Europese Overeenkomst betreffende personen die deelnemen aan procedures voor de Europese Commissie en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens
De Lid-Staten van de Raad van Europa die deze Overeenkomst hebben ondertekend,
Gelet op het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna te noemen „het Verdrag”);
Overwegende dat het voor een betere verwezenlijking van de doelstellingen van hetVerdrag wenselijk is dat aan personen die deelnemen aan procedures voor de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens (hierna te noemen „de Commissie”) of voor het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna te noemen „het Hof”) bepaalde immuniteiten worden toegekend en faciliteiten worden verleend;
Verlangende te dien einde een overeenkomst te sluiten,
Zijn als volgt overeengekomen:
Artikel 1
De personen op wie de onderhavige Overeenkomst van toepassing is, zijn:
- (a). vertegenwoordigers van de Overeenkomstsluitende Partijen, benevens de adviseurs en de rechtskundige raadslieden die hen bijstaan;
- (b). personen die deelnemen aan de procedures aanhangig gemaakt bij de Commissie ingevolge artikel 25 van het Verdrag, hetzij voor zichzelf, hetzij als vertegenwoordigers van indieners van verzoekschriften, bedoeld in het genoemde artikel 25;
- (c). advocaten, procureurs of hoogleraren in de rechtswetenschappen die deelnemen aan de procedures om een der personen bedoeld in het eerste lid, letter b, van dit artikel, bij te staan;
- (d). personen gekozen door de afgevaardigden van de Commissie om hen bij te staan in procedures voor het Hof;
- (e). getuigen, deskundigen en andere personen opgeroepen door de Commissie of het Hof om deel te nemen aan een procedure voor de Commissie of het Hof.
In deze Overeenkomst wordt onder de termen „Commissie” en „Hof” mede verstaan een subcommissie of Kamer, of leden van elk van deze lichamen, in de uitoefening van de functies hun toebedeeld bij het Verdrag, dan wel bij de huishoudelijke reglementen van het Hof of van de Commissie; onder de term „deelnemen aan de procedure” wordt mede verstaan iedere handeling ter voorbereiding van het indienen van een klacht tegen een Staat, die het individuele klachtrecht overeenkomstig artikel 25 van het Verdrag heeft erkend.
Indien bij de uitoefening door het Comité van Ministers van zijn bevoegdheden ingevolge artikel 32 van het Verdrag een der personen genoemd in het eerste lid van dit artikel wordt opgeroepen om te verschijnen voor of schriftelijke verklaringen in te dienen bij het Comité van Ministers, zijn ook op hem de bepalingen van deze Overeenkomst van toepassing.
Artikel 2
De personen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van deze Overeenkomst genieten vrijdom van rechtsvervolging ten aanzien van mondelinge of schriftelijke verklaringen afgelegd tegenover, of ten aanzien van documenten of ander bewijsmateriaal door hen overgelegd aan, de Commissie of het Hof.
Deze vrijdom geldt niet voor gehele of gedeeltelijke mededeling buiten de Commissie of het Hof gedaan van afgelegde verklaringen of overgelegde documenten en ander bewijsmateriaal, indien die mededeling door of namens personen, gerechtigd tot de vrijdom gegeven in het voorgaande lid, is gedaan.
Artikel 3
De Overeenkomstsluitende Partijen eerbiedigen het recht van de personen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van deze Overeenkomst, vrijelijk te corresponderen met de Commissie en het Hof.
Voor wat betreft zich in hechtenis bevindende personen houdt de uitoefening van dit recht met name in dat:
- (a). indien hun correspondentie door de bevoegde autoriteiten wordt gecontroleerd, deze niettemin zonder onnodige vertraging en zonder te zijn gewijzigd wordt verzonden dan wel aan hen bezorgd;
- (b). tegen zodanige personen geen disciplinaire maatregelen in welke vorm ook worden genomen wegens mededelingen gedaan aan de Commissie of het Hof via de gewone kanalen;
- (c). zodanige personen het recht hebben ter zake van een aan de Commissie gericht verzoekschrift of een daaruit voortvloeiende procedure briefwisseling te voeren en, buiten het gehoor van anderen, overleg te plegen met een raadsman die bevoegd is op te treden voor rechtscolleges van het land waar zij in hechtenis worden gehouden.
