Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika;
De wens koesterende een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht;
Hebben daartoe tot hun gevolmachtigden benoemd:
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden: Hendrik C. Maclaine Pont, Gevolmachtigd Minister van het Koninkrijk der Nederlanden, en
De Regering van de Verenigde Staten van Amerika: William P. Rogers, Secretaris van Staat,
die, na elkaar mededeling te hebben gedaan van hun volmachten, welke in goede en behoorlijke vorm werden bevonden, tot overeenstemming zijn gekomen over de volgende artikelen:
HOOFDSTUK I. Reikwijdte van de Overeenkomst
Artikel 1. Nalatenschappen waarop de Overeenkomst van toepassing is
Deze Overeenkomst is van toepassing op nalatenschappen van overledenen welke onder het bereik van de belastingheffing van een van de Staten of van beide Staten vallen, doordat de overledene bij zijn overlijden aldaar zijn woonplaats had of daarvan staatsburger was. Een overledene die bij zijn overlijden staatsburger van de Verenigde Staten was, maar volgens de wetgeving van de Verenigde Staten voor de toepassing van hun belastingheffing geacht wordt een niet-inwoner niet-staatsburger van de Verenigde Staten te zijn geweest, wordt voor de toepassing van deze Overeenkomst geacht noch zijn woonplaats in de Verenigde Staten te hebben gehad noch een staatsburger daarvan te zijn geweest.
Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is
(1). De belastingen waarop deze Overeenkomst van toepassing is, zijn:
- (a). voor de Verenigde Staten: de Federal estate tax (de Federale belasting van nalatenschappen) en
- (b). voor Nederland: het recht van successie en het recht van overgang bij overlijden.
(2). Deze Overeenkomst is ook van toepassing op alle belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht geheven door de Staten ter zake van overlijden, die in de toekomst naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden ingevoerd, in de vorm van:
- (a). belasting over de nalatenschap in zijn geheel,
- (b). belasting over verkrijgingen krachtens erfrecht,
- (c). rechten van overgang, of
- (d). belastingen over schenkingen „mortis causa”.
(3). De bevoegde autoriteiten van de Staten delen elkaar alle wezenlijke wijzigingen die in hun onderscheidene wetgevingen met betrekking tot belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht zijn aangebracht, mede.
HOOFDSTUK II. Begripsbepalingen
Artikel 3. Algemene begripsbepalingen
(1). In deze Overeenkomst:
- (a). betekenen de uitdrukkingen „Staat” en „andere Staat” de Verenigde Staten of Nederland, al naar het zinsverband vereist;
- (b). betekent de uitdrukking „Verenigde Staten” de Verenigde Staten van Amerika, en wanneer deze uitdrukking in aardrijkskundige zin wordt gebezigd, de Staten en het District Columbia;
- (c). omvat de uitdrukking „Nederland” het deel van het Koninkrijk der Nederlanden dat in Europa is gelegen;
- (d). betekent de uitdrukking „belasting” de in artikel 2 omschreven belasting of belastingen die worden geheven door de Staat (of Staten) die het blijkens het zinsverband waarin de uitdrukking wordt gebezigd, betreft;
- (e). betekent de uitdrukking „verrekening” een vermindering van belasting; en
- (f). betekent de uitdrukking „bevoegde autoriteiten”
- (i). wat de Verenigde Staten betreft, de „Secretary of the Treasury” of zijn gemachtigde, en
- (ii). wat Nederland betreft, de Minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger.
(2). Elke in deze Overeenkomst niet anders omschreven uitdrukking heeft, tenzij het zinsverband anders vereist, de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van de Staat waarvan de belasting wordt vastgesteld.
Artikel 4. Fiscale woonplaats
(1). Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt de vraag of een overledene bij zijn overlijden zijn woonplaats in een van de Staten had, beslist overeenkomstig de wetgeving van die Staat.
