Europese Overeenkomst inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer

Type Verdrag
Publication 1989-11-07
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Lid-Staten van de Raad van Europa, welke deze Overeenkomst hebben ondertekend,

Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn Leden, ten einde de idealen en beginselen, welke hun gemeenschappelijk erfdeel zijn, veilig te stellen en te verwezenlijken;

In de overtuiging, dat de eisen van het internationaal vervoer van dieren niet onverenigbaar zijn met het welzijn van de dieren;

Bezield door de wens dieren tijdens hun vervoer zoveel mogelijk van lijden te vrijwaren;

Overwegend dat in dit opzicht vooruitgang kan worden bereikt door het aannemen van gemeenschappelijke bepalingen betreffende het internationaal vervoer van dieren,

Zijn als volgt overeengekomen:

HOOFDSTUK I

Artikel 1
1.

Elk der Overeenkomstsluitende Partijen zal de in deze Overeenkomst neergelegde bepalingen betreffende het internationaal vervoer van dieren toepassen.

2.

Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder internationaal vervoer verstaan ieder vervoer waarbij een grens wordt overschreden. Het grensverkeer is hier evenwel van uitgezonderd.

3.

De bevoegde autoriteiten van het verzendende land beslissen of het vervoer voldoet aan de bepalingen van deze Overeenkomst. De landen van bestemming of van doorvoer kunnen evenwel betwisten dat het vervoer overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst heeft plaatsgevonden. Het transport mag evenwel slechts worden opgehouden indien een dergelijke maatregel strikt noodzakelijk is voor het welzijn van de dieren.

4.

Elk der Overeenkomstsluitende Partijen zal, wanneer stakingen of andere onvoorziene omstandigheden de strikte toepassing van de bepalingen van deze Overeenkomst op haar grondgebied onmogelijk maken, de nodige maatregelen treffen om lijden van de dieren te voorkomen of tot een minimum te beperken. Zij zal zich daarbij laten leiden door de in deze Overeenkomst neergelegde grondbeginselen.

Artikel 2

Deze Overeenkomst is van toepassing op het internationaal vervoer van:

HOOFDSTUK II. Eenhoevige huisdieren en huisdieren van de soorten: runderen, schapen, geiten en varkens

A. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 3
1.

Alvorens met het oog op internationaal vervoer te worden ingeladen, moeten de dieren worden onderzocht door een bevoegde dierenarts van het uitvoerende land, die zich ervan overtuigt dat zij geschikt zijn voor vervoer. Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder een bevoegde dierenarts verstaan een dierenarts die is aangewezen door de bevoegde autoriteit.

2.

Het inladen moet op een door de bevoegde dierenarts goedgekeurde wijze geschieden.

3.

De bevoegde dierenarts geeft een certificaat af, dat de dieren identificeert, waarin staat dat zij geschikt zijn voor vervoer en waarin zo mogelijk het registratienummer van het vervoermiddel en het soort vervoermiddel wordt vermeld.

4.

In bepaalde bij overeenkomst tussen de betrokken Overeenkomstsluitende Partijen vastgestelde gevallen, behoeven de bepalingen van dit artikel niet te worden toegepast.

Artikel 4

Dieren die tijdens het vervoer waarschijnlijk moeten werpen of die minder dan 48 uur tevoren hebben geworpen, worden niet geacht geschikt te zijn voor vervoer.

Artikel 5

De bevoegde dierenarts van het uitvoerende land, het land van doorvoer of het invoerende land kan een periode van rust op een door hem aangewezen plaats voorschrijven gedurende welke de dieren de nodige verzorging moeten ontvangen.

Artikel 6
1.

De dieren moeten over voldoende ruimte beschikken en moeten, tenzij bijzondere omstandigheden anderszins vereisen, kunnen gaan liggen.

2.

De vervoermiddelen en verpakkingen moeten zo zijn geconstrueerd dat zij de dieren beschermen tegen slechte weersomstandigheden en grote verschillen in klimaat. De luchtverversing en de hoeveelheid lucht moeten zijn aangepast aan de omstandigheden waaronder het vervoer plaats vindt en geschikt zijn voor de vervoerde diersoort.

3.

