← Geldende tekst · Geschiedenis

Verdrag inzake de visserij

Geldende tekst a fecha 1971-07-20

De Regeringen van Oostenrijk, België, Denemarken, Frankrijk, de Bondsrepubliek Duitsland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Portugal, Spanje, Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

Geleid door de wens, een duurzaam visserijregime in te stellen,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1
1.

Iedere Verdragsluitende Partij erkent het recht van elk der andere Verdragsluitende Partijen, het in de artikelen 2 tot en met 6 van dit Verdrag omschreven visserijregime in te stellen.

2.

Iedere Verdragsluitende Partij behoudt echter het recht, het regime dat op de datum waarop dit Verdrag voor ondertekening is opengesteld door haar wordt toegepast te blijven toepassen indien dat regime voor de visserij van andere landen gunstiger is dan het in de artikelen 2 tot en met 6 omschreven regime.

Artikel 2

De kuststaat heeft, binnen een zone van zes mijl, gemeten van de basislijn van zijn territoriale zee, de uitsluitende visrechten en de uitsluitende rechtsbevoegdheid ten aanzien van visserij aangelegenheden.

Artikel 3

Binnen de zone tussen zes en twaalf mijl, gemeten van de basislijn van de territoriale zee, worden de visrechten alleen uitgeoefend door de kuststaat en door die andere Verdragsluitende Partijen die in de periode tussen 1 januari 1953 en 31 december 1962 gewoon zijn geweest, de visserij in die zone uit te oefenen.

Artikel 4

Vissersschepen van andere Verdragsluitende Partijen dan de kuststaat die krachtens de bepalingen van artikel 3 de visserij mogen uitoefenen, mogen deze niet bedrijven op visstapels of op visgronden die aanzienlijk afwijken van die waarop zij gewoon zijn geweest de visserij uit te oefenen. De kuststaat kan de naleving van deze regel afdwingen.

Artikel 5
1.

Binnen de in artikel 3 genoemde zone is de kuststaat bevoegd de visserij te regelen en naleving van deze regeling, met inbegrip van regelingen ter uitvoering van internationale maatregelen tot instandhouding van de visstand, af te dwingen, met dien verstande dat er noch formeel, noch in feite wordt gediscrimineerd ten aanzien van vissersschepen van andere Verdragsluitende Partijen die de visserij uitoefenen overeenkomstig de artikelen 3 en 4.

2.

Alvorens regelingen te treffen, doet de kuststaat daarvan mededeling aan de andere betrokken Verdragsluitende Partijen en pleegt met hen overleg indien zij dit wensen.

Artikel 6

Iedere door een Verdragsluitende Partij te trekken rechte basislijn of afsluitingslijn van een baai dient in overeenstemming te zijn met de regelen van het algemeen volkenrecht en in het bijzonder met de bepalingen van het Verdrag inzake de territoriale zee en de aansluitende zone, dat op 29 april 1958 te Genève voor ondertekening werd opengesteld.

Artikel 7

In gevallen waarin de kusten van twee Verdragsluitende Partijen tegenover elkaar zijn gelegen of aan elkaar grenzen, is, indien er geen overeenkomst tussen hen bestaat, waarin anders wordt bepaald, geen van beide Partijen gerechtigd een regime in te stellen voor de visserij voorbij de middellijn waarvan elk punt even ver is verwijderd van de dichtstbijgelegen punten van de laagwaterlijnen van de kusten van de betrokken Verdragsluitende Partijen.

Artikel 8
1.

Zodra een Verdragsluitende Partij het in de artikelen 2 tot en met 6 omschreven regime toepast, gelden alle visrechten die zij daarna toekent aan een Staat die geen partij is bij dit Verdrag automatisch voor de andere Verdragsluitende Partijen in het betrokken gebied, ongeacht of deze daarop aanspraak zouden kunnen maken wegens het feit dat zij de visserij gewoonlijk bedrijven en wel in zoverre de Staat die geen partij is bij dit Verdrag daadwerkelijk en geregeld van die rechten gebruik maakt.

2.

Indien een Verdragsluitende Partij die het in de artikelen 2 tot en met 6 omschreven regime heeft ingesteld, aan een andere Verdragsluitende Partij visrechten toekent, waarop laatstgenoemde krachtens de artikelen 3 en 4 geen aanspraak kan maken, gelden deze rechten automatisch voor alle andere Verdragsluitende Partijen.

