Verdrag inzake de uitoefening van de visserij op de Noordatlantische Oceaan
De Regeringen van België, Canada, Denemarken, de Franse Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, IJsland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, de Poolse Volksrepubliek, Portugal, Spanje, Zweden, de Verenigde Staten van Amerika, de Unie van Socialistische Sowjetrepublieken en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
Verlangende orde en tucht op de visgronden van het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan te verzekeren;
Zijn als volgt overeengekomen:
Artikel 1
Dit Verdrag is van toepassing op de Atlantische Oceaan en de Noordelijke IJszee en de daarmede in verbinding staande, in Bijlage I van dit Verdrag nader omschreven, zeeën.
In dit Verdrag wordt verstaan onder:
- „vissersvaartuig”, elk vaartuig dat wordt gebruikt voor het vangen van vis;
- „vaartuig”, elk vissersvaartuig en elk vaartuig dat, op commerciële voet, wordt gebruikt voor de verwerking van vis, het bevoorraden van, of het verlenen van diensten aan vissersvaartuigen.
Artikel 2
Geen enkele bepaling van dit Verdrag wordt geacht de rechten, aanspraken of zienswijzen van een Verdragsluitende Partij met betrekking tot de grenzen van territoriale wateren, de nationale visgrenzen of de grenzen van de rechtsbevoegdheid van een kuststaat in visserij aangelegenheden aan te tasten.
Artikel 3
De vissersvaartuigen van iedere Verdragsluitende Partij worden, overeenkomstig de wettelijke voorschriften van die Partij, ingeschreven en gemerkt, zodat op zee hun identiteit kan worden vastgesteld.
De bevoegde autoriteit van iedere Verdragsluitende Partij stelt voor elke haven of elk district een of meer letters en een reeks cijfers vast.
Iedere Verdragsluitende Partij stelt een lijst van deze letters op.
Deze lijst, alsmede alle daarin nadien eventueel aangebrachte wijzigingen, worden ter kennis van de andere Verdragsluitende Partijen gebracht.
De bepalingen van Bijlage II van dit Verdrag zijn van toepassing op vissersvaartuigen, de daarbijbehorende kleine boten en het vistuig.
Artikel 4
De vissersvaartuigen van iedere Verdragsluitende Partij dienen behalve aan de eisen met betrekking tot de in de Internationale Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee voorgeschreven seinen, te voldoen aan de bepalingen van Bijlage III van dit Verdrag.
Er mogen geen andere lichten of geluidssignalen dan die waarin die Bijlage voorziet, worden gebruikt.
Artikel 5
Netten, lijnen en ander in de zeebodem verankerd vistuig, alsmede in zee drijvende netten of lijnen, dienen te worden gemerkt met het doel zowel hun positie als de afstand waarover zij uitstaan aan te geven. Het merken dient te geschieden overeenkomstig de bepalingen van Bijlage IV van dit Verdrag.
Artikel 6
Onverminderd hun verplichting de Internationale Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee na te komen, dienen alle vaartuigen zodanig te manoeuvreren dat zij geen overlast veroorzaken aan vissersvaartuigen in de uitoefening van hun bedrijf of voor vistuig en dienen zij te voldoen aan de bepalingen van Bijlage V van dit Verdrag.
Ter betere toepassing van deze bepalingen kunnen de bevoegde autoriteiten van Verdragsluitende Partijen eigener beweging de bevoegde autoriteiten van andere Verdragsluitende Partijen die geacht kunnen worden daarbij betrokken te zijn, kennis geven van hun bekend zijnde concentraties of vermoedelijke concentraties van vissersvaartuigen of vistuig; Verdragsluitende Partijen die een zodanige kennisgeving ontvangen doen al het mogelijke om hun schepen daarvan op de hoogte te stellen. De overeenkomstig het bepaalde in artikel 9 van dit Verdrag benoemde functionarissen kunnen eveneens de aandacht van vaartuigen op in zee uitgezet vistuig vestigen.
Artikel 7
Bij elk geschil dat zich voordoet tussen de onderdanen van verschillende Verdragsluitende Partijen met betrekking tot beschadigd vistuig of schade toegebracht aan vaartuigen tengevolge van het verward raken van vistuig, wordt, zo er tussen de Verdragsluitende Partijen geen overeenstemming wordt bereikt aangaande de bijlegging van zodanige geschillen, de volgende procedure gevolgd:
- Op verzoek van de Verdragsluitende Partij waarvan de klager onderdaan is, benoemt elk der Verdragsluitende Partijen die het geschil aangaat een commissie van onderzoek of een andere daarvoor in aanmerking komende autoriteit wier taak het is de klacht te onderzoeken. Deze commissies of andere autoriteiten onderzoeken de feiten en trachten een vergelijk tot stand te brengen.
