Verdrag inzake samenwerking bij de bestrijding van sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen over zee en door de lucht in het Caribisch gebied
De Partijen bij dit Verdrag,
Indachtig de complexe aard van het probleem van de sluikhandel in verdovende middelen over zee in het Caribisch gebied;
Geleid door de wens hun samenwerking zoveel mogelijk uit te breiden teneinde de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen over zee in overeenstemming met het internationale recht van de zee te bestrijden, met inachtneming van de vrijheid van scheepvaart en overvliegen;
Erkennende dat de Partijen bij dit Verdrag tevens Partij zijn bij het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen van 1988 (hierna „het Verdrag van 1988”);
Gelet op de dringende noodzaak van internationale samenwerking bij de bestrijding van sluikhandel over zee, die wordt onderkend in het Verdrag van 1988;
In herinnering roepend dat in het Verdrag van 1988 van Partijen wordt verlangd dat zij overwegen bilaterale verdragen of overeenkomsten te sluiten om de bepalingen van artikel 17 van dat Verdrag ten uitvoer te leggen of de doeltreffendheid ervan te vergroten;
Tevens in herinnering roepend dat een aantal Partijen ermee hebben ingestemd te worden gebonden door het „1996 Treaty Establishing the Regional Security System”, het „1989 Memorandum of Understanding Regarding Mutual Assistance and Co-operation for the Prevention and Repression of Customs Offences in the Caribbean Zone”, waarbij de Caribische Raad voor de handhaving van de douanewetgeving werd ingesteld, en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 1982;
Erkennend dat de aard van de sluikhandel de Partijen noopt tot het bevorderen van samenwerking op regionaal en subregionaal niveau;
Geleid door de wens de samenwerking tussen de Partijen te intensiveren, en daarbij hun doeltreffendheid ten behoeve van de bestrijding van sluikhandel over zee in het Caribisch gebied te verhogen, op een wijze die verenigbaar is met de beginselen van soevereine gelijkheid en territoriale integriteit van Staten met inbegrip van non-interventie in de interne aangelegenheden van andere Staten;
In herinnering roepend dat tijdens de regionale bijeenkomst inzake coördinatie en samenwerking bij de bestrijding van verdovende middelen, die in 1996 te Barbados werd gehouden, de aanbeveling werd gedaan een regionaal maritiem verdrag op te stellen;
Zijn het volgende overeengekomen:
Aard en reikwijdte van het Verdrag
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
In dit Verdrag wordt verstaan onder:
- a. „sluikhandel”, hetzelfde als omschreven in het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen van 1988 (hierna „het Verdrag van 1988”);
- b. „bevoegde nationale autoriteit”, de autoriteit of autoriteiten aangewezen uit hoofde van het zevende lid van artikel 17 van het Verdrag van 1988, of wat anderszins ter kennis van de Depositaris is gebracht;
- c. „rechtshandhavingsautoriteit”, het bevoegde rechtshandhavingsorgaan of de bevoegde rechtshandhavingsorganen waarvan de Depositaris door elke Partij in kennis is gesteld, en die verantwoordelijk is respectievelijk zijn voor het uitvoeren van rechtshandhavingstaken op zee of in de lucht van die Partij uit hoofde van dit Verdrag;
- d. „rechtshandhavingsfunctionarissen”, de geüniformeerde en overige duidelijk herkenbare leden van de rechtshandhavingsautoriteit van elke Partij;
- e. „vaartuigen van de rechtshandhavingsautoriteit”, vaartuigen in de overheidsdienst die duidelijk als zodanig gemarkeerd en herkenbaar zijn, die worden gebruikt voor rechtshandhavingsdoeleinden en daarvoor naar behoren zijn gemachtigd, met inbegrip van boten en luchtvaartuigen aan boord van deze vaartuigen, en waarin zich rechtshandhavingsfunctionarissen bevinden;
- f. „luchtvaartuigen van de rechtshandhavingsautoriteit”, luchtvaartuigen in de overheidsdienst die duidelijk als zodanig gemarkeerd en herkenbaar zijn, die worden gebruikt voor rechtshandhavingsdoeleinden en daarvoor naar behoren zijn gemachtigd, en waarin zich rechtshandhavingsfunctionarissen bevinden;
- g. „luchtvaartuigen ter ondersteuning van rechtshandhavingsoperaties”, luchtvaartuigen in de overheidsdienst van een Partij die duidelijk als zodanig gemarkeerd en herkenbaar zijn, die in het kader van een rechtshandhavingsoperatie assistentie bieden aan een luchtvaartuig of vaartuig van de rechtshandhavingsautoriteit van die Partij;
- h. „wateren van een Partij”, de territoriale zee en de archipelwateren van die Partij;
- i. „luchtruim van een Partij”, het luchtruim boven het (continentale en insulaire) grondgebied en de wateren van die Partij;
- j. „Caribisch gebied”, de Golf van Mexico, de Caribische zee en de Atlantische Oceaan ten westen van 45 graden westerlengte, ten noorden van de 0 graden breedtecirkel (de evenaar) en ten zuiden van 30 graden noorderbreedte, met uitzondering van de territoriale zee van Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag;
- k. „verdacht luchtvaartuig”, elk luchtvaartuig ten aanzien waarvan redelijke gronden bestaan voor het vermoeden dat het betrokken is bij sluikhandel;
- l. „verdacht vaartuig”, elk vaartuig ten aanzien waarvan redelijke gronden bestaan voor het vermoeden dat het betrokken is bij sluikhandel.
