Verdrag inzake de uitoefening van de visserij op de Noordatlantische Oceaan
De Regeringen van België, Canada, Denemarken, de Franse Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, IJsland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, de Poolse Volksrepubliek, Portugal, Spanje, Zweden, de Verenigde Staten van Amerika, de Unie van Socialistische Sowjetrepublieken en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
Verlangende orde en tucht op de visgronden van het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan te verzekeren;
Zijn als volgt overeengekomen:
Artikel 1
Dit Verdrag is van toepassing op de Atlantische Oceaan en de Noordelijke IJszee en de daarmede in verbinding staande, in Bijlage I van dit Verdrag nader omschreven, zeeën.
In dit Verdrag wordt verstaan onder:
- „vissersvaartuig”, elk vaartuig dat wordt gebruikt voor het vangen van vis;
- „vaartuig”, elk vissersvaartuig en elk vaartuig dat, op commerciële voet, wordt gebruikt voor de verwerking van vis, het bevoorraden van, of het verlenen van diensten aan vissersvaartuigen.
Artikel 2
Geen enkele bepaling van dit Verdrag wordt geacht de rechten, aanspraken of zienswijzen van een Verdragsluitende Partij met betrekking tot de grenzen van territoriale wateren, de nationale visgrenzen of de grenzen van de rechtsbevoegdheid van een kuststaat in visserij aangelegenheden aan te tasten.
Artikel 3
De vissersvaartuigen van iedere Verdragsluitende Partij worden, overeenkomstig de wettelijke voorschriften van die Partij, ingeschreven en gemerkt, zodat op zee hun identiteit kan worden vastgesteld.
De bevoegde autoriteit van iedere Verdragsluitende Partij stelt voor elke haven of elk district een of meer letters en een reeks cijfers vast.
Iedere Verdragsluitende Partij stelt een lijst van deze letters op.
Deze lijst, alsmede alle daarin nadien eventueel aangebrachte wijzigingen, worden ter kennis van de andere Verdragsluitende Partijen gebracht.
De bepalingen van Bijlage II van dit Verdrag zijn van toepassing op vissersvaartuigen, de daarbijbehorende kleine boten en het vistuig.
Artikel 4
De vissersvaartuigen van iedere Verdragsluitende Partij dienen behalve aan de eisen met betrekking tot de in de Internationale Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee voorgeschreven seinen, te voldoen aan de bepalingen van Bijlage III van dit Verdrag.
Er mogen geen andere lichten of geluidssignalen dan die waarin die Bijlage voorziet, worden gebruikt.
Artikel 5
Netten, lijnen en ander in de zeebodem verankerd vistuig, alsmede in zee drijvende netten of lijnen, dienen te worden gemerkt met het doel zowel hun positie als de afstand waarover zij uitstaan aan te geven. Het merken dient te geschieden overeenkomstig de bepalingen van Bijlage IV van dit Verdrag.
Artikel 6
Onverminderd hun verplichting de Internationale Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee na te komen, dienen alle vaartuigen zodanig te manoeuvreren dat zij geen overlast veroorzaken aan vissersvaartuigen in de uitoefening van hun bedrijf of voor vistuig en dienen zij te voldoen aan de bepalingen van Bijlage V van dit Verdrag.
Ter betere toepassing van deze bepalingen kunnen de bevoegde autoriteiten van Verdragsluitende Partijen eigener beweging de bevoegde autoriteiten van andere Verdragsluitende Partijen die geacht kunnen worden daarbij betrokken te zijn, kennis geven van hun bekend zijnde concentraties of vermoedelijke concentraties van vissersvaartuigen of vistuig; Verdragsluitende Partijen die een zodanige kennisgeving ontvangen doen al het mogelijke om hun schepen daarvan op de hoogte te stellen. De overeenkomstig het bepaalde in artikel 9 van dit Verdrag benoemde functionarissen kunnen eveneens de aandacht van vaartuigen op in zee uitgezet vistuig vestigen.
