onderworpen aan een inspectie door de bevoegde vertegenwoordigers van de andere Overeenkomstsluitende Partij, aan boord en rond het luchtvaartuig om zowel de geldigheid van de documenten van het luchtvaartuig als die van zijn bemanning en de kennelijke toestand van het luchtvaartuig en zijn uitrusting te controleren (in dit artikel „platforminspectie” genoemd), mits dit niet leidt tot onredelijke vertraging bij de exploitatie van het luchtvaartuig.
Indien een dergelijke platforminspectie of reeks platforminspecties leidt tot:
- a. ernstige bezorgdheid dat een luchtvaartuig of de exploitatie van een luchtvaartuig niet voldoet aan de minimumnormen die op dat moment zijn vastgesteld uit hoofde van het Verdrag, of
- b. ernstige bezorgdheid dat de op dat moment uit hoofde van het Verdrag vastgestelde veiligheidsnormen onvoldoende worden gehandhaafd en vastgelegd,
staat het de Overeenkomstsluitende Partij die de inspectie verricht vrij, voor de toepassing van artikel 33 van het Verdrag van Chicago, de conclusie te trekken dat de vereisten krachtens welke de bewijzen of de vergunningen ten aanzien van dat luchtvaartuig of ten aanzien van de bemanning van dat luchtvaartuig zijn afgegeven of geldig verklaard, of dat de vereisten uit hoofde waarvan dat luchtvaartuig wordt geëxploiteerd niet gelijk zijn aan of zwaarder dan de minimumnormen die zijn vastgesteld uit hoofde van het Verdrag van Chicago.
Ingeval toegang ten behoeve van de uitvoering van een platforminspectie in overeenstemming met het derde lid van dit artikel van een door een aangewezen luchtvaartmaatschappij van een Overeenkomstsluitende Partij geëxploiteerd luchtvaartuig door een vertegenwoordiger van die luchtvaartmaatschappij wordt geweigerd, staat het de andere Overeenkomstsluitende Partij vrij daaruit af te leiden dat er aanleiding is voor ernstige bezorgdheid als bedoeld in het vierde lid van dit artikel en de conclusies te trekken zoals bedoeld in dat lid.
Elke Overeenkomstsluitende Partij behoudt zich het recht voor de exploitatievergunning van een luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de andere Overeenkomstsluitende Partij onmiddellijk op te schorten of daarvan af te wijken, ingeval de eerstgenoemde Overeenkomstsluitende Partij concludeert dat, hetzij naar aanleiding van een platforminspectie, een reeks platforminspecties, een weigering van toegang voor platforminspecties, overleg of anderszins, dat onverwijld ingrijpen essentieel is om de veiligheid van de exploitatie van de luchtvaartmaatschappij te waarborgen.
Een maatregel door een Overeenkomstsluitende Partij in overeenstemming met het tweede of zesde lid van dit artikel wordt beëindigd, zodra de aanleiding voor de maatregel ophoudt te bestaan.
Indien het Koninkrijk der Nederlanden een luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen en een andere lidstaat van de Europese Unie controleert of deze de regelgeving naleeft, zijn de rechten van de Republiek Korea uit hoofde van dit artikel op dezelfde wijze van toepassing op de aanneming, uitoefening en handhaving van veiligheidsnormen door die andere lidstaat van de Europese Unie en op de exploitatievergunning van die luchtvaartmaatschappij.
Artikel 11ter
Overeenkomstig hun rechten en verplichtingen ingevolge het internationale recht, bevestigen de Overeenkomstsluitende Partijen opnieuw dat hun verplichting jegens elkaar de burgerluchtvaart te beveiligen tegen daden van wederrechtelijke inmenging een integrerend onderdeel uitmaakt van deze Overeenkomst. Zonder hun rechten en verplichtingen ingevolge het internationale recht in het algemeen te beperken handelen de Overeenkomstsluitende Partijen in het bijzonder overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen, gedaan te Tokio op 14 september 1963, het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen, gedaan te ’s-Gravenhage op 16 december 1970, het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, gedaan te Montreal op 23 september 1971, het Aanvullend Protocol daarbij tot bestrijding van wederrechtelijke daden van geweld op luchthavens voor de internationale burgerluchtvaart, gedaan te Montreal op 24 februari 1988, het Verdrag inzake het merken van kneedspringstoffen ten behoeve van de opsporing ervan, gedaan te Montreal op 1 maart 1991, alsmede elk ander verdrag inzake de beveiliging van de burgerluchtvaart dat voor beide Overeenkomstsluitende Partijen bindend wordt.
