Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten
De Verdragsluitende Staten,
Overtuigd van het belang van de bescherming van kweekprodukten zowel voor de ontwikkeling van de landbouw op hun grondgebied als ter waarborging van de belangen van de kwekers;
Zich bewust van de bijzonder problemen die de erkenning en de bescherming van het recht van de kweker op dit gebied oproepen en in het bijzonder van het feit, dat het algemeen belang beperkingen aan de vrije uitoefening van een dergelijk recht kan opleggen;
Overwegende, dat het zeer wenselijk is, dat deze problemen, waaraan een groot aantal Staten terecht belang hecht, door ieder van hen worden opgelost volgens eenvormige en duidelijk omschreven beginselen;
Er naar strevende op basis van deze beginselen een overeenkomst tot stand te brengen, welke het ook andere Staten, die zich met dezelfde problemen bezig houden, mogelijk zal maken toe te treden;
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1
(1). Dit Verdrag strekt ertoe aan de kweker van een nieuw plantenras of aan zijn rechtverkrijgende een recht toe te kennen en te verzekeren, waarvan de inhoud en de wijze van uitoefening hierna zijn omschreven.
(2). De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, hierna genoemd Unie-Staten, vormen tezamen een Unie tot bescherming van kweekprodukten.
(3). De zetel van de Unie en van haar permanente organen is gevestigd te Genève.
Artikel 2
(1). Iedere Unie-Staat kan het recht van de kweker, bedoeld in dit Verdrag, erkennen door verlening van een bijzondere titel van bescherming of van een octrooi. Evenwel mag een Unie-Staat waarvan de nationale wetgeving beide vormen van bescherming toelaat, voor eenzelfde botanisch geslacht of eenzelfde botanische soort slechts voorzien in één van beide vormen.
(2). Het woord ras in de zin van dit Verdrag omvat iedere cultivar, iedere cloon, lijn, stam en hybride, die geteeld kan worden en die voldoet aan de bepalingen van artikel 6, lid (1), onderc) en d).
Artikel 3
(1). De natuurlijke en rechtspersonen die hun woonplaats of zetel hebben in een van de Unie-Staten, genieten in de andere Unie-Staten voor de toekenning en de bescherming van het recht van de kweker de behandeling die de onderscheidene wetten van die Staten verlenen of in de toekomst zullen verlenen aan hun onderdanen, dit alles onverminderd de in dit Verdrag in het bijzonder bedoelde rechten en onder voorbehoud, dat de voorwaarden en formaliteiten, opgelegd aan de eigen onderdanen, vervuld zijn.
(2). De onderdanen van de Unie-Staten die noch hun woonplaats, noch hun zetel in een van die Staten hebben, genieten eveneens dezelfde rechten, mits zij voldoen aan de verplichtingen die hun kunnen worden opgelegd ten einde het onderzoek van de nieuwe rassen die zij eventueel hebben gekweekt, en het toezicht op de vermeerdering daarvan mogelijk te maken.
Artikel 4
(1). Dit Verdrag is van toepassing op alle botanische geslachten en soorten.
(2). De Unie-Staten verbinden zich alle maatregelen te nemen, die nodig zijn om de bepalingen van dit Verdrag in toenemende mate toe te passen op een zo groot mogelijk aantal botanische geslachten en soorten.
(3). Op het tijdstip van het in werking treden van dit Verdrag op zijn grondgebied past iedere Unie-Staat de bepalingen van dit Verdrag toe op tenminste vijf van de geslachten die voorkomen op de bij dit Verdrag behorende lijst.
Hij verbindt zich voorts deze bepalingen toe te passen op andere geslachten van de lijst binnen de volgende termijnen, met ingang van het tijdstip van het in werking treden van het Verdrag op zijn grondgebied:
- a). binnen een termijn van drie jaar, op ten minste twee geslachten;
- b). binnen een termijn van zes jaar, op ten minste vier geslachten;
- c). binnen een termijn van acht jaar, op alle geslachten die voorkomen op de lijst.