Artikel 2. Doelstellingen
De Partijen werken zoveel mogelijk samen bij de bestrijding van sluikhandel over zee en door de lucht in de wateren van het Caribisch gebied en in het luchtruim daarboven, in overeenstemming met de beschikbare middelen voor rechtshandhaving van de Partijen en daaraan gerelateerde prioriteiten, overeenkomstig het internationale recht van de zee en toepasselijke verdragen, teneinde te waarborgen dat verdachte vaartuigen en verdachte luchtvaartuigen opgespoord, geïdentificeerd en voortdurend gevolgd worden en dat, wanneer bewijzen van betrokkenheid bij sluikhandel worden gevonden, verdachte vaartuigen worden vastgehouden zodat de verantwoordelijke rechtshandhavingsautoriteiten passende rechthandhavingsmaatregelen kunnen nemen.
Artikel 3. Regionale en subregionale samenwerking
De Partijen nemen, binnen de beperkingen van de beschikbare middelen, de stappen die nodig zijn om te voldoen aan het doel van dit Verdrag, met inbegrip van de kosteneffectieve wijze verbetering van de regionale en subregionale institutionele capaciteiten en van de coördinatie en uitvoering van de samenwerking.
Teneinde aan het doel van dit Verdrag te voldoen, wordt elke Partij uitgenodigd nauw met de andere Partijen samen te werken, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Verdrag van 1988.
De Partijen werken samen, rechtstreeks of door tussenkomst van bevoegde internationale, regionale of subregionale organisaties, om voor zover mogelijk hulp en steun te verlenen aan Staten die Partij zijn bij dit Verdrag die behoefte hebben aan dergelijke hulp en steun, door middel van programma's voor technische samenwerking bij de bestrijding van sluikhandel. De Partijen kunnen zich, rechtstreeks of door tussenkomst van bevoegde internationale, regionale of subregionale organisaties, verbinden tot het verlenen van hulp aan dergelijke Staten teneinde de infrastructuur die nodig is voor de doeltreffende bestrijding en voorkoming van sluikhandel uit te breiden en te versterken.
Teneinde de Partijen in staat te stellen beter tegemoet te komen aan hun verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag, worden zij uitgenodigd elkaar te verzoeken om operationele en technische hulp en deze te verstrekken.
Artikel 4. Vergemakkelijking van de samenwerking
Elke Partij wordt uitgenodigd de toestemming te bespoedigen voor vaartuigen en luchtvaartuigen van de rechtshandhavingsautoriteit, luchtvaartuigen ter ondersteuning van rechtshandhavingsoperaties, en rechtshandhavingsfunctionarissen van de andere Partijen om haar wateren, luchtruim, havens en luchthavens binnen te gaan teneinde de doelstellingen van dit Verdrag te verwezenlijken, in overeenstemming met de bepalingen ervan.
De Partijen vergemakkelijken de doelmatige coördinatie tussen hun rechtshandhavingsautoriteiten en bevorderen de uitwisseling van rechtshandhavingsfunctionarissen en andere deskundigen, waar nodig met inbegrip van het detacheren van verbindingsofficieren.
