Verdrag inzake de doorvoerhandel van en naar Staten zonder zeekust
Preambule
De Staten die partij zijn bij dit Verdrag,
In herinnering brengende, dat de Verenigde Naties ingevolge artikel 55 van hun Handvest voorwaarden van economische vooruitgang en de oplossing van internationale economische vraagstukken dienen te bevorderen,
Gelet op resolutie 1028 (XI) van de Algemene Vergadering de landen zonder zeekust en de uitbreiding van de internationale handel betreffende, waarmede „onder erkenning van de behoefte van landen zonder zeekust aan toereikende doorvoermogelijkheden bij het bevorderen van de internationale handel”, de regeringen van de Lid-Staten werd verzocht „de behoeften van de Lid-Staten zonder zeekust ten aanzien van de doorvoerhandel ten volle te erkennen en deze staten met het oog daarop toereikende faciliteiten op het gebied van het daarop betrekking hebbende internationale recht en gebruik toe te staan, daarbij rekening houdende met de uit de economische ontwikkeling in de toekomst voortvloeiende behoeften van de landen zonder zeekust”,
In herinnering brengend artikel 2 van het Verdrag inzake de volle zee, dat bepaalt dat, aangezien de volle zee voor alle naties open is, geen enkele Staat op wettige wijze enig deel van de volle zee aan zijn soevereiniteit kan onderwerpen, alsmede artikel 3 van het genoemde Verdrag, dat bepaalt:
Ten einde de vrijheid van de zee te kunnen genieten op gelijke voet met kuststaten, dienen Staten die geen zeekust hebben, vrije toegang tot de zee te hebben. Te dien einde dienen Staten die gelegen zijn tussen de zee en een Staat die geen zeekust heeft, in gemeenschappelijk overleg met laatstbedoelde Staat en in overeenstemming met de bestaande internationele verdragen:
aan de staat die geen zeekust heeft, op basis van wederkerigheid, vrije doortocht en doorvoer over hun gebied te verlenen en
aan schepen die de vlag van die Staat voeren, een behandeling toe te kennen, welke gelijk is aan de behandeling toegekend aan hun eigen schepen of aan de schepen van enige andere Staat, wat betreft toegang tot zeehavens en het gebruik van zodanige havens.
De Staten die gelegen zijn tussen de zee en een Staat die geen zeekust heeft, dienen in gemeenschappelijk overleg met laatstbedoelde Staat en rekening houdende met de rechten van de kuststaat of de Staat die doortocht en doorvoer verleent, en met de bijzondere omstandigheden van de Staat die geen zeekust heeft, alle kwesties te regelen die verband houden met de vrijheid van doortocht en doorvoer en met gelijke behandeling in de havens, indien die Staten niet reeds partij zijn bij bestaande internationale verdragen.”
Opnieuw bevestigende de volgende door de Conferentie der Verenigde Naties voor Handel en Ontwikkeling aangenomen beginselen, waarbij wel te verstaan is dat deze beginselen onderling verband houden en dat ieder beginsel moet worden beoordeeld in zijn samenhang met de andere beginselen:
Beginsel I
De erkenning van het recht van vrije toegang tot de zee van ieder land zonder zeekust is een essentieel beginsel voor de uitbreiding van de internationale handel en voor de economische ontwikkeling.
Beginsel II
Schepen die varen onder de vlag van landen zonder zeekust dienen in territoriale wateren en op binnenwateren gelijke rechten te hebben en daaraan dient een behandeling te worden toegekend die gelijk is aan de behandeling toegekend aan schepen die varen onder de vlag van aan de zeekust gelegen Staten, niet zijnde de Staat aan wie het desbetreffende grondgebied toebehoort.
Beginsel III
Ten einde op gelijke voet met aan de kust gelegen Staten de vrijheid der zeeën te genieten, dienen Staten zonder zeekust vrije toegang tot de zee te hebben. Met het oog daarop kennen Staten, gelegen tussen de zee en een Staat zonder zeekust, in gemeenschappelijk overleg met de laatste en overeenkomstig bestaande internationale verdragen, aan schepen die de vlag van die Staat voeren, wat de toegang tot zeehavens en het gebruik van die havens betreft, een behandeling toe die gelijk is aan de behandeling toegekend aan hun eigen schepen of aan schepen van een andere Staat.
Beginsel IV
Voor een zo krachtig mogelijke bevordering van de economische ontwikkeling der landen zonder zeekust zouden alle Staten, op basis van wederkerigheid, die landen vrije en onbelemmerde doorgang dienen te verlenen, en wel op zodanige wijze dat zij onder alle omstandigheden en voor alle soorten van goederen vrije toegang hebben tot de regionale en internationale handel.
Transitogoederen zouden niet onderworpen mogen zijn aan douanerechten.
In het transitoverkeer gebruikte transportmiddelen zouden niet onderworpen mogen zijn aan hogere heffingen of lasten dan die, welke voor het gebruik van transportmiddelen van het land van doorvoer worden geheven.
Beginsel V
De doorvoerstaat heeft het recht, met behoud van de volledige soevereiniteit over zijn grondgebied, alle maatregelen te nemen die nodig zijn ter verzekering dat de uitoefening van het recht van vrije en onbelemmerde doorvoer op generlei wijze inbreuk maakt op zijn rechtmatige belangen, onverschillig van welke aard deze zijn.
Beginsel VI
Het sluiten van regionale en andere internationale overeenkomsten dient door alle Staten te worden aangemoedigd, ten einde de ontwikkeling van een universele benadering van de oplossing der speciale en bijzondere vraagstukken verband houdende met de handel en de ontwikkeling van landen zonder zeekust in de verschillende delen van de wereld te versnellen.
Beginsel VII
De aan landen zonder zeekust met het oog op hun bijzondere geografische ligging verleende faciliteiten en bijzondere rechten vallen niet onder de werking van de meestbegunsitigingsclausule.
Beginsel VIII
De beginselen die het recht van vrije toegang tot de zee van de Staat zonder zeekust regelen, stellen op geen enkele wijze tussen twee of meer der Verdragsluitende Partijen bestaande overeenkomsten ter zake van deze vraagstukken terzijde, noch vormen zij een belemmering voor het sluiten van dergelijke overeenkomsten in de toekomst, mits deze overeenkomsten geen regeling inhouden die minder gunstig is dan, of in strijd is met de bovengenoemde bepalingen,
Zijn overeengekomen als volgt:
Artikel 1. Definities
In dit Verdrag wordt verstaan onder:
- (a). „Staat zonder zeekust” - een Verdragsluitende Staat die geen zeekust heeft;
- (b). „transitoverkeer” - de doorvoer van goederen met inbegrip van losse bagage over het grondgebied van een Verdragsluitende Staat tussen een Staat zonder zeekust en de zee, indien de doorvoer een onderdeel is van een volledige reis die begint of eindigt op het grondgebied van die Staat zonder zeekust, en mede vervoer omvat over zee, hetzij rechtstreeks voorafgaand aan, hetzij rechtstreeks volgend op de doorvoer. Overlading, opslag, lossing en verandering in de wijze van vervoer van die goederen, alsmede het monteren, demonteren of opnieuw monteren van machines en andere grote stukken heeft niet tot gevolg dat de doorvoer der goederen buiten de definitie van „transitoverkeer” valt, mits dergelijke handelwijzen er uitsluitend op zijn gericht het vervoer te vergemakkelijken. Het in deze paragraaf bepaalde mag niet zodanig worden uitgelegd als zou een Verdragsluitende Staat verplicht zijn ten behoeve van dit monteren, demonteren of opnieuw monteren een vaste outillage op zijn grondgebied te vestigen of de vestiging daarvan toe te staan;
- (c). „doorvoerstaat” - een Verdragsluitende Staat al dan niet met een zeekust, gelegen tussen een Staat zonder zeekust en de zee, over wiens grondgebied transitoverkeer plaatsvindt;
- (d). „transportmiddelen”:
- (i). spoorwagons, zee- en binnenschepen en vrachtwagens;
- (ii). dragers en lastdieren, voor zover de plaatselijke situatie het gebruik daarvan gebiedt;
- (iii). andere transportmiddelen, pijpleidingen voor het vervoer van olie en gas, indien daarover tussen de betrokken Verdragsluitende Staten overeenstemming is bereikt voor zover deze worden gebruikt voor transitoverkeer in de zin van dit artikel.
Artikel 2. Vrijheid van doorvoer
Vrijheid van doorvoer wordt onder de in dit Verdrag gestelde voorwaarden verleend voor transito-verkeer en transportmiddelen. Met inachtneming van de andere bepalingen van dit Verdrag dienen de door de Verdragsluitende Staten genomen maatregelen tot regeling en bevordering van het verkeer over hun grondgebied, het transitoverkeer over wederzijds voor de betrokken Verdragsluitende Staten voor doorvoer aanvaardbare in gebruik zijnde routes te vergemakkelijken. In overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag mag geen discriminatie worden uitgeoefend met betrekking tot de plaats van oorsprong of afzending, noch ten aanzien van de plaatsen van binnenkomst en uitgang, of ten aanzien van bestemming of van de omstandigheden verband houdende met de eigendom van de goederen of de eigendom, de plaats van registratie dan wel de nationaliteit van schepen, voertuigen voor vervoer over land of andere gebruikte transportmiddelen.
De regels met betrekking tot het gebruik van transportmiddelen, wanneer deze een deel van of het gehele grondgebied van een andere Verdragsluitende Staat doortrekken, warden vastgesteld in gemeenschappelijk overleg tussen de betrokken Verdragsluitende Staten, met inachtneming van de multilaterale verdragen waarbij deze Staten partij zijn.
De Verdragsluitende Staten verlenen, overeenkomstig hun wetten en andere voorschriften, machtiging voor de doorgang over, of de toegang tot hun grondgebied aan personen voor wie dat noodzakelijk is in verband met het transito-verkeer.
De Verdragsluitende Staten staan die doorgang van transitoverkeer over hun territoriale wateren toe overeenkomstig de beginselen van het gebruikelijke internationale recht of de toepasselijke internationale verdragen, alsmede overeenkomstig hun nationale regelingen.
Artikel 3. Douanerechten en bijzondere doorvoerrechten
Transito-verkeer wordt door de autoriteiten in de doorvoerstaat niet onderworpen aan douanerechten of heffingen die wegens in- of uitvoer worden geheven, noch aan andere bijzondere rechten verband houdende met de doorvoer. Op transito-verkeer mogen echter wel rechten worden geheven die uitsluitend zijn bedoeld ter bestrijding van de kosten van toezicht en administratie verbonden aan die doorvoer. Het bedrag van deze kosten moet zo veel mogelijk in overeenstemming zijn met de kosten die ermede moeten worden bestreden en dient met inachtneming van die voorwaarde in overeenstemming met de in artikel 2, eerste lid, gestelde eis van non-discriminatie te worden geheven.
Artikel 4. Transportmiddelen en tarieven
De Verdragsluitende Staten nemen de verplichting op zich, voor zover mogelijk, op de plaatsen van binnenkomst en uitgang en, indien nodig, op plaatsen van overlading, te zorgen voor behoorlijke transportmiddelen en apparatuur voor het verwerken van het transito-verkeer zonder onnodige vertraging.
De Verdragsluitende Staten nemen de verplichting op zich ten aanzien van het transito-verkeer dat gebruik maakt van faciliteiten die door de Staat worden geëxploiteerd of beheerd, tarieven toe te passen of lasten op te leggen die, met inachtneming van de omstandigheden waaronder het verkeer plaatsvindt en van de op dit gebied bestaande concurrentie, redelijk zijn zowel wat betreft de hoogte van de tarieven of de lasten als de wijze waarop zij worden toegepast of opgelegd. Deze tarieven of lasten dienen zodanig te worden vastgesteld dat zij het transito-verkeer zo veel mogelijk vergemakkelijken en mogen niet hoger zijn dam de tarieven of lasten die door de Verdragsluitende Staten worden toegepast of opgelegd voor het vervoer over hun grondgebied van goederen komend uit landen die toegang hebben tot de zee. Het in dit lid bepaalde is mede van toepassing op de tarieven en lasten die worden toegepast en opgelegd ten aanzien van het transito-verkeer dat gebruik maakt van faciliteiten die worden geëxploiteerd of beheerd door bedrijven of personen, Ingeval deze tarieven of lasten worden vastgesteld door, of onderworpen zijn aan het toezicht van de Verdragsluitende Staat. De in dit lid gebruikte term „faciliteiten” omvat transportmiddelen, havenwerken en wegen, voor het gebruik waarvan tarieven worden toegepast of lasten worden geheven.
Sleepdiensten die een monopolie bezitten op voor doorvoer gebruikte waterwegen dienen zodanig te zijn georganiseerd dat zij de doorvaart van schepen niet belemmeren.
De bepalingen van dit artikel dienen te worden toegepast met inachtneming van het in artikel 2, eerste lid, bepaalde inzake non-discriminatie.
Artikel 5. Methoden en documenten betreffende douaneformaliteiten, vervoer, enz.
De Verdragsluitende Staten passen met betrekking tot de administratie en de douaneformaliteiten maatregelen toe die een vrij, onbelemmerd en ononderbroken transito-verkeer mogelijk maken. Zo nodig, dienen zij onderhandelingen te voeren ten einde overeenstemming te bereiken ten aanzien van maatregelen welke deze doorvoer waarborgen en vergemakkelijken.
De Verdragsluitende Staten nemen de verplichting op zich gebruik te maken van eenvoudige documenten en van methoden die een snelle afwikkeling mogelijk maken van de formaliteiten verband houdende met de douane, het vervoer en andere administratieve procedures die betrekking hebben op transito-verkeer en wel voor de gehele doorvoerreis over hun grondgebied met inbegrip van eventuele overlading, opslag, lossing en veranderingen in de wijze van vervoer tijdens die reis.
Artikel 6. Opslag van doorvoergoederen
De voorwaarden verbonden aan de opslag van doorvoergoederen op de plaats van binnenkomst en van uitgang en op tussenliggende plaatsen in de doorvoerstaat kunnen bij onderlinge overeenstemming door de betrokken Staten worden opgesteld. De door de doorvoerstaten aan de opslag te verbinden voorwaarden zijn ten minste even gunstig als die welke zij daaraan verbinden ten aanzien van goederen die uit hun eigen land komen of daarheen onderweg zijn.
De tarieven en heffingen worden vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.
Artikel 7. Vertragingen of moeilijkheden bij transito-verkeer
Behoudens ingeval van overmacht, worden door de Verdragsluitende Staten alle mogelijke maatregelen genomen om vertragingen of belemmeringen van het transito-verkeer te vermijden.
Indien zich vertragingen of andere moeilijkheden voordoen bij het transito-verkeer, spannen de bevoegde autoriteiten van de doorvoerstaat of -staten en die van de Staat onder zeekust zich gezamenlijk in om die ten spoedigste uit de weg te ruimen.
Artikel 8. Vrije zones of andere douanefaciliteiten
Ten behoeve van het transito-verkeer kunnen, indien daarover tussen de doorvoerstaten en de Staten zonder zeekust onderling overeenstemming is bereikt in de havens van binnenkomst en uitgang vrije zones worden vastgesteld of andere douanefaciliteiten worden verleend.
Faciliteiten van deze aard kunnen ook worden verleend ten behoeve van Staten zonder zeekust in andere doorvoerstaten die geen zeekust of zeehavens hebben.
Artikel 9. Bepalingen inzake verdergaande faciliteiten
Aan dit Verdrag is de intrekking van doorvoerfaciliteiten die verder gaan dan die waarin dit Verdrag voorziet en waaromtrent, onder met de beginselen daarvan strokende voorwaarden, tussen Verdragsluitende Staten overeenstemming is bereikt, of die door een der Verdragsluitende Staten zijn verleend, volstrekt niet verbonden. Evenmin sluit dit Verdrag het verlenen van dergelijke verdergaande faciliteiten in de toekomst uit.
Artikel 10. Verhouding tot meestbegunstigingsclausule
De Verdragsluitende Staten zijn het er over eens dat de meestbegunstigingsclausule niet van toepassing is op de faciliteiten en bijzondere rechten die bij dit Verdrag aan Staten zonder zeekust worden verleend vanwege hun bijzondere geografische ligging. Een Staat zonder zeekust die geen partij bij dit Verdrag is, kan op de krachtens dit Verdrag aan Staten zonder zeekust verleende faciliteiten en bijzondere rechten uitsluitend aanspraak maken op basis van de meestbegunstigingsclausule van een verdrag tussen die Staat zonder zeekust en de Verdragsluitende Staat welke die faciliteiten en bijzondere rechten verleent.
Indien een Verdragsluitende Staat aan een Staat zonder zeekust faciliteiten of bijzondere rechten verleent die verder gaan dan die waarin dit Verdrag voorziet, kunnen deze faciliteiten of bijzondere rechten worden beperkt tot die Staat zonder zeekust, tenzij het onthouden van die verder gaande faciliteiten of bijzondere rechten aan een andere Staat zonder zeekust in strijd is met de meestbegunstigingsclausule van een verdrag tussen die Staat zonder zeekust en de Verdragsluitende Staat welke die faciliteiten of bijzondere rechten verleent.
Artikel 11. Uitzonderingen op het Verdrag in verband met de volksgezondheid, de veiligheid en de bescherming van de intellectuele eigendom
De Verdragsluitende Staten zijn op grond van dit Verdrag niet verplicht doorgang te verlenen aan personen wie de toegang tot hun grondgebied is verboden of met betrekking tot goederen die behoren tot een soort waarvan de invoer is verboden, hetzij op gronden ontleend aan de goede zeden, de volksgezondheid of de openbare veiligheid, hetzij als voorzorgsmaatregel tegen ziekten of plagen van dieren en planten.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.