Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand inzake de verdergaande vermindering van zwavelemissies
De Partijen,
Vastbesloten het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand uit te voeren,
Verontrust vanwege het feit dat emissies van zwavel en andere luchtverontreinigende stoffen nog altijd over internationale grenzen heen worden meegevoerd en, in daaraan blootgestelde delen van Europa en Noord-Amerika, uitgebreide schade veroorzaken aan de natuurlijke rijkdommen die van vitaal belang zijn voor het milieu en de economie, zoals bossen, cultuurgronden en wateren, en aan materialen, met inbegrip van historische monumenten, en, in bepaalde omstandigheden, schadelijke gevolgen hebben voor de gezondheid van de mens,
Met het vaste voornemen voorzorgsmaatregelen te treffen teneinde emissies van luchtverontreinigende stoffen voor te zijn, deze te vermijden of tot een minimum terug te brengen en de schadelijke gevolgen ervan te beperken,
Ervan overtuigd dat waar sprake is van dreiging van ernstige of onherstelbare schade, het ontbreken van volledige wetenschappelijke zekerheid niet mag worden aangevoerd als reden voor uitstel van bedoelde maatregelen, met dien verstande dat deze voorzorgsmaatregelen met betrekking tot emissies van luchtverontreinigende stoffen kosteneffectief dienen te zijn,
Indachtig het feit dat maatregelen ter beheersing van emissies van zwavel en andere luchtverontreinigende stoffen tevens zouden bijdragen tot de bescherming van het kwetsbare arctische milieu,
Overwegende dat de voornaamste bronnen van luchtverontreiniging die tot verzuring van het milieu bijdragen, de verbranding van fossiele brandstoffen voor de opwekking van energie en de belangrijkste technische processen in verschillende takken van de industrie, alsmede het vervoer zijn, die leiden tot emissies van zwavel, stikstofoxiden en andere verontreinigende stoffen,
Zich bewust van de noodzaak van een kosteneffectieve regionale aanpak voor de bestrijding van luchtverontreiniging, die rekening houdt met de van land tot land uiteenlopende effecten en kosten van bestrijding,
Geleid door de wens verdergaande en doeltreffendere maatregelen te nemen ter beheersing en vermindering van zwavelemissies,
Beseffend dat elk beleid inzake zwavelbeheersing, hoe kosteneffectief dit ook moge zijn op regionaal niveau, een betrekkelijk zware economische last met zich zal meebrengen voor landen die de overgang naar een markteconomie doormaken,
In aanmerking nemend dat maatregelen ter vermindering van zwavel-emissies niet als middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie of als verkapte beperking van de internationale concurrentie of handel mogen dienen,
In overweging nemend de bestaande wetenschappelijke en technische gegevens inzake emissies, atmosferische processen en de effecten op het milieu van zwaveloxiden, alsmede de kosten van bestrijding,
In het besef dat, naast zwavelemissies, ook emissies van stikstofoxiden en van ammoniak leiden tot verzuring van het milieu,
Vaststellend dat in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, aangenomen te New York op 9 mei 1992, overeenstemming is bereikt over het vaststellen van nationaal beleid en het nemen van overeenkomstige maatregelen ter bestrijding van klimaatverandering, hetgeen naar verwachting zal leiden tot vermindering van zwavelemissies,
Bevestigend de noodzaak van milieuverantwoorde en duurzame ontwikkeling,
Erkennend de noodzaak om de wetenschappelijke en technische samenwerking voort te zetten, teneinde de op kritische belasting en kritisch niveau gebaseerde aanpak verder uit te werken, met inbegrip van inspanningen om verscheidene luchtverontreinigende stoffen en verschillende gevolgen voor het milieu, materialen en de gezondheid van de mens te evalueren,
Onderstrepend dat de wetenschappelijke en technische kennis zich verder ontwikkelt en dat het noodzakelijk zal zijn deze ontwikkelingen in aanmerking te nemen wanneer wordt getoetst of de ingevolge dit Protocol aangegane verplichtingen toereikend zijn en over verdere maatregelen wordt beslist,
Bevestigend het Protocol inzake de vermindering van zwavelemissies of van de grensoverschrijdende stromen van deze zwavelverbindingen met ten minste 30 procent, aangenomen te Helsinki op 8 juli 1985, en de reeds door veel landen genomen maatregelen, die tot een vermindering van zwavelemissies hebben geleid,
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder:
-
- „Verdrag”: het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, aangenomen te Genève op 13 november 1979;
-
- „EMEP”: het Programma voor samenwerking inzake de bewaking en evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand in Europa;
-
- „Uitvoerend Orgaan”: het Uitvoerend Orgaan voor het Verdrag, opgericht ingevolge artikel 10, eerste lid, van het Verdrag;
-
- „Commissie”: de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties.
-
- „Partijen”: de Partijen bij dit Protocol, tenzij de context anders vereist;
-
- „Geografische reikwijdte van het EMEP”: het gebied, omschreven in artikel 1, vierde punt, van het Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand aangaande de langlopende financiering van het programma voor samenwerking inzake de bewaking en evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand in Europa (EMEP), aangenomen te Genève op 28 september 1984;
-
- „SOMA”: een zwaveloxiden-beheersgebied (sulpher oxides management area) in Bijlage III als zodanig aangemerkt onder de in artikel 2, derde lid, genoemde voorwaarden;
-
- „Kritische belasting”: een kwantitatieve schatting van de blootstelling aan één of meer verontreinigende stoffen, beneden welke zich volgens de huidige kennis geen aanzienlijke schadelijke gevolgen voor nader omschreven gevoelige bestanddelen van het milieu voordoen;
-
- „Kritisch niveau”: de concentratie van verontreinigende stoffen in de atmosfeer, boven welke zich volgens de huidige kennis rechtstreekse schadelijke gevolgen voor mensen, planten, ecosystemen of materialen, kunnen voordoen;
-
- „Kritische zwaveldepositie”: een kwantitatieve schatting van de blootstelling aan geoxydeerde zwavelverbindingen, rekening houdend met de gevolgen van de opname van basische kationen en de depositie van basische kationen, beneden welke zich volgens de huidige kennis geen aanzienlijke schadelijke gevolgen voor nader omschreven bestanddelen van het milieu voordoen:
-
- „Emissies”: de uitstoot van stoffen in de atmosfeer;
-
- „Zwavelemissies”: alle emissies in de atmosfeer van zwavelverbindingen, uitgedrukt in kiloton zwaveldioxide (kt SO2), afkomstig uit antropogene bronnen, met uitzondering van schepen in het internationale verkeer buiten de territoriale wateren;
-
- „Brandstof”: elk vast, vloeibaar of gasvormig brandbaar materiaal, met uitzondering van huisvuil en giftige of gevaarlijke afvalstoffen;
-
- „Stationaire verbrandingsbron”: een technisch toestel, of groep technische toestellen bijeengeplaatst op een gemeenschappelijk terrein, die via een gemeenschappelijke schoorsteen rookgassen uitstoot of zou kunnen uitstoten, waarin brandstoffen worden geoxydeerd teneinde de opgewekte warmte te gebruiken;
-
- „Belangrijke nieuwe stationaire verbrandingsbron”: een stationaire verbrandingsbron voor de bouw of ingrijpende wijziging waarvan na 31 december 1995 vergunning is verleend en waarvan de thermische belasting, bij functioneren op het nominale vermogen, ten minste 50 MWth is. Het is aan de bevoegde nationale autoriteiten om te beslissen of een wijziging al dan niet ingrijpend is, rekening houdend met factoren als de voordelen van de wijziging in milieu-opzicht;
-
- „Belangrijke bestaande stationaire verbrandingsbron”: een bestaande stationaire verbrandingsbron waarvan de thermische belasting, bij functioneren op het nominale vermogen, ten minste 50 MWth is;
-
- „Gasolie”: een aardolieprodukt dat onder GS-code 2710 valt of een aardolieprodukt dat op grond van zijn destillatiegrenzen behoort tot de middeldestillaten die bestemd zijn voor gebruik als brandstof en die, destillatieverliezen inbegrepen, voor ten minste 85% van hun volume overdestilleren bij 350° C;
-
- „Emissiegrenswaarde”: de toelaatbare concentratie van zwavelverbindingen, uitgedrukt als zwaveldioxide, in de rookgassen uit een stationaire verbrandingsbron, uitgedrukt in massa per volume van de rookgassen, weergegeven als mg SO2/Nm3, uitgaande van een zuurstofgehalte in het rookgas van 3 volumepercenten in het geval van vloeibare of gasvormige brandstoffen en 6 volumepercenten in het geval van vaste brandstoffen;
-
- „Emissiebegrenzing”: de toelaatbare totale hoeveelheid zwavelverbindingen, uitgedrukt als zwaveldioxide, afkomstig uit een verbrandingsbron of een groep verbrandingsbronnen, gelegen hetzij op een gemeenschappelijk terrein, hetzij in een bepaald geografisch gebied, uitgedrukt in kiloton per jaar;
-
- „Ontzwavelingspercentage”: de verhouding van de hoeveelheid zwavel die over een bepaalde periode op de locatie van de verbrandingsbron wordt afgescheiden ten opzichte van de hoeveelheid zwavel die de brandstof bevat die wordt ingebracht in de verbrandingsbron met de daarbij behorende voorzieningen en die in die zelfde periode wordt verbruikt;
-
- „Zwavelbudget”: een matrix van berekende bijdragen aan de depositie van geoxydeerde zwavelverbindingen in ontvangstgebieden, afkomstig van de emissies vanuit nader omschreven gebieden.
