Europees Verdrag inzake het toezicht op voorwaardelijk veroordeelden of voorwaardelijk in vrijheid gestelden

Type Verdrag
Publication 1988-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Preambule

De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa,

Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn Leden;

Vastbesloten tot samenwerking bij de bestrijding der misdadigheid;

Overwegende dat zij met het oog daarop bij ieder in een der Lid-Staten gewezen vonnis op het grondgebied der andere Verdragsluitende Partijen behoren te zorgen voor de sociale reclassering van de voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde delinquenten enerzijds en voor de tenuitvoerlegging van de straf, indien aan de gestelde voorwaarden niet wordt voldaan anderzijds,

Zijn het volgende overeengekomen:

TITEL I. Beginselen

Artikel 1
1.

De Verdragsluitende Partijen verbinden zich elkaar overeenkomstig de hierna volgende bepalingen de wederzijdse rechtshulp te verlenen die nodig is voor de sociale reclassering van de in artikel 2 bedoelde delinquenten. Deze rechtshulp bestaat in het houden van toezicht op de delinquenten, welk toezicht enerzijds tot uitdrukking komt in maatregelen die een gedragsverbetering alsook de wederaanpassing van deze delinquenten aan het maatschappelijk leven kunnen vergemakkelijken en anderzijds door een waakzaam oog te houden op hun gedrag, ten einde, zo nodig, hetzij alsnog een vonnis over hen uit te kunnen spreken, hetzij een reeds eerder tegen hen gewezen vonnis ten uitvoer te kunnen leggen.

2.

De Verdragsluitende Partijen leggen, overeenkomstig de hiernavolgende bepalingen, de tegen de delinquent uitgesproken vrijheidsstraf of met vrijheidsberoving gepaard gaande maatregel, waarvan de toepassing was opgeschort, ten uitvoer.

Artikel 2
1.

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder een „delinquent” verstaan hij, die op het grondgebied van een der Verdragsluitende Partijen:

2.

In de volgende artikelen wordt met „vonnis” elke gerechtelijke uitspraak bedoeld die is gedaan uit hoofde van alinea (a) en alinea (b) van het eerste lid van dit artikel.

Artikel 3

De in artikel 2 bedoelde uitspraken moeten kracht van gewijsde hebben en voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn.

Artikel 4

Het delict dat aan een verzoek als bedoeld in artikel 5 ten grondslag ligt, moet zowel in de verzoekende Staat als in de aangezochte Staat strafbaar zijn gesteld.

Artikel 5
1.

De Staat die het vonnis heeft uitgesproken kan aan de Staat op het grondgebied waarvan de delinquent zijn vaste woonplaats heeft verzoeken:

2.

De aangezochte Staat is gehouden aan dit verzoek gevolg te geven onder de bij dit Verdrag bepaalde voorwaarden.

3.

Indien de verzoekende Staat een der in het eerste lid van dit artikel bedoelde verzoeken heeft gedaan en indien de aangezochte Staat er de voorkeur aan geeft in een bepaald geval gebruik te maken van een der andere in het eerste lid voorziene mogelijkheden, kan de aangezochte Staat weigeren gevolg te geven aan dat verzoek, en zich tegelijkertijd bereid verklaren gevolg te geven aan een door hem aan te duiden verzoek van andere strekking.

Artikel 6

Op verzoek van de Staat die het vonnis heeft uitgesproken belast de Staat op het grondgebied waarvan de delinquent zijn vaste woonplaats heeft zich met het toezicht, de tenuitvoerlegging dan wel de volledige toepassing, als bedoeld in het voorgaande artikel.

Artikel 7
1.

Aan een verzoek om toezicht, tenuitvoerlegging of volledige toepassing wordt geen gevolg gegeven:

2.

Een verzoek om toezicht, tenuitvoerlegging of volledige toepassing kan worden geweigerd:

3.

Ter zake van fiscale delicten vindt toezicht of tenuitvoerlegging overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag alleen plaats, indien de Verdragsluitende Partijen ten aanzien van elk zodanig delict of elke categorie van delicten daartoe hebben besloten.

Artikel 8

Voor zover nodig houden de verzoekende Staat en de aangezochte Staat elkaar op de hoogte van alle omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de uitvoering van de maatrgelen met betrekking tot het toezicht op het grondgebied van de aangezochte Staat of de tenuitvoerlegging van het vonnis in die Staat.

Artikel 9

De aangezochte Staat stelt onverwijld de verzoekende Staat op de hoogte van de stappen die zijn genomen naar aanleiding van diens verzoek.

In geval van gehele of gedeeltelijke weigering, deelt hij de gronden voor die beslissing mede.

TITEL II. Van het toezicht

Artikel 10

De verzoekende Staat stelt de aangezochte Staat in kennis van de aan de delinquent opgelegde voorwaarden en zo nodig van de maatregelen van toezicht waaraan hij zich gedurende de proeftijd moet onderwerpen.