Artikel 9
1.

Ten einde vissers van andere Verdragsluitende Partijen die gewoon zijn geweest te vissen in de in artikel 2 bedoelde zone, in de gelegenheid te stellen zich aan te passen aan hun uitsluiting uit deze zone, verleent een Verdragsluitende Partij die het in de artikelen 2 tot en met 6 bedoelde regime heeft ingesteld, aan deze vissers het recht in die zone gedurende een overgangsperiode te vissen, waarvan de duur in overeenstemming tussen de betrokken Verdragsluitende Partijen wordt vastgesteld.

2.

Indien een Verdragsluitende Partij het in de artikelen 2 tot en met 6 bedoelde regime instelt, mag zij, niettegenstaande de bepalingen van artikel 2, visrechten voor de gehele of voor een deel van de in artikel 2 bedoelde zone blijven verlenen aan andere Verdragsluitende Partijen wier vissers gewoon zijn geweest in dat gebied te vissen krachtens „voisinage”-regelingen.

Artikel 10

Niets in dit Verdrag verhindert de instandhouding of instelling van een speciaal regime inzake de visserij tussen:

Artikel 11

Onder voorbehoud van goedkeuring door de andere Verdragsluitende Partijen kan een kuststaat bepaalde gebieden van de volledige toepassing van de artikelen 3 en 4 uitsluiten ten behoeve van de plaatselijke bevolking indien deze voor een zeer aanzienlijk deel afhankelijk is van de kustvisserij.

Artikel 12

Dit Verdrag is van toepassing op de wateren die grenzen aan de kusten van de in Bijlage I vermelde Verdragsluitende Partijen. Deze Bijlage kan met toestemming van de Regeringen van de Verdragsluitende Partijen worden gewijzigd. Elk wijzigingsvoorstel wordt aan de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland toegezonden, die hiervan aan alle Verdragsluitende Partijen mededeling zal doen en hen in kennis zal stellen van de datum waarop de wijziging van kracht wordt.

Artikel 13

Tenzij de Partijen overeenkomen dat op een andere wijze van vreedzame regeling naar een oplossing zal worden gezocht, wordt elk geschil dat tussen de Verdragsluitende Partijen rijst betreffende de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag, op verzoek van een of meer Partijen aan arbitrage onderworpen overeenkomstig de bepalingen van Bijlage II van dit Verdrag.

Artikel 14
1.

Dit Verdrag staat open voor ondertekening van 9 maart 1964 tot en met 10 april 1964. Het dient door de ondertekenende Regeringen overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke procedures te worden bekrachtigd of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging of goedkeuring dienen zo spoedig mogelijk bij de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland te worden nedergelegd.

2.

Dit Verdrag treedt in werking op de datum waarop acht ondertekenende Regeringen hun akte van bekrachtiging of goedkeuring hebben nedergelegd. Indien evenwel op 1 januari 1966 aan deze voorwaarde nog niet is voldaan, kunnen de Regeringen die hun akte van bekrachtiging of goedkeuring reeds hebben nedergelegd door middel van een bijzonder protocol in onderling overleg de datum van de inwerkingtreding van dit Verdrag vaststellen. In beide gevallen treedt het Verdrag ten aanzien van een Regering die het daarna bekrachtigt of goedkeurt in werking op de datum van nederlegging van haar akte van bekrachtiging of goedkeuring.

3.

Elke Staat kan te allen tijde nadat het Verdrag van kracht is geworden ertoe toetreden op door die Staat met de Verdragsluitende Partijen overeen te komen voorwaarden. Toetreding op de overeengekomen voorwaarden komt tot stand door middel van een schriftelijke kennisgeving gericht aan de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

4.

De Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland doet alle ondertekenende en toetredende Regeringen mededeling van alle nederleggingen van akten van bekrachtiging of goedkeuring, alsmede van alle ontvangen kennisgevingen van toetreding, en stelt ondertekenende en toetredende Regeringen in kennis van de data waarop, en van de Regeringen ten aanzien waarvan, dit Verdrag in werking treedt.