Deze regelingen laten onverlet het recht van de klagers langs de gewone gerechtelijke weg schadevergoeding te eisen.
Artikel 8
Iedere Verdragsluitende Partij neemt de verplichting op zich passende maatregelen te nemen de bepalingen van dit Verdrag ten aanzien van haar vaartuigen en vistuig uit te voeren en te doen naleven.
Binnen het gebied waar een kuststaat rechtsbevoegdheid bezit ten aanzien van de visserij, draagt de kuststaat de verantwoordelijkheid voor de uitvoering en de naleving van de bepalingen van dit Verdrag.
Binnen dat gebied kan de kuststaat bijzondere voorschriften uitvaardigen en uitzonderingen vaststellen op de in de Bijlagen II tot en met V van dit Verdrag neergelegde voorschriften voor vaartuigen of vistuig vanwege de afmeting of het type uitsluitend in kustwateren gebruikt, mits er noch formeel, noch daadwerkelijk gediscrimineerd wordt ten opzichte van vaartuigen van andere Verdragsluitende Partijen die gerechtigd zijn in die wateren te vissen. Alvorens ingevolge dit lid bijzondere voorschriften uit te vaardigen en uitzonderingen vast te stellen ten aanzien van gebieden waar buitenlandse vissersvaartuigen hun bedrijf uitoefenen, stelt een Verdragsluitende Partij de betrokken Verdragsluitende Partijen van haar voornemen in kennis en wint zij desgewenst hun advies in.
Artikel 9
Ter vergemakkelijking van de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag, zijn de in dit artikel en in Bijlage VI van dit Verdrag opgenomen regelingen van toepassing buiten de nationale visgrenzen.
Onder „bevoegde functionarissen” worden functionarissen verstaan die door de Verdragsluitende Partijen kunnen worden benoemd voor de uitvoering van deze regelingen.
Een Verdragsluitende Partij doet, op verzoek van een andere Verdragsluitende Partij, deze mededeling van de namen der bevoegde functionarissen die zijn benoemd of van de schepen aan boord waarvan deze functionarissen zich bevinden.
De bevoegde functionarissen zien erop toe dat de bepalingen van dit Verdrag worden nageleefd, stellen een onderzoek in naar en brengen verslag uit inzake overtredingen van de bepalingen van dit Verdrag, verzamelen gegevens in geval van schade, vestigen, indien dit hun gewenst voorkomt, de aandacht van vaartuigen van Verdragsluitende Partijen op de bepalingen van dit Verdrag, en werken daartoe samen met de bevoegde functionarissen van andere Verdragsluitende Partijen.
Indien een bevoegde functionaris reden heeft aan te nemen dat een vaartuig van een Verdragsluitende Partij zich niet aan de bepalingen van dit Verdrag houdt, kan hij overgaan tot identificatie van het vaartuig, de nodige gegevens van het vaartuig trachten te verkrijgen en rapport opmaken. Indien de zaak voldoende ernstig is kan hij het vaartuig bevelen te stoppen en, indien dit nodig is om de feiten te verifiëren, kan hij aan boord van het vaartuig gaan om een onderzoek in te stellen en rapport op te maken.
Indien een bevoegde functionaris reden heeft aan te nemen dat een vaartuig of het vistuig daarvan schade heeft toegebracht aan een vaartuig of aan vistuig, en dat dit het gevolg is van een schending van het Verdrag, kan hij, onder gelijke omstandigheden als bedoeld in het voorgaande lid, elk daarbij betrokken vaartuig bevel geven te stoppen en zich aan boord daarvan begeven voor het instellen van een onderzoek en het opmaken van rapport.
Een bevoegde functionaris geeft aan geen vaartuig bevel te stoppen terwijl dit aan het vissen is of bezig is met het uitzetten of halen van het vistuig, behoudens in noodgevallen om schade aan vaartuigen of vistuig te voorkomen.
Een bevoegde functionaris strekt zijn onderzoek niet verder uit dan nodig is om vast te stellen of er sprake is van schending van het Verdrag of, indien hij van oordeel is dat het Verdrag is geschonden, om zich gegevens te verschaffen omtrent de ter zake dienende feiten; zijn optreden is steeds zodanig dat de vaartuigen zo weinig mogelijk hinder en overlast ondervinden.