(2). Een overledene die bij zijn overlijden staatsburger van een van de Staten was zonder staatsburger van de andere Staat te zijn, en die, ingevolge het eerste lid, geacht zou zijn bij zijn overlijden in beide Staten zijn woonplaats te hebben gehad, wordt geacht zijn woonplaats te hebben gehad in (en alleen in) de Staat waarvan hij staatsburger was, indien:
- (a). hij overleed, nadat hij in de andere Staat gedurende het tijdvak van tien jaren dat bij zijn overlijden eindigde, in totaal minder dan zeven jaren zijn woonplaats had gehad; en
- (b). hij zich in de andere Staat bevond voor het doen van zaken, voor beroepsdoeleinden, voor studie, voor opleiding, voor toeristische doeleinden of voor een soortgelijk doel (of in zijn hoedanigheid van de echtgenoot of een afhankelijk lid van het gezin van een persoon die zich voor zodanig doel in die andere Staat bevond) en niet een duidelijke bedoeling had om voor onbepaalde tijd in de andere Staat te blijven.
(3). Indien een andere dan een overledene als bedoeld in het tweede lid, ingevolge de bepaling van het eerste lid zijn woonplaats in beide Staten had, gelden de volgende regels:
- (a). hij wordt geacht zijn woonplaats te hebben gehad in de Staat waarin hij zich gedurende de onmiddellijk aan zijn overlijden voorafgaande vijf of meer jaren een duurzaam tehuis had gevestigd;
- (b). indien hij zich in geen van de Staten voor vijf of meer jaren een duurzaam tehuis had gevestigd, wordt zijn woonplaats geacht te zijn in de Staat waarmede zijn persoonlijke betrekkingen het nauwst waren;
- (c). indien niet kan worden bepaald met welke Staat zijn persoonlijke betrekkingen het nauwst waren, wordt zijn woonplaats geacht te zijn in de Staat waarvan hij staatsburger was; of
- (d). indien hij staatsburger van beide Staten of van geen van beide was, zullen de bevoegde autoriteiten van de Staten in onderlinge overeenstemming vaststellen welke de Staat van zijn woonplaats was.
(4). Voor de toepassing van het tweede lid wordt, tenzij al het bewijsmateriaal te zamen beschouwd duidelijk en overtuigend op het tegendeel wijst, aangenomen, dat de overledene niet een duidelijke bedoeling had om voor onbepaalde tijd in de Staat waarvan hij geen staatsburger was te blijven.
HOOFDSTUK III. Regels voor de belastingheffing
Artikel 5. Toepassing van de nationale wetgevingen
(1). Behoudens voor zover in deze Overeenkomst anders is bepaald, heft iedere Staat zijn belasting en verleent hij vrijstellingen, aftrekken, verrekeningen en andere tegemoetkomingen in overeenstemming met zijn wetgeving.
(2). In elk geval waarin de wetgeving van een Staat aftrek van schulden en lasten op grond van de ligging van een vermogensbestanddeel toekent, wordt een vermogensbestanddeel voor de vaststelling van de bedragen van die aftrek alleen dan geacht in die Staat te zijn gelegen, indien die Staat dit vermogensbestanddeel krachtens deze Overeenkomst mag belasten, en wordt een vermogensbestanddeel voor de vaststelling van de bedragen van verrekeningen alleen dan geacht in de andere Staat te zijn gelegen, indien krachtens artikel 11 een verrekening kan worden verleend voor de belasting van die andere Staat met betrekking tot dat vermogensbestanddeel. Voor (en alleen voor) (a) de verplichtingen neergelegd in de onderscheidene belastingwetgevingen van de Staten inzake inlichtingen, aangiften of aanmeldingen, verklaringen van overdracht of het bijhouden van boeken en bescheiden, en (b) de vaststelling van de toepasselijkheid en het bedrag van sancties voorkomende in deze wetgevingen met betrekking tot de in (a) hiervoor bedoelde verplichtingen, brengen evenwel noch dit lid noch enige bepaling van artikel 6, 7 of 8 wijziging in de belastbaarheid of ligging van een vermogensbestanddeel of in het bedrag van de belasting, die zonder deze Overeenkomst verschuldigd zou zijn geweest (of het bedrag van een onvoldoende belastingbetaling). Niettegenstaande de voorgaande zin kunnen verplichtingen of sancties die niet noodzakelijk worden bevonden voor het voorkomen van fraude of van het ontgaan van belasting worden opgeheven of gewijzigd (maar niet zwaarder worden gemaakt) door voorschriften gegeven krachtens het vijfde lid van artikel 13.