(4). Voor de niet op de lijst voorkomende geslachten en soorten staat het iedere Unie-Staat die een van die geslachten of soorten beschermt, vrij ofwel het genot van die bescherming te beperken tot de onderdanen van die Unie-Staten die dat geslacht of die soort beschermen, alsmede tot de natuurlijke en rechtspersonen die hun woonplaats of hun zetel in een van die Staten hebben, ofwel het genot van die bescherming uit te breiden tot de onderdanen van andere Unie-Staten of van de Lid-Staten van de Unie van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom, alsmede tot de natuurlijke en rechtspersonen die hun woonplaats of zetel in een van die Staten hebben.
(5). Iedere Unie-Staat kan op het tijdstip van de ondertekening van dit Verdrag of van de nederlegging van de akte van bekrachtiging of van toetreding verklaren dat hij voor de bescherming van kweekprodukten de artikelen 2 en 3 van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom zal toepassen.
Artikel 5
(1). Het aan de kweker van een nieuw ras of aan diens rechtverkrijgende verleende recht houdt in, dat het voortbrengen voor handelsdoeleinden van geslachtelijk of ongeslachtelijk teeltmateriaal als zodanig van dat nieuwe ras, alsmede het te koop aanbieden en het verhandelen van dat teeltmateriaal aan zijn voorafgaande toestemming zijn onderworpen. Tot het ongeslachtelijk teeltmateriaal wordt mede de gehele plant gerekend. Het recht van de kweker strekt zich uit tot sierplanten of delen daarvan, die in de regel verhandeld worden voor andere doeleinden dan voor vermeerdering, indien zij zijn gebruikt als vermeerderingsmateriaal voor de voorbrenging van sierplanten of snijbloemen voor de handel.
(2). De kweker of zijn rechtverkrijgende kan zijn toestemming afhankelijk stellen van door hem te bepalen voorwaarden.
(3). De toestemming van de kweker of zijn rechtverkrijgende is niet vereist voor het gebruik van een nieuw ras als uitgangspunt van variatie voor het kweken van andere nieuwe rassen noch voor het in de handel brengen van deze nieuwe rassen. Daarentegen is deze toestemming wel vereist, wanneer het nieuwe ras telkens gebruikt moet worden voor de voortbrenging van een ander ras voor handelsdoeleinden.
(4). Het staat iedere Unie-Staat vrij hetzij in zijn eigen wetgeving, hetzij in bijzondere overeenkomsten in de zin van artikel 29, voor bepaalde botanische geslachten of soorten aan de kwekers een recht te verlenen, dat verder strekt dan dat omschreven in het eerste lid van dit artikel en dat zich in het bijzonder kan uitstrekken tot het verhandelde eindprodukt. Een Unie-Staat die een dergelijk recht verleent, is bevoegd het genot ervan te beperken tot de onderdanen van die Unie-Staten die een gelijk recht verlenen, alsmede tot de natuurlijke en rechtspersonen die hun woonplaats of zetel in een van die Staten hebben.
Artikel 6
(1). De kweker van een nieuw ras of zijn rechtverkrijgende geniet de bescherming voorzien in dit Verdrag, wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld:
- Het nieuwe ras moet, ongeacht of de oorsprongsvariatie die het zijn aanzien heeft gegeven, op kunstmatige of natuurlijke wijze is ontstaan, door een of meer van belang zijnde eigenschappen duidelijk te onderscheiden zijn van elk ander ras waarvan het bestaan op het tijdstip van de aanvraag tot bescherming algemeen bekend is. Deze algemene bekendheid kan worden gestaafd door bij voorbeeld te verwijzen naar: teelt of handel, die reeds plaats vindt, inschrijving in een officieel rassenregister of het in behandeling zijn van de inschrijving, het aanwezig zijn in een vergelijkingscollectie of een nauwkeurige beschrijving in een publikatie. De eigenschappen, aan de hand waarvan een nieuw ras kan worden omschreven en onderscheiden, kunnen zowel van morfologische als van fysiologische aard zijn. In alle gevallen moeten zij met nauwkeurigheid kunnen worden beschreven en onderkend.