Een bevoegde functionaris kan, indien er schade is toegebracht aan een vaartuig of aan vistuig, aanbieden ter plaatse te bemiddelen; indien de desbetreffende partijen daarmede instemmen, kan hij hen helpen met elkaar tot een vergelijk te komen. Op verzoek van de betrokken partijen maakt de bevoegde functionaris een akte op van het tot stand gekomen vergelijk.
Indien een vaartuig zich verzet tegen de instructies van een bevoegde functionaris, wordt dit uitgelegd alsof het zich verzet tegen het gezag van de Staat onder wiens vlag het vaart.
De Verdragsluitende Partijen nemen kennis van en geven gevolg aan door buitenlandse bevoegde functionarissen overeenkomstig deze bepalingen opgemaakte rapporten als waren deze door hun eigen functionarissen opgemaakt. De bepalingen van dit lid leggen een Verdragsluitende Partij geen enkele verplichting op aan een door een buitenlandse bevoegde functionaris opgemaakt rapport groter bewijskracht toe te kennen dan dit in het eigen land van de bevoegde functionaris zou hebben. De Verdragsluitende Partijen werken samen ten einde juridische of andere procedures die voortvloeien uit een krachtens dit Verdrag door een bevoegde functionaris opgemaakt rapport te vergemakkelijken.
Geen bevoegde functionaris maakt gebruik van zijn recht aan boord te gaan van een vaartuig van een andere Verdragsluitende Partij, indien een bevoegde functionaris van die Verdragsluitende Partij beschikbaar is en in de gelegenheid is dit zelf te doen.
Artikel 10
Elke Verdragsluitende Partij kan voorstellen wijzigingen aan te brengen in de artikelen van dit Verdrag. De tekst van elke voorgestelde wijziging wordt aan de Depot-Regering gezonden, die daarvan afschriften zendt aan alle Verdragsluitende Partijen en ondertekenende Regeringen. Een wijziging wordt van kracht op de dertigste dag nadat zij door alle Verdragsluitende Partijen is aanvaard.
Indien daarom door een vierde van het aantal Verdragsluitende Partijen wordt verzocht, belegt de Depot-Regering een bijeenkomst van Verdragsluitende Partijen om de noodzaak van een wijziging der artikelen van dit Verdrag te onderzoeken. Op deze bijeenkomst moeten wijzigingen eenstemmig worden aangenomen en door de Depot-Regering ter kennis gebracht van alle Verdragsluitende Partijen; zij worden van kracht op de dertigste dag nadat zij door alle Verdragsluitende Partijen zijn aanvaard.
Kennisgevingen van aanvaarding van wijzigingen worden gezonden aan de Depot-Regering.
Artikel 11
Elke Verdragsluitende Partij kan voorstellen wijzigingen aan te brengen in de bijlagen bij dit Verdrag. De tekst van elke voorgestelde wijziging wordt aan de Depot-Regering gezonden, die daarvan afschriften zendt aan alle Verdragsluitende Partijen en ondertekenende Regeringen. De Depot-Regering geeft alle Verdragsluitende Partijen kennis van de datum waarop kennisgevingen van aanvaarding van een wijziging door twee derde van het aantal Verdragsluitende Partijen zijn ontvangen. De wijziging wordt van kracht ten aanzien van alle Verdragsluitende Partijen op de honderd vijftigste dag na die datum, tenzij een Verdragsluitende Partij binnen een tijdvak van honderd twintig dagen na die datum de Depot-Regering ervan in kennis stelt dat zij tegen de wijziging bezwaar maakt, in welk geval de wijziging niet van kracht wordt.
Indien daarom door drie Verdragsluitende Partijen wordt verzocht, belegt de Depot-Regering een bijeenkomst van Verdragsluitende Partijen om de noodzaak van een wijziging der bijlagen bij dit Verdrag te onderzoeken. Een op zulk een bijeenkomst door een twee derde meerderheid der vertegenwoordigde Verdragsluitende Partijen aanvaarde wijziging wordt door de Depot-Regering ter kennis gebracht van alle Verdragsluitende Partijen en wordt ten aanzien van alle Verdragsluitende Partijen van kracht op de tweehonderd tiende dag na de datum van kennisgeving, tenzij binnen honderd tachtig dagen na de datum van kennisgeving een Verdragsluitende Partij de Depot-Regering ervan in kennis stelt dat zij bezwaar maakt tegen de wijziging, in welk geval de wijziging niet van kracht wordt.
