Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand inzake de verdergaande vermindering van zwavelemissies
De Partijen,
Vastbesloten het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand uit te voeren,
Verontrust vanwege het feit dat emissies van zwavel en andere luchtverontreinigende stoffen nog altijd over internationale grenzen heen worden meegevoerd en, in daaraan blootgestelde delen van Europa en Noord-Amerika, uitgebreide schade veroorzaken aan de natuurlijke rijkdommen die van vitaal belang zijn voor het milieu en de economie, zoals bossen, cultuurgronden en wateren, en aan materialen, met inbegrip van historische monumenten, en, in bepaalde omstandigheden, schadelijke gevolgen hebben voor de gezondheid van de mens,
Met het vaste voornemen voorzorgsmaatregelen te treffen teneinde emissies van luchtverontreinigende stoffen voor te zijn, deze te vermijden of tot een minimum terug te brengen en de schadelijke gevolgen ervan te beperken,
Ervan overtuigd dat waar sprake is van dreiging van ernstige of onherstelbare schade, het ontbreken van volledige wetenschappelijke zekerheid niet mag worden aangevoerd als reden voor uitstel van bedoelde maatregelen, met dien verstande dat deze voorzorgsmaatregelen met betrekking tot emissies van luchtverontreinigende stoffen kosteneffectief dienen te zijn,
Indachtig het feit dat maatregelen ter beheersing van emissies van zwavel en andere luchtverontreinigende stoffen tevens zouden bijdragen tot de bescherming van het kwetsbare arctische milieu,
Overwegende dat de voornaamste bronnen van luchtverontreiniging die tot verzuring van het milieu bijdragen, de verbranding van fossiele brandstoffen voor de opwekking van energie en de belangrijkste technische processen in verschillende takken van de industrie, alsmede het vervoer zijn, die leiden tot emissies van zwavel, stikstofoxiden en andere verontreinigende stoffen,
Zich bewust van de noodzaak van een kosteneffectieve regionale aanpak voor de bestrijding van luchtverontreiniging, die rekening houdt met de van land tot land uiteenlopende effecten en kosten van bestrijding,
Geleid door de wens verdergaande en doeltreffendere maatregelen te nemen ter beheersing en vermindering van zwavelemissies,
Beseffend dat elk beleid inzake zwavelbeheersing, hoe kosteneffectief dit ook moge zijn op regionaal niveau, een betrekkelijk zware economische last met zich zal meebrengen voor landen die de overgang naar een markteconomie doormaken,
In aanmerking nemend dat maatregelen ter vermindering van zwavel-emissies niet als middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie of als verkapte beperking van de internationale concurrentie of handel mogen dienen,
In overweging nemend de bestaande wetenschappelijke en technische gegevens inzake emissies, atmosferische processen en de effecten op het milieu van zwaveloxiden, alsmede de kosten van bestrijding,
In het besef dat, naast zwavelemissies, ook emissies van stikstofoxiden en van ammoniak leiden tot verzuring van het milieu,
Vaststellend dat in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, aangenomen te New York op 9 mei 1992, overeenstemming is bereikt over het vaststellen van nationaal beleid en het nemen van overeenkomstige maatregelen ter bestrijding van klimaatverandering, hetgeen naar verwachting zal leiden tot vermindering van zwavelemissies,
Bevestigend de noodzaak van milieuverantwoorde en duurzame ontwikkeling,
Erkennend de noodzaak om de wetenschappelijke en technische samenwerking voort te zetten, teneinde de op kritische belasting en kritisch niveau gebaseerde aanpak verder uit te werken, met inbegrip van inspanningen om verscheidene luchtverontreinigende stoffen en verschillende gevolgen voor het milieu, materialen en de gezondheid van de mens te evalueren,
Onderstrepend dat de wetenschappelijke en technische kennis zich verder ontwikkelt en dat het noodzakelijk zal zijn deze ontwikkelingen in aanmerking te nemen wanneer wordt getoetst of de ingevolge dit Protocol aangegane verplichtingen toereikend zijn en over verdere maatregelen wordt beslist,
Bevestigend het Protocol inzake de vermindering van zwavelemissies of van de grensoverschrijdende stromen van deze zwavelverbindingen met ten minste 30 procent, aangenomen te Helsinki op 8 juli 1985, en de reeds door veel landen genomen maatregelen, die tot een vermindering van zwavelemissies hebben geleid,
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder:
-
- „Verdrag”: het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, aangenomen te Genève op 13 november 1979;
-
- „EMEP”: het Programma voor samenwerking inzake de bewaking en evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand in Europa;
-
- „Uitvoerend Orgaan”: het Uitvoerend Orgaan voor het Verdrag, opgericht ingevolge artikel 10, eerste lid, van het Verdrag;
-
- „Commissie”: de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties.
