Internationaal Verdrag ter bestrijding van daden van nucleair terrorisme

Type Verdrag
Publication 2010-07-30
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag,

Indachtig de doelstellingen en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties betreffende de handhaving van de internationale vrede en veiligheid en de bevordering van goed nabuurschap, vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen Staten;

In herinnering brengend de Verklaring van 24 oktober 1995 ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de Verenigde Naties;

Het recht van alle Staten erkennend om kernenergie te ontwikkelen en toe te passen ten behoeve van vreedzame doeleinden alsmede hun rechtmatige belangen bij de potentiële voordelen die behaald kunnen worden met de vreedzame toepassing van kernenergie;

Indachtig het Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal van 1980;

Ernstig bezorgd over de toeneming over de gehele wereld van daden van terrorisme, in al zijn gedaantes en verschijningsvormen;

In herinnering brengend de Verklaring inzake maatregelen tot uitbanning van internationaal terrorisme, bijlage bij resolutie 49/60 van de Algemene Vergadering van 9 december 1994, waarin onder andere de lidstaten van de Verenigde Naties opnieuw plechtig hun ondubbelzinnige veroordeling bevestigen van alle terroristische daden, methoden en praktijken als misdadig en ongerechtvaardigd, ongeacht waar en door wie zij zijn begaan, met inbegrip van daden die de vriendschappelijke betrekkingen tussen Staten en volkeren schaden en de territoriale integriteit en veiligheid van Staten bedreigen;

Vaststellend dat de Verklaring de Staten tevens aanmoedigde het toepassingsgebied van de bestaande internationale wettelijke bepalingen inzake de preventie, bestrijding en uitbanning van terrorisme in al zijn gedaantes en verschijningsvormen spoedig te herzien teneinde een volledig wettelijk kader te scheppen dat alle aspecten van terrorisme omvat;

In herinnering brengend resolutie 51/210 van de Algemene Vergadering van 17 december 1996 en de daarbij gevoegde aanvullende verklaring bij de Verklaring van 1994 inzake Maatregelen tot uitbanning van internationaal terrorisme;

Voorts in herinnering brengend dat ingevolge resolutie 51/210 van de Algemene Vergadering een comité ad hoc is ingesteld teneinde onder andere een internationaal verdrag ter bestrijding van daden van nucleair terrorisme op te stellen ter aanvulling van de bestaande internationale instrumenten op dat gebied;

Vaststellend dat daden van nucleair terrorisme zeer ernstige gevolgen kunnen hebben en een bedreiging kunnen vormen voor de internationale vrede en veiligheid;

Voorts vaststellend dat de bestaande multilaterale juridische instrumenten deze aanslagen onvoldoende aanpakken;

Overtuigd van de dringende noodzaak tot verbetering van de internationale samenwerking tussen Staten bij het opstellen en nemen van doeltreffende en praktische maatregelen ter voorkoming van deze daden van terrorisme, alsmede ter vervolging en bestraffing van de daders;

Vaststellend dat de activiteiten van de strijdkrachten van Staten onderworpen zijn aan regels van internationaal recht die buiten het kader van dit Verdrag vallen en dat het feit dat bepaalde acties van het toepassingsgebied van dit Verdrag worden uitgesloten, niet betekent dat anderszins onwettige handelingen worden gebillijkt of gewettigd of dat vervolging op grond van ander recht wordt uitgesloten;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1

Voor de toepassing van dit Verdrag:

Artikel 2
1.

Een persoon pleegt een strafbaar feit in de zin van dit Verdrag indien deze persoon wederrechtelijk en opzettelijk:

2.

Een persoon pleegt eveneens een strafbaar feit indien deze persoon:

3.

Een persoon pleegt eveneens een strafbaar feit indien hij een poging doet tot het plegen van een strafbaar feit in de zin van het eerste lid van dit artikel.

4.

Een persoon pleegt eveneens een strafbaar feit indien hij:

Artikel 3

Dit Verdrag is niet van toepassing indien het strafbare feit wordt gepleegd binnen één Staat, de vermoedelijke dader en de slachtoffers onderdanen zijn van die Staat, de vermoedelijke dader wordt aangetroffen op het grondgebied van die Staat en geen andere Staat een grond heeft krachtens artikel 9, eerste of tweede lid, tot uitoefening van rechtsmacht, met dien verstande dat de bepalingen van de artikelen 7, 12, 14, 15, 16 en 17, voorzover deze zich daartoe lenen, in dergelijke gevallen van toepassing zijn.

Artikel 4
1.

Niets in dit Verdrag tast op enige wijze andere rechten, verplichtingen en verantwoordelijkheden aan van Staten en personen op grond van het internationaal recht, met name de doelstellingen en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal humanitair recht.