Artikel 12
De Verdragsluitende Partijen stellen de Depot-Regering in kennis van de bevoegde autoriteiten die zij ingevolge elk der desbetreffende bepalingen van dit Verdrag hebben aangewezen. De Depot-Regering stelt de Verdragsluitende Partijen van al deze kennisgevingen op de hoogte.
Artikel 13
Elk geschil tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen, de uitlegging of toepassing van dit Verdrag betreffende, dat niet door onderhandeling kan worden geregeld, wordt op verzoek van een van hen aan arbitrage onderworpen.
Het verzoek om arbitrage dient een omschrijving te bevatten van de in te dienen eis, alsmede een samenvatting van de gronden waarop de eis berust.
Tenzij de partijen bij het geschil anders overeenkomen, wijzen deze elk een lid van de arbitragecommissie aan en kiezen zij in onderlinge overeenstemming hiernaast nog een lid, dat met het voorzitterschap wordt belast. De arbitragecommissie neemt in de aan haar voorgelegde zaken beslissingen met een volstrekte meerderheid van stemmen; haar beslissingen binden de partijen. De overige bijzonderheden van de procedure worden bij bijzondere overeenkomst tussen de partijen geregeld.
Ongeacht het bepaalde in het derde lid kunnen de partijen overeenkomen het geschil overeenkomstig een ander tussen de partijen van kracht zijnde regeling aan arbitrage te onderwerpen.
Indien de partijen binnen zes maanden, te rekenen van de datum waarop het verzoek om arbitrage werd ingediend, over deze arbitrage geen overeenstemming kunnen bereiken, kan elk der partijen het geschil (als bedoeld in het eerste lid), overeenkomstig het Statuut van het Internationale Gerechtshof, door middel van een desbetreffend verzoek aan dat Hof voorleggen.
Niettegenstaande het bepaalde in het eerste lid kunnen de partijen overeenkomen het geschil voor te leggen aan het Internationale Gerechtshof.
Artikel 14
Behoudens als bepaald in het tweede en derde lid hieronder en in het derde lid van artikel 17, kunnen ten aanzien van dit Verdrag geen voorbehouden worden gemaakt zonder toestemming van de Verdragsluitende Partijen en de ondertekenende Regeringen. Een jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag is alleen de toestemming der Verdragsluitende Partijen vereist.
Bij de ondertekening, bekrachtiging, goedkeuring of toetreding kan iedere Staat een voorbehoud maken ten aanzien van artikel 13 van dit Verdrag.
Iedere Staat kan bij de ondertekening, bekrachtiging, goedkeuring of toetreding een voorbehoud maken ten aanzien van het vijfde en zesde lid van artikel 9, met betrekking tot een of meer der andere Verdragsluitende Partijen of ondertekenende Regeringen.
Iedere Staat die, overeenkomstig het bepaalde in de voorgaande leden of in het derde lid van artikel 17, een voorbehoud heeft gemaakt, kan dit te allen tijde door middel van een aan de Depot-Regering gerichte kennisgeving, intrekken.
Artikel 15
Dit Verdrag staat van 1 juni tot en met 30 november, 1967, te Londen open voor ondertekening. Het moet worden bekrachtigd of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging of goedkeuring worden zo spoedig mogelijk nedergelegd bij de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.
Artikel 16
Dit Verdrag treedt in werking op de negentigste dag volgende op de datum van nederlegging van de tiende akte van bekrachtiging of goedkeuring.
Vervolgens treedt dit Verdrag ten aanzien van iedere Staat in werking op de negentigste dag na de datum van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of goedkeuring.
Artikel 17
Iedere Staat die dit Verdrag niet heeft ondertekend kan te allen tijde nadat het in werking is getreden tot dit Verdrag toetreden, mits drie vierde van de Verdragsluitende Partijen en ondertekenende Regeringen met de voorgestelde toetreding instemmen. Een jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag, is slechts de toestemming van drie vierde van de Verdragsluitende Partijen vereist.
Toetreding geschiedt door nederlegging van een akte van toetreding bij de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.
Ten aanzien van iedere toetredende Staat treedt het Verdrag in werking op de negentigste dag volgende op de nederlegging van diens akte van toetreding.