-
- „Partijen”: de Partijen bij dit Protocol, tenzij de context anders vereist;
-
- „Geografische reikwijdte van het EMEP”: het gebied, omschreven in artikel 1, vierde punt, van het Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand aangaande de langlopende financiering van het programma voor samenwerking inzake de bewaking en evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand in Europa (EMEP), aangenomen te Genève op 28 september 1984;
-
- „SOMA”: een zwaveloxiden-beheersgebied (sulpher oxides management area) in Bijlage III als zodanig aangemerkt onder de in artikel 2, derde lid, genoemde voorwaarden;
-
- „Kritische belasting”: een kwantitatieve schatting van de blootstelling aan één of meer verontreinigende stoffen, beneden welke zich volgens de huidige kennis geen aanzienlijke schadelijke gevolgen voor nader omschreven gevoelige bestanddelen van het milieu voordoen;
-
- „Kritisch niveau”: de concentratie van verontreinigende stoffen in de atmosfeer, boven welke zich volgens de huidige kennis rechtstreekse schadelijke gevolgen voor mensen, planten, ecosystemen of materialen, kunnen voordoen;
-
- „Kritische zwaveldepositie”: een kwantitatieve schatting van de blootstelling aan geoxydeerde zwavelverbindingen, rekening houdend met de gevolgen van de opname van basische kationen en de depositie van basische kationen, beneden welke zich volgens de huidige kennis geen aanzienlijke schadelijke gevolgen voor nader omschreven bestanddelen van het milieu voordoen:
-
- „Emissies”: de uitstoot van stoffen in de atmosfeer;
-
- „Zwavelemissies”: alle emissies in de atmosfeer van zwavelverbindingen, uitgedrukt in kiloton zwaveldioxide (kt SO2), afkomstig uit antropogene bronnen, met uitzondering van schepen in het internationale verkeer buiten de territoriale wateren;
-
- „Brandstof”: elk vast, vloeibaar of gasvormig brandbaar materiaal, met uitzondering van huisvuil en giftige of gevaarlijke afvalstoffen;
-
- „Stationaire verbrandingsbron”: een technisch toestel, of groep technische toestellen bijeengeplaatst op een gemeenschappelijk terrein, die via een gemeenschappelijke schoorsteen rookgassen uitstoot of zou kunnen uitstoten, waarin brandstoffen worden geoxydeerd teneinde de opgewekte warmte te gebruiken;
-
- „Belangrijke nieuwe stationaire verbrandingsbron”: een stationaire verbrandingsbron voor de bouw of ingrijpende wijziging waarvan na 31 december 1995 vergunning is verleend en waarvan de thermische belasting, bij functioneren op het nominale vermogen, ten minste 50 MWth is. Het is aan de bevoegde nationale autoriteiten om te beslissen of een wijziging al dan niet ingrijpend is, rekening houdend met factoren als de voordelen van de wijziging in milieu-opzicht;
-
- „Belangrijke bestaande stationaire verbrandingsbron”: een bestaande stationaire verbrandingsbron waarvan de thermische belasting, bij functioneren op het nominale vermogen, ten minste 50 MWth is;
-
- „Gasolie”: een aardolieprodukt dat onder GS-code 2710 valt of een aardolieprodukt dat op grond van zijn destillatiegrenzen behoort tot de middeldestillaten die bestemd zijn voor gebruik als brandstof en die, destillatieverliezen inbegrepen, voor ten minste 85% van hun volume overdestilleren bij 350° C;
-
- „Emissiegrenswaarde”: de toelaatbare concentratie van zwavelverbindingen, uitgedrukt als zwaveldioxide, in de rookgassen uit een stationaire verbrandingsbron, uitgedrukt in massa per volume van de rookgassen, weergegeven als mg SO2/Nm3, uitgaande van een zuurstofgehalte in het rookgas van 3 volumepercenten in het geval van vloeibare of gasvormige brandstoffen en 6 volumepercenten in het geval van vaste brandstoffen;
-
- „Emissiebegrenzing”: de toelaatbare totale hoeveelheid zwavelverbindingen, uitgedrukt als zwaveldioxide, afkomstig uit een verbrandingsbron of een groep verbrandingsbronnen, gelegen hetzij op een gemeenschappelijk terrein, hetzij in een bepaald geografisch gebied, uitgedrukt in kiloton per jaar;
-
- „Ontzwavelingspercentage”: de verhouding van de hoeveelheid zwavel die over een bepaalde periode op de locatie van de verbrandingsbron wordt afgescheiden ten opzichte van de hoeveelheid zwavel die de brandstof bevat die wordt ingebracht in de verbrandingsbron met de daarbij behorende voorzieningen en die in die zelfde periode wordt verbruikt;
-
- „Zwavelbudget”: een matrix van berekende bijdragen aan de depositie van geoxydeerde zwavelverbindingen in ontvangstgebieden, afkomstig van de emissies vanuit nader omschreven gebieden.