De verpakkingen waarin dieren worden vervoerd, moeten voorzien zijn van een merk, waaruit de aanwezigheid van levende dieren blijkt en van een teken dat aangeeft in welke positie de dieren zich rechtop bevinden. Zij moeten gemakkelijk schoongemaakt kunnen worden en zo geconstrueerd zijn dat de dieren niet kunnen ontsnappen en de veiligheid van de dieren is gewaarborgd. Zij moeten het ook mogelijk maken dat de dieren worden onderzocht en verzorgd en zo zijn gestuwd dat de luchtcirculatie niet wordt gehinderd. Tijdens het vervoer en de hantering van de verpakkingen, moeten deze steeds rechtop worden gehouden en mogen zij niet worden blootgesteld aan schokken of heftige stoten.

4.

Tijdens het vervoer moeten de dieren met passende tussenpozen worden gedrenkt en met geschikt voer worden gevoederd. Deze tussenpozen mogen niet langer zijn dan 24 uur; deze periode mag echter worden verlengd indien het transport binnen een redelijke tijd de plaats van bestemming, waar de dieren worden uitgeladen, kan bereiken.

5.

Eenhoevigen moeten gedurende het vervoer zijn voorzien van een halster. Deze voorziening is niet verplicht voor niet-afgerichte dieren.

6.

Wanneer de dieren vastgebonden zijn, moet het daarvoor gebruikte materiaal zo sterk zijn dat het onder normale vervoersomstandigheden niet kan breken en lang genoeg zijn om, wanneer het nodig is, de dieren de mogelijkheid te geven, te gaan liggen, te eten en te drinken. Runderen mogen niet aan de horens worden vastgebonden.

7.

Eenhoevigen moeten, tenzij zij afgezonderd van elkaar zijn gestald, onbeslagen achterhoeven hebben.

8.

Stieren ouder dan 18 maanden moeten bij voorkeur zijn vastgebonden; zij moeten een neusring dragen die uitsluitend mag worden gebruikt om de dieren te leiden.

Artikel 7
1.

Wanneer dieren van verschillende soort in hetzelfde vervoermiddel worden vervoerd, moeten zij naar soort gescheiden worden gehouden. Bovendien moeten bijzondere maatregelen worden getroffen ter vermijding van nadelige gevolgen die kunnen voortvloeien uit het gezamenlijk vervoer van soorten die elkaar van nature vijandig gezind zijn.

Wanneer dieren van verschillende leeftijd worden vervoerd met hetzelfde vervoermiddel moeten volwassen en jonge dieren gescheiden worden gehouden; deze beperking geldt echter niet voor vrouwelijke dieren die worden vervoerd met hun jongen die zij zogen. Wat betreft runderen, eenhoevigen en varkens moeten niet gecastreerde volwassen mannelijke dieren van de vrouwelijke worden gescheiden. Bovendien moeten volwassen beren, evenals hengsten, van elkaar worden gescheiden.

2.

In de ruimten waarin zich dieren bevinden mogen geen goederen zijn opgeslagen, die nadelig kunnen zijn voor hun welzijn.

Artikel 8

Bij het in- en uitladen van de dieren moet gebruik worden gemaakt van daarvoor geschikte middelen, zoals bruggen, vlonders of loopplanken. Het middel moet zijn voorzien van een vloer die zodanig is geconstrueerd dat uitglijden wordt tegengegaan en, indien noodzakelijk, van een beschermende zijkant. Bij het in- en uitladen mogen de dieren niet bij kop, horens of poten worden opgetild.

Artikel 9

De vloeren van de vervoermiddelen of verpakkingen moeten sterk genoeg zijn om het gewicht te dragen van de dieren die worden vervoerd. Zij moeten aaneengesloten zijn en zodanig zijn geconstrueerd dat uitglijden wordt voorkomen. Zij moeten bedekt zijn met een voldoende laag strooisel voor het absorberen van uitscheidingsprodukten, tenzij hierin op een andere wijze kan worden voorzien, die ten minste dezelfde voordelen biedt.

Artikel 10

Teneinde tijdens het vervoer de noodzakelijke verzorging van de dieren te waarborgen dienen zij te worden vergezeld door een begeleider, tenzij:

Artikel 11
1.

De begeleider of de gemachtigde van de verzender dient de dieren te verzorgen, te drenken, te voederen en zo nodig te melken.

2.

Melkgevende koeien moeten met tussenpozen van niet langer dan 12 uur worden gemolken.

3.