Artikel 7
Bij elk geschil dat zich voordoet tussen de onderdanen van verschillende Verdragsluitende Partijen met betrekking tot beschadigd vistuig of schade toegebracht aan vaartuigen tengevolge van het verward raken van vistuig, wordt, zo er tussen de Verdragsluitende Partijen geen overeenstemming wordt bereikt aangaande de bijlegging van zodanige geschillen, de volgende procedure gevolgd:
- Op verzoek van de Verdragsluitende Partij waarvan de klager onderdaan is, benoemt elk der Verdragsluitende Partijen die het geschil aangaat een commissie van onderzoek of een andere daarvoor in aanmerking komende autoriteit wier taak het is de klacht te onderzoeken. Deze commissies of andere autoriteiten onderzoeken de feiten en trachten een vergelijk tot stand te brengen.
Deze regelingen laten onverlet het recht van de klagers langs de gewone gerechtelijke weg schadevergoeding te eisen.
Artikel 8
Iedere Verdragsluitende Partij neemt de verplichting op zich passende maatregelen te nemen de bepalingen van dit Verdrag ten aanzien van haar vaartuigen en vistuig uit te voeren en te doen naleven.
Binnen het gebied waar een kuststaat rechtsbevoegdheid bezit ten aanzien van de visserij, draagt de kuststaat de verantwoordelijkheid voor de uitvoering en de naleving van de bepalingen van dit Verdrag.
Binnen dat gebied kan de kuststaat bijzondere voorschriften uitvaardigen en uitzonderingen vaststellen op de in de Bijlagen II tot en met V van dit Verdrag neergelegde voorschriften voor vaartuigen of vistuig vanwege de afmeting of het type uitsluitend in kustwateren gebruikt, mits er noch formeel, noch daadwerkelijk gediscrimineerd wordt ten opzichte van vaartuigen van andere Verdragsluitende Partijen die gerechtigd zijn in die wateren te vissen. Alvorens ingevolge dit lid bijzondere voorschriften uit te vaardigen en uitzonderingen vast te stellen ten aanzien van gebieden waar buitenlandse vissersvaartuigen hun bedrijf uitoefenen, stelt een Verdragsluitende Partij de betrokken Verdragsluitende Partijen van haar voornemen in kennis en wint zij desgewenst hun advies in.
Artikel 9
Ter vergemakkelijking van de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag, zijn de in dit artikel en in Bijlage VI van dit Verdrag opgenomen regelingen van toepassing buiten de nationale visgrenzen.
Onder „bevoegde functionarissen” worden functionarissen verstaan die door de Verdragsluitende Partijen kunnen worden benoemd voor de uitvoering van deze regelingen.
Een Verdragsluitende Partij doet, op verzoek van een andere Verdragsluitende Partij, deze mededeling van de namen der bevoegde functionarissen die zijn benoemd of van de schepen aan boord waarvan deze functionarissen zich bevinden.
De bevoegde functionarissen zien erop toe dat de bepalingen van dit Verdrag worden nageleefd, stellen een onderzoek in naar en brengen verslag uit inzake overtredingen van de bepalingen van dit Verdrag, verzamelen gegevens in geval van schade, vestigen, indien dit hun gewenst voorkomt, de aandacht van vaartuigen van Verdragsluitende Partijen op de bepalingen van dit Verdrag, en werken daartoe samen met de bevoegde functionarissen van andere Verdragsluitende Partijen.
Indien een bevoegde functionaris reden heeft aan te nemen dat een vaartuig van een Verdragsluitende Partij zich niet aan de bepalingen van dit Verdrag houdt, kan hij overgaan tot identificatie van het vaartuig, de nodige gegevens van het vaartuig trachten te verkrijgen en rapport opmaken. Indien de zaak voldoende ernstig is kan hij het vaartuig bevelen te stoppen en, indien dit nodig is om de feiten te verifiëren, kan hij aan boord van het vaartuig gaan om een onderzoek in te stellen en rapport op te maken.
Indien een bevoegde functionaris reden heeft aan te nemen dat een vaartuig of het vistuig daarvan schade heeft toegebracht aan een vaartuig of aan vistuig, en dat dit het gevolg is van een schending van het Verdrag, kan hij, onder gelijke omstandigheden als bedoeld in het voorgaande lid, elk daarbij betrokken vaartuig bevel geven te stoppen en zich aan boord daarvan begeven voor het instellen van een onderzoek en het opmaken van rapport.