Artikel 2. Fundamentele verplichtingen
De Partijen zullen hun zwavelemissies beheersen en verminderen teneinde de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen schadelijke gevolgen, met name de gevolgen van verzuring, en ervoor te zorgen, voor zover mogelijk, zonder dat zulks buitensporige kosten met zich meebrengt, dat deposities van geoxydeerde zwavelverbindingen op de lange termijn de kritische belasting voor zwavel die in Bijlage I als kritische zwaveldepositie is vermeld, overeenkomstig de huidige wetenschappelijke kennis, niet overschrijden.
Als eerste stap zullen de Partijen, minimaal, hun jaarlijkse zwavelemissies verminderen en handhaven in overeenstemming met het tijdschema en de niveaus genoemd in Bijlage II.
Daarnaast zal elke Partij:
- a. waarvan het totale grondoppervlak groter is dan 2.000.000 vierkante kilometer;
- b. die zich ingevolge het tweede lid heeft verplicht tot een nationaal plafond voor zwavelemissies dat niet hoger ligt dan hetzij haar emissies in 1990, hetzij haar verplichting ingevolge het Protocol van Helsinki van 1985 inzake de vermindering van zwavelemissies of van de grensoverschrijdende stromen daarvan met ten minste 30 procent, naargelang van welk niveau het laagst is, als aangegeven in Bijlage II;
- c. waarvan de jaarlijkse zwavelemissies die bijdragen tot verzuring in gebieden onder de rechtsmacht van één of meer andere Partijen uitsluitend afkomstig zijn uit gebieden onder haar rechtsmacht die in Bijlage III als SOMA zijn aangemerkt, en die hiertoe bescheiden heeft ingediend; en
- d. die bij de ondertekening van of toetreding tot dit Protocol blijk heeft gegeven van haar voornemen te handelen in overeenstemming met dit lid, minimaal haar jaarlijkse zwavelemissies in het aldus vermelde gebied verminderen en handhaven in overeenstemming met het tijdschema en de niveaus genoemd in Bijlage II.
Voorts zullen de Partijen gebruik maken van de meest doeltreffende maatregelen ter vermindering van zwavelemissies die, gezien hun bijzondere omstandigheden, passend zijn voor nieuwe en bestaande bronnen die, onder andere, omvatten:
- -. maatregelen gericht op verhoging van het rendement;
- -. maatregelen gericht op toeneming van het gebruik van duurzame energie;
- -. maatregelen gericht op verlaging van het zwavelgehalte van bepaalde brandstoffen en op stimulering van het gebruik van brandstof met een laag zwavelgehalte, waaronder het gecombineerd gebruik van hoogzwavelige en laagzwavelige of zwavelvrije brandstof;
- -. maatregelen gericht op de toepassing van de beste beschikbare beheersingstechnologieën die geen buitensporige kosten met zich meebrengen,
waarbij Bijlage IV als richtsnoer dient.