De Partijen vergemakkelijken de doelmatige coördinatie tussen hun luchtvaartautoriteiten en rechtshandhavingsautoriteiten teneinde snelle verificatie van luchtvaartuigregistraties en vluchtschema's mogelijk te maken.
De Partijen zijn elkaar behulpzaam bij het plannen en uitvoeren van de opleiding van rechtshandhavingsfunctionarissen inzake de onder dit Verdrag vallende rechtshandhavingsoperaties op zee, met inbegrip van gecombineerde operaties en het aan boord gaan, doorzoeken en vasthouden van vaartuigen.
Rechtshandhavingsoperaties op zee en in de lucht
Artikel 5. Verdachte vaartuigen en verdachte luchtvaartuigen
Rechtshandhavingsoperaties ter bestrijding van sluikhandel uit hoofde van dit Verdrag worden uitsluitend uitgevoerd tegen verdachte vaartuigen en verdachte luchtvaartuigen, met inbegrip van dergelijke luchtvaartuigen en vaartuigen zonder nationaliteit, en die welke kunnen worden gelijkgesteld aan vaartuigen zonder nationaliteit.
Artikel 6. Verificatie van nationaliteit
Voor de toepassing van dit Verdrag heeft een vaartuig of luchtvaartuig de nationaliteit van de Staat wiens vlag het gerechtigd is te voeren of waarin het vaartuig of luchtvaartuig geregistreerd is, in overeenstemming met de nationale wet- en regelgeving.
Verzoeken om verificatie van de nationaliteit van vaartuigen waarvan wordt gesteld dat zij zijn geregistreerd in of gerechtigd zijn de vlag te voeren van een van de Partijen, worden behandeld door de bevoegde nationale autoriteit van de vlaggenstaat die Partij is.
Elk verzoek dient mondeling te worden medegedeeld en nadien schriftelijk te worden bevestigd, en bevat, indien mogelijk, de naam van het vaartuig, het registratienummer, de nationaliteit, de thuishaven, de gronden voor verdenking en andere identificeerbare gegevens.
Verzoeken om verificatie van nationaliteit worden met spoed beantwoord en alle inspanningen worden verricht om een dergelijk antwoord zo spoedig mogelijk te geven, in ieder geval binnen vier (4) uur.
Indien de aangezochte vlaggenstaat die Partij is de bewering betreffende zijn nationaliteit van het verdachte schip weerlegt, mag de Partij die om de verificatie heeft verzocht het verdachte vaartuig gelijkstellen aan een vaartuig zonder nationaliteit in overeenstemming met het internationale recht.
Artikel 7. Nationale maatregelen met betrekking tot verdachte vaartuigen en verdachte luchtvaartuigen
Elke Partij verplicht zich ervoor te zorgen dat zij op ieder moment in staat is:
- a. te reageren op verzoeken tot verificatie van nationaliteit;
- b. toestemming te verlenen voor het aan boord gaan en doorzoeken van verdachte vaartuigen;
- c. met spoed instructies te verstrekken over hoe verder gehandeld moet worden met betrekking tot de vaartuigen die namens haar worden vastgehouden;
- d. toestemming te verlenen voor het binnengaan van haar wateren en luchtruim door vaartuigen en luchtvaartuigen van de rechtshandhavingsautoriteit en luchtvaartuigen ter ondersteuning van rechtshandhavingsoperaties van de andere Partijen.
Elke Partij stelt de Depositaris in kennis van de in artikel 1 omschreven autoriteit of autoriteiten waaraan verzoeken uit hoofde van het eerste lid van dit artikel moeten worden gericht.
Artikel 8. Bevoegdheden van rechtshandhavingsfunctionarissen
Rechtshandhavingsfunctionarissen die zich in de wateren of op het grondgebied, of aan boord van een vaartuig of luchtvaartuig van de rechtshandhavingsautoriteit, van een andere Partij bevinden, eerbiedigen de wetten en de gebruiken en tradities in de zee- en luchtvaart van de andere Partij.
Teneinde de doelstellingen van dit Verdrag te verwezenlijken, verleent elke Partij haar aangewezen rechtshandhavings- en luchtvaartfunctionarissen, of haar bevoegde nationale autoriteit waarvan de Depositaris in kennis is gesteld, de bevoegdheid toestemming te verlenen voor het binnengaan van haar wateren en luchtruim door vaartuigen en luchtvaartuigen van de rechtshandhavingsautoriteit en luchtvaartuigen ter ondersteuning van rechtshandhavingsoperaties, uit hoofde van dit Verdrag.