Bij de toepassing van de voorgaande leden van dit artikel onthoudt het openbaar gezag zich van inmenging, tenzij de wet daarin voorziet en het betrokken optreden in een democratische samenleving noodzakelijk is voor de nationale veiligheid, de opsporing en de vervolging van een strafbaar feit of de bescherming van de gezondheid.
Artikel 4
- (a). De Overeenkomstsluitende Partijen nemen de verplichting op zich, aan de in het eerste lid van artikel 1 van deze Overeenkomst bedoelde personen, wier aanwezigheid door de Commissie of het Hof van tevoren is goedgekeurd, geen beperkingen wat betreft hun vrijheid van beweging en het maken van reizen met het doel aan procedures voor de Commissie of het Hof deel te nemen en daarvan terug te keren.
- (b). Aan hun vrijheid van beweging en van reizen mogen alleen die beperkingen worden opgelegd waarin de wet voorziet en die in een democratische samenleving geboden zijn in het belang van de nationale of de openbare veiligheid, voor de handhaving der openbare orde, het voorkomen van misdrijven, de bescherming van de gezondheid of de zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
- (a). Deze personen worden in de landen, waar doorheen zij reizen, alsook in het land waar de procedure plaats vindt, niet gerechtelijk vervolgd, noch in hechtenis genomen, noch op enige andere wijze in hun persoonlijke vrijheid beperkt, ter zake van feiten of veroordelingen daterend van voor de aanvang van de reis.
- (b). Elke Overeenkomstsluitende Partij kan op het tijdstip van ondertekening van of nederlegging van de akte van bekrachtiging van deze Overeenkomst verklaren dat dit lid niet van toepassing is op haar onderdanen. Een dergelijke verklaring kan te allen tijde ingetrokken worden door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
De Overeenkomstsluitende Partijen nemen de verplichting op zich alle zodanige personen die hun reis op hun grondgebied hebben aangevangen, bij hun terugkeer, daarop wederom toe te laten.
Het in het eerste en tweede lid van dit artikel bepaalde is niet langer van toepassing wanneer de betrokken persoon gedurende vijftien achtereenvolgende dagen, te rekenen van de datum waarop zijn tegenwoordigheid niet langer door de Commissie of het Hof werd verlangd, gelegenheid heeft gehad terug te keren naar het land waar hij zijn reis heeft aangevangen.
In geval van tegenstrijdigheid tussen de verplichtingen van een Overeenkomstsluitende Partij voortvloeiende uit het tweede lid van dit artikel en die welke voortvloeien uit een Verdrag van de Raad van Europa, een uitleveringsverdrag of enig ander verdrag betreffende wederzijdse bijstand in strafzaken dat is gesloten met andere Overeenkomstsluitende Partijen, gelden de bepalingen van het tweede lid van dit artikel.
Artikel 5
De vrijdommen en faciliteiten worden aan de in het eerste lid van artikel 1 van deze Overeenkomst bedoelde personen toegekend, uitsluitend teneinde hun de vrijheid van spreken en de onafhankelijkheid te waarborgen welke noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun functies, taak of verplichtingen of voor de uitoefening van hun rechten met betrekking tot de Commissie en het Hof.
- (a). Alleen de Commissie of het Hof, naar gelang het geval, is bevoegd de in het eerste lid van artikel 2 van deze Overeenkomst bedoelde vrijdom geheel of gedeeltelijk op te heffen; zij hebben niet slechts het recht, maar ook de plicht bedoelde vrijdom op te heffen in elk geval waarin deze, naar hun oordeel, de loop van het recht in de weg zou staan, en gehele of gedeeltelijke opheffing de doelstelling omschreven in het eerste lid van dit artikel, niet zou benadelen.
- (b). Deze vrijdom kan door de Commissie of door het Hof worden opgeheven, hetzij ambtshalve hetzij op een door een Overeenkomstsluitende Partij of een belanghebbende persoon aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gericht verzoek.
- (c). Een besluit de vrijdom op te heffen, dan wel dit te weigeren, dient met redenen te zijn omkleed.
