Verdrag betreffende de eenmaking van enige beginselen van het octrooirecht
De Lid-Staten van de Raad van Europa, die dit Verdrag hebben ondertekend,
Overwegende, dat de Raad van Europa zich ten doel stelt een grotere eenheid tussen zijn Leden te verwezenlijken ten einde onder meer hun economische en sociale vooruitgang te bevorderen door het sluiten van overeenkomsten en door het volgen van een gemeenschappelijke gedragslijn op economisch, sociaal, cultureel, wetenschappelijk, juridisch en administratief gebied;
Overwegende, dat de eenmaking van enige beginselen van het Octrooirecht voor de industrie en de uitvinders van nut zal kunnen zijn, dat zij de technische vooruitgang zal kunnen bevorderen en tot het doen ontstaan van een internationaal octrooi zal kunnen bijdragen;
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1
In de Verdragsluitende Staten zal octrooi worden verleend voor iedere uitvinding die voor toepassing op het gebied van de nijverheid vatbaar is, nieuw is en op uitvinderswerkzaamheid berust. Een uitvinding die aan deze voorwaarden niet voldoet kan geen voorwerp vormen van een rechtsgeldig octrooi. Een octrooi, dat nietig wordt verklaard omdat de uitvinding niet aan deze voorwaarden voldoet, wordt beschouwd als nietig van de aanvang af.
Artikel 2
De Verdragsluitende Staten zijn niet gehouden octrooi te verlenen voor:
- (a). uitvindingen waarvan de openbaarmaking of de toepassing strijdig zou zijn met de openbare orde of de goede zeden, met dien verstande dat niet als strijdig in deze zin zal worden beschouwd het enkele feit, dat de toepassing van een uitvinding door een wettelijke of reglementaire bepaling wordt verboden;
- (b). plantaardige variëteiten en dierenrassen, alsmede werkwijzen van wezenlijk biologische aard voor de voortbrenging van planten of dieren; deze bepaling is niet van toepassing op microbiologische werkwijzen en hierdoor verkregen voortbrengselen.
Artikel 3
Een uitvinding wordt voor toepassing op het gebied van de nijverheid vatbaar geacht, indien zij kan worden vervaardigd of toegepast op enig gebied van de nijverheid, daaronder begrepen de landbouw.
Artikel 4
Een uitvinding wordt als nieuw beschouwd, indien zij geen deel uitmaakt van de stand van de techniek.
Onder voorbehoud van het bepaalde in het vierde lid van dit artikel, wordt de stand van de techniek gevormd door al hetgeen openbaar toegankelijk is gemaakt door een schriftelijke of mondelinge beschrijving, door toepassing of op enige andere wijze, vóór de dag van indiening van de octrooiaanvrage of van een buitenlandse aanvrage waarvan de voorrang geldig is ingeroepen.
Iedere Verdragsluitende Staat kan als behorend tot de stand van de techniek aanmerken de inhoud van in die Staat ingediende octrooiaanvragen of verleende octrooien die van overheidswege openbaar zijn gemaakt op of na de dag, genoemd in het tweede lid van dit artikel, voorzover die inhoud een oudere voorrangsdatum bezit.
Een octrooi kan niet worden geweigerd of nietig verklaard op grond van het enkele feit dat de uitvinding openbaar bekend was geworden binnen de zes maanden voorafgaande aan de indiening van de aanvrage, indien dit bekend worden direct of indirect het gevolg was van:
- (a). een kennelijk misbruik ten opzichte van de aanvrager of diens rechtsvoorganger;
- (b). het feit dat de aanvrager of diens rechtsvoorganger de uitvinding heeft tentoongesteld op van overheidswege gehouden of erkende tentoonstellingen in de zin van het Verdrag nopens internationale tentoonstellingen, ondertekend te Parijs op 22 november 1928 en herzien op 10 mei 1948.
Artikel 5
Een uitvinding wordt als het resultaat van uitvinderswerkzaamheid aangemerkt, indien zij niet op een voor de hand liggende wijze voortvloeit uit de stand van de techniek. Om vast te stellen of een uitvinding al dan niet op uitvinderswerkzaamheid berust, kan echter de wetgeving van iedere Verdragsluitende Staat, hetzij in het algemeen, hetzij voor bijzondere soorten van octrooien of octrooiaanvragen, zoals bijvoorbeeld aanvullingsoctrooien, bepalen dat alle of een gedeelte der octrooien of octrooiaanvragen bedoeld in artikel 4, derde lid, van de stand van de techniek zijn uitgesloten.
Artikel 6
De Verdragsluitende Staat die niet van de mogelijkheid voorzien in artikel 4, derde lid, gebruik maakt, is niettemin gehouden te bepalen dat op een uitvinding rechtsgeldig octrooi niet kan worden verleend, voorzover zij, in die Staat, voorwerp is van een octrooi dat, zonder nochtans tot de stand van de techniek te behoren, ten aanzien van het gemeenschappelijke onderwerp, een oudere voorrangsdatum bezit.
Artikel 7
Verdragsluitende Staten, die te zamen een stelsel in het leven hebben geroepen, dat voorziet in de indiening van gemeenschappelijke octrooiaanvragen, kunnen als één enkele Staat worden beschouwd met betrekking tot de toepassing van artikel 4, derde lid, en artikel 6.