Om de begeleider tot deze verzorging in staat te stellen moet hij zo nodig kunnen beschikken over een geschikte verlichtingsapparatuur.

Artikel 12

Dieren die tijdens het vervoer ziek worden of gewond raken moeten zo spoedig mogelijk door een dierenarts worden verzorgd; indien het nodig is de dieren te doden, moet dit dusdanig geschieden dat onnodig lijden wordt voorkomen.

Artikel 13

De dieren mogen uitsluitend in vervoermiddelen of verpakkingen worden geladen, die zorgvuldig zijn gereinigd. Dode dieren, strooisel en uitwerpselen moeten zo spoedig mogelijk worden verwijderd.

Artikel 14

De dieren moeten zo snel mogelijk naar de plaats van bestemming worden vervoerd en oponthoud, in het bijzonder bij overladen en rangeren, moet tot een minimum worden beperkt.

Artikel 15

Teneinde de snelle afhandeling van de invoer- en doorvoerformaliteiten te bevorderen, moet een dierentransport zo vroeg mogelijk worden aangemeld bij de controleposten. Bij de afhandeling van deze formaliteiten moet voorrang worden verleend aan dierentransporten.

Artikel 16

Op posten waar de controle op de gezondheidstoestand van de dieren wordt uitgeoefend en waarover een regelmatig en omvangrijk vervoer van dieren plaats vindt, moeten voorzieningen aanwezig zijn voor het laten rusten, het voederen en het drenken der dieren.

B. BIJZONDERE BEPALINGEN INZAKE HET VERVOER PER SPOOR

Artikel 17

Elke wagon die dient voor het vervoer van dieren, moet voorzien zijn van een merk ter aanduiding van de aanwezigheid van levende dieren. Bij ontbreken van speciaal voor het vervoer van dieren ingerichte wagons moeten de dieren vervoerd worden in overdekte wagons die met hoge snelheid kunnen rijden en voorzien zijn van voldoende grote ventilatie-openingen. Deze moeten zodanig zijn geconstrueerd dat wordt voorkomen dat de dieren kunnen ontsnappen en dat hun veiligheid wordt gewaarborgd. De binnenwanden van deze wagons moeten van hout zijn of van ander geschikt materiaal, geen scherpe uitsteeksels hebben en van ringen of staven voorzien zijn waaraan de dieren kunnen worden vastgebonden en welke op een passende hoogte zijn aangebracht.

Artikel 18

Eenhoevigen moeten hetzij langs dezelfde wand, hetzij met de hoofden naar elkaar toe worden vastgemaakt. Jonge nog niet afgerichte dieren mogen echter niet worden vastgebonden.

Artikel 19

Grote dieren moeten zodanig in de wagons worden geladen, dat de begeleider zich tussen hen in kan bewegen.

Artikel 20

Wanneer overeenkomstig het bepaalde in artikel 7 dieren van elkaar gescheiden moeten worden gehouden, kan zulks, indien de ruimte dit toelaat, geschieden door hen vast te binden in afgescheiden gedeelten van de wagon, dan wel door middel van daarvoor geschikte tussenschotten.

Artikel 21

Bij het samenstellen van treinen en bij elke andere beweging met de wagons moeten alle voorzorgsmaatregelen worden getroffen om heftig tegen elkaar stoten van wagons waarin zich dieren bevinden, te voorkomen.

C. BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR HET VERVOER OVER DE WEG

Artikel 22

De vervoermiddelen moeten zo geconstrueerd zijn dat de dieren niet kunnen ontsnappen en de veiligheid van de dieren is gewaarborgd; bovendien moeten zij voorzien zijn van een dak waardoor een doeltreffende bescherming tegen slechte weersomstandigheden wordt geboden.

Artikel 23

In voertuigen die worden gebruikt voor het vervoer van grote dieren die normaliter moeten worden vastgebonden, dient voor dit vastbinden een voorziening te zijn getroffen. Wanneer de voertuigen in afzonderlijke ruimten moeten worden verdeeld, dient zulks te geschieden met behulp van stevige tussenschotten.

Artikel 24

De voertuigen moeten zijn voorzien van een laadbrug die voldoet aan de voorwaarden vervat in artikel 8.

D. BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR HET VERVOER OVER WATER

Artikel 25

De inrichting van de schepen moet zodanig zijn dat de dieren kunnen worden vervoerd zonder dat zij worden blootgesteld aan verwondingen of onnodig lijden.