- b). Het feit, dat een ras reeds opgenomen is geweest in proeven, of is aangeboden ter inschrijving of reeds is ingeschreven in een officieel register, kan niet worden tegengeworpen aan de kweker van dit ras of zijn rechtverkrijgende. Op het tijdstip waarop in een Unie-Staat de bescherming wordt gevraagd, mag het nieuwe ras niet met toestemming van de kweker of zijn rechtverkrijgende, op het grondgebied van die Staat of, langer dan vier jaar geleden, op het grondgebied van enige andere Staat, ten verkoop zijn aangeboden of in de handel zijn gebracht.
- c). Het nieuwe ras moet voldoende homogeen zijn, in aanmerking genomen de bijzonderheden die aan zijn geslachtelijke of ongeslachtelijke vermeerdering eigen zijn.
- d). Het nieuwe ras moet in de loop van zijn achtereenvolgende vermeerderingen, of, wanneer de kweker een bijzondere vermeerderingscyclus heeft vastgesteld, aan het einde van iedere cyclus in zijn wezenlijke eigenschappen bestendig zijn, dat wil zeggen dat het moet blijven beantwoorden aan zijn omschrijving;
- e). Aan het nieuwe ras moet een benaming worden gegeven, die voldoet aan de bepalingen van artikel 13.
(2). De verlening van de bescherming voor een nieuw ras kan niet afhankelijk worden gesteld van andere voorwaarden dan die welke hierboven zijn vermeld, mits de kweker of zijn rechtverkrijgende voldaan heeft aan de formaliteiten die in de nationale wetgeving van elk land zijn voorgeschreven, daaronder begrepen de betaling van rechten.
Artikel 7
(1). De bescherming wordt verleend na een onderzoek van het nieuwe ras met betrekking tot de in artikel 6 omschreven voorwaarden. Dit onderzoek moet zijn aangepast aan ieder botanisch geslacht of iedere botanische soort, rekening houdende met de gebruikelijke wijze van vermeerdering.
(2). Ten behoeve van dit onderzoek kunnen de bevoegde diensten van ieder land alle noodzakelijke inlichtingen, bescheiden, plantgoed of zaaizaad van de kweker of zijn rechtverkrijgende verlangen.
(3). Gedurende de periode tussen de indiening van het verzoek om bescherming van een nieuw ras en de beslissing daarop kan iedere Unie-Staat maatregelen nemen, ten einde de kweker of zijn rechtverkrijgende tegen misbruik door derden te beschermen.
Artikel 8
(1). Het aan de kweker van een nieuw ras of zijn rechtverkrijgende toegekende recht wordt voor een beperkte duur verleend. Deze duur kan niet korter zijn dan vijftien jaren. Voor planten als wijnstokken, vruchtbomen en hun onderstammen, woudbomen en sierbomen wordt deze minimum duur bepaald op achttien jaren.
(2). De duur van de bescherming in een Unie-Staat begint te lopen op het tijdstip van de verlening van de titel van bescherming.
(3). Het staat iedere Unie-Staat vrij een langere beschermingsduur vast te stellen dan hierboven is aangegeven en voor bepaalde groepen gewassen een verschillende beschermingsduur te bepalen, in het bijzonder ten einde rekening te houden met de eisen van de wetgeving inzake de voortbrenging van en die handel in zaaizaad en plantgoed.
Artikel 9
De vrije uitoefening van het aan de kweker of zijn rechtverkrijgende verleend uitsluitende recht kan slechts beperkt worden om redenen van algemeen belang.
Indien een zodanige beperking plaats vindt ten einde verbreiding van de nieuwe rassen te verzekeren, is de Unie-Staat die deze beperking oplegt, gehouden alle noodzakelijke maatregelen te nemen, opdat de kweker of zijn rechtverkrijgende een billijke vergoeding ontvangt.
Artikel 10
(1). Het recht van de kweker wordt, overeenkomstig de bepalingen van de nationale wetgeving van iedere Unie-Staat, nietig verklaard indien blijkt, dat op het tijdstip van de verlening van de titel van bescherming de in artikel 6, lid (1), onder a) en b) vastgestelde voorwaarden in feite niet waren vervuld.
(2). De kweker of zijn rechtverkrijgende wordt van zijn recht vervallen verklaard, indien hij niet in staat is aan de bevoegde autoriteit het teeltmateriaal te verschaffen, waaruit het nieuwe ras met zijn morfologische en fysiologische eigenschappen, zoals deze bij de verlening van het recht zijn vastgesteld, kan worden verkregen.