Artikel 2. Fundamentele verplichtingen
De Partijen zullen hun zwavelemissies beheersen en verminderen teneinde de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen schadelijke gevolgen, met name de gevolgen van verzuring, en ervoor te zorgen, voor zover mogelijk, zonder dat zulks buitensporige kosten met zich meebrengt, dat deposities van geoxydeerde zwavelverbindingen op de lange termijn de kritische belasting voor zwavel die in Bijlage I als kritische zwaveldepositie is vermeld, overeenkomstig de huidige wetenschappelijke kennis, niet overschrijden.
Als eerste stap zullen de Partijen, minimaal, hun jaarlijkse zwavelemissies verminderen en handhaven in overeenstemming met het tijdschema en de niveaus genoemd in Bijlage II.
Daarnaast zal elke Partij:
- a. waarvan het totale grondoppervlak groter is dan 2.000.000 vierkante kilometer;
- b. die zich ingevolge het tweede lid heeft verplicht tot een nationaal plafond voor zwavelemissies dat niet hoger ligt dan hetzij haar emissies in 1990, hetzij haar verplichting ingevolge het Protocol van Helsinki van 1985 inzake de vermindering van zwavelemissies of van de grensoverschrijdende stromen daarvan met ten minste 30 procent, naargelang van welk niveau het laagst is, als aangegeven in Bijlage II;
- c. waarvan de jaarlijkse zwavelemissies die bijdragen tot verzuring in gebieden onder de rechtsmacht van één of meer andere Partijen uitsluitend afkomstig zijn uit gebieden onder haar rechtsmacht die in Bijlage III als SOMA zijn aangemerkt, en die hiertoe bescheiden heeft ingediend; en
- d. die bij de ondertekening van of toetreding tot dit Protocol blijk heeft gegeven van haar voornemen te handelen in overeenstemming met dit lid, minimaal haar jaarlijkse zwavelemissies in het aldus vermelde gebied verminderen en handhaven in overeenstemming met het tijdschema en de niveaus genoemd in Bijlage II.
Voorts zullen de Partijen gebruik maken van de meest doeltreffende maatregelen ter vermindering van zwavelemissies die, gezien hun bijzondere omstandigheden, passend zijn voor nieuwe en bestaande bronnen die, onder andere, omvatten:
- -. maatregelen gericht op verhoging van het rendement;
- -. maatregelen gericht op toeneming van het gebruik van duurzame energie;
- -. maatregelen gericht op verlaging van het zwavelgehalte van bepaalde brandstoffen en op stimulering van het gebruik van brandstof met een laag zwavelgehalte, waaronder het gecombineerd gebruik van hoogzwavelige en laagzwavelige of zwavelvrije brandstof;
- -. maatregelen gericht op de toepassing van de beste beschikbare beheersingstechnologieën die geen buitensporige kosten met zich meebrengen,
waarbij Bijlage IV als richtsnoer dient.
Elke Partij, met uitzondering van de Partijen die onder de United States/Canada Air Quality Agreement van 1991 vallen, zal minimaal:
- a. emissiegrenswaarden, die ten minste even stringent zijn als de in Bijlage V genoemde, toepassen op alle belangrijke nieuwe stationaire verbrandingsbronnen;
- b. uiterlijk 1 juli 2004, voor zover mogelijk zonder dat zulks buitensporige kosten met zich meebrengt, emissiegrenswaarden, die ten minste even stringent zijn als de in Bijlage V genoemde, toepassen op belangrijke bestaande stationaire verbrandingsbronnen boven 500 MWth, rekening houdend met de resterende levensduur van een installatie, berekend vanaf de datum van inwerkingtreding van dit Protocol, dan wel gelijkwaardige emissiebegrenzingen of andere passende voorschriften toepassen, mits daarmee de in Bijlage II genoemde plafonds voor zwavelemissies worden bereikt en vervolgens de in Bijlage I vermelde kritische belasting dichter wordt benaderd; uiterlijk 1 juli 2004 zal elke Partij emissiegrenswaarden of emissiebegrenzingen toepassen op belangrijke bestaande verbrandingsbronnen waarvan de thermische belasting ligt tussen 50 en 500 MWth, en daarbij Bijlage V als richtsnoer gebruiken;
- c. uiterlijk twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Protocol nationale normen voor het zwavelgehalte van gasolie toepassen, die ten minste even stringent zijn als de in Bijlage V genoemde. Ingeval de gasolievoorziening niet anderszins kan worden gewaarborgd, kan een Staat de in deze letter bedoelde termijn verlengen tot een termijn van tien jaar. In dit geval geeft de Partij in een verklaring die te zamen met de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding wordt nedergelegd, blijk van haar voornemen de termijn te verlengen.
De Partijen kunnen bovendien economische instrumenten hanteren ter stimulering van het toepassen van kosteneffectieve wijzen van aanpak voor de vermindering van zwavelemissies.
De Partijen bij dit Protocol kunnen op een zitting van het Uitvoerend Orgaan, overeenkomstig door het Uitvoerend Orgaan uit te werken en aan te nemen regels en voorwaarden, besluiten of twee of meer Partijen gezamenlijk uitvoering kunnen geven aan de in Bijlage II uiteengezette verplichtingen. Deze regels en voorwaarden dienen de nakoming van de in het tweede lid van dit artikel verwoorde verplichtingen te garanderen en tevens de verwezenlijking van de in het eerste lid van dit artikel verwoorde milieudoelstellingen te bevorderen.
De Partijen zullen, met inachtneming van het resultaat van de eerste toetsing ingevolge artikel 8 en uiterlijk een jaar na de afronding van die toetsing, onderhandelingen aangaan inzake verdere verplichtingen ter vermindering van de emissies.