Artikel 26

De dieren mogen niet op open dekken worden vervoerd, behalve in goed vastgesjorde verpakkingen of binnen een afgesloten, door de bevoegde autoriteit goedgekeurde ruimte, die behoorlijke bescherming biedt tegen zee- en weersinvloeden.

Artikel 27

De dieren moeten zijn vastgebonden of behoorlijk zijn ondergebracht in afgesloten ruimten of verpakkingen.

Artikel 28

De afgesloten ruimten of verpakkingen waarin de dieren zich bevinden moeten behoorlijk bereikbaar zijn. Er moet verlichting aanwezig zijn.

Artikel 29

Er dient voor een voldoende aantal begeleiders te worden gezorgd, waarbij rekening moet worden gehouden met het aantal dieren dat wordt vervoerd en met de duur van het vervoer.

Artikel 30

Alle delen van het schip waar dieren zijn ondergebracht, moeten voorzien zijn van waterafvoeren en in zindelijke staat worden gehouden.

Artikel 31

Aan boord dient een door de bevoegde autoriteit toegelaten instrument voorhanden te zijn voor het eventueel doden van dieren.

Artikel 32

Schepen die voor het vervoer van dieren worden gebruikt, dienen voor het vertrek te worden voorzien van drinkwater en passend voer in hoeveelheden die door de bevoegde autoriteiten van het verzendende land toereikend worden geacht, waarbij rekening dient te worden gehouden met de soort en het aantal te vervoeren dieren en met de duur van het vervoer.

Artikel 33

Er moeten voorzieningen worden getroffen ten einde tijdens de overtocht zieke of gewonde dieren te kunnen afzonderen. Zo nodig dient aan deze dieren eerste hulp te worden verleend.

Artikel 34

Het bepaalde in de artikelen 25 tot en met 33 is niet van toepassing op vervoer van dieren met wagons of wegvervoermiddelen die op veerboten of soortgelijke vaartuigen zijn geladen.

F. BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR HET VERVOER DOOR DE LUCHT

Artikel 35

De dieren moeten worden vervoerd in voor de soort geschikte verpakkingen of stallen. Uitzonderingen kunnen worden toegestaan, mits passende voorzieningen worden getroffen om de dieren opgesloten te houden.

Artikel 36

Er dienen voorzorgsmaatregelen te worden getroffen om te hoge of te lage temperaturen aan boord te vermijden, waarbij rekening dient te worden gehouden met de diersoort. Voorts dienen grote luchtdrukverschillen te worden vermeden.

Artikel 37

Aan boord van vrachtvliegtuigen moet een door de bevoegde autoriteit toegelaten instrument aanwezig zijn voor het zo nodig doden van dieren.

HOOFDSTUK III. Vogels en konijnen die als huisdier worden gehouden

Artikel 38

Het bepaalde in de hierna genoemde artikelen van Hoofdstuk II is van overeenkomstige toepassing op het vervoer van vogels en konijnen die als huisdier worden gehouden: artikel 6, eerste tot en met derde lid, artikel 7, de artikelen 13 tot en met 17, artikel 21, artikel 22, de artikelen 25 tot en met 30, artikel 32, de artikelen 34 tot en met 36.

Artikel 39
1.

Zieke of gewonde dieren worden geacht niet geschikt te zijn voor vervoer. Dieren die tijdens het vervoer gewond raken of ziek worden moeten zo spoedig mogelijk eerste hulp ontvangen en zo nodig aan een diergeneeskundig onderzoek worden onderworpen.

2.

Wanneer de dieren worden geladen in op elkaar geplaatste verpakkingen of in een vervoermiddel met meer dan één verdieping, dienen de nodige maatregelen te worden getroffen om te voorkomen dat de uitscheidingsprodukten op lager geplaatste dieren vallen.

3.

Geschikt voer en, zo nodig, water moet hun in voldoende hoeveelheid ter beschikking staan, behalve in geval van:

HOOFDSTUK IV. Honden en katten die als huisdier worden gehouden

Artikel 40
1.

Het bepaalde in dit hoofdstuk is van toepassing op het vervoer van honden en katten die als huisdier worden gehouden, met uitzondering van die dieren die door de eigenaar of diens vertegenwoordiger worden begeleid.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.