Artikel 8
De octrooiaanvrage dient een beschrijving van de uitvinding te bevatten met, in voorkomend geval, de daarop betrekking hebbende tekeningen, alsmede een of meer conclusies, waarin de verlangde bescherming nauwkeurig wordt omschreven.
De beschrijving dient de uitvinding voldoende duidelijk en volledig weer te geven om door een deskundige te kunnen worden toegepast.
De omvang van de door het octrooi verleende bescherming wordt bepaald door de inhoud van de conclusies. Niettemin dienen de beschrijving en de tekeningen om de conclusies te interpreteren.
Artikel 9
Dit Verdrag staat open voor ondertekening door de Lid-Staten van de Raad van Europa. Het wordt bekrachtigd of aanvaard. De akten van bekrachtiging of aanvaarding dienen te worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Het Verdrag treedt in werking drie maanden na de datum waarop de achtste akte van bekrachtiging of aanvaarding is nedergelegd.
Ten aanzien van elke Staat, die het Verdrag heeft ondertekend, doch dit op een later tijdstip bekrachtigt of aanvaardt, treedt het Verdrag in werking drie maanden na de datum waarop de akte van bekrachtiging of aanvaarding van die Staat werd nedergelegd.
Artikel 10
Na de inwerkingtreding van dit Verdrag, kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa elk Lid van de internationale Unie tot bescherming van de Industriële Eigendom dat geen Lid is van de Raad van Europa, voorstellen tot het Verdrag toe te treden.
De toetreding geschiedt door neder legging bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa van een akte van toetreding die van kracht wordt drie maanden na het tijdstip, waarop die akte is nedergelegd.
Artikel 11
Iedere Verdragsluitende Partij kan ten tijde van de ondertekening of van de nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding aangeven op welk grondgebied of welke gebiedsdelen dit Verdrag van toepassing is.
Iedere Verdragsluitende Partij kan ten tijde van de nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, of op elk later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving bepalen dat dit Verdrag mede van toepassing zal zijn op elk ander in die kennisgeving genoemd gebiedsdeel voor welks internationale betrekkingen zij verantwoordelijk is of ten aanzien waarvan zij bevoegd is verbintenissen aan te gaan.
Een krachtens het voorgaande lid gedane verklaring kan ten aanzien van ieder in die verklaring genoemd gebiedsdeel worden ingetrokken, met inachtneming van de voorwaarden welke zijn nedergelegd in artikel 13 van dit Verdrag.
Artikel 12
Onverminderd het in dit Verdrag bepaalde, kan elke Verdragsluitende Partij ten tijde van de ondertekening of van de nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, gedurende de hierna bepaalde overgangstermijn, zich het recht voorbehouden:
- (a). niet te voorzien in octrooiverlening voor levensmiddelen en farmaceutische produkten op zichzelf, alsmede voor werkwijzen op het gebied van de land- en tuinbouw, waarop artikel 2 (b) niet van toepassing is;
- (b). rechtsgeldig octrooi te verlenen voor uitvindingen die openbaar zijn geworden binnen de zes maanden voorafgaande aan de indiening van de aanvrage, hetzij, buiten het geval bedoeld in artikel 4, vierde lid onder (b),, door toedoen van de uitvinder zelf, hetzij buiten het geval bedoeld in artikel 4, vierde lid onder (a), door een derde die inlichtingen heeft verkregen, afkomstig van de uitvinder.
De in het eerste lid bedoelde overgangstermijn bedraagt tien jaren in het geval bedoeld onder (a) en vijf jaren in het geval bedoeld onder (b). Deze termijn gaat ten aanzien van de betrokken Verdragsluitende Partij in op de dag van inwerkingtreding van dit Verdrag.
Elke Verdragsluitende Partij die een voorbehoud maakt overeenkomstig dit artikel trekt dit voorbehoud in zodra de omstandigheden het toelaten. Het intrekken van een voorbehoud geschiedt door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving, welke kennisgeving van kracht wordt één maand na de datum van ontvangst.
Artikel 13
Dit Verdrag blijft voor onbepaalde tijd van kracht.
Ten aanzien van haarzelf kan elke Verdragsluitende Partij dit Verdrag door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving opzeggen.
De opzegging wordt van kracht zes maanden na de datum van ontvangst van deze kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Artikel 14
De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa doet aan de Lid-Staten van de Raad, aan elke Staat die tot dit Verdrag is toegetreden en aan de Directeur van het Internationaal Bureau tot bescherming van de Industriële Eigendom mededeling van:
- (a). iedere ondertekening;
- (b). iedere nederlegging van een akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding;
- (c). iedere datum van inwerkingtreding van dit Verdrag;
- (d). iedere verklaring en kennisgeving die ingevolge het bepaalde in artikel 11, lid 2 en lid 3 wordt ontvangen;
- (e). ieder voorbehoud dat ingevolge het bepaalde in artikel 12, eerste lid, wordt gemaakt;
- (f). het intrekken van elk overeenkomstig het bepaalde in artikel 12, derde lid, gemaakt voorbehoud;
- (g). iedere kennisgeving die ingevolge het bepaalde in artikel 13, tweede lid, wordt ontvangen en de datum waarop de opzegging van kracht wordt.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Convention.
DONE at Strasbourg, this 27th day of November 1963 in English and in French, both texts being equally authoritative, in a single copy which shall remain deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary-General shall transmit certified copies to each of the signatory and acceding States and to the Director of the International Bureau for the Protection of Industrial Property.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.