Artikel 11
1.

De aangezochte Staat geeft gevolg aan het verzoek van de verzoekende Staat en past zo nodig de voorgeschreven maatregelen van toezicht aan zijn eigen wetgeving aan.

2.

De door de aangezochte Staat toegepaste maatregelen van toezicht mogen in geen geval naar aard of duur een verzwaring betekenen van die, welke door de verzoekende Staat zijn voorgeschreven.

Artikel 12

Indien de aangezochte Staat erin toestemt het toezicht op zich te nemen, gaat hij als volgt te werk:

Artikel 13

Ingeval de delinquent aanleiding geeft tot intrekking van de voorwaardelijke opschorting van het vonnis als bedoeld in artikel 2, hetzij in verband met een vervolging of een veroordeling wegens een nieuw delict, hetzij wegens het niet nakomen van de hem opgelegde verplichtingen, worden door de aangezochte Staat de noodzakelijke gegevens onverwijld ambtshalve doorgegeven aan de verzoekende Staat.

Artikel 14

De aangezochte Staat verschaft aan de verzoekende Staat op diens verzoek alle noodzakelijke gegevens zodra de periode van toezicht is geëindigd.

Artikel 15

Alleen de verzoekende Staat is bevoegd, rekening houdend met de gegevens en opmerkingen die hem door de aangezochte Staat zijn verstrekt, te beoordelen of de delinquent al dan niet heeft voldaan aan de hem opgelegde verplichtingen, alsmede aan zijn bevindingen de gevolgen te verbinden die in zijn eigen wetgeving zijn voorzien.

Hij stelt de aangezochte Staat van zijn beslissing in kennis.

TITEL III. De tenuitvoerlegging van vonnissen

Artikel 16

Na intrekking van de voorwaardelijke opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis door de verzoekende Staat en op verzoek van deze Staat, is de aangezochte Staat bevoegd het vonnis ten uitvoer te leggen.

Artikel 17

De tenuitvoerlegging vindt plaats op de wijze voorzien bij de wet van de aangezochte Staat, na verificatie van de authenticiteit van het verzoek tot tenuitvoerlegging en nadat is vastgesteld dat het verzoek in overeenstemming is met de bepalingen van dit Verdrag.

Artikel 18

De aangezochte Staat doet te zijner tijd aan de verzoekende Staat een akte toekomen, waaruit blijkt dat het vonnis ten uitvoer is gelegd.

Artikel 19

De aangezochte Staat vervangt zo nodig de door de verzoekende Staat opgelegde straf door de straf of maatregel, die zijn eigen wetgeving voorziet voor een soortgelijk delict. Deze straf of maatregel dient wat de aard ervan betreft zoveel mogelijk overeen te komen met die welke is opgelegd bij het vonnis dat ten uitvoer moet worden gelegd, en mag noch het bij de wet van de aangezochte Staat gestelde maximum overtreffen, noch naar aard of duur een verzwaring betekenen van de in de verzoekende Staat opgelegde straf.

Artikel 20

De verzoekende Staat zelf mag geen der verzochte executiemaatregelen meer nemen, tenzij de aangezochte Staat verklaart er niet toe bereid of niet toe in staat te zijn.

Artikel 21

De aangezochte Staat is bevoegd tot voorwaardelijke invrijheidstelling. Het recht van gratie kan zowel door de verzoekende Staat als door de aangezochte Staat worden uitgeoefend.

TITEL IV. Afstand van rechten ten behoeve van de aangezochte Staat

Artikel 22

De verzoekende Staat stelt de aangezochte Staat op de hoogte van het vonnis waarvan hij de volledige toepassing verzoekt.

Artikel 23
1.

De aangezochte Staat past de opgelegde straf of maatregel aan zijn strafwetgeving aan als ware het vonnis wegens hetzelfde delict, begaan op zijn grondgebied, uitgesproken.

2.

De in de aangezochte Staat opgelegde straf mag niet zwaarder zijn dan die welke in de verzoekende Staat is opgelegd.

Artikel 24

De aangezochte Staat belast zich met de volledige toepassing van het aldus aangepaste vonnis als ware het een vonnis door zijn eigen rechter gewezen.

Artikel 25

Wanneer de aangezochte Staat een overeenkomstig de bepalingen van deze titel gedaan verzoek aanvaardt, vervalt daarmee het recht van de verzoekende Staat het vonnis ten uitvoer te leggen.

TITEL V. Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 26
1.

Elk overeenkomstig artikel 5 gedaan verzoek wordt schriftelijk ingediend.

Er dient in te worden vermeld:

2.