Een bevoegde functionaris geeft aan geen vaartuig bevel te stoppen terwijl dit aan het vissen is of bezig is met het uitzetten of halen van het vistuig, behoudens in noodgevallen om schade aan vaartuigen of vistuig te voorkomen.
Een bevoegde functionaris strekt zijn onderzoek niet verder uit dan nodig is om vast te stellen of er sprake is van schending van het Verdrag of, indien hij van oordeel is dat het Verdrag is geschonden, om zich gegevens te verschaffen omtrent de ter zake dienende feiten; zijn optreden is steeds zodanig dat de vaartuigen zo weinig mogelijk hinder en overlast ondervinden.
Een bevoegde functionaris kan, indien er schade is toegebracht aan een vaartuig of aan vistuig, aanbieden ter plaatse te bemiddelen; indien de desbetreffende partijen daarmede instemmen, kan hij hen helpen met elkaar tot een vergelijk te komen. Op verzoek van de betrokken partijen maakt de bevoegde functionaris een akte op van het tot stand gekomen vergelijk.
Indien een vaartuig zich verzet tegen de instructies van een bevoegde functionaris, wordt dit uitgelegd alsof het zich verzet tegen het gezag van de Staat onder wiens vlag het vaart.
De Verdragsluitende Partijen nemen kennis van en geven gevolg aan door buitenlandse bevoegde functionarissen overeenkomstig deze bepalingen opgemaakte rapporten als waren deze door hun eigen functionarissen opgemaakt. De bepalingen van dit lid leggen een Verdragsluitende Partij geen enkele verplichting op aan een door een buitenlandse bevoegde functionaris opgemaakt rapport groter bewijskracht toe te kennen dan dit in het eigen land van de bevoegde functionaris zou hebben. De Verdragsluitende Partijen werken samen ten einde juridische of andere procedures die voortvloeien uit een krachtens dit Verdrag door een bevoegde functionaris opgemaakt rapport te vergemakkelijken.
Geen bevoegde functionaris maakt gebruik van zijn recht aan boord te gaan van een vaartuig van een andere Verdragsluitende Partij, indien een bevoegde functionaris van die Verdragsluitende Partij beschikbaar is en in de gelegenheid is dit zelf te doen.
Artikel 10
Elke Verdragsluitende Partij kan voorstellen wijzigingen aan te brengen in de artikelen van dit Verdrag. De tekst van elke voorgestelde wijziging wordt aan de Depot-Regering gezonden, die daarvan afschriften zendt aan alle Verdragsluitende Partijen en ondertekenende Regeringen. Een wijziging wordt van kracht op de dertigste dag nadat zij door alle Verdragsluitende Partijen is aanvaard.
Indien daarom door een vierde van het aantal Verdragsluitende Partijen wordt verzocht, belegt de Depot-Regering een bijeenkomst van Verdragsluitende Partijen om de noodzaak van een wijziging der artikelen van dit Verdrag te onderzoeken. Op deze bijeenkomst moeten wijzigingen eenstemmig worden aangenomen en door de Depot-Regering ter kennis gebracht van alle Verdragsluitende Partijen; zij worden van kracht op de dertigste dag nadat zij door alle Verdragsluitende Partijen zijn aanvaard.
Kennisgevingen van aanvaarding van wijzigingen worden gezonden aan de Depot-Regering.
Artikel 11
Elke Verdragsluitende Partij kan voorstellen wijzigingen aan te brengen in de bijlagen bij dit Verdrag. De tekst van elke voorgestelde wijziging wordt aan de Depot-Regering gezonden, die daarvan afschriften zendt aan alle Verdragsluitende Partijen en ondertekenende Regeringen. De Depot-Regering geeft alle Verdragsluitende Partijen kennis van de datum waarop kennisgevingen van aanvaarding van een wijziging door twee derde van het aantal Verdragsluitende Partijen zijn ontvangen. De wijziging wordt van kracht ten aanzien van alle Verdragsluitende Partijen op de honderd vijftigste dag na die datum, tenzij een Verdragsluitende Partij binnen een tijdvak van honderd twintig dagen na die datum de Depot-Regering ervan in kennis stelt dat zij tegen de wijziging bezwaar maakt, in welk geval de wijziging niet van kracht wordt.