(3). De kweker of zijn rechtverkrijgende kan van zijn recht worden vervallen verklaard:
- a). indien hij nalaat binnen een voorgeschreven termijn en na te zijn aangemaand aan de bevoegde autoriteit het teeltmateriaal, de bescheiden of de inlichtingen te verschaffen, die nodig worden geoordeeld voor de controle van het nieuwe ras, of indien hij niet toestaat, dat hetgeen voor de instandhouding van het ras wordt gedaan, in ogenschouw wordt genomen;
- b). indien hij in gebreke blijft tijdig de rechten te betalen, die eventueel voor de handhaving van zijn recht verschuldigd zijn.
(4). Het recht van de kweker kan niet worden nietig verklaard en de kweker of zijn rechtverkrijgende kan van dat recht niet worden vervallen verklaard op andere gronden dan die vermeld in dit artikel.
Artikel 11
(1). De kweker of zijn rechtverkrijgende heeft de vrijheid de Unie-Staat te kiezen waar hij voor de eerste maal de bescherming van zijn recht op een nieuw ras vraagt.
(2). De kweker of zijn rechtverkrijgende kan aan andere Unie-Staten de bescherming van zijn recht vragen zonder te wachten tot hem door de Unie-Staat waar de eerste aanvraag is gedaan, een titel van bescherming is verleend.
(3). De bescherming, gevraagd in verschillende Unie-Staten door natuurlijke of rechtspersonen die de voordelen van dit Verdrag deelachtig kunnen worden, is onafhankelijk van de bescherming die voor hetzelfde nieuwe ras is verkregen in andere Staten, al dan niet behorende tot de Unie.
Artikel 12
(1). De kweker of zijn rechtverkrijgende, die in een van de Unie-Staten overeenkomstig de voorschriften een aanvraag tot verkrijging van bescherming voor een nieuw ras heeft ingediend, geniet voor de indiening van een aanvraag in de andere Unie-Staten een recht van voorrang gedurende een termijn van twaalf maanden. Deze termijn begint te lopen vanaf de datum van indiening van de eerste aanvraag. De dag van indiening is niet in deze termijn begrepen.
(2). Om in aanmerking te komen voor toepassing van de bepalingen van het vorige lid moet de nieuwe aanvraag bevatten een verzoek tot bescherming van het kweekprodukt, een beroep op de voorrang van de eerste aanvraag en, binnen een termijn van drie maanden, een afschrift van de bescheiden, waaruit de eerste aanvraag bestond, voor eensluitend gewaarmerkt door de dienst die deze heeft ontvangen.
(3). De kweker of zijn rechtverkrijgende geniet een termijn van vier jaren na het verstrijken van de voorrangstermijn om aan de Unie-Staat waar hij met inachtneming van de bepalingen van lid (2) een verzoek om bescherming heeft ingediend, de aanvullende bescheiden en het materiaal te verschaffen, zoals door de wetten en overige voorschriften van die Staat wordt geëist.
(4). Aan de indiening van een aanvraag, gedaan met inachtneming van hetgeen hiervoor is bepaald, kunnen niet worden tegengeworpen de feiten die zich binnen de in lid (1) bepaalde termijn hebben voorgedaan, zoals de indiening van een andere aanvraag, de bekendmaking van het voorwerp van de aanvraag of de exploitatie ervan. Deze feiten kunnen geen enkel recht ten gunste van derden noch een recht van voorgebruik doen ontstaan.
Artikel 13
(1). Een nieuw ras moet worden aangeduid door een benaming.
(2). Deze benaming moet de identificatie van het nieuwe ras mogelijk maken; zij mag in het bijzonder niet uitsluitend uit cijfers bestaan.
De benaming mag niet zodanig zijn, dat zij tot vergissing aanleiding kan geven of verwarring zou kunnen stichten omtrent de karakteristieke eigenschappen, de waarde of de identiteit van het nieuwe ras of omtrent de identiteit van de kweker. Zij moet in het bijzonder verschillen van iedere benaming die in enige Unie-Staat een reeds bestaand ras van dezelfde of van een verwante botanische soort aanduidt.