Artikel 15

Dit Verdrag is van onbeperkte duur. Na afloop van een tijdvak van twintig jaar te rekenen van de inwerkingtreding van dit Verdrag af, kan elke Verdragsluitende Partij dit Verdrag te allen tijde opzeggen door hiervan met inachtneming van een termijn van twee jaar schriftelijk mededeling te doen aan de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland. Deze Regering stelt de Verdragsluitende Partijen van de opzegging in kennis.

Artikel 1
1.

Binnen drie maanden na de ondertekening van het Verdrag of de toetreding ertoe, wijst iedere ondertekenende of toetredende Regering vijf personen aan, die de nationaliteit van een Lid-Staat van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling bezitten en bereid zijn de functie van scheidsrechter op zich te nemen.

2.

De namen van de aldus aangewezen personen worden geplaatst op een lijst die door de Regering van het Verenigd Koninkrijk aan alle ondertekenende en toetredende Regeringen ter kennisneming wordt toegezonden.

3.

Elke wijziging in de lijst van scheidsrechters wordt op dezelfde wijze kenbaar gemaakt.

4.

Dezelfde persoon kan door meer dan een Regering worden aangewezen.

5.

De scheidsrechters worden benoemd voor een termijn van zes jaar, die kan worden verlengd.

6.

Indien een scheidsrechter komt te overlijden of ontslag neemt wordt hij vervangen op dezelfde wijze als waarop hij werd aangewezen, en weer benoemd voor een termijn van zes jaar.

Artikel 2
1.

De partij die overeenkomstig deze Bijlage om arbitrage verzoekt, stelt de andere partij op de hoogte van de eis welke zij aan arbitrage wenst te onderwerpen en geeft een korte samenvatting van de gronden waarop deze eis berust.

2.

Het College van Scheidsrechters bestaat uit vijf leden. De partijen wijzen elk een lid aan, dat mag worden gekozen uit hun eigen onderdanen. De andere drie scheidsrechters, onder wie de Voorzitter, worden in overleg tussen de partijen gekozen uit de onderdanen van derde Staten wier namen voorkomen op de in artikel 1 bedoelde lijst.

Artikel 3

Indien de aanwijzing van de leden van het College van Scheidsrechters niet binnen een termijn van een maand te rekenen van de datum waarop voor het eerst om arbitrage werd verzocht, is geschied, wordt de taak van het doen van de noodzakelijke aanwijzingen opgedragen aan de President van het Internationale Gerechtshof. Indien deze de nationaliteit van een van de partijen bij het geschil bezit, dan wordt deze taak aan de Vice-President van het Hof opgedragen of aan de in anciënniteit oudste rechter van het Hof die niet de nationaliteit van de partijen bezit.

Artikel 4

De door de President van het Internationale Gerechtshof aan te wijzen scheidsrechters worden gekozen uit personen die de nationaliteit bezitten van de Lid-Staten van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, en bij voorkeur uit de in artikel 1 bedoelde lijst. De President van het Internationale Gerechtshof raadpleegt van te voren de partijen bij het geschil en kan ook de Directeur-Generaal van de Voedsel- en Landbouworganisatie en de President van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee raadplegen.

Artikel 5

De partijen kunnen een bijzondere overeenkomst opstellen, waarin het onderwerp van het geschil en de bijzonderheden van de te volgen procedure worden vastgelegd.

Artikel 6

Bij gebrek aan voldoende bijzonderheden in een bijzondere overeenkomst of in deze Bijlage betreffende de in artikel 5 van deze Bijlage bedoelde kwesties, zijn de bepalingen van de artikelen 59 tot en met 82 van het Verdrag van 's-Gravenhage voor de vreedzame beslechting van internationale geschillen van 18 oktober 1907 voor zover mogelijk van toepassing.

Artikel 7

De partijen vergemakkelijken het werk van het College van Scheidsrechters en verstrekken dit in het bijzonder alle terzake dienende documenten en gegevens. Zij gebruiken de hun ter beschikking staande middelen ten einde dit College in staat te stellen op hun grondgebied en in overeenstemming met hun wettelijke bepalingen over te gaan tot het oproepen en horen van getuigen of deskundigen, alsmede de desbetreffende plaatsen te bezoeken.