(3). De bepalingen van deze Overeenkomst mogen niet leiden tot een verhoging van het bedrag van de door elk van de Staten geheven belasting (behoudens voor zover de verhoging voortvloeit uit een in de bepalingen van deze Overeenkomst voorziene vermindering van de aan een Staat betaalde belasting ter zake waarvan een verrekening kan worden verleend.
Artikel 6. Onroerende vermogensbestanddelen
(1). Onroerende vermogensbestanddelen mogen door een Staat worden belast, indien die vermogensbestanddelen in die Staat zijn gelegen.
(2). De vraag of een vermogensbestanddeel onroerend is wordt beslist overeenkomstig de wetgeving van de Staat waarin dat vermogensbestanddeel is gelegen. De uitdrukking „onroerende vermogensbestanddelen” omvat evenwel in elk geval landerijen en gebouwen (maar niet hypotheken, obligaties of andere in effecten belichaamde rechten, of schepen of luchtvaartuigen).
(3). De bepalingen van het eerste en het tweede lid zijn van toepassing op onroerende vermogensbestanddelen ongeacht of die vermogensbestanddelen deel uitmaken van het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting of worden gebezigd voor de uitoefening van een vrij beroep of andere zelfstandige werkzaamheden van soortgelijke aard.
(4). De bepalingen van dit artikel mogen er niet toe leiden dat vermogensbestanddelen, die door een Staat ingevolge zijn wetgeving niet kunnen worden belast, door die Staat worden belast (of bij het vaststellen van het tarief van de belasting in aanmerking worden genomen).
Artikel 7. Bedrijfsvermogen van een vaste inrichting en bezittingen die behoren tot een vast middelpunt gebezigd voor de uitoefening van een vrij beroep
(1). Behoudens het in artikel 6 bepaalde mogen bezittingen (niet zijnde schepen en luchtvaartuigen die in internationaal verkeer worden geëxploiteerd en roerende zaken die worden gebruikt bij de exploitatie van deze schepen en luchtvaartuigen) deel uitmakende van het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting door een Staat worden belast, indien de vaste inrichting in die Staat is gelegen.
(2). Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking „vaste inrichting” een vaste bedrijfsinrichting door middel waarvan een overledene zijn bedrijf uitoefende. Een overledene wordt geacht zijn bedrijf door middel van een vaste bedrijfsinrichting te hebben uitgeoefend, ongeacht of hij dit uitoefende als enig eigenaar dan wel door middel van een vennootschap onder firma of andere maatschap zonder rechtspersoonlijkheid, maar in die beide laatste gevallen slechts naar de mate van zijn belang daarin. Verwijzingen in dit artikel naar een „overledene” worden geacht deze belangen in te sluiten.
(3). Als vaste bedrijfsinrichtingen worden met name beschouwd:
- (a). een filiaal;
- (b). een kantoor;
- (c). een fabriek;
- (d). een werkplaats;
- (e). een verkoopgelegenheid;
- (f). een mijn, een steengroeve, of een andere plaats van natuurlijke hulpbronnen in exploitatie; en
- (g). uitvoering van een bouwwerk of constructiewerkzaamheden waarvan de duur twaalf maanden overschrijdt.