Elke Partij, met uitzondering van de Partijen die onder de United States/Canada Air Quality Agreement van 1991 vallen, zal minimaal:
- a. emissiegrenswaarden, die ten minste even stringent zijn als de in Bijlage V genoemde, toepassen op alle belangrijke nieuwe stationaire verbrandingsbronnen;
- b. uiterlijk 1 juli 2004, voor zover mogelijk zonder dat zulks buitensporige kosten met zich meebrengt, emissiegrenswaarden, die ten minste even stringent zijn als de in Bijlage V genoemde, toepassen op belangrijke bestaande stationaire verbrandingsbronnen boven 500 MWth, rekening houdend met de resterende levensduur van een installatie, berekend vanaf de datum van inwerkingtreding van dit Protocol, dan wel gelijkwaardige emissiebegrenzingen of andere passende voorschriften toepassen, mits daarmee de in Bijlage II genoemde plafonds voor zwavelemissies worden bereikt en vervolgens de in Bijlage I vermelde kritische belasting dichter wordt benaderd; uiterlijk 1 juli 2004 zal elke Partij emissiegrenswaarden of emissiebegrenzingen toepassen op belangrijke bestaande verbrandingsbronnen waarvan de thermische belasting ligt tussen 50 en 500 MWth, en daarbij Bijlage V als richtsnoer gebruiken;
- c. uiterlijk twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Protocol nationale normen voor het zwavelgehalte van gasolie toepassen, die ten minste even stringent zijn als de in Bijlage V genoemde. Ingeval de gasolievoorziening niet anderszins kan worden gewaarborgd, kan een Staat de in deze letter bedoelde termijn verlengen tot een termijn van tien jaar. In dit geval geeft de Partij in een verklaring die te zamen met de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding wordt nedergelegd, blijk van haar voornemen de termijn te verlengen.
De Partijen kunnen bovendien economische instrumenten hanteren ter stimulering van het toepassen van kosteneffectieve wijzen van aanpak voor de vermindering van zwavelemissies.
De Partijen bij dit Protocol kunnen op een zitting van het Uitvoerend Orgaan, overeenkomstig door het Uitvoerend Orgaan uit te werken en aan te nemen regels en voorwaarden, besluiten of twee of meer Partijen gezamenlijk uitvoering kunnen geven aan de in Bijlage II uiteengezette verplichtingen. Deze regels en voorwaarden dienen de nakoming van de in het tweede lid van dit artikel verwoorde verplichtingen te garanderen en tevens de verwezenlijking van de in het eerste lid van dit artikel verwoorde milieudoelstellingen te bevorderen.
De Partijen zullen, met inachtneming van het resultaat van de eerste toetsing ingevolge artikel 8 en uiterlijk een jaar na de afronding van die toetsing, onderhandelingen aangaan inzake verdere verplichtingen ter vermindering van de emissies.
Artikel 3. Uitwisseling van technologie
De Partijen vergemakkelijken, in overeenstemming met hun nationale wetten, voorschriften en gewoonten, de uitwisseling van technologieën en technieken, waaronder die welke zijn gericht op verhoging van het energierendement, het gebruik van duurzame energie en de verwerking van laagzwavelige brandstoffen, ter vermindering van zwavelemissies, met name door het bevorderen van:
- a. commerciële uitwisseling van beschikbare technologie;
- b. rechtstreekse contacten en samenwerking tussen industrieën, met inbegrip van gezamenlijke ondernemingen (joint ventures);
- c. uitwisseling van informatie en ervaring;
- d. verlening van technische bijstand.
Ter bevordering van de in het eerste lid van dit artikel genoemde activiteiten scheppen de Partijen gunstige voorwaarden door contacten en samenwerking te vergemakkelijken tussen daarvoor in aanmerking komende organisaties en personen in de particuliere en de publieke sector die in staat zijn technologie, ontwerp- en constructiediensten, apparatuur of financiële middelen ter beschikking te stellen.
De Partijen vangen uiterlijk zes maanden na de datum van inwerkingtreding van dit Protocol aan met de bestudering van procedures om gunstigere voorwaarden te scheppen voor de uitwisseling van technologie ter vermindering van zwavelemissies.
Artikel 4. Nationale strategieën, beleidslijnen, programma’s, maatregelen en informatie
Teneinde haar verplichtingen ingevolge artikel 2 na te komen, neemt elke Partij:
- a. uiterlijk zes maanden nadat dit Protocol in werking is getreden, nationale strategieën, beleidslijnen en programma’s aan; en
- b. nationale maatregelen en past zij deze toe, ter beheersing en vermindering van haar zwavelemissies.
Elke Partij verzamelt en houdt informatie bij over:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.