Tot de datum van inwerkingtreding van het Verdrag ten aanzien van een Staat die ingevolge het bepaalde in dit artikel tot het Verdrag toetreedt, kan een Verdragsluitende Partij te allen tijde ten aanzien van het vijfde en zesde lid van artikel 9 met betrekking tot die Staat een voorbehoud maken.
Artikel 18
Iedere Verdragsluitende Partij kan ten tijde van de nederlegging van haar akte van bekrachtiging, goedkeuring of toetreding, of op een later tijdstip, door middel van een aan de Depot-Regering gerichte verklaring, de werking van dit Verdrag uitbreiden tot het gebied of de gebieden voor de internationale betrekkingen waarvan zij verantwoordelijk is. Voor dat gebied of die gebieden treden de bepalingen van dit Verdrag in werking op de negentigste dag na ontvangst van genoemde verklaring of op het tijdstip waarop het Verdrag overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van artikel 16 in werking treedt, al naar gelang welk tijdstip het laatst valt.
Een ingevolge het voorgaande lid afgelegde verklaring kan, ten aanzien van elk in die verklaring genoemd gebied, worden ingetrokken, waarbij de in artikel 19 omschreven procedure wordt gevolgd.
Artikel 19
Na vier jaar, te rekenen van de datum waarop dit Verdrag overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van artikel 16 in werking is getreden, kan elke Verdragsluitende Partij het te allen tijde door middel van een aan de Depot-Regering gerichte schriftelijke kennisgeving opzeggen. Een zodanige kennisgeving wordt twaalf maanden na de datum van ontvangst van kracht. Het Verdrag blijft evenwel tussen de andere Partijen van kracht.
Artikel 20
Nadat dit Verdrag in werking is getreden wordt het door tussenkomst van de Depot-Regering bij het Secretariaat van de Verenigde Naties overeenkomstig het bepaalde in artikel 102 van het Handvest geregistreerd.
Voorschrift 1
De letter of letters van de haven of het district waarin ieder vissersvaartuig is ingeschreven, alsmede het nummer waaronder het is ingeschreven, worden ter weerszijde van de boeg van het vissersvaartuig aangebracht, en kunnen eveneens op de bovenbouw van het vissersvaartuig aangebracht worden, zodanig dat zij vanuit de lucht duidelijk zichtbaar zijn.
De eventuele naam van het vissersvaartuig en de naam van de haven of het district waarin het is ingeschreven worden zodanig op het vissersvaartuig aangebracht dat zij duidelijk zichtbaar zijn.
De afmetingen van op een vissersvaartuig aangebrachte namen, letters en nummers moeten zodanig zijn, dat zij gemakkelijk kunnen worden waargenomen, en mogen niet worden uitgewist, gewijzigd, onleesbaar gemaakt, bedekt of aan het gezicht worden onttrokken.
Kleine vaartuigen en, indien mogelijk, alle visgerei worden gemerkt met de letter of de letters en het nummer van het vissersvaartuig waarbij zij behoren. De eigendom van netten of ander visgerei kan worden aangeduid door eigen merktekens.
Voorschrift 2
Ieder vissersvaartuig dient een officieel, door de bevoegde autoriteit van zijn land afgegeven document aan boord te hebben, houdende de eventuele naam en een beschrijving van het vaartuig, zijn nationaliteit, zijn registratieletter of -letters en -nummer, alsmede de naam van de eigenaar of van de firma of vennootschap waartoe het behoort.
Ieder vissersvaartuig dient een zich in goede staat bevindende vlag aan boord te hebben, die op verzoek van de bevoegde autoriteiten moet worden gehesen.
De nationaliteit van een vissersvaartuig mag op geen enkele wijze worden verhuld.
Voorschrift 1. Algemeen
Met inachtneming van de Internationale Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee, beogen de in deze Bijlage opgenomen voorschriften schade aan vistuig of ongevallen bij de uitoefening van de visserij te voorkomen.
De in deze Bijlage opgenomen voorschriften betreffende de te voeren lichten zijn van toepassing onder alle weersomstandigheden tussen zonsondergang en zonsopgang, wanneer vissersvaartuigen in vlootverband aan het vissen zijn. Onder die omstandigheden mogen geen andere lichten worden gevoerd, behoudens de lichten die zijn voorgeschreven in de Internationale Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee en lichten die niet met de voorgeschreven lichten verward kunnen worden of de goede zichtbaarheid of het specifiek karakter daarvan niet verminderen, of een goede uitkijk beletten. Deze lichten mogen eveneens van zonsopgang tot zonsondergang worden gevoerd bij slecht zicht en in alle andere omstandigheden indien zulks noodzakelijk wordt geacht.