Indien een Overeenkomstsluitende Partij formeel verklaart dat de opheffing van de vrijdom bedoeld in het eerste lid van artikel 2 van deze Overeenkomst, noodzakelijk is in verband met een vervolging wegens een misdrijf tegen de nationale veiligheid, heft de Commissie of het Hof de vrijdom op in de mate waarin dit in de verklaring is omschreven.
Indien een feit aan het licht komt dat vanwege zijn aard van beslissende betekenis kan zijn en waarvan ten tijde dat besloten werd te weigeren deze vrijdom op te heffen de indiener van het verzoek geen kennis droeg, kan deze een nieuw verzoek tot de Commissie of het Hof richten.
Artikel 6
Geen enkele bepaling van deze Overeenkomst mag zo worden uitgelegd dat zij een ingevolge het Verdrag door de Overeenkomstsluitende Partijen aangegane verplichting zou beperken of daaraan afbreuk zou doen.
Artikel 7
Deze Overeenkomst staat open voor ondertekening door de Lid-Staten van de Raad van Europa, die er partij bij kunnen worden door:
- (a). ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging of aanvaarding, of
- (b). ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging of aanvaarding, gevolgd door bekrachtiging of aanvaarding.
De akten van bekrachtiging of aanvaarding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Artikel 8
Deze Overeenkomst treedt in werking een maand na de datum waarop vijf Lid-Staten van de Raad partij bij de Overeenkomst zijn geworden overeenkomstig de bepalingen van artikel 7.
Voor elke Lid-Staat die de Overeenkomst nadien zonder voorbehoud van bekrachtiging of aanvaarding ondertekent of haar bekrachtigt of aanvaardt, treedt de Overeenkomst in werking een maand na de datum van die ondertekening of de datum van nederlegging van de akte van bekrachtiging of aanvaarding.
Artikel 9
Elke Overeenkomstsluitende Partij kan bij de ondertekening of bij de nederlegging van haar akte van bekrachtiging of aanvaarding aangeven op welk gebied of welke gebieden deze Overeenkomst van toepassing is.
Elke Overeenkomstsluitende Partij kan bij de nederlegging van haar akte van bekrachtiging of aanvaarding, of op elk later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving de toepasselijkheid van deze Overeenkomst uitbreiden tot het gebied of de gebieden genoemd in die kennisgeving en voor de internationale betrekkingen waarvan zij verantwoordelijk is of waarvoor zij bevoegd is overeenkomsten aan te gaan.
Elke krachtens het bepaalde in het voorgaande lid gedane kennisgeving kan, ten aanzien van elk in die kennisgeving genoemd gebied, overeenkomstig de in artikel 10 van deze Overeenkomst omschreven procedure worden ingetrokken.
Artikel 10
Deze Overeenkomst blijft voor onbepaalde tijd van kracht.
Elke Overeenkomstsluitende Partij kan deze Overeenkomst ten aanzien van haarzelf opzeggen door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving.
De opzegging wordt van kracht zes maanden na het tijdstip van ontvangst van deze kennisgeving door de Secretaris-Generaal. Een zodanige opzegging heeft evenwel niet ten gevolge dat de betrokken Overeenkomstsluitende Partij wordt ontslagen van enige verplichting, die uit deze Overeenkomst zou kunnen zijn ontstaan met betrekking tot personen bedoeld in artikel 1, eerste lid.
Artikel 11
De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa doet de Lid-Staten van de Raad mededeling van:
- (a). elke ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging of aanvaarding;
- (b). elke ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging of aanvaarding;
- (c). elke nederlegging van een akte van bekrachtiging of aanvaarding;
- (d). elke datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst overeenkomstig het bepaalde in artikel 8;
- (e). elke verklaring ontvangen krachtens het bepaalde in artikel 4, tweede lid, en artikel 9, tweede en derde lid;
- (f). elke kennisgeving van intrekking van een verklaring afgelegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, tweede lid, en elke kennisgeving ontvangen ingevolge de bepalingen van artikel 10 en de datum waarop de opzegging van kracht wordt.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Agreement.
DONE at London, this 6th day of May 1969, in the English and French languages, both texts being equally authoritative, in a single copy which shall remain deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary General of the Council of Europe shall transmit certified copies to each of the signatory States.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.