Artikel 3. Uitwisseling van technologie
De Partijen vergemakkelijken, in overeenstemming met hun nationale wetten, voorschriften en gewoonten, de uitwisseling van technologieën en technieken, waaronder die welke zijn gericht op verhoging van het energierendement, het gebruik van duurzame energie en de verwerking van laagzwavelige brandstoffen, ter vermindering van zwavelemissies, met name door het bevorderen van:
- a. commerciële uitwisseling van beschikbare technologie;
- b. rechtstreekse contacten en samenwerking tussen industrieën, met inbegrip van gezamenlijke ondernemingen (joint ventures);
- c. uitwisseling van informatie en ervaring;
- d. verlening van technische bijstand.
Ter bevordering van de in het eerste lid van dit artikel genoemde activiteiten scheppen de Partijen gunstige voorwaarden door contacten en samenwerking te vergemakkelijken tussen daarvoor in aanmerking komende organisaties en personen in de particuliere en de publieke sector die in staat zijn technologie, ontwerp- en constructiediensten, apparatuur of financiële middelen ter beschikking te stellen.
De Partijen vangen uiterlijk zes maanden na de datum van inwerkingtreding van dit Protocol aan met de bestudering van procedures om gunstigere voorwaarden te scheppen voor de uitwisseling van technologie ter vermindering van zwavelemissies.
Artikel 4. Nationale strategieën, beleidslijnen, programma’s, maatregelen en informatie
Teneinde haar verplichtingen ingevolge artikel 2 na te komen, neemt elke Partij:
- a. uiterlijk zes maanden nadat dit Protocol in werking is getreden, nationale strategieën, beleidslijnen en programma’s aan; en
- b. nationale maatregelen en past zij deze toe, ter beheersing en vermindering van haar zwavelemissies.
Elke Partij verzamelt en houdt informatie bij over:
- a. de feitelijke niveaus van zwavelemissies en van omgevingsconcentraties en deposities van geoxydeerde zwavelverbindingen en andere verzurende verbindingen, waarbij de Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP rekening houden met het werkplan van het EMEP; en
- b. de effecten van deposities van geoxydeerde zwavelverbindingen en andere verzurende verbindingen.
Artikel 5. Rapportage
Elke Partij verstrekt, via de Uitvoerend Secretaris van de Commissie, met een door het Uitvoerend Orgaan vastgestelde regelmaat, aan het Uitvoerend Orgaan informatie over:
- a. de uitvoering van nationale strategieën, beleidslijnen, programma’s en maatregelen, bedoeld in artikel 4, eerste lid;
- b. de niveaus van nationale jaarlijkse zwavelemissies in overeenstemming met de door het Uitvoerend Orgaan aangenomen richtlijnen, die emissiegegevens bevatten voor alle relevante categorieën bronnen; en
- c. de nakoming van andere verplichtingen die zij ingevolge dit Protocol is aangegaan,
in overeenstemming met een tijdens een zitting van het Uitvoerend Orgaan door de Partijen aan te nemen besluit betreffende vorm en inhoud. De bewoordingen van dit besluit worden indien nodig nader bezien teneinde na te gaan of er aanvullende elementen zijn betreffende de vorm en/of de inhoud van de informatie die in de rapportage moeten worden opgenomen.
Elke Partij binnen de geografische reikwijdte van het EMEP verstrekt, via de Uitvoerend Secretaris van de Commissie, met een door het Bestuursorgaan van het EMEP vastgestelde, en tijdens een zitting van het Uitvoerend Orgaan door de Partijen goedgekeurde regelmaat, aan het EMEP informatie over de niveaus van zwavelemissies met oplossend vermogen, wat tijd en ruimte betreft, als aangegeven door het Bestuursorgaan van het EMEP.
Tijdig voor elke jaarlijkse zitting van het Uitvoerend Orgaan verstrekt het EMEP informatie over:
- a. omgevingsconcentraties en de depositie van geoxydeerde zwavelverbindingen; en
- b. berekeningen van de zwavelbudgetten.
Partijen in gebieden buiten de geografische reikwijdte van het EMEP stellen soortgelijke informatie beschikbaar indien het Uitvoerend Orgaan daarom verzoekt.
Het Uitvoerend Orgaan draagt, in overeenstemming met artikel 10, tweede lid, letter b, van het Verdrag zorg voor het opstellen van informatie over de gevolgen van deposities van geoxydeerde zwavelverbindingen en andere verzurende verbindingen.
De Partijen dragen op zittingen van het Uitvoerend Orgaan zorg voor het opstellen, met regelmatige tussenpozen, van herziene informatie over berekende en internationaal geoptimaliseerde toedeling voor emissievermindering aan de Staten binnen de geografische reikwijdte van het EMEP, met geïntegreerde evaluatiemodellen, teneinde, voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, van dit Protocol het verschil tussen de feitelijke deposities van geoxydeerde zwavelverbindingen en de waarden van de kritische belasting verder te verkleinen.
Artikel 6. Onderzoek, ontwikkeling en monitoring
De Partijen stimuleren het onderzoek, de ontwikkeling, de monitoring en de samenwerking met betrekking tot:
- a. de internationale harmonisering van methoden voor de vaststelling van kritische belastingen en kritische niveaus en het uitwerken van procedures voor bedoelde harmonisering;
- b. de verbetering van monitoringtechnieken en -systemen en van modellen voor de verplaatsing, de concentraties en de depositie van zwavelverbindingen;
- c. strategieën voor de verdere vermindering van zwavelemissies gebaseerd op kritische belastingen en kritische niveaus, alsmede op technische ontwikkelingen, en de verbetering van geïntegreerde evaluatiemodellen ter berekening van internationaal geoptimaliseerde toedeling voor emissievermindering, rekening houdend met een billijke verdeling van de bestrijdingskosten;
- d. inzicht in de bredere gevolgen van zwavelemissies voor de gezondheid van de mens, het milieu, in het bijzonder verzuring, en materialen, waaronder historische en culturele monumenten, rekening houdend met het verband tussen zwaveloxiden, stikstofoxiden, ammoniak, vluchtige organische verbindingen en ozon in de troposfeer;
- e. technologieën ter bestrijding van emissies en technologieën en technieken ter verhoging van het energierendement, energiebesparing en uitbreiding van het gebruik van duurzame energie;
- f. de economische evaluatie van de uit de vermindering van zwavelemissies voortvloeiende baten voor het milieu en de gezondheid van de mens.
Artikel 7. Naleving
Hierbij wordt een Implementatiecomité ingesteld, dat is belast met de toetsing van de implementatie van dit Protocol en de nakoming door de Partijen van hun verplichtingen. Het brengt verslag uit aan de Partijen op zittingen van het Uitvoerend Orgaan en doet de Partijen aanbevelingen die het passend acht.
Na bestudering van een rapport, en eventuele aanbevelingen, van het Implementatiecomité kunnen de Partijen, rekening houdend met de omstandigheden van een kwestie en in overeenstemming met de verdragspraktijk, een besluit nemen over en oproepen tot het nemen van maatregelen om volledige naleving van het Protocol te bewerkstelligen, met inbegrip van maatregelen om een Partij bij te staan bij de naleving van het Protocol, en de doelstellingen van dit Protocol te bevorderen.
De Partijen nemen, op de eerste zitting van het Uitvoerend Orgaan na de inwerkingtreding van dit Protocol, een besluit waarbij de structuur en de taken van de Toepassingscommissie, alsmede procedures voor haar toetsing van de naleving, worden vastgesteld.
De toepassing van de procedure betreffende de naleving laat de bepalingen van artikel 9 van dit Protocol onverlet.
Artikel 8. Toetsingen door de Partijen op zittingen van het Uitvoerend Orgaan
Op zittingen van het Uitvoerend Orgaan toetsen de Partijen, overeenkomstig artikel 10, tweede lid, letter a, van het Verdrag, de door de Partijen en het EMEP verstrekte informatie, de gegevens betreffende de gevolgen van deposities van zwavelverbindingen en andere verzurende verbindingen en de verslagen van het Implementatiecomité, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van dit Protocol.