(4). Niettegenstaande het tweede en derde lid wordt niet als vaste inrichting beschouwd een vaste bedrijfsinrichting die uitsluitend wordt gebruikt voor een of meer van de volgende werkzaamheden:
- (a). het gebruik maken van inrichtingen voor de opslag, uitstalling of aflevering van aan de overledene toebehorende goederen of koopwaar;
- (b). het aanhouden van een voorraad van aan de overledene toebehorende goederen of koopwaar voor de opslag, uitstalling of aflevering;
- (c). het aanhouden van een voorraad van aan de overledene toebehorende goederen of koopwaar voor de bewerking of verwerking door een ander;
- (d). het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting voor de aankoop van goederen of koopwaar of voor de inwinning van inlichtingen voor de overledene;
- (e). het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting voor reclamedoeleinden, voor het geven van inlichtingen, voor wetenschappelijk onderzoek of voor het verrichten van soortgelijke werkzaamheden voor de overledene, indien zij van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheden hebben;
- (f). het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting (door een andere persoon dan een handelaar) voor het beleggen of verhandelen van aandelen, effecten of waren voor eigen rekening van de overledene, hetzij rechtstreeks, hetzij door middel van een makelaar of andere vertegenwoordiger.
(5). Een persoon die in een Staat voor een overledene werkzaam was – niet zijnde een vertegenwoordiger in de zin van het vierde lid (f) of van het zesde lid – wordt geacht een vaste inrichting van de overledene in die Staat te zijn geweest, indien deze persoon een machtiging bezat om namens de overledene overeenkomsten af te sluiten en dit recht in die Staat gewoonlijk uitoefende, tenzij de machtiging beperkt was tot de aankoop van goederen of waren voor de overledene.
(6). Een overledene wordt niet geacht een vaste inrichting in een Staat bezeten te hebben enkel op grond van het feit dat hij in die Staat zijn bedrijf uitoefende door middel van een makelaar, commissionair of enige andere onafhankelijke vertegenwoordiger, handelende in de normale uitoefening van zijn bedrijf.
(7). De omstandigheid dat de overledene een lichaam beheerste dat in een Staat een bedrijf uitoefende (hetzij door middel van een vaste inrichting, hetzij op andere wijze) wordt niet in aanmerking genomen bij het vaststellen of de overledene een vaste inrichting in die Staat bezat.
(8). Behoudens het in artikel 6 bepaalde mogen bezittingen behorende tot een vast middelpunt dat gebezigd wordt voor de uitoefening van een vrij beroep of van andere zelfstandige werkzaamheden van soortgelijke aard, door een Staat worden belast, indien het vaste middelpunt in die Staat is gelegen.
(9). De bepalingen van dit artikel mogen er niet toe leiden dat vermogensbestanddelen die door een Staat ingevolge zijn wetgeving niet kunnen worden belast, door die Staat worden belast (of bij het vaststellen van het tarief van de belasting in aanmerking worden genomen).
Artikel 8. Belastingheffing op grond van woonplaats
Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 9 en behoudens het in de artikelen 6 en 7 bepaalde, mag vermogen slechts worden belast (of bij het vaststellen van het tarief van de belasting in aanmerking worden genomen) door de Staat waar de overledene bij zijn overlijden zijn woonplaats had.
Artikel 9. Belastingheffing op grond van staatsburgerschap
Indien de overledene bij zijn overlijden staatsburger van een van de Staten was, mag die Staat vermogen belasten in overeenstemming met zijn wetgeving, met inbegrip van vermogensbestanddelen die niet in artikel 6 of 7 zijn genoemd, ongeacht of hij in die Staat zijn woonplaats had of niet.
Artikel 10. Vrijstellingen
(1). De vermogensbestanddelen (niet zijnde vermogensbestanddelen van een huwelijksgemeenschap) welke worden verkregen door de overlevende echtgenoot van een overledene die inwoner of staatsburger van de Verenigde Staten was, en welke door Nederland uitsluitend op grond van artikel 6 of 7 mogen worden belast, worden voor het vaststellen van het Nederlandse recht van overgang bij overlijden slechts in de nalatenschap begrepen voor zover hun waarde 50 percent van de waarde van alle in de nalatenschap begrepen vermogensbestanddelen die Nederland mag belasten, te boven gaat. Voor de toepassing van dit lid wordt de waarde van de nalatenschap die Nederland mag belasten, en van de vermogensbestanddelen die worden verkregen door de overlevende echtgenoot, vastgesteld, nadat met alle voor aftrek in aanmerking komende schulden en lasten rekening is gehouden, doch voordat het tweede lid wordt toegepast.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.