De Overeenkomstsluitende Partijen verlenen elkaar op verzoek alle nodige bijstand ter voorkoming van gedragingen van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van burgerluchtvaartuigen en andere wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van deze luchtvaartuigen, de passagiers en bemanning daarvan, luchthavens en luchtvaartvoorzieningen, alsmede elke andere bedreiging voor de beveiliging van de burgerluchtvaart.
De Overeenkomstsluitende Partijen handelen, in hun onderlinge betrekkingen, in overeenstemming met de bepalingen inzake beveiliging van de luchtvaart vastgesteld door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie en aangeduid als Bijlagen bij het Verdrag van Chicago, voor zover deze bepalingen inzake beveiliging van toepassing zijn op de Overeenkomstsluitende Partijen. De Overeenkomstsluitende Partijen verlangen dat hun luchtvaartmaatschappijen en luchthavenexploitanten op hun grondgebied handelen in overeenstemming met dergelijke bepalingen inzake beveiliging van de luchtvaart.
Elke Overeenkomstsluitende Partij stemt ermee in dat van haar luchtvaartmaatschappijen kan worden verlangd dat deze de in het derde lid van dit artikel bedoelde bepalingen inzake beveiliging van de luchtvaart in acht nemen die door de andere Overeenkomstsluitende Partij zijn voorgeschreven voor de binnenkomst op, het vertrek uit of het verblijf op het grondgebied van die andere Overeenkomstsluitende Partij. Bij binnenkomst op, vertrek uit of verblijf op het grondgebied van de Republiek Korea wordt van luchtvaartmaatschappijen verlangd dat zij de bepalingen inzake beveiliging van de luchtvaart in acht nemen in overeenstemming met de wetten en voorschriften van de Republiek Korea. Bij binnenkomst op, vertrek uit of verblijf op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden wordt van luchtvaartmaatschappijen verlangd dat zij de bepalingen inzake beveiliging van de luchtvaart in acht nemen in overeenstemming met het recht van de Europese Unie.
Elke Overeenkomstsluitende Partij waarborgt dat op haar grondgebied adequate maatregelen op doeltreffende wijze worden uitgevoerd om de luchtvaartuigen te beschermen en dat passagiers, bemanning, handbagage, bagage, vracht, catering aan boord en proviand vóór en tijdens het aan boord gaan of het laden aan controles worden onderworpen. Elke Overeenkomstsluitende Partij neemt tevens elk verzoek van de andere Overeenkomstsluitende Partij binnen redelijke grenzen bijzondere beveiligingsmaatregelen te nemen om een specifieke dreiging het hoofd te bieden, in welwillende overweging.
Wanneer een incident van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van een burgerluchtvaartuig of andere wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van een burgerluchtvaartuig, zijn passagiers en bemanning, luchthavens of luchtvaartvoorzieningen plaatsvindt of dreigt plaats te vinden, verlenen de Overeenkomstsluitende Partijen elkaar bijstand door het vergemakkelijken van de communicatie en andere passende maatregelen teneinde snel en veilig een einde te maken aan een dergelijk incident of dergelijke dreiging.
Wanneer een Overeenkomstsluitende Partij redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de andere Overeenkomstsluitende Partij is afgeweken van de bepalingen inzake beveiliging van de luchtvaart in dit artikel, kunnen de luchtvaartautoriteiten van de eerstgenoemde Overeenkomstsluitende Partij verzoeken om onverwijld overleg met de luchtvaartautoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partij.
Indien zij er niet in slagen binnen vijftien (15) dagen na aanvang van dergelijk overleg tot een bevredigende oplossing te komen, vormt dit een grond voor het weigeren, intrekken, opschorten of opleggen van voorwaarden ten aanzien van de exploitatievergunning van de luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen die door de andere Overeenkomstsluitende Partij is of zijn aangewezen. Indien zulks gerechtvaardigd is vanwege een noodgeval of om verdere inbreuken op de bepalingen van dit artikel te voorkomen, kan de eerste Overeenkomstsluitende Partij te allen tijde tussentijdse maatregelen nemen.
IN WITNESS WHEREOF, the undersigned Plenipotentiaries, being duly authorized by their respective Governments, have signed this Agreement and affixed thereto their seals.
DONE at The Hague on 24 June 1970 in duplicate in the English language.
For the Government of the Kingdom of the Netherlands:
(sd.) J. LUNS
For the Government of the Republic of Korea:
(sd.) JIN SANG AN
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)