In de zin van deze Voorschriften hebben de gebruikte termen dezelfde betekenis als daaraan wordt gehecht in de Internationale Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee, met dien verstande dat de term „vissersvaartuig” de betekenis heeft die daaraan in artikel 1, tweede lid, van dit Verdrag wordt gegeven.
De in deze Bijlage bedoelde lichten moeten op die plaatsen worden aangebracht waar zij het best zichtbaar zijn. Tussen de lichten moet een tussenruimte zijn van ten minste 3 voet (0,92 m), doch zij moeten lager zijn aangebracht dan de lichten die zijn voorgeschreven in het Voorschrift 9c (i) en d van de Internationale Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee 1960. Zij moeten zoveel mogelijk over de gehele horizon en op een afstand van ten minste 1 mijl zichtbaar zijn, en hun lichtsterkte dient geringer te zijn dan die van lichten die overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 9 b van bovengenoemde Bepalingen worden gevoerd.
Voorschrift 2. Lichten en seinen voor de treil- en drijf netvisserij
Vissersvaartuigen die de treilvisserij bedrijven, ongeacht of zij de bodemtreil of de midwatertreil gebruiken, dienen te voeren:
- (i). bij het uitzetten van het vistuig: twee zich loodrecht boven elkaar bevindende witte lichten;
- (ii). bij het halen van het vistuig: één wit licht dat in een verticale lijn boven één rood licht is aangebracht;
- (iii). wanneer het net aan een obstakel is vastgeraakt: twee zich in een verticale lijn boven elkaar bevindende rode lichten.
Vissersvaartuigen die de drijfnetvisserij beoefenen, mogen de onder 1 hierboven voorgeschreven lichten voeren.
Elk vissersvaartuig dat bezig is de treilvisserij in span te beoefenen dient te voeren:
- (i). overdag: de vlag „T” - „Houd afstand. Ik ben bezig met de treilvisserij in span”, aan de voormast gehesen;
- (ii). des nachts: een zoeklicht dat schuin naar voren en in de richting van het andere vissersvaartuig van het span schijnt;
- (iii). wanneer het net wordt uitgezet of gehaald of wanneer het net aan een obstakel is vastgeraakt: de lichten zoals die zijn voorgeschreven onder 1 hierboven.
Dit voorschrift behoeft niet te worden toegepast op vissersvaartuigen van minder van 65 voet (19,80 m) lengte. Deze uitzonderingen, alsmede de gebieden die door aldus uitgezonderde vissersvaartuigen in groten getale kunnen optreden, dienen ter kennis te worden gebracht van de bevoegde autoriteiten van de andere Verdragsluitende Partijen die hier vermoedelijk belang bij hebben.
Voorschrift 3. Lichten voor de zegenvisserij
Vissersvaartuigen bezig met het vissen met zegens moeten twee amberkleurige lichten tonen die zich loodrecht boven elkaar bevinden. Deze lichten moeten een flikkerlicht geven met een periode van ongeveer een seconde, en wel zodanig dat wanneer het onderste uit is het bovenste aan is en omgekeerd. Deze lichten mogen alleen worden getoond wanneer het vissersvaartuig door zijn vis tuig wordt belemmerd in zijn bewegingen, om andere vaartuigen te waarschuwen dat zij afstand moeten houden.
Dit voorschrift behoeft niet te worden toegepast op vissersvaartuigen van minder dan 85 voet (25,90 m) lengte. Deze uitzonderingen, alsmede de gebieden waar aldus uitgezonderde vissersvaartuigen in groten getale kunnen optreden, dienen ter kennis te worden gebracht van de bevoegde autoriteiten van de andere Verdragsluitende Partijen die hier vermoedelijk belang bij hebben.
Voorschrift 4. Geluidssignalen
Er mogen geen andere dan de in de Internationale Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee en het Internationaal Seinboek voorgeschreven geluidssignalen worden gebruikt.
Voorschrift 1. Verankerd vistuig
De uiteinden van netten, lijnen en ander in de zeebodem verankerd vistuig dienen overdag te zijn voorzien van vlagboeien of radarreflectorboeien en des nachts van lichtboeien die het mogelijk maken hun plaats en lengte te bepalen. Deze lichten dienen bij goed zicht op een afstand van ten minste 2 mijl zichtbaar te zijn.