- a. Op zittingen van het Uitvoerend Orgaan onderwerpen de Partijen de verplichtingen op grond van dit Protocol aan een toetsing, met inbegrip van:
- i. hun verplichtingen met betrekking tot hun berekende en internationaal geoptimaliseerde toedelingen voor emissievermindering, bedoeld in artikel 5, vijfde lid, en
- ii. de adequaatheid van de verplichtingen en de gemaakte vorderingen bij de verwezenlijking van de doelstellingen van dit Protocol;
- b. Bij de toetsingen dient rekening te worden gehouden met de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens over verzuring, waaronder evaluaties van kritische belastingen, technologische ontwikkelingen, veranderende economische omstandigheden en de nakoming van verplichtingen inzake emissieniveaus;
- c. In de context van deze toetsingen stelt elke Partij waarvan de verplichtingen inzake de plafonds voor zwavelemissies uit hoofde van Bijlage II bij dit Protocol niet in overeenstemming zijn met de berekende en internationaal geoptimaliseerde toedelingen voor emissievermindering voor die Partij, vereist om het verschil tussen de deposities van zwavel in 1990 en de kritische zwaveldeposities binnen de geografische reikwijdte van het EMEP met ten minste 60% te verkleinen, alles in het werk om herziene verplichtingen op zich te nemen;
- d. De procedures, de methoden en het tijdschema voor deze toetsingen worden nader bepaald door de Partijen op een zitting van het Uitvoerend Orgaan. De eerste toetsing dient in 1997 te zijn afgerond.
Artikel 9. Beslechting van geschillen
In geval van een geschil tussen twee of meer Partijen betreffende de uitlegging of toepassing van dit Protocol, streven de betrokken Partijen naar beslechting van het geschil door middel van onderhandelingen of op een andere vreedzame wijze van hun eigen keuze. De partijen bij het geschil stellen het Uitvoerend Orgaan in kennis van hun geschil.
Bij de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van dan wel toetreding tot dit Protocol, of op enig tijdstip daarna, kan een Partij die geen regionale organisatie voor economische integratie is, in een schriftelijke bij de depositaris ingediende akte verklaren dat zij, met betrekking tot een geschil betreffende de uitlegging of toepassing van het Protocol, beide onderstaande wijzen van geschillenbeslechting, of één daarvan, ipso facto en zonder overeenkomst als dwingend erkent ten opzichte van elke Partij die dezelfde verplichting aanvaardt:
- a. voorlegging van het geschil aan het Internationale Gerechtshof;
- b. arbitrage in overeenstemming met procedures, zo spoedig mogelijk door de Partijen op een zitting van het Uitvoerend Orgaan aan te nemen in een bijlage inzake arbitrage.
Een Partij die een regionale organisatie voor economische integratie is, kan een verklaring van gelijke strekking afleggen met betrekking tot arbitrage in overeenstemming met de in letter b hierboven bedoelde procedures.
Een ingevolge het tweede lid hierboven afgelegde verklaring blijft van kracht totdat zij overeenkomstig haar bepalingen haar geldigheid verliest dan wel tot drie maanden nadat een schriftelijke kennisgeving van opzegging is nedergelegd bij de depositaris.
Een nieuwe verklaring, een kennisgeving van opzegging of het verlies van de geldigheid van een verklaring zijn op generlei wijze van invloed op de procedure voor het Internationale Gerechtshof of het scheidsgerecht, tenzij de partijen bij het geschil anders overeenkomen.
Indien de partijen bij het geschil, behalve ingeval de betrokken partijen dezelfde wijze van geschillenbeslechting krachtens het tweede lid hebben aanvaard, er na twaalf maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van de ene Partij aan de andere dat tussen hen een geschil bestaat, niet in zijn geslaagd hun geschil te beslechten op de in het eerste lid hierboven bedoelde wijzen, wordt het geschil op verzoek van één van de partijen bij het geschil onderworpen aan conciliatie.
Voor de toepassing van het vijfde lid wordt een conciliaticcommissie gevormd. De commissie bestaat uit een gelijk aantal leden, benoemd door elke betrokken partij of, wanneer bij de conciliatie betrokken partijen een zelfde belang nebben, door de groep die dat zelfde belang heeft, en een voorzitter, gekozen door de aldus benoemde leden gezamenlijk. De commissie doet uitspraak in de vorm van een aanbeveling, die de partijen te goeder trouw in overweging nemen.
Artikel 10. Bijlagen
De Bijlagen bij dit Protocol vormen een integrerend deel van dit Protocol. De Bijlagen I en IV dragen het karakter van een aanbeveling.
Artikel 11. Wijzigingen en aanpassingen
Elke Partij kan wijzigingen op dit Protocol voorstellen. Elke Partij bij het Verdrag kan een aanpassing van Bijlage II bij dit Protocol voorstellen, door daaraan haar naam toe te voegen, te zamen met de emissieniveaus, de plafonds voor zwavelemissies en het percentage van de emissievermindering.
Deze voorgestelde wijzigingen en aanpassingen worden schriftelijk ingediend bij de Uitvoerend Secretaris van de Commissie, die ze bekendmaakt aan alle Partijen. De Partijen bespreken de voorgestelde wijzigingen en aanpassingen op de eerstvolgende zitting van het Uitvoerend Orgaan, op voorwaarde dat deze voorstellen ten minste 90 dagen van tevoren door de Uitvoerend Secretaris aan de Partijen zijn toegezonden.
Wijzigingen op dit Protocol en op de Bijlagen II, III en V dienen bij consensus te worden aangenomen door de Partijen die aanwezig zijn op een zitting van het Uitvoerend Orgaan, en worden voor de Partijen die ze hebben aanvaard van kracht op de negentigste dag na de datum waarop tweederde van de Partijen haar akte van aanvaarding daarvan heeft nedergelegd bij de depositaris. Voor elke andere Partij worden wijzigingen van kracht op de negentigste dag na de datum waarop die Partij haar akte van aanvaarding daarvan heeft nedergelegd.
Wijzigingen op de Bijlagen bij dit Protocol, behoudens de in het derde lid hierboven genoemde Bijlagen, dienen bij consensus te worden aangenomen door de Partijen die aanwezig zijn op een zitting van het Uitvoerend Orgaan. Na het verstrijken van negentig dagen na de datum van bekendmaking daarvan door de Uitvoerend Secretaris van de Commissie wordt een wijziging op bedoelde Bijlagen van kracht voor de Partijen die geen kennisgeving als bedoeld in het vijfde lid van dit artikel hebben ingediend bij de depositaris, op voorwaarde dat ten minste zestien Partijen niet een zodanige kennisgeving hebben ingediend.
Elke Partij die een wijziging op een Bijlage, behoudens een in het derde lid van dit artikel genoemde Bijlage, niet kan goedkeuren, stelt de depositaris hiervan schriftelijk in kennis binnen negentig dagen na de datum van bekendmaking van de aanneming. De depositaris stelt alle Partijen onverwijld in kennis van de ontvangst van zodanige kennisgevingen. Een Partij kan te allen tijde een aanvaarding in de plaats stellen van haar eerdere kennisgeving, en na nederlegging van een akte van aanvaarding bij de depositaris wordt de wijziging op die Bijlage dan terstond van kracht voor die Partij.
Aanpassingen van Bijlage II dienen bij consensus te worden aangenomen door de Partijen die aanwezig zijn op een zitting van het Uitvoerend Orgaan en worden voor alle Partijen bij dit Protocol van kracht op de negentigste dag na de datum waarop de Uitvoerend Secretaris van de Commissie die Partijen schriftelijk in kennis stelt van de aanneming van de aanpassing.
Artikel 12. Ondertekening
Dit Protocol staat open voor ondertekening te Oslo op 14 juni 1994, vervolgens op de zetel van de Verenigde Naties te New York tot 12 december 1994 door Staten die lid zijn van de Commissie, alsmede Staten die een raadgevende status bij de Commissie hebben, overeenkomstig paragraaf 8 van resolutie 36 (IV) van de Economische en Sociale Raad van 28 maart 1947, en door regionale organisaties voor economische integratie, opgericht door soevereine Staten die lid zijn van de Commissie, die bevoegd zijn te onderhandelen over verdragen met betrekking tot onder dit Protocol vallende aangelegenheden en deze verdragen te sluiten en toe te passen, mits de betrokken Staten en organisaties Partij bij het Verdrag zijn en zijn vermeld in Bijlage II.
Deze regionale organisaties voor economische integratie oefenen, wanneer het aangelegenheden betreft die onder hun bevoegdheden vallen, zelf de rechten uit en vervullen zelf de taken die door dit Protocol aan hun lidstaten worden toegekend. In deze gevallen mogen de lidstaten van deze organisaties deze rechten niet afzonderlijk uitoefenen.
Artikel 13. Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding
Dit Protocol behoeft bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring door de ondertekenaars.
Dit Protocol staat met ingang van 12 december 1994 open voor toetreding door de Staten en organisaties die voldoen aan de eisen van artikel 12, eerste lid.
Artikel 14. Depositaris
De akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die de taken van depositaris verricht.
Artikel 15. Inwerkingtreding
Dit Protocol treedt in werking op de negentigste dag volgend op de datum waarop de zestiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding is nedergelegd.
Voor elke in artikel 12, eerste lid, bedoelde Staat of organisatie die dit Protocol bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt of hiertoe toetreedt na de nederlegging van de zestiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt het Protocol in werking op de negentigste dag volgend op de datum van nederlegging door deze Partij van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.
Artikel 16. Opzegging
Vijf jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking is getreden, kan deze Partij dit Protocol te allen tijde opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de depositaris. De opzegging wordt van kracht op de negentigste dag na de datum waarop de depositaris de kennisgeving heeft ontvangen, of op een in de kennisgeving van opzegging aangegeven latere datum.
Artikel 17. Authentieke teksten
Het origineel van dit Protocol, waarvan de Engelse, de Franse en de Russische tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
I. INLEIDING
Deze bijlage heeft tot doel een richtsnoer te geven bij de vaststelling van de keuzen en technologieën voor de beheersing van zwavel ter nakoming van de verplichtingen van het huidige Protocol.
De bijlage is gebaseerd op de informatie over algemene keuzemogelijkheden voor de vermindering van zwavelemissies en met name over de resultaten en de kosten van de technologie voor emissiebeheersing die is opgenomen in de officiële documentatie van het Uitvoerend Orgaan en de daaraan ondergeschikte lichamen.
Tenzij anders aangegeven worden de opgesomde verminderingsmaatregelen, op basis van een in de meeste gevallen jarenlange praktijkervaring, geacht de best beschikbare technologieën te zijn die het meest gangbaar zijn en economisch het meest verantwoord zijn. Gezien het feit dat steeds meer ervaring wordt opgedaan met de toepassing van tot een lage emissie leidende maatregelen en technologieën in nieuwe installaties, alsook met de aanpassing van bestaande installaties, zal deze bijlage echter regelmatig moeten worden herzien.
Hoewel in de bijlage een aantal, qua kosten en doeltreffendheid sterk uiteenlopende, maatregelen en technologieën is opgenomen, mag zij echter niet als een uitputtende opsomming van de beschikbare beheersingsmogelijkheden worden beschouwd. Bovendien hangt de keuze van beheersingsmaatregelen en -technologieën voor elk bijzonder geval af van een aantal factoren, waaronder de geldende wet- en regelgeving, en, in het bijzonder, de aan de beheersingstechnologie gestelde eisen, de structuur van de primaire-energievoorziening, de industriële infrastructuur, de economische omstandigheden en de specifieke situatie in de betrokken installatie.
De bijlage heeft hoofdzakelijk betrekking op de beheersing van de emissies van zwaveloxiden, namelijk zwaveloxide (SO2) en zwaveltrioxide (SO3), dit laatste uitgedrukt als SO2. Het aandeel van zwavel uitgestoten als zwaveloxiden, of andere zwavelverbindingen vanuit processen waarbij geen verbranding optreedt, en vanuit andere bronnen, is klein vergeleken met zwavelemissies vanuit verbranding.
Wanneer maatregelen of technologieën worden gepland voor zwavelbronnen die ook andere stoffen uitstoten, met name stikstofoxiden (NOX), deeltjes, zware metalen en vluchtige organische stoffen (VOS), verdient het aanbeveling deze in samenhang met op specifieke verontreinigende stoffen gerichte beheersingsmethoden te beschouwen teneinde het totale bestrijdingseffect te maximaliseren en de inwerking op het milieu tot een minimum te beperken, en met name de verplaatsing van luchtverontreinigingsproblemen naar andere media (zoals afvalwater en vast afval) te voorkomen.
II. BELANGRIJKE STATIONAIRE BRONNEN VAN ZWAVELEMISSIES
Verbranding van fossiele brandstoffen is de belangrijkste bron van antropogene zwavelemissies uit stationaire bronnen. Daarnaast kunnen enkele processen waarbij geen verbranding optreedt, aanzienlijk tot de emissies bijdragen. De belangrijkste categorieën stationaire bronnen, op basis van EMEP/CORINAIR’90, omvatten:
- i). Openbare elektriciteitscentrales, warmte/krachtkoppeling en stads/blokverwarming:
- a. stoomketels;
- b. stationaire verbrandingsturbines en inwendige-verbrandingsmotoren;
- ii). Verbrandingsinstallaties ten behoeve van winkel-, kantoor- en woonruimten:
- a. bedrijfsketels;
- b. verwarmingsinstallaties in woningen;
- iii). Industriële verbrandingsinstallaties en processen waarbij verbranding optreedt:
- a. stoomketels en procesfornuizen;
- b. processen, b.v. metallurgische bewerkingen zoals roosten en sinteren, cokesovens, verwerking van titaandioxide (TiO2), enz;
- c. pulpproduktie;
- iv). Processen waarbij geen verbranding optreedt, b.v. produktie van zwavelzuur, specifieke organische syntheseprocessen, behandeling van metalen oppervlakken;
- v). Winning, be/verwerking en distributie van fossiele brandstoffen;
- vi). Afvalbehandeling en -verwijdering, b.v. thermische behandeling van stedelijk en industrieel afval.
Uit de gegevens (1990) voor het ECE-gebied als geheel blijkt dat circa 88% van de totale zwavelemissies afkomstig is van de diverse verbrandingsprocessen (20% van industriële verbrandingsprocessen), 5% van produktieprocessen en 7% van olieraffinaderijen. De elektriciteitsproduktie is in veel landen de belangrijkste afzonderlijke veroorzaker van zwavelemissies. In sommige landen draagt de industriële sector (inclusief raffinaderijen) eveneens in sterke mate bij aan de SO2-uitstoot. Hoewel de emissies van raffinaderijen in het ECE-gebied betrekkelijk gering zijn, hebben zij een grote invloed op de zwavelemissies uit andere bronnen door de in de olieprodukten aanwezige zwavel. Normaal blijft 60% van de hoeveelheid zwavel in de ruwe olie achter in de geraffineerde produkten, wordt 60% teruggewonnen als zuivere zwavel en ontsnapt 10% via de schoorsteen.
III. ALGEMENE MOGELIJKHEDEN VOOR VERMINDERING VAN DE DOOR VERBRANDING VEROORZAAKTE ZWAVELEMISSIES
Algemene mogelijkheden voor vermindering van de zwavelemissies zijn:
- i). Maatregelen voor energiebeheer:*)De mogelijkheden (i) (a) en (b) zijn verwerkt in de energiestructuur en het energiebeleid van een Partij. Uitvoeringsstadium, efficiëntie en kosten per sector worden hier niet in beschouwing genomen.
- a. energiebesparing Rationeel energiegebruik (verbeterde energie-efficiëntie/procesbesturing, warmte/krachtkoppeling en/of beheersing van de vraag) leidt gewoonlijk tot lagere zwavelemissies.
- b. samenstelling van het energiepakket In het algemeen kunnen zwavelemissies worden verminderd door het aandeel van niet door verbranding vrijkomende vormen van energie (waterkracht, kernenergie, windenergie, enz.) in het energiepakket te verhogen. Daarbij moet wel met bijkomende milieu-effecten rekening worden gehouden.
- ii). Technologische maatregelen:
- a. overschakeling op andere brandstoffen De omvang van de SO2-emissies bij verbranding houdt rechtstreeks verband met het zwavelgehalte van de gebruikte brandstof. Overschakeling op een andere brandstof (b.v. van steenkool met een hoog op steenkool met een laag zwavelgehalte en/of op vloeibare brandstoffen, of van steenkool op gas) leidt tot lagere zwavelemissies, maar er kunnen bepaalde beperkende factoren optreden, zoals de beschikbaarheid van brandstoffen met een laag zwavelgehalte en de mate waarin bestaande verbrandingsinstallaties aan andere brandstoffen kunnen worden aangepast. In veel ECE-landen wordt een aantal op kolen of olie werkende verbrandingsinstallaties vervangen door gasgestookte installaties. Zogenaamde „dual fuel” installaties kunnen overschakeling op andere brandstoffen vergemakkelijken.
- b. reiniging van brandstof Reiniging van aardgas is een geavanceerde technologie en wordt om operationele redenen op grote schaal toegepast. Reiniging van procesgas (zuur raffinaderijgas, cokesovengas, biogas, enz.) is eveneens een geavanceerde technologie. Ook de ontzwaveling van vloeibare brandstoffen (lichte en middelzware fracties) is een technologisch geavanceerd proces. Ontzwaveling van zware fracties is technisch uitvoerbaar; wel moet rekening worden gehouden met de eigenschappen van de betrokken ruwe olie. Ontzwaveling van het atmosferisch residu (bodemprodukten van bij atmosferische druk werkende destillatie-eenheden voor ruwe olie) met het oog op de produkie van stookolie met een laag zwavelgehalte wordt echter niet algemeen toegepast; verwerking van laagzwavelige ruwe olie verdient gewoonlijk de voorkeur. Hydrogenerend kraken en volledige conversie hebben zich tot volwaardige technologieën ontwikkeld; zij combineren een hoge zwavelonttrekking met een verbeterde opbrengst aan lichte produkten. Het aantal raffinaderijen waar volledige conversie plaatsvindt is nog beperkt. Karakteristiek voor dit type raffinaderijen is dat 80 à 90% van de in de ruwe olie aanwezige zwavel wordt teruggewonnen en dat alle residuen omgezet worden in lichte produkten of andere verhandelbare produkten. Het energieverbruik en de investeringskosten zijn bij dergelijke raffinaderijen echter wel hoger. In tabel 1 hierna volgend is het typische zwavelgehalte van raffinageprodukten aangegeven. Met de bestaande technologieën voor het zuiveren van steenkool kan anorganische zwavel voor circa 50% (afhankelijk van de eigenschappen van de steenkool), maar organische zwavel in het geheel niet worden verwijderd. Er worden thans doeltreffender technologieën ontwikkeld, maar deze vergen hogere investeringen en kosten. Daardoor is het rendement van ontzwaveling door reiniging van de steenkool lager dan dat van rookgasontzwaveling. Het is mogelijk dat er specifiek voor een land een optimalisatiepotentieel bestaat voor de beste combinatie van brandstofreiniging en rookgasontzwaveling.
| Typische huidige waarden | Verwachte waarden voor waarden de toekomst | |
|---|---|---|
| Benzine | 0,1 | 0,05 |
| Kerosine voor straalmotoren | 0,1 | 0,01 |
| Dieselolie | 0,05 - 0,3 | < 0,05 |
| Huisbrandolie | 0,1 - 0,2 | < 0,1 |
| Stookolie | 0,2 - 3,5 | < 1 |
| Scheepsdieselolie | 0,5 - 1,0 | < 0,5 |
| Bunkerolie | 3,0 - 5,0 | < 1 (kustgebieden) < 2 (volle zee) |
- c. geavanceerde verbrandingstechnologieën Verbrandingstechnologieën met verbeterd thermisch rendement en verlaagde zwavelemissies omvatten: wervelbedverbranding (FBC); vastbed (BFBC), circulerend bed (CFBC) en wervelbed onder druk (PFBC); kolenvergassing/stoom- en gasturbine (KV-STEG) (IGCC); gecombineerde stoomcyclus en gasturbines (CCGT). Stationaire verbrandingsturbines kunnen worden geïntegreerd in verbrandingssystemen in bestaande conventionele elektriciteitscentrales, waardoor het totale rendement met 5 à 7% kan worden opgevoerd, met onder andere een aanzienlijke verlaging van de SO2-uitstoot tot gevolg. Ingrijpende aanpassingen aan het bestaande ketelsysteem zijn evenwel niet noodzakelijk. Wervelbedverbranding is een techniek voor het verbranden van steenkool en bruinkool, maar is ook bruikbaar voor andere vaste brandstoffen zoals petroleumcokes en laagwaardige brandstoffen zoals afval, turf en hout. De emissies kunnen verder worden verlaagd door middel van geïntegreerde verbrandingsregeling in het systeem door toevoeging van kalk/kalksteen aan het bedmateriaal. De totale geïnstalleerde FBC-capaciteit bedraagt thans circa 30 000 MWth (250 à 350 installaties), waarvan 8 000 MWth in de klasse installaties met een capaciteit van meer dan 50 MWth. Het gebruik en/of de verwijdering van de bij dit proces gevormde bijprodukten kan problemen opleveren, en verdere ontwikkeling is vereist. Het IGCC-proces omvat kolenvergassing en elektriciteitsopwekking in een gecombineerde cyclus in een gas- en stoomturbine. De vergaste kool wordt verbrand in de verbrandingskamer van de gasturbine. Beheersing van de zwavelemissies wordt gerealiseerd door reiniging van het ruwe gas vóór de gasturbine met gebruikmaking van geavanceerde technologie. Deze technologie bestaat ook voor zware olieresiduen en bitumenemulsies. De geïnstalleerde capaciteit bedraagt thans circa 1 000 MWth (5 installaties). Aardgasgestookte elektriciteitscentrales met gecombineerde stoom-/gasturbinecyclus die een energie-efficiëntie van ca. 48 à 52% realiseren zijn thans in het ontwerpstadium.
- d. wijzigingen in processen en verbranding Van wijzigingen in de verbranding die vergelijkbaar zijn met de maatregelen die met het oog op NOx-emissiebeheersing worden toegepast is geen sprake, aangezien tijdens de verbranding vrijwel alle organisch en/of anorganisch gebonden zwavel oxydeert (een bepaald percentage, dat afhankelijk is van de eigenschappen van de brandstof en de toegepaste verbrandingstechnologie, blijft achter in de as). In deze bijlage worden de bij conventionele ketels toegepaste processen met behulp van droge additieven beschouwd als proceswijzigingen, aangezien een actieve stof in de verbrandingseenheid wordt gebracht. Uit ervaring is echter gebleken dat bij toepassing van deze processen de thermische capaciteit daalt, de Ca/S-verhouding hoog is en weinig zwavel wordt onttrokken. Ook moet rekening worden gehouden met problemen bij het verdere gebruik van de bijprodukten, zodat deze oplossing doorgaans slechts als een tijdelijke maatregel bruikbaar is, en alleen voor kleinere eenheden (tabel 2). Deze tabel is hoofdzakelijk opgesteld ten behoeve van grote stookinstallaties in de openbare sector. De beheersingsmethoden zijn echter ook geldig voor andere sectoren met vergelijkbare rookgassen.
- a) Voor brandstof met een hoog zwavelgehalte moet het ontzwavelingsrendement worden aangepast. De mogelijkheden hiertoe kunnen variëren naar gelang van het proces. De beschikbaarheid van deze processen bedraagt gewoonlijk 95%.
- b) Beperkte toepasbaarheid voor brandstoffen met een hoog zwavelgehalte.
- c) Emissie in mg/m3 (STP), droog, 6% zuurstof voor vaste brandstoffen, 3% zuurstof voor vloeibare brandstoffen.
- d) De conversiefactor is afhankelijk van de eigenschappen van de brandstof, het specifieke volume van het rookgas en het thermische rendement van die ketel (gebruikte conversielagen m3/KWh, thermisch rendement: 36%; steenkool: 3,50; bruinkool: 4,20; zware stookolie: 2,80).
- e) De vermelde specifieke investeringskosten hebben betrekking op een kleine steekproef van installaties.
- f) De vermelde specifieke investeringskosten omvatten ook voorzieningen voor het verwijderen van stikstofoxiden.
| Onbeheerste emissie | Onbeheerste emissie | Injectie van additieven | Injectie van additieven | Natte reiniging a) | Natte reiniging a) | Absorptie m.b.v. het sproeidroogproces b) | Absorptie m.b.v. het sproeidroogproces b) | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Ontzwavelingsrendement (%) | tot 60 | 95 | tot 90 | ||||||
| Energie-efficiëntie (Kwel/10 m3/uur) | 0,1-1 | 6-10 | 3-6 | ||||||
| Totale geïnstalleerde capaciteit (ECE EUR) (MWth) | 194.000 | 16.000 | |||||||
| Type bijprodukt Specifieke investering (ECU (1990/ LW) | Mengsel van C2-zouten en vliegas 20-50 | Gips (slib/afvalwater) 60-250 | Mengsel van CaSO2-1/2 H2O en vliegas 50-220 | ||||||
| mg/m3c) | g/k Whel | mg/m3c | g/k Whel | mg/m3 c) | g/k Whel | mg/m3c) | g/k Whel | ||
| Steenkoold) | 1.000-10.000 | 3,5-35 | 400- 4.000 | 1,4-14 | < 400 (<200, 1% S) | < 1,4 < 0,7 | < 400 (< 200, 1% S) | < 1,7 < 0,7 | |
| Bruinkoold) | 1.000-20.000 | 4,2-84 | 400-8.000 | 1,7-33,6 | < 400 (< 200, 1% S) | < 1,7 < 0,8 | <400 (< 200, 1% S) | < 1,7 < 0,8 | |
| Zware stookolie d) | 1.000-10.000 | 2,8-28 | 400-4.000 | 1,1-11 | <400 (< 200, 1% S) | < 1,1 < 0,6 | <400 (< 200, 1% S) | < 1,1 < 0,6 | |
| Reiniging met ammoniak b) | Reiniging met ammoniak b) | Wellman Lord a) | Wellman Lord a) | Geactiveerde kool a) | Geactiveerde kool a) | Gecombineerde katalytische methode a) | Gecombineerde katalytische methode a) | ||
| Ontzwavelingsrendement (%) | tot 90 | 95 | 95 | 95 | |||||
| tot 90 | 95 | ||||||||
| Energie-efficiëntie (Kwel/10 m3/uur) | 3-10 | 10-13 | -32 | ||||||
| Totale geïnstalleerde capaciteit (ECE Enr) (MWel ) | 200 | 2000 | 700 | 1300 | |||||
| Type bijprodukt Specifieke investering (ECU (1990/ KWel | Ammoniakmeststof 230-270c) | Zuivere S Zwavelzuur (99% vol) 200-300c) | Zuivere S Zwavelzuur (99% vol) 280-320c) f) | Zwavelzuur (70 gewichtspercenten) 320-350c) f) | |||||
| mg/m3 c) | g/k Whel | mg/m3 ) | g/k Whel | mg/m3c) | g/k Whel | mg/m3c) | g/k Whel | ||
| Steenkoold) | < 400 (<200, 1% S) | <1,4 < 0,7 | < 400 (<200, 1% S) | < 1,4 < 0,7 | < 400 (<200, 1% S) | < 1,4 < 0,7 | < 400 (<200, 1% S) | < 1,4 < 0,7 | |
| Bruinkool d) | < 400 (< 200, 1% S) | <1,7 <0,8 | < 400 (< 200, 1% S) | < 1,7 < 0,8 | < 400 (< 200, 1% S) | < 1,7 < 0,8 | < 400 (< 200, 1% S) | < 1,7 < 0,8 | |
| Zware stookolied) | < 400 (< 200, 1% S) | < 2,1 < 0,6 | < 400 (< 200, 1% S) | < 1,1 < 0,6 | < 400 (< 200, 1% S) | < 1,1 < 0,6 | < 400 (< 200, 1% S) | < 1,1 < 0,6 |
- e. processen voor rookgasontwikkeling (FGD) Met deze processen wordt beoogd reeds gevormde zwaveloxiden te verwijderen; zij worden ook als secundaire maatregelen aangeduid. De geavanceerde technologieën voor rookgasbehandeling zijn alle gebaseerd op de verwijdering van zwavel door middel van natte, droge of semi-droge en katalytische chemische processen. Om een zo efficiënt mogelijk programma voor vermindering van de zwavelemissies te ontwikkelen naast de onder (i) vermelde maatregelen voor energiebeheer moet een combinatie van onder (ii) aangegeven technologische maatregelen worden overwogen. In sommige gevallen kunnen methodes voor vermindering van de zwavelemissies ook leiden tot een vermindering van de emissies van C02, NOx en andere verontreinigende stoffen. De in elektriciteitscentrales, warmte/kracht- en stadsverwarmingsinstallaties toegepaste processen voor rookgasbehandeling omvatten: natte reiniging met kalk/kalksteen (LWS), het sproeidroogproces (SDA), het Wellman Lord-proces (WL), reiniging met ammoniak (AS) en processen voor de gecombineerde verwijdering van NOx/SOx (gebruik van geactiveerde kool (AC) en gecombineerde katalytische verwijdering van NOx/SOx). In de sector elektriciteitsopwekking bestaat de geïnstalleerde FGD-capaciteit voor 85% resp. 10% uit LWS- en SDA-voorzieningen. Verschillende nieuwe rookgasontzwavelingsprocessen, zoals droge reiniging met een elektronenbundel (EBDS) en Mark 13A, bevinden zich nog in het proefstadium. In tabel 2 wordt het rendement van bovenvermelde secundaire maatregelen aangegeven op basis van de met een groot aantal installaties opgedane ervaring. De geïnstalleerde capaciteit en het capaciteitsbereik worden eveneens vermeld. Door lokale of met de betrokken installatie samenhangende factoren kan het voorkomen dat van verschillende technologieën voor vermindering van de zwaveluitstoot met vergelijkbare kenmerken een bepaalde technologie in een gegeven geval niet bruikbaar is. Tabel 2 vermeldt tevens de marge waarbinnen de investeringskosten voor de onder (ii), c), d) en e), genoemde technologieën zich gewoonlijk bewegen. Bij de toepassing van deze technologieën in individuele gevallen dient er evenwel rekening mee te worden gehouden, dat de met maatregelen voor emissievermindering samenhangende investeringskosten onder andere worden bepaald door de specifieke technologieën die worden toegepast, de benodigde beheersingssystemen, de omvang van de installatie, de mate waarin de zwaveluitstoot moet worden verminderd en het tijdschema voor de geplande onderhoudscycli. De tabel geeft dus alleen een algemene indicatie van de investeringskosten. De investeringskosten voor de aanpassing van bestaande installaties overtreffen doorgaans die voor nieuwe installaties.
IV. BEHEERSINGSTECHNIEKEN VOOR ANDERE SECTOREN
De in punt 9. (ii), a) t/m e), vermelde beheersingstechnieken zijn niet alleen geschikt voor de sector elektriciteitsopwekking, maar ook voor diverse andere sectoren van de industrie. Er is reeds gedurende verschillende jaren praktijkervaring mee opgedaan, in de meeste gevallen in elektriciteitscentrales.
De keuze van technologieën ter vermindering van zwavelemissies in de industrie wordt uitsluitend bepaald door de specifieke beperkingen van de in de betrokken sectoren toegepaste processen. In tabel 3 hieronder wordt een overzicht gegeven van een aantal belangrijke bronnen van zwavelemissies en de ter bestrijding daarvan genomen maatregelen.
| Bron | Maatregel |
|---|---|
| Roosten van non-ferrosulfiden | Het katalytisch procédé waarbij zwavelzuur wordt gevormd (WSA) |
| Viscoseproduktie | Dubbel-contactprocédé |
| Zwavelzuurproduktie | Dubbel-contactprocédé, verbeterd rendement |
| Kraftpulpproduktie | Diverse in het proces geïntegreerde maatregelen |
In de in tabel 3 vermelde sectoren kan gebruik worden gemaakt van in het proces geïntegreerde maatregelen, inclusief verandering van grondstof (indien nodig gecombineerd met een specifiek op de betrokken sector afgestemde rookgasbehandeling), om de zwavelemissies zo doeltreffend mogelijk terug te dringen.
Uit de praktijk kunnen de volgende voorbeelden worden gegeven:
- a. In nieuwe kraftpulpfabrieken is een emissie van minder dan 1 kg zwavel per ton aan de lucht gedroogde (AD - air dried) pulp haalbaar;*)Beheersing van de verhouding zwavel/natrium is noodzakelijk, m.a.w. zwavel moet in de vorm van neutrale zouten worden verwijderd en er moet gebruik worden gemaakt van zwavelvrij natrium.
- b. In sulfietpulpfabrieken kan een emissie van 1 tot 1,5 kg zwavel per ton pulp AD worden gerealiseerd;
- c. Bij het roosten van sulfiden zijn verwijderingsrendementen van 80 à 99% gemeld voor installaties met een capaciteit van 10 000 tot 200 000 m3/uur (afhankelijk van het procédé);
- d. Bij één bepaalde installatie voor het sinteren van ijzererts wordt met een FGD-installatie met een capaciteit van 320 000 m3/uur voor het gezuiverde gas een waarde van minder dan 100 mg SOx/Nm3 bij 6% O2 gehaald;
- e. In cokesovens wordt een waarde van minder dan 400 mg SOx/Nm3 bij 6% O2 gerealiseerd;
- f. Installaties voor de produktie van zwavelzuur halen een conversiewaarde van meer dan 99%;
- g. Bij geavanceerde Clausinstallaties wordt een ontzwavelingsrendement van meer dan 99% gehaald.
V. BIJPRODUKTEN EN NEVENEFFECTEN
Naarmate in de landen binnen het ECE-gebied de inspanningen worden opgevoerd om de zwavelemissies uit stationaire bronnen te verminderen, zullen ook de hoeveelheden bijprodukten toenemen.
Er moet worden gekozen voor methodes waarbij bruikbare bijprodukten ontstaan, en zoveel mogelijk voor methodes die een verhoogd thermisch rendement opleveren en waardoor het afvalverwijderingsprobleem tot een minimum wordt teruggebracht. Hoewel de meeste bijprodukten bruikbare of recycleerbare produkten zijn zoals gips, ammoniumzouten, zwavelzuur en zwavel, dient rekening te worden gehouden met factoren zoals marktomstandigheden en kwaliteitsnormen. Het gebruik van FBC- en SDA-bijprodukten moet worden verbeterd en tevens moet onderzoek worden gedaan naar verdere gebruiksmogelijkheden, aangezien in verschillende landen de beschikbaarheid van stortplaatsen en de geldende verwijderingscriteria een beperkende factor vormen voor de verwijdering van deze produkten.
De volgende neveneffecten vormen weliswaar geen beletsel voor de toepassing van een bepaalde technologie of methode, maar moeten wel degelijk in de overweging worden betrokken wanneer uit verschillende mogelijkheden voor vermindering van de zwavelemissies kan worden gekozen:
- a. Het energiebeslag van de gasbehandelingsprocessen;
- b. Corrosie door de vorming van zwavelzuur als gevolg van de reactie van zwaveloxiden met waterdamp;
- c. Hoger waterverbruik en de noodzaak meer afvalwater te behandelen;
- d. De eisen inzake reagentia;
- e. Verwijdering van vast afval.
VI. MONITORING EN RAPPORTAGE
De maatregelen die worden genomen ter uitvoering van nationale strategieën en beleidsplannen voor vermindering van de luchtverontreiniging omvatten: wet- en regelgeving, positieve en negatieve economische prikkels, alsook technologische eisen (beste beschikbare technologie).
In het algemeen worden per emissiebron normen vastgesteld, afhankelijk van de omvang van de installatie, de wijze waarop deze functioneert, de verbrandingstechnologie, het brandstoftype en het feit of het een nieuwe, dan wel een bestaande installatie betreft. Een alternatieve methode bestaat erin een doelstelling voor vermindering van de totale zwavelemissies van een groep bronnen aan te geven en de keuze van de daartoe te nemen maatregelen vrij te laten („bubble concept”).
Om toezicht te houden op de inspanningen die worden gedaan om de zwavelemissies tot de in het kader van nationale wetgeving vastgelegde niveaus te beperken, moet een systeem voor permanente monitoring en rapportage aan de toezichthoudende instanties worden opgezet.
Verschillende bewakingssystemen, waarbij zowel continue als incidentele metingen worden uitgevoerd, zijn beschikbaar. De kwaliteitseisen lopen echter uiteen. De metingen moeten worden uitgevoerd door gekwalificeerde instellingen met gebruikmaking van welomschreven meet- en monitoringsystemen. Hiertoe kan een stelsel van certificering de beste garantie bieden.
Bij moderne geautomatiseerde monitoringsystemen en procesbeheersingsapparatuur levert rapportage geen problemen op. Het verzamelen van gegevens heeft zich tot een geavanceerde techniek ontwikkeld; de aan de bevoegde instanties te melden gegevens verschillen echter per geval. Voor een betere vergelijkbaarheid moeten de gegevensreeksen en de desbetreffende regelgeving worden geharmoniseerd. Harmonisatie is ook wenselijk voor de kwaliteitsverzekering van meet- en monitoringsystemen. Bij het vergelijken van gegevens dient hiermee rekening te worden gehouden.
Om discrepanties en tegenstrijdigheden te voorkomen moet een aantal kernelementen en parameters, waaronder de volgende, duidelijk worden omschreven:
- a. Normwaarden uitgedrukt in ppmv, mg/Nm3, g/GJ, kg/uur of kg/ton produkt. De meeste van deze eenheden moeten worden berekend en worden gespecificeerd voor een bepaalde gastemperