← Geldende tekst · Geschiedenis

Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht

Geldende tekst a fecha 1977-03-02

Preambule

De Lidstaten van de Raad van Europa die deze Overeenkomst hebben ondertekend,

Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is een grotere eenheid tussen zijn Leden tot stand te brengen;

Ervan overtuigd dat het invoeren van een stelsel van onderlinge hulp in internationaal verband, ten einde de verkrijging van inlichtingen over buitenlands recht door rechterlijke autoriteiten te vergemakkelijken, zal bijdragen tot verwezenlijking van dit doel,

Zijn als volgt overeengekomen:

Artikel 1. Toepassingsgebied van de Overeenkomst
1.

De Overeenkomstsluitende Partijen nemen de verplichting op zich elkander, overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst, inlichtingen te verstrekken over hun recht op het gebied van het burgerlijk recht en het handelsrecht, alsook op het gebied van de rechtsvordering in burgerlijke zaken en in handelszaken en van hun rechterlijke organisatie.

2.

Twee of meer Overeenkomstsluitende Partijen kunnen evenwel overeenkomen in hun onderlinge betrekkingen het toepassingsgebied van deze Overeenkomst uit te breiden tot andere gebieden dan de in het voorgaande lid genoemde. De tekst van een zodanige overeenkomst wordt ter kennis gebracht van de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

Artikel 2. Nationale verbindingsorganen
1.

Ter uitvoering van de bepalingen van deze Overeenkomst dient elke Overeenkomstsluitende Partij één orgaan (hierna te noemen „ontvangend orgaan”) in het leven te roepen of aan te wijzen dat tot taak zal hebben:

Het ontvangend orgaan kan een onder een ministerie ressorterende dienst of een ander orgaan van de Staat zijn.

2.

Iedere Overeenkomstsluitende Partij kan een of meer organen (hierna te noemen „verzendend orgaan”) in het leven roepen of aanwijzen welks taak het zal zijn verzoeken om inlichtingen afkomstig van haar rechterlijke autoriteiten, in ontvangst te nemen en door te zenden aan het bevoegde buitenlandse ontvangend orgaan. Het werk van het verzendend orgaan kan worden opgedragen aan het ontvangend orgaan.

3.

Iedere Overeenkomstsluitende Partij geeft de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa kennis van de naam en het adres van haar ontvangend orgaan en, zo nodig, van haar verzendend orgaan of verzendende organen.

Artikel 3. Autoriteiten die bevoegdheid bezitten om inlichtingen te verzoeken
1.

Een verzoek om inlichtingen moet steeds uitgaan van een rechterlijke autoriteit, ook al is het niet door deze opgesteld. Het kan slechts worden gedaan naar aanleiding van een reeds aanhangige procedure.

2.

Iedere Overeenkomstsluitende Partij kan, wanneer zij niet een verzendend orgaan in het leven heeft geroepen of heeft aangewezen, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving, mededelen welke van haar autoriteiten zij beschouwt als een rechterlijke autoriteit in de zin van het voorgaande lid.

3.

Twee of meer Overeenkomstsluitende Partijen kunnen overeenkomen in hun onderlinge betrekkingen het toepassingsgebied van deze Overeenkomst uit te breiden tot verzoeken die uitgaan van andere dan rechterlijke autoriteiten. De tekst van een zodanige overeenkomst wordt ter kennis gebracht van de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

Artikel 4. Inhoud van een verzoek om inlichtingen
1.

In het verzoek om inlichtingen dienen de rechterlijke autoriteit van wie het uitgaat, alsmede de aard van de zaak te worden aangegeven. In het verzoek dienen zo nauwkeurig mogelijk de punten te worden omschreven, waarover inlichtingen betreffende het recht van de Staat tot welke het verzoek wordt gericht, worden verlangd en, ingeval er in de Staat tot welke het verzoek wordt gericht meer dan één rechtsstelsel bestaat, het stelsel met betrekking waartoe de inlichtingen worden gevraagd.

2.

In het verzoek dienen tevens de feiten te worden genoemd die nodig zijn zowel voor een goed begrip ervan als voor het formuleren van een juist en nauwkeurig antwoord; afschriften van stukken kunnen eraan worden toegevoegd voor zover dat nodig is om de strekking van het verzoek te verduidelijken.

3.

Het verzoek kan, bij wijze van aanvulling, betrekking hebben op punten betreffende andere gebieden dan die welke zijn genoemd in artikel 1, eerste lid, mits deze punten samenhangen met de hoofdpunten van het verzoek.

