Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de verbinding tussen de Schelde en de Rijn

Type Verdrag
Publication 1996-07-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

Verlangend, met het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie voor ogen een nieuwe bijdrage te leveren ter bevordering van de vriendschappelijke samenwerking tussen Hun beider landen,

Wensende, in die geest de verbinding voor de scheepvaart tussen de Schelde en de Rijn te verbeteren en voor een aantal daarmede verband houdende aangelegenheden regelingen te treffen,

Bevestigend, dat Zij ten aanzien van het vervoer en van de zeehavens de verwezenlijking nastreven van de beginselen van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie,

Hebben besloten, te dien einde een Verdrag te sluiten en hebben tot Hun Gevolmachtigden benoemd, te weten:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

Zijne Excellentie de Heer J. E. de Quay, Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en

Zijne Excellentie de Heer J. M. A. H. Luns, Minister van Buitenlandse Zaken,

Zijne Majesteit de Koning der Belgen:

Zijne Excellentie de Heer Th. Lefèvre, Eerste-Minister, en

Zijne Excellentie de Heer H. Fayat, Minister, Adjunkt voor Buitenlandse Zaken,

die, na elkaar hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, zijn overeengekomen als volgt:

HOOFDSTUK A. Definities

Artikel 1

In dit Verdrag wordt verstaan onder:

HOOFDSTUK B. Verbetering van de verbinding tussen de Schelde en de Rijn

Titel I. Uit te voeren werken

Artikel 2

Ter verbetering van de verbinding tussen de Schelde en de Rijn wordt een vaarweg aangelegd, welke bij Zandvliet aansluit op het Antwerpse zeehavencomplex, vervolgens naar de Oosterschelde loopt, deze laatste ongeveer in noordelijke richting doorkruist, zich voortzet door de Eendracht, vervolgens de Slaakdam en de Prins Hendrikpolder ten Oosten van St. Philipsland doorsnijdt en uitmondt in de Krammer.

Artikel 3
1.

Ten einde de in artikel 2 bedoelde vaarweg tot stand te brengen, worden de volgende werken uitgevoerd:

2.

De werken, bedoeld in het vorige lid, worden zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van dit Verdrag tot uitvoering gebracht.

Artikel 4

Voorts worden, afhankelijk van de vordering der werkzaamheden tot afsluiting van de Zeeuwse en de Zuid-Hollandse zeegaten, uiterlijk twee jaar nadat de getijbeweging op de Oosterschelde van geen wezenlijke betekenis meer is geworden, de volgende werken tot uitvoering gebracht:

Artikel 5

De in de artikelen 3 en 4 bedoelde werken worden uitgevoerd met inachtneming van de gegevens, vermeld in de bij dit Verdrag behorende beschrijving van de werken (Bijlage I) en de daarbij behorende tekening (Bijlage II). Afwijking van deze gegevens kan slechts geschieden overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 8, 10 en 11.

Titel II. Voorbereiding en uitvoering der werken

Artikel 6

De Hoge Verdragsluitende Partijen dragen, elk voor haar gebied en op de in haar land voor overeenkomstige Rijkswerken gebruikelijke wijze, zorg voor die voorbereiding en de uitvoering van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde werken, daaronder begrepen het opmaken van plannen en aanbestedingsbescheiden, het verkrijgen in eigendom van onroerende goederen, het bergen van vrijkomende grond, de aankoop van materialen en de aanbesteding.

Artikel 7

De Nederlandse Minister belast met de zaken van de Waterstaat en de Belgische Minister onder wiens bevoegdheid het Bestuur van Bruggen en Wegen (Bestuur der Waterwegen) valt, belasten elk een ambtenaar met de leiding van en het toezicht op de voorbereiding en de uitvoering van de werken respectievelijk op Nederlands en op Belgisch gebied. Deze ambtenaren plegen regelmatig overleg over alle vraagstukken van gemeenschappelijk belang, welke zich bij de voorbereiding en de uitvoering mochten voordoen. Ter verzekering van een goede voortgang van de werken ontvangen bedoelde ambtenaren de nodige machtigingen.

Artikel 8

De bestekken en de overeenkomsten tot uitvoering van werken behoeven de voorafgaande goedkeuring van beide Ministers. In deze stukken kan worden afgeweken van de in de Bijlagen I en II opgenomen gegevens en van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde termijnen. Beide Ministers zenden elkaar afschriften toe van de gesloten aannemingsovereenkomsten.

Artikel 9
1.

De levering van materialen en de uitvoering van werken worden na openbare aanbesteding opgedragen volgens de in het betrokken land gebruikelijke regelen. De aanbestedingen worden in beide landen aangekondigd volgens de aldaar gebruikelijke regelen.

2.

In gevallen waarin een openbare aanbesteding niet mogelijk of niet wenselijk is, kan worden besloten, met inachtneming van de daarvoor geldende regelen, op een andere wijze in de aanbesteding van de levering van materialen en de uitvoering van werken te voorzien.

3.