Artikel 8

Indien de partijen niet anders zijn overeengekomen, worden de beslissingen van het College van Scheidsrechters met meerderheid van stemmen genomen en met uitzondering van procedurekwesties zijn deze beslissingen alleen geldig indien alle leden aanwezig zijn. Er wordt niet bekend gemaakt hoe gestemd is; eventuele afwijkende of op zichzelf staande meningen worden eveneens niet bekend gemaakt.

Artikel 9
1.

Tijdens de procedure ontvangt ieder lid van het College van Scheidsrechters een geldelijke vergoeding, waarvan de grootte in overleg tussen de partijen wordt vastgesteld; elke partij draagt een gelijk aandeel bij.

2.

De kosten van het College van Scheidsrechters worden op dezelfde wijze verdeeld.

Artikel 10

De geldigheid van wettelijke maatregelen die voor de datum waarop het Verdrag ter ondertekening werd opengesteld in werking zijn getreden, mag bij de procedure voor het College van Scheidsrechters niet in twijfel worden getrokken.

Artikel 11
1.

In geval het geschil gegrond is op vermoedelijke schade aan particuliere belangen die, volgens het nationale recht van een der partijen, binnen de bevoegdheid valt van haar rechterlijke of bestuurlijke autoriteiten, kan de desbetreffende partij er bezwaar tegen maken dat het geschil ter regeling wordt voorgelegd door middel van de in deze Bijlage aangegeven procedure voordat door de bevoegde autoriteit binnen een redelijke termijn een definitieve beslissing is genomen.

2.

Indien in de betrokken Staat een definitieve beslissing is genomen, zal het niet meer mogelijk zijn van de in deze Bijlage aangegeven procedure gebruik te maken na afloop van een termijn van vijf jaar te rekenen van de datum van bovengenoemde uitspraak af.

Artikel 12

Indien de tenuitvoerlegging van een uitspraak van het College van Scheidsrechters strijdig is met een door een rechtbank of andere autoriteit van een der partijen bij het geschil gewezen vonnis of bevolen maatregel en indien het nationale recht van die partij niet toestaat of slechts ten dele toestaat dat de gevolgen van dat vonnis of die maatregel worden tenietgedaan, verleent het College van Scheidsrechters de partij die schade heeft geleden billijke genoegdoening indien daartoe aanleiding bestaat.

Artikel 13
1.

In alle gevallen waarin een geschil het onderwerp vormt van arbitrage, en in het bijzonder indien de kwestie waarover de partijen het oneens zijn voortvloeit uit reeds verrichte handelingen of uit handelingen die op het punt staan te worden verricht, stelt het College van Scheidsrechters binnen de kortst mogelijke tijd de voorlopige maatregelen die dienen te worden genomen, vast. De partijen bij het geschil moeten zich aan deze maatregelen houden.

2.

De partijen onthouden zich van alle maatregelen die de tenuitvoerlegging van de uitspraak van het College van Scheidsrechters ongunstig zouden kunnen beïnvloeden en onthouden zich in het algemeen van elke handelwijze die het geschil kan verergeren of een grotere omvang kan doen aannemen.

Artikel 14
1.

Zodra het College van Scheidsrechters is gevormd, stelt de Voorzitter de andere Verdragsluitende Partijen van het aan dit College voorgelegde geschil in kennis.

2.

Elke Verdragsluitende Partij kan binnen een maand van de datum van ontvangst van deze kennisgeving tussenbeide komen, indien zij kan aantonen dat zij een rechtmatig belang heeft bij de regeling van het geschil. Deze tussenkomst mag uitsluitend tot doel hebben datgene wat door de oorspronkelijke partijen bij het geschil is aangevoerd, of een gedeelte daarvan, te staven of te betwisten. Tussenkomst mag niet leiden tot een wijziging in de oorspronkelijke samenstelling van het College van Scheidsrechters.

Artikel 15

Elk der Verdragsluitende Partijen moet zich houden aan de uitspraak van het College van Scheidsrechters in elk geschil waarbij zij partij is.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed the present Convention.

DONE at London this ninth day of March, 1964, in the English and French languages, each text being equally authoritative, in a single original which shall be deposited in the archives of the Government of the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland, which shall transmit a certified true copy thereof to each signatory and acceding Government.