4.

Indien het verzoek niet door een rechterlijke autoriteit zelf wordt opgesteld, moet het vergezeld gaan van de beslissing van een zodanige autoriteit waarin machtiging wordt verleend tot het doen van het verzoek.

Artikel 5. Verzending van een verzoek om inlichtingen

Een verzoek om inlichtingen dient door een verzendend orgaan of, bij het ontbreken van een zodanig orgaan, door de rechterlijke autoriteit van wie het uitgaat rechtstreeks aan het ontvangend orgaan van de Staat tot welke het verzoek wordt gericht te worden gezonden.

Artikel 6. Autoriteiten die de bevoegdheid bezitten antwoord te geven
1.

Een ontvangend orgaan waarbij een verzoek om inlichtingen is ingekomen, kan hetzij zelf het antwoord opstellen, hetzij het verzoek doorzenden aan een ander orgaan van de Staat of een ander officieel orgaan voor het opstellen van het antwoord.

2.

Een ontvangend orgaan kan, in daarvoor in aanmerking komende gevallen of om redenen van bestuurlijke organisatie, het verzoek doorzenden aan een particuliere instelling of aan een bevoegde jurist, voor het opstellen van het antwoord.

3.

Wanneer aan de toepassing van het voorgaande lid naar alle waarschijnlijkheid kosten zijn verbonden, deelt het ontvangend orgaan, alvorens tot de in dat lid bedoelde overdracht over te gaan, aan de autoriteit van wie het verzoek uitgaat, mede aan welke particuliere instelling of aan welke jurist of juristen het verzoek zal worden doorgezonden; in dat geval doet het voor zover mogelijk opgave van de grootte van de verwachte kosten aan deze autoriteit en verzoekt haar om toestemming tot deze overdracht.

Artikel 7. Inhoud van het antwoord

Het antwoord moet erop zijn gericht de autoriteit van wie het verzoek uitgaat, op objectieve en onpartijdige wijze over het recht van de Staat, tot welke het verzoek is gericht, in te lichten. Het bevat, naar gelang van het geval, de teksten van wetten en regelingen en van rechterlijke beslissingen. Het moet, in zoverre dit nodig wordt geoordeeld in het belang van een goede informatie van de aanvrager, vergezeld gaan van aanvullende documenten, zoals uittreksels uit wetenschappelijke werken, alsmede „travaux préparatoires”. Het kan eventueel vergezeld gaan van een toelichting.

Artikel 8. Rechtskracht van het antwoord

De in het antwoord vervatte inlichtingen binden de rechterlijke autoriteit van wie het verzoek uitging niet.

Artikel 9. Overbrenging van het antwoord

Het antwoord wordt door het ontvangend orgaan gericht aan het verzendend orgaan, indien het verzoek door dat orgaan is verzonden, dan wel aan de rechterlijke autoriteit, indien deze zich rechtstreeks tot het ontvangend orgaan heeft gewend.

Artikel 10. Verplichting tot antwoorden
1.

Het ontvangend orgaan waarbij een verzoek om inlichtingen is ingekomen, is, behoudens het bepaalde in artikel 11, verplicht aan het verzoek gevolg te geven overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.

2.

Indien het antwoord niet door het ontvangend orgaan zelf wordt opgesteld, blijft dit in ieder geval gehouden erop toe te zien dat met inachtneming van het bepaalde in artikel 12 een antwoord wordt gegeven.

Artikel 11. Uitzonderingen op de verplichting tot antwoorden

De Staat tot welke het verzoek is gericht kan weigeren aan het verzoek om inlichtingen gevolg te geven, indien zijn belangen geraakt worden door het geding naar aanleiding waarvan het verzoek is gedaan, of wanneer hij van oordeel is dat het antwoord inbreuk zou maken op zijn soevereiniteit of zijn veiligheid.

Artikel 12. Termijn waarbinnen moet worden geantwoord

Het antwoord op een verzoek om inlichtingen moet zo spoedig mogelijk worden gegeven. Indien evenwel de opstelling van het antwoord geruime tijd vergt, stelt het ontvangend orgaan de buitenlandse autoriteit die het verzoek heeft gedaan, daarvan in kennis en meldt, zo mogelijk, tevens op welke datum het antwoord waarschijnlijk zal worden gegeven.