Overdag dient de meest westelijk gelegen (d.w.z. de halve kompascirkel van zuid door west tot en met noord) eindboei van zich in horizontale richting in de zee bevindend tuig te zijn voorzien van twee boven elkaar aangebrachte vlaggen of een vlag en een radarreflector, en de meest oostelijk gelegen (d.w.z. de halve kompascirkel van noord door oost tot en met zuid) eindboei dient te zijn voorzien van een vlag of een radarreflector. Des nachts dient de meest westelijk gelegen eindboei van twee witte lichten te zijn voorzien, de meest oostelijk gelegen eindboei van een wit licht. Bovendien kan een boei die overdag is voorzien van een vlag of een radarreflector en des nachts van een wit licht op een afstand van 70 tot 100 meter vanaf elke eindboei worden aangebracht, ter aanduiding van de richting van het vistuig.
Op vistuig dat zich uitstrekt over een afstand van meer dan 1 mijl dienen op afstanden van niet meer dan 1 mijl extra boeien te worden aangebracht, zodat geen enkel deel van het vistuig dat een afstand van 1 mijl of meer beslaat, niet van een merkteken is voorzien. Overdag dient elke boei te zijn voorzien van een vlag of een radarreflector en des nachts dienen zoveel mogelijk boeien van een wit licht te zijn voorzien. In geen geval mag de afstand tussen twee lichten op hetzelfde tuig meer dan 2 mijl bedragen.
Vistuig dat vastgemaakt is aan een vissersvaartuig behoeft niet van een boei te zijn voorzien aan het uiteinde dat met het schip is verbonden.
De vlaggestok van elke boei dient ten minste 2 meter boven de boei uit te steken.
Voorschrift 2. Drijvend vistuig
Netten of lijnen die in zee drijven dienen aan de beide uiteinden en op afstanden van niet meer dan 2 mijl te worden gemerkt met een boei voorzien van een stok die ten minste 2 meter boven de boei uitsteekt. Aan de stok moet overdag een vlag of een radarreflector en des nachts een wit licht zijn bevestigd, die bij goed zicht op een afstand van ten minste 2 mijl zichtbaar moeten zijn.
Vistuig dat vastgemaakt is aan een vissersvaartuig behoeft niet van een boei te zijn voorzien aan het uiteinde dat met het schip is verbonden.
Voorschrift 1
Met inachtneming van de Internationale Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee dienen alle vaartuigen zodanig te manoeuvreren dat zij geen hinder veroorzaken voor vissersvaartuigen bezig met vissen of vistuig.
Voorschrift 2
Vaartuigen die op visgronden aankomen waar vissersvaartuigen reeds vissen of met dat doel hun vistuig hebben uitgezet, dienen zich te vergewissen van de plaats en omvang van reeds in zee uitgezet vistuig en dienen niet zelf te gaan liggen, noch hun vistuig uit te zetten op een plaats waar zij de reeds aan de gang zijnde visserij hinderen of belemmeren.
Voorschrift 3
Geen vaartuig mag voor anker gaan of blijven liggen op een visgrond waar gevist wordt, indien de visserij daardoor zou worden gehinderd, tenzij dit voor de eigen visserij nodig is, of dit een gevolg is van een ongeval of wanneer er sprake is van andere omstandigheden van overmacht.
Voorschrift 4
Behoudens in gevallen van overmacht, mag geen vaartuig voorwerpen of stoffen in zee werpen die de visserij kunnen belemmeren of die vis, vistuig of vissersvaartuigen kunnen beschadigen.
Voorschrift 5
Geen enkel vaartuig mag explosieven gebruiken of deze aan boord hebben, bestemd voor het vangen van vis.
Voorschrift 6
Ter voorkoming van schade dienen vissersvaartuigen die bezig zijn met de treilvisserij en andere vissersvaartuigen met bewegend vistuig al het mogelijke te doen om netten en lijnen of ander vistuig dat niet wordt voortgesleept uit de weg te gaan.
Voorschrift 7
Wanneer netten die bij verschillende vissersvaartuigen behoren in elkaar verward raken, mogen zij niet zonder toestemming van de betrokken partijen worden doorgesneden, tenzij het onmogelijk is ze op andere wijze te scheiden.
Wanneer de lijnen van verschillende met de visserij bezig zijnde vissersvaartuigen in elkaar verward raken, mag het vissersvaartuig dat de lijnen binnenhaalt deze niet doorsnijden, tenzij zij op geen andere wijze kunnen worden gescheiden, in welk geval lijnen die zijn doorgesneden, zo mogelijk, onmiddellijk weer met elkaar worden verbonden.
Tenzij het een berging betreft en behoudens de gevallen, genoemd in de beide voorgaande leden, mogen netten, lijnen of ander vistuig onder geen voorwaarde worden doorgesneden, gehaakt, vastgehouden of opgehaald, anders dan door het vissersvaartuig waartoe zij behoren.
Wanneer een vaartuig vast raakt aan vistuig dat niet tot dat vaartuig behoort, of dit op andere wijze onklaar maakt, neemt het alle mogelijke maatregelen om de schade die daardoor aan dat vistuig kan worden toegebracht tot een minimum te beperken. Het vissersvaartuig waartoe het vistuig behoort laat van zijn kant alles na wat de schade zou kunnen vergroten.
1
Elke bevoegde functionaris dient in het bezit te zijn van een identiteitsbewijs, gesteld in het Engels, Frans en in de taal van de bevoegde functionaris, indien deze een andere taal is. Dit bewijs dient van een model te zijn als voorgesteld door de Depot-Regering en dat door de Verdragsluitende Partijen is goedgekeurd.
2
Een door een bevoegde functionaris gegeven bevel tot stoppen dient met het daarvoor in het Internationaal Seinboek genoemde signaal te worden gegeven.
3
Bij het aan boord gaan van een vaartuig dient de bevoegde functionaris zijn identiteitsbewijs te tonen.
4
Bij het aan boord gaan van een vaartuig kan de bevoegde functionaris verlangen dat de gezagvoerder van het vaartuig het in Bijlage II, Voorschrift 2 (1) bedoelde document toont. Dat dit document is getoond wordt door de bevoegde functionaris onmiddellijk, hetzij daarop of op enig ander officieel document van het vaartuig aangetekend.
5
Telkens wanneer een bevoegde functionaris aan boord van een vaartuig gaat, maakt hij een rapport op volgens het in het Bijvoegsel aangegeven model, waarin de omstandigheden waaronder hij aan boord is gegaan en de door hem verkregen inlichtingen worden vermeld.
6
Dit rapport wordt opgemaakt in de taal van de bevoegde functionaris en voorgelegd aan de gezagvoerder van het bezochte vaartuig, die in de gelegenheid wordt gesteld daaraan in zijn eigen taal opmerkingen die hijzelf of leden van zijn bemanning wensen te maken toe te voegen. De bevoegde functionaris ondertekent het rapport in aanwezigheid van de gezagvoerder en overhandigt hem een afschrift daarvan. Een afschrift van het rapport wordt gezonden aan de bevoegde autoriteit van het land van het bezochte vaartuig. In geval van schade worden afschriften van het rapport eveneens gezonden aan de bevoegde autoriteiten in de landen waartoe de andere betrokken partijen behoren.
7
Wanneer een bevoegde functionaris een vaartuig opmerkt dat de bepalingen van dit Verdrag niet naleeft, kan hij daarover rapporteren aan de bevoegde autoriteit van het land van het vaartuig, nadat hij eerst zo goed mogelijk heeft gepoogd door middel van seinen of anderszins zijn voornemen de overtreding te rapporteren aan het betrokken vaartuig kenbaar te maken. Indien hij het vaartuig bevel geeft bij te draaien doch er niet aan boord gaat, rapporteert hij de omstandigheden aan de bevoegde functionaris van het land van het vaartuig.
8
Vaartuigen aan boord waarvan zich bevoegde functionarissen bevinden, waaronder kunnen worden begrepen vaartuigen als omschreven in artikel 1, tweede lid, dienen een bijzondere vlag of wimpel te voeren. Deze bijzondere vlag of wimpel dient van een model te zijn als voorgesteld door de Depot-Regering en dat door de Verdragsluitende Partijen is goedgekeurd. De bevoegde functionarissen oefenen hun gezag uit ingevolge het bepaalde in het vijfde en zesde lid van artikel 9 en treden uitsluitend vanaf oppervlakteschepen met vaartuigen in verbinding.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed the present Convention.
DONE at London this first day of June, 1967, in the English and French languages, each text being equally authentic, in a single original which shall be deposited in the archives of the Government of the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland, which shall transmit a certified true copy thereof to each signatory and acceding Government.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)