(3). Het is aan de kweker of zijn rechtverkrijgende niet toegestaan als benaming van een nieuw ras een aanduiding te deponeren, voor welke hij in een Unie-Staat bescherming als fabrieks- of handelsmerk geniet, en die gelijke of gelijksoortige waren in de zin van de wetgeving op de merken dekt, noch een aanduiding die verwarring met dat merk zou kunnen stichten, tenzij hij zich verbindt afstand te doen van zijn merkrecht, wanneer tot inschrijving van de benaming van het nieuwe ras wordt overgegaan.
Indien de kweker of zijn rechtverkrijgende toch tot deponering van de benaming overgaat, kan hij zich, zodra deze is ingeschreven, voor de hiervoorbedoelde waren niet langer op zijn recht op het fabrieks- of handelsmerk beroepen.
(4). De benaming van het nieuwe ras wordt door de kweker of zijn rechtverkrijgende gedeponeerd bij de dienst, bedoeld in artikel 30. Indien blijkt, dat die benaming niet beantwoordt aan de in de vorige leden gestelde eisen, weigert de dienst de inschrijving en verlangt hij van de kweker of zijn rechtverkrijgende dat deze binnen een bepaalde termijn een andere benaming voorstelt. De benaming wordt ingeschreven te zelfder tijd, dat de titel van bescherming overeenkomstig de bepalingen van artikel 7 wordt verleend.
(5). Voor een nieuw ras kan in de Unie-Staten slechts éénzelfde benaming worden gedeponeerd. De dienst die in iedere Staat bevoegd is de titel van bescherming te verlenen, is gehouden de aldus gedeponeerde benaming in te schrijven, tenzij hij vaststelt, dat die benaming voor gebruik in die Staat ongeschikt is. In dat geval kan hij verlangen, dat de kweker of zijn rechtverkrijgende een vertaling van de oorspronkelijke benaming of een andere passende benaming voorstelt.
(6). Wanneer de benaming van een nieuw ras bij de bevoegde dienst van een der Unie-Staten wordt gedeponeerd, doet deze daarvan mededeling aan het in artikel 15 bedoelde Bureau van de Unie, dat de bevoegde diensten van de andere Unie-Staten daarvan in kennis stelt ledere Unie-Staat kan door bemiddeling van genoemd Bureau zijn eventuele bezwaren aan de Staat die die mededeling heeft gedaan, kenbaar maken.
De bevoegde dienst van iedere Unie-Staat geeft van iedere inschrijving van de benaming van een nieuw ras en van iedere weigering tot inschrijving kennis aan het Bureau van de Unie, dat daarvan mededeling doet aan de bevoegde diensten van de andere Unie-Staten De inschrijvingen worden door het Bureau eveneens ter kennis gebracht aan de Lid-Staten van de Unie van Parijs tot bescherming van de Industriële Eigendom.
(7). Hij die in een der Unie-Staten geslachtelijk en ongeslachtelijk teeltmateriaal van een nieuw ras ten verkoop aanbiedt of verhandelt, is gehouden de benaming van dat nieuwe ras te gebruiken, zelfs na afloop van de bescherming van dat ras, voor zover oudere rechten, overeenkomstig die bepalingen van lid (10), zich tegen dat gebruik niet verzetten.
(8). Met ingang van de dag waarop een kweker of zijn rechtverkrijgende in een Unie-Staat een titel van bescherming is verleend:
- a). mag de benaming van het nieuwe ras in geen der Unie-Staten gebruikt worden als benaming voor een ander ras van dezelfde of van een verwante botanische soort;
- b). wordt de benaming van het nieuwe ras aangemerkt als soortaanduiding voor dat ras. Bijgevolg kan, behoudens de bepalingen van lid (10), niemand in welke Unie-Staat ook voor een benaming die gelijk is aan die van het nieuwe ras of daarmede zou kunnen worden verward, inschrijving vragen of bescherming verkrijgen als fabrieks- of handelsmerk voor gelijke of gelijksoortige waren in de zin van de wetgeving op de merken.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.