Een besluit als bedoeld in het vorige lid wordt niet genomen dan met instemming van beide Ministers, behoudens wanneer het leveringen of werken betreft, waarvan die raming een bedrag van f 75 000 of 1 000 000 BF niet overschrijdt. De keuze der uit te nodigen leveranciers dan wel aannemers wordt mede in bedoelde instemming betrokken.

Artikel 10
1.

Tijdens de uitvoering noodzakelijk of wenselijk blijkende wijzigingen, afwijkingen of aanvullingen van de overeenkomstig artikel 8 goedgekeurde stukken worden door de betrokken ambtenaar aan de ambtenaar van het andere land ter goedkeuring voorgelegd.

2.

Indien de in het eerste lid bedoelde wijzigingen, afwijkingen of aanvullingen tot gevolg zouden hebben, dat

is de goedkeuring van beide Ministers vereist, zulks echter met dien verstande dat deze goedkeuring bij afwijkingen beneden de f 50 000 of 750 000 BF niet, en boven de f 500 000 of 7 500 000 BF steeds is vereist.

Artikel 11

Indien onvoorziene werken of maatregelen nodig zijn, welke een spoedeisend karakter hebben, kunnen deze worden uitgevoerd of getroffen zonder dat de in artikel 10 bedoelde goedkeuring is verkregen. In deze gevallen stelt de betrokken ambtenaar de ambtenaar van het andere land hiervan zo spoedig mogelijk in kennis.

Artikel 12

De goedkeuring van de door de aannemers opgeleverde werken geschiedt niet dan na overleg tussen de ambtenaren.

Titel III. Onderhoud, vernieuwing en bediening der werken

Artikel 13
1.

De Hoge Verdragsluitende Partijen onderhouden en vernieuwen, elk voor haar gebied, de in artikel 2 bedoelde vaarweg en de daartoe behorende kunstwerken ten minste overeenkomstig de omschrijving waaraan die vaarweg krachtens dit Verdrag dient te beantwoorden. Insgelijks dragen zij zorg voor de bediening van de tot de vaarweg behorende kunstwerken.

2.

Indien één van de Hoge Verdragsluitende Partijen besluit om behalve de in artikel 3, eerste lid, onder f), bedoelde en in Bijlage II aangeduide bruggen nog andere bruggen over de vaarweg aan te leggen, bieden deze ten minste dezelfde doorvaartwijdte en -hoogte als de in Bijlage I beschreven vaste bruggen. De bruggen mogen het uitzicht voor de binnenvaart niet belemmeren.

3.

Evenzo verkrijgen eventueel in de toekomst over de vaarweg aan te leggen hoogspannings- of andere leidingen, respectievelijk door de vaarweg aan te leggen kabels, leidingen, duikers en andere kunstwerken, dezelfde minimum-hoogte, respectievelijk dezelfde minimum-gronddekking, als is vastgesteld in Bijlage I voor direct bij de aanleg van de vaarweg aan te brengen leidingen, kabels, duikers en andere kunstwerken.

4.

Het normale profiel van de vaarweg blijft volledig voor de doorgaande vaart beschikbaar. Eventuele zwaaikommen dienen buiten het normale profiel van de vaarweg te worden aangelegd.

5.

In het door elk van de Hoge Verdragsluitende Partijen voor het op haar gebied gelegen gedeelte van de vaarweg vast te stellen bijzondere scheepvaartreglement worden bepalingen opgenomen, waarbij aan de doorgaande vaart voorrang wordt verleend en de hinder voor de doorgaande vaart als gevolg van havens en zijkanalen tot een minimum wordt beperkt.

Titel IV. Verbetering van de vaarweg en van de daartoe behorende kunstwerken

Artikel 14
1.

Indien een van de Hoge Verdragsluitende Partijen te kennen geeft, de uitvoering van werken tot verbetering van de in artikel 2 bedoelde vaarweg of van de daartoe behorende kunstwerken op het gebied van de andere Partij wenselijk te achten, maakt deze aangelegenheid onderwerp van overleg tussen beide Regeringen uit.

2.

Indien bovenbedoeld overleg werken betreft, waarvoor geen andere gronden benodigd zijn dan die welke reeds krachtens dit Verdrag in gebruik of gereserveerd zijn, kan elk van de Hoge Verdragsluitende Partijen, ingeval het overleg niet tot overeenstemming leidt, de geschilpunten voorleggen aan de Arbitrale Commissie. De Commissie beslist met inachtneming van de belangen van de scheepvaart en van alle overige betrokken belangen. Zij is niet bevoegd uitspraak te doen inzake een eventuele verdeling van de kosten.

3.

Het bij de voorgaande leden bedoelde overleg heeft mede betrekking op de wijze waarop de kosten van de uit te voeren werken overeenkomstig de wederzijdse belangen tussen beide Partijen dienen te worden verdeeld.

Indien evenwel de Partij op wier gebied werken als bedoeld in het tweede lid dienen te worden uitgevoerd, zulks verlangt, worden de totale kosten van die werken door de andere Partij gedragen.

Titel V. Maatregelen in verband met de waterhuishouding, daaronder begrepen de bestrijding van verzilting en waterverontreiniging

Artikel 15
1.

