Overeenkomst betreffende de rechtspositie van het personeel van de staten van herkomst dat is verbonden aan een internationaal militair hoofdkwartier van de NAVO in de Bondsrepubliek Duitsland
Het Koninkrijk België,
Canada,
de Bondsrepubliek Duitsland,
het Koninkrijk der Nederlanden,
het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
en
de Verenigde Staten van Amerika
zijn overeengekomen als volgt:
Artikel 1
(1). In deze Overeenkomst wordt verstaan onder:
- a). „NAVO-Statusverdrag”: het op 19 juni 1951 te Londen ondertekende Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten;
- b). „Aanvullende Overeenkomst”: de op 3 augustus 1959 te Bonn ondertekende Aanvullende Overeenkomst bij het NAVO-Verdrag nopens de rechtspositie der krijgsmachten betreffende de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde buitenlandse krijgsmachten, met Protocol van ondertekening;
- c). „Protocol”: het op 28 augustus 1952 te Parijs ondertekende Protocol nopens de rechtspositie van internationale militaire hoofdkwartieren, ingesteld uit hoofde van het Noord-Atlantisch Verdrag;
- d). „Hoofdkwartier”: ieder krachtens het Noord-Atlantisch Verdrag in de Bondsrepubliek Duitsland gevestigd internationaal militair hoofdkwartier van de NAVO;
- e). „staat van herkomst”: een der Overeenkomstsluitende Partijen, met uitzondering van de Bondsrepubliek Duitsland.
(2). Behoudens waar in de artikelen 2 en 3 wordt verwezen naar in het NAVO-Statusverdrag en in de Aanvullende Overeenkomst gebruikte termen, betekent in dit Verdrag de term:
- a). „krijgsmacht”: het personeel behorende tot de land-, zee- of luchtstrijdkrachten van een staat van herkomst;
- b). „civiele dienst": het burgerpersoneel in dienst bij de land-, zee- of luchtstrijdkrachten van een staat van herkomst, met uitzondering van staatloze personen, of onderdanen van een Staat welke niet partij is bij het Noord-Atlantisch Verdrag, of onderdanen van de Bondsrepubliek Duitsland of personen die in de Bondsrepubliek Duitsland hun verblijfplaats plegen te hebben;
- c). „gezinslid”:
- (i). de echtgeno(o)t(e) van een lid van een krijgsmacht of van civiele dienst, of een kind dat van hem of haar afhankelijk is voor zijn onderhoud;
- (ii). een naaste bloedverwant van een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst, niet vallende onder de omschrijving, gegeven onder (i) van deze paragraaf, die financieel of om gezondheidsredenen afhankelijk is van en wordt onderhouden door een zodanig lid, die bij een zodanig lid woont en zich met toestemming van de autoriteiten van de krijgsmacht op het grondgebied van de Bondsrepubliek bevindt;
- (iii). de onder (i) en (ii) van deze paragraaf genoemde personen onder de voorwaarden vermeld in paragraaf b) van het tweede lid van artikel 2 van de Aanvullende Overeenkomst, gedurende een tijdvak van negentig dagen na het overlijden of de overplaatsing van dat lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst.
Artikel 2
De rechtspositie van de leden van een krijgsmacht of civiele dienst, die zijn verbonden aan een Hoofdkwartier en van hun gezinsleden wordt geregeld door de bepalingen van het NAVO-Statusverdrag en de Aanvullende Overeenkomst, die toepasselijk zijn op de rechtspositie van leden van een krijgsmacht of civiele dienst en van hun gezinsleden in de zin van de paragrafen (a) tot (c) van het eerste lid van artikel I van het NAVO-Statusverdrag en van het tweede lid van artikel 2 van de Aanvullende Overeenkomst.
Artikel 3
Ter zake van de rechtspositie van de personen bedoeld in artikel 2 van deze Overeenkomst, hebben de staten van herkomst en de Bondsrepubliek Duitsland de rechten en verplichtingen die hun zijn verleend of opgelegd ingevolge het NAVO-Statusverdrag en de Aanvullende Overeenkomst met betrekking tot de leden van de krijgsmacht, de civiele dienst en hun gezinsleden, in zoverre de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit het NAVO-Statusverdrag niet ingevolge het Protocol zijn op- of overgedragen aan het bevoegde Algemene Hoofdkwartier en de daaraan verantwoordelijke autoriteiten.
Artikel 4
(1). Deze Overeenkomst dient te worden bekrachtigd of goedgekeurd. Elke ondertekenende Staat dient zijn akte van bekrachtiging of goedkeuring neder te leggen bij de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, die alle andere ondertekenende Staten mededeling doet van de datum van deze nederlegging.
(2). Deze Overeenkomst treedt in werking dertig dagen na de nederlegging van de akten van bekrachtiging of goedkeuring door de Bondsrepubliek Duitsland en door ten minste een andere ondertekenende Staat, maar niet alvorens het Protocol in werking is getreden voor de Bondsrepubliek Duitsland. Voor elke andere ondertekenende Staat treedt deze Overeenkomst in werking dertig dagen na de nederlegging van de akte van bekrachtiging of goedkeuring door die Staat.
(3). Deze Overeenkomst treedt buiten werking:
- a). wanneer het Protocol of het NAVO-Statusverdrag of de Aanvullende Overeenkomst voor de Bondsrepubliek Duitsland buiten werking treedt;
- b). tussen de Bondsrepubliek Duitsland en een andere Overeenkomstsluitende Partij, wanneer het Protocol of het NAVO-Statusverdrag of de Aanvullende Overeenkomst voor die Overeenkomstsluitende Partij buiten werking treedt.
(4). Deze Overeenkomst wordt herzien:
- a). wanneer het NAVO-Statusverdrag overeenkomstig het bepaalde in artikel XVII van dat Verdrag wordt herzien;
- b). wanneer de Aanvullende Overeenkomst overeenkomstig het bepaalde in artikel 82 van die Overeenkomst wordt herzien.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned representatives, duly authorized thereto, have signed the present Agreement.
DONE at Bonn this 7th day of February 1969 in the English, French, and German languages, all three texts being equally authoritative, in a single original which shall be deposited in the archives of the Government of the Federal Republic of Germany, which shall transmit a certified copy to each of the other signatory States.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.