2.

De handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht vallen niet onder dit Verdrag, evenmin als de handelingen ondernomen door de strijdkrachten van een Staat bij de uitoefening van hun officiële taken, voorzover onderworpen aan andere bepalingen van internationaal recht.

3.

De bepalingen van het tweede lid van dit artikel mogen niet zodanig worden uitgelegd dat anderszins wederrechtelijke gedragingen worden gebillijkt of gewettigd of dat vervolging op grond van andere wetten wordt belet.

4.

Dit Verdrag is niet van toepassing op en kan evenmin worden uitgelegd als zou het van toepassing zijn op, de kwestie van de rechtmatigheid van het gebruik of de dreiging met het gebruik van kernwapens door Staten.

Artikel 5

Elke Staat die Partij is, neemt de maatregelen die nodig kunnen zijn om:

Artikel 6

Elke Staat die Partij is treft de nodige maatregelen, eventueel met inbegrip van de benodigde nationale wetgeving, om zeker te stellen dat strafbare handelingen die vallen binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag, met name indien zij zijn bedoeld om of ermee wordt beoogd het publiek, een groep personen of bepaalde personen grote angst aan te jagen, onder geen enkele omstandigheid worden gerechtvaardigd door overwegingen van politieke, filosofische, ideologische, raciale, etnische, religieuze of andere, gelijksoortige aard en worden bestraft met straffen die passen bij de ernst van deze handelingen.

Artikel 7
1.

De Staten die Partij zijn, werken samen door:

2.

De Staten die Partij zijn nemen passende maatregelen die verenigbaar zijn met hun nationale recht teneinde de vertrouwelijkheid van informatie die in vertrouwen is ontvangen uit hoofde van de bepalingen van dit Verdrag van een andere Staat die Partij is of in het kader van hun deelname aan een activiteit die wordt verricht ten behoeve van de uitvoering van dit Verdrag. Indien Staten die Partij zijn in vertrouwen informatie verschaffen aan internationale organisaties, worden maatregelen getroffen teneinde te verzekeren dat de vertrouwelijkheid van dergelijke informatie gewaarborgd wordt.

3.

Van Staten die Partij zijn wordt op grond van dit Verdrag niet verlangd dat zij informatie verschaffen die zij niet mogen doorgeven ingevolge hun nationale wetgeving of wanneer zulks de veiligheid van de betrokken Staat of de fysieke beveiliging van kernmateriaal in gevaar zou brengen.

4.

De Staten die Partij zijn stellen de Secretaris-Generaal van deVerenigde Naties in kennis van hun bevoegde autoriteiten en de contactpunten die verantwoordelijk zijn voor het verzenden en ontvangen van informatie bedoeld in dit artikel. De Secretaris-Generaal van deVerenigde Naties doet deze informatie betreffende de bevoegde autoriteiten en contactpunten toekomen aan alle Staten die Partij zijn en aan de Internationale Organisatie voor Atoomenergie. Deze autoriteiten en contactpunten dienen permanent bereikbaar te zijn.

Artikel 8

Ten behoeve van het voorkomen van strafbare feiten uit hoofde van dit Verdrag, stellen de Staten die Partij zijn alles in het werk om passende maatregelen te treffen teneinde de bescherming van radioactief materiaal te waarborgen, rekening houdend met de desbetreffende aanbevelingen en functies van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie.

Artikel 9
1.

Elke Staat die Partij is neemt de nodige maatregelen om zijn rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de in artikel 2 omschreven strafbare feiten, indien:

2.

Een Staat die Partij is kan eveneens zijn rechtsmacht met betrekking tot genoemde strafbare feiten vestigen, indien:

3.

Elke Staat die Partij is die dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of ertoe toetreedt, stelt de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties in kennis van de rechtsmacht die hij overeenkomstig het tweede lid van dit artikel op grond van zijn nationale wetgeving heeft gevestigd. Indien zich wijzigingen voordoen, stelt de betrokken Staat die Partij is de Secretaris-Generaal daarvan onmiddellijk in kennis.

4.

Elke Staat die Partij is neemt tevens de maatregelen die nodig zijn om zijn rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de in artikel 2 genoemde strafbare feiten in gevallen waarin de vermoedelijke dader zich op zijn grondgebied bevindt en hij deze persoon niet uitlevert aan een Staat die Partij is die zijn rechtsmacht heeft gevestigd in overeenstemming met het eerste of tweede lid van dit artikel.

5.

Dit Verdrag sluit niet de uitoefening uit van enige rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden die een Staat die Partij is in overeenstemming met zijn nationale wetgeving heeft gevestigd.

Artikel 10

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.