Indien daarom door drie Verdragsluitende Partijen wordt verzocht, belegt de Depot-Regering een bijeenkomst van Verdragsluitende Partijen om de noodzaak van een wijziging der bijlagen bij dit Verdrag te onderzoeken. Een op zulk een bijeenkomst door een twee derde meerderheid der vertegenwoordigde Verdragsluitende Partijen aanvaarde wijziging wordt door de Depot-Regering ter kennis gebracht van alle Verdragsluitende Partijen en wordt ten aanzien van alle Verdragsluitende Partijen van kracht op de tweehonderd tiende dag na de datum van kennisgeving, tenzij binnen honderd tachtig dagen na de datum van kennisgeving een Verdragsluitende Partij de Depot-Regering ervan in kennis stelt dat zij bezwaar maakt tegen de wijziging, in welk geval de wijziging niet van kracht wordt.
Artikel 12
De Verdragsluitende Partijen stellen de Depot-Regering in kennis van de bevoegde autoriteiten die zij ingevolge elk der desbetreffende bepalingen van dit Verdrag hebben aangewezen. De Depot-Regering stelt de Verdragsluitende Partijen van al deze kennisgevingen op de hoogte.
Artikel 13
Elk geschil tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen, de uitlegging of toepassing van dit Verdrag betreffende, dat niet door onderhandeling kan worden geregeld, wordt op verzoek van een van hen aan arbitrage onderworpen.
Het verzoek om arbitrage dient een omschrijving te bevatten van de in te dienen eis, alsmede een samenvatting van de gronden waarop de eis berust.
Tenzij de partijen bij het geschil anders overeenkomen, wijzen deze elk een lid van de arbitragecommissie aan en kiezen zij in onderlinge overeenstemming hiernaast nog een lid, dat met het voorzitterschap wordt belast. De arbitragecommissie neemt in de aan haar voorgelegde zaken beslissingen met een volstrekte meerderheid van stemmen; haar beslissingen binden de partijen. De overige bijzonderheden van de procedure worden bij bijzondere overeenkomst tussen de partijen geregeld.
Ongeacht het bepaalde in het derde lid kunnen de partijen overeenkomen het geschil overeenkomstig een ander tussen de partijen van kracht zijnde regeling aan arbitrage te onderwerpen.
Indien de partijen binnen zes maanden, te rekenen van de datum waarop het verzoek om arbitrage werd ingediend, over deze arbitrage geen overeenstemming kunnen bereiken, kan elk der partijen het geschil (als bedoeld in het eerste lid), overeenkomstig het Statuut van het Internationale Gerechtshof, door middel van een desbetreffend verzoek aan dat Hof voorleggen.
Niettegenstaande het bepaalde in het eerste lid kunnen de partijen overeenkomen het geschil voor te leggen aan het Internationale Gerechtshof.
Artikel 14
Behoudens als bepaald in het tweede en derde lid hieronder en in het derde lid van artikel 17, kunnen ten aanzien van dit Verdrag geen voorbehouden worden gemaakt zonder toestemming van de Verdragsluitende Partijen en de ondertekenende Regeringen. Een jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag is alleen de toestemming der Verdragsluitende Partijen vereist.
Bij de ondertekening, bekrachtiging, goedkeuring of toetreding kan iedere Staat een voorbehoud maken ten aanzien van artikel 13 van dit Verdrag.
Iedere Staat kan bij de ondertekening, bekrachtiging, goedkeuring of toetreding een voorbehoud maken ten aanzien van het vijfde en zesde lid van artikel 9, met betrekking tot een of meer der andere Verdragsluitende Partijen of ondertekenende Regeringen.
Iedere Staat die, overeenkomstig het bepaalde in de voorgaande leden of in het derde lid van artikel 17, een voorbehoud heeft gemaakt, kan dit te allen tijde door middel van een aan de Depot-Regering gerichte kennisgeving, intrekken.
Artikel 15
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.