Artikel 9. Aanwijzing en bevoegdheden van ingescheepte rechtshandhavingsfunctionarissen
Elke Partij (de aanwijzende Partij) wijst gekwalificeerde rechtshandhavingsfunctionarissen aan die optreden als ingescheepte rechtshandhavingsfunctionarissen op vaartuigen van een andere Partij.
Elke Partij kan de aangewezen rechtshandhavingsfunctionarissen van een andere Partij toestaan aan boord te gaan van een vaartuig van haar rechtshavingsautoriteit. Deze toestemming kan aan voorwaarden gebonden zijn.
Met inachtneming van de nationale wet- en regelgeving van de aanwijzende Partij, kunnen deze rechtshandhavingsfunctionarissen, wanneer zij daartoe naar behoren gemachtigd zijn:
- a. aan boord gaan van vaartuigen van de rechtshandhavingsautoriteit van elk van de Partijen;
- b. de wetten van de aanwijzende Partij handhaven teneinde sluikhandel te bestrijden in de wateren van de aanwijzende Partij, of zeewaarts van haar territoriale zee bij het uitoefenen van het achtervolgingsrecht of anderszins in overeenstemming met het internationale recht;
- c. vaartuigen van de rechtshandhavingsautoriteit aan boord waarvan zij zich bevinden, toestemming verlenen voor het binnengaan van en het varen in de wateren van de aanwijzende Partij;
- d. vaartuigen van de rechtshandhavingsautoriteit aan boord waarvan zij zich bevinden, toestemming verlenen om patrouilles met het oog op drugsbestrijding uit te voeren in de wateren van de aanwijzende Partij;
- e. rechtshandhavingsfunctionarissen van het vaartuig aan boord waarvan de rechtshandhavingsfunctionarissen van de aanwijzende Partij zich bevinden, toestemming verlenen assistentie te verlenen bij het handhaven van de wetten van de aanwijzende Partij teneinde sluikhandel te bestrijden; en
- f. rechtshandhavingsfunctionarissen van andere Partijen adviseren en assisteren bij het aan boord gaan van vaartuigen teneinde de wetten van deze Partijen te handhaven om sluikhandel te bestrijden.
Wanneer rechtshandhavingsfunctionarissen aan boord zijn van een vaartuig van een rechtshandhavingsautoriteit van een andere Partij, en de rechtshandhavingsactie wordt uitgevoerd uit hoofde van de bevoegdheid van de rechtshandhavingsfunctionarissen, wordt elke doorzoeking of inbeslagneming van goederen, elke vrijheidsbeneming van een persoon, en elk gebruik van geweld uit hoofde van dit Verdrag, al dan niet met gebruik van wapens, uitgevoerd door deze rechtshandhavingsfunctionarissen, onverminderd de algemene beginselen bedoeld in artikel 11. Echter:
- a. bemanningsleden van het vaartuig van de andere Partij kunnen bij een dergelijke actie assistentie verlenen indien hun dat uitdrukkelijk door de rechtshandhavingsfunctionarissen wordt gevraagd, en uitsluitend in de mate en op de wijze waarom verzocht wordt. Een dergelijk verzoek kan uitsluitend worden gedaan, aanvaard en uitgevoerd indien de actie in overeenstemming is met de toepasselijke wetten en procedures van beide Partijen; en
- b. dergelijke bemanningsleden mogen geweld gebruiken in overeenstemming met artikel 22 en hun nationale wet- en regelgeving.
Elke Partij stelt de Depositaris in kennis van de autoriteit die verantwoordelijk is voor het aanwijzen van ingescheepte rechtshandhavingsfunctionarissen.
De partijen kunnen onderling verdragen of overeenkomsten sluiten om de rechtshandhavingsoperaties die in overeenstemming met dit artikel worden uitgevoerd, te vergemakkelijken.
Artikel 10. Aan boord gaan en doorzoeken
Het aan boord gaan en doorzoeken uit hoofde van dit Verdrag wordt uitsluitend uitgevoerd door teams van bevoegde rechtshandhavingsfunctionarissen van vaartuigen van de rechtshandhavingsautoriteit.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.