Artikel 13. Aanvullende inlichtingen
1.

Het ontvangend orgaan, alsook het orgaan dat of de persoon die het overeenkomstig het bepaalde in artikel 6 heeft belast met het antwoord, kunnen aan de autoriteit van wie het verzoek uitgaat aanvullende inlichtingen vragen die zij noodzakelijk achten voor de opstelling van het antwoord.

2.

Het verzoek om aanvullende inlichtingen wordt door het ontvangend orgaan langs dezelfde weg verzonden als die welke in artikel 9 voor het geven van antwoord is voorgeschreven.

Artikel 14. Talen
1.

Het verzoek om inlichtingen en de bijlagen worden gesteld in de taal of in een van de officiële talen van de Staat tot welke het verzoek is gericht, of gaan vergezeld van een vertaling in die taal. Het antwoord wordt gesteld in de taal van de Staat tot welke het verzoek is gericht.

2.

Twee of meer Overeenkomstsluitende Partijen kunnen evenwel overeenkomen in hun onderlinge betrekkingen van de bepalingen van het voorgaande lid af te wijken.

Artikel 15. Kosten
1.

Aan het antwoord mogen geen andere heffingen of kosten zijn verbonden dan die bedoeld in artikel 6, derde lid, die ten laste komen van de Staat van welke het verzoek uitgaat.

2.

Twee of meer Overeenkomstsluitende Partijen kunnen evenwel overeenkomen in hun onderlinge betrekkingen van de bepalingen van het voorgaande lid af te wijken.

Artikel 16. Bondsstaten

In een bondsstaat kunnen de functies die door het ontvangend orgaan worden uitgeoefend, behoudens die bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder (a), om redenen van constitutionele aard worden opgedragen aan andere organen van de Staat.

Artikel 17. Inwerkingtreding van de Overeenkomst
1.

Deze Overeenkomst staat open voor ondertekening door de Leden van de Raad van Europa. Zij dient te worden bekrachtigd of aanvaard. De akten van bekrachtiging of aanvaarding worden bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa nedergelegd.

2.

Deze Overeenkomst treedt in werking drie maanden na het tijdstip van nederlegging van de derde akte van bekrachtiging of aanvaarding.

3.

Zij treedt voor iedere ondertekenende Staat die haar daarna bekrachtigt of aanvaardt, in werking drie maanden na de datum van nederlegging van diens akte van bekrachtiging of aanvaarding.

Artikel 18. Toetreding van een Staat die geen lid is van de Raad van Europa
1.

Na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa iedere Staat die geen lid is van de Raad, uitnodigen tot deze Overeenkomst toe te treden.

2.

Toetreding geschiedt door nederlegging van een akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa en wordt van kracht drie maanden na de datum van nederlegging daarvan.

Artikel 19. Territoriale toepassing van deze Overeenkomst
1.

Iedere Overeenkomstsluitende Partij kan bij de ondertekening of op het ogenblik van de nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, aangeven op welk gebied of welke gebieden deze Overeenkomst van toepassing is.

2.

Iedere Overeenkomstsluitende Partij kan op het ogenblik van de nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, of op elk later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving, de toepasselijkheid van deze Overeenkomst uitbreiden tot het gebied of de gebieden, genoemd in deze kennisgeving, voor de internationale betrekkingen waarvan zij verantwoordelijk is of waarvoor zij bevoegd is overeenkomsten aan te gaan.

3.

Elke krachtens het bepaalde in het voorgaande lid afgelegde verklaring kan, ten aanzien van elk in die verklaring genoemd gebied, overeenkomstig de in artikel 20 van deze Overeenkomst omschreven procedure worden ingetrokken.

Artikel 20. Duur van de Overeenkomst en opzegging
1.

Deze Overeenkomst is voor onbepaalde tijd van kracht.

2.

Elke Overeenkomstsluitende Partij kan deze Overeenkomst opzeggen door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving.

3.

Deze opzegging wordt van kracht zes maanden na het tijdstip van ontvangst van deze kennisgeving door de Secretaris-Generaal.

Artikel 21. Taak van de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa

De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa doet aan de Leden van de Raad van Europa en aan iedere Staat die tot deze Overeenkomst is toegetreden, mededeling van:

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Convention.

DONE at London, this 7th June 1968, in French and English, both texts being equally authoritative, in a single copy which shall remain deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary General of the Council of Europe shall transmit certified copies to each of the signatory and acceding States.