De Hoge Verdragsluitende Partijen treffen, elk op haar gebied, de nodige maatregelen opdat het peil van het in artikel 3, eerste lid, onder a), genoemde kanaal zoveel mogelijk blijft gehandhaafd op 1,60 m + N.A.P. of (+ 4.00), Staf. Daartoe staan de wederzijdse technische diensten regelmatig met elkaar in verbinding; maatregelen die op het peil van invloed kunnen zijn, worden door hen niet dan na overleg genomen. Zodra het kanaal een waterstand van 1,95 m + N.A.P. of (+ 4,35) Staf heeft bereikt, doet de Belgische dienst op het eerste verzoek van de Nederlandse dienst de waterafvoer naar het kanaal tot nader bericht volledig ophouden.

2.

Nederland draagt zorg, dat de waterstand op het in artikel 3, eerste lid, onder b),c) en d), bedoelde gedeelte van de vaarweg na de afsluiting van de Oosterschelde, bijzondere omstandigheden van wind voorbehouden, niet daalt beneden 1,00 m - N.A.P. of (+ 1,40) Staf en niet stijgt boven 0,50 m + N.A.P. of (+ 2,90) Staf.

Artikel 16
1.

Gelet op de belangen van de drinkwatervoorziening en het watergebruik voor agrarische en industriële doeleinden, welke bij het in de Zuidhollandse en Zeeuwse wateren te vormen zoetwaterbekken zijn betrokken, wordt verzilting van dit bekken als gevolg van het gebruik van de in artikel 2 bedoelde vaarweg - met name van het in artikel 3, eerste lid, onder e), bedoelde sluizencomplex - zoveel mogelijk tegengegaan. Te dien einde worden in en nabij dit sluizencomplex voorzieningen getroffen en neemt Nederland alle voor het onderhoud en de bediening daarvan vereiste maatregelen.

HOOFDSTUK II. DE AFVOER VAN HET WATER VAN DE MAAS

Artikel 2. Wateraftappingen uit de Maas
1.

Ten behoeve van het Vlaams Gewest leidt het Koninkrijk der Nederlanden een hoeveelheid Maaswater over zijn grondgebied naar het Vlaams Gewest. Deze hoeveelheid bedraagt ten minste 8 m3/s. Dit water wordt door het Koninkrijk der Nederlanden te Maastricht op de Zuid-Willemsvaart gebracht en dient om de Kempense kanalen van water te voorzien.

2.

Ten behoeve van het Koninkrijk der Nederlanden voert het Vlaams Gewest een hoeveelheid Maaswater over zijn grondgebied door. Deze hoeveelheid bedraagt ten hoogste 10 m3/s. Dit water wordt door het Koninkrijk der Nederlanden te Maastricht op de Zuid-Willemsvaart gebracht en door het Vlaams Gewest door middel van duikers bij sluis 18 te Bocholt en sluis 17 te Lozen naar Nederland geleid.

3.

Het gestelde in het eerste en tweede lid is van toepassing behoudens de beperkingen voortvloeiende uit artikel 3.

4.

Het Vlaams Gewest zal de duikers bij sluis 18 te Bocholt en sluis 17 te Lozen in beginsel vóór 1 januari 1996, in overleg met en voor rekening van het Koninkrijk der Nederlanden, geschikt maken om de in het tweede lid bedoelde hoeveelheid te kunnen doorvoeren. Het Vlaams Gewest verbindt zich ertoe de aldus verbeterde of vernieuwde duikers voor zijn rekening te handhaven en te onderhouden.

Artikel 3. Vermindering van de waterverliezen van de Maas
1.

Partijen beperken zoveel mogelijk de waterverliezen van de hoofdstroom van de Maas, speciaal in geval van lage afvoeren. Uitgangspunt bij lage afvoeren is een gelijke verdeling tussen het Nederlandse en het Vlaamse gebruik en een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor het debiet van de Gemeenschappelijke Maas. Partijen volgen daarbij het in bijlage A opgenomen besparingsscenario.

2.

Indien een Partij kan aantonen dat beheersmaatregelen of handelingen van een ander land of gewest verhinderen dat het in dit artikel bedoelde besparingsscenario wordt gevolgd, is deze Partij slechts aan haar verplichtingen gehouden voor zover zij deze kan nakomen met maatregelen op haar eigen grondgebied.

3.

Ten behoeve van de afvoerregulering in tijden van lage Maasafvoeren onderhouden Partijen het in bijlage B opgenomen meetprogramma.

Artikel 4. Onderzoek en ontwikkeling van de Gemeenschappelijke Maas
1.

Partijen werken samen bij het rivierkundig en hydrologisch onderzoek van, en bij de hoogwatervoorspelling voor, de Gemeenschappelijke Maas.

2.

Partijen werken samen bij het onderzoek van ontwikkelingsmogelijkheden voor de Gemeenschappelijke Maas, daarbij vooral rekening houdend met de grote huidige en potentiële ecologische waarde van dit deel van de Maas.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.