Het verzoek tot het uitoefenen van toezicht gaat vergezeld van het origineel of van een authentiek afschrift van de gerechtelijke uitspraak, waarin de redenen zijn vervat die het toezicht motiveren en van de uitspraak waarin de maatregelen worden genoemd waaraan de delinquent wordt onderworpen. Het verzoek moet het executoire karakter staven van de uitspraak en van de uit te voeren maatregel van toezicht. Voor zover mogelijk worden in het verzoek de omstandigheden beschreven waaronder het delict, dat tot de veroordeling tot ondertoezichtstelling heeft geleid, is gepleegd, alsmede de tijd en plaats aangeduid waar het is begaan, zijn wettelijke aanduiding en, zo nodig, de duur van de ten uitvoer te leggen straf. Het verzoek bevat alle gegevens over aard en duur van de toezichtmaatregelen waarvan uitvoering wordt verzocht. Het bevat een opsomming van de toepasselijke wettelijke bepalingen, alsmede de nodige gegevens betreffende de persoon van de delinquent en diens gedrag in de verzoekende Staat voor en na de uitspraak waarbij de ondertoezichtstelling is gelast.

3.

Het verzoek tot tenuitvoerlegging gaat vergezeld van het origineel of van een authentiek afschrift van de uitspraak waarbij de voorwaardelijke opschorting van de veroordeling of haar tenuitvoerlegging wordt ingetrokken alsmede van de uitspraak waarbij de thans ten uitvoer te leggen straf wordt opgelegd. Het executoriale karakter van deze beide uitspraken wordt vastgelegd in de vorm zoals is voorgeschreven door de wet van de Staat waar ze zijn gedaan.

Wanneer het ten uitvoer te leggen vonnis in de plaats treedt van een ander zonder de daaraan ten grondslag liggende overwegingen te herhalen, moet een authentiek afschrift van de uitspraak waarin deze overwegingen zijn vermeld, worden bijgevoegd.

4.

Het verzoek tot volledige toepassing van het vonnis gaat vergezeld van de in het tweede lid van dit artikel genoemde documenten.

Artikel 27
1.

Het verzoek wordt door het Ministerie van Justitie van de verzoekende Staat gezonden aan het Ministerie van Justitie van de aangezochte Staat. Het antwoord wordt langs dezelfde weg verzonden.

2.

De mededelingen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van dit Verdrag worden uitgewisseld hetzij op de in het eerste lid van dit artikel aangegeven wijze, hetzij rechtstreeks tussen de autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen.

3.

In spoedeisende gevallen kunnen de in het tweede lid van dit artikel bedoelde mededelingen worden doorgegeven door tussenkomst van de Internationale Organisatie voor Criminele Politie (Interpol).

4.

Elke Verdragsluitende Partij kan door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring kennis geven van haar voornemen af te wijken van de regels betreffende het doorgeven van mededelingen, genoemd in het eerste en tweede lid van dit artikel.

Artikel 28

Indien de aangezochte Staat van oordeel is dat de door de verzoekende Staat verschafte gegevens onvoldoende zijn om hem in staat te stellen dit Verdrag toe te passen, verzoekt hij de noodzakelijke aanvullende gegevens te verstrekken. Hij kan een termijn stellen voor de toezending van die gegevens.

Artikel 29
1.

Behoudens de bepalingen van het tweede lid van dit artikel is de vertaling van de verzoeken, de daarbij gevoegde stukken alsmede van alle andere documenten die betrekking hebben op de toepassing van dit Verdrag niet noodzakelijk.

2.

Elke Verdragsluitende Partij kan zich door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving ten tijde van de ondertekening of van de nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding het recht voorbehouden te eisen dat haar de verzoeken en de daarbij gevoegde stukken worden toegezonden, vergezeld van hetzij een vertaling in haar eigen taal, hetzij in een der officiële talen van de Raad van Europa of in een van deze talen, door haar te noemen. De andere Verdragsluitende Partijen kunnen op wederkerigheid aanspraak maken.

3.

Dit artikel laat onverlet de bepalingen met betrekking tot de vertaling van verzoeken en van daarbij gevoegde stukken, vervat in reeds van kracht zijnde of nog te sluiten overeenkomsten of regelingen tussen twee of meer der Verdragsluitende Partijen.

Artikel 30

De stukken en documenten die worden overgedragen ter uitvoering van dit Verdrag behoeven niet te zijn gelegaliseerd.

Artikel 31

De aangezochte Staat is bevoegd op verzoek van de verzoekende Staat, de in die Staat ontstane vervolgings- en proceskosten te innen.

Int hij die kosten, dan is hij gehouden de verzoekende Staat alleen de honoraria der experts te vergoeden.

Artikel 32

De in de aangezochte Staat ontstane kosten van toezicht en tenuitvoerlegging worden niet vergoed.

TITEL VI. Slotbepalingen

Artikel 33

Dit Verdrag laat de toepassing van bepalingen van vreemdelingenrecht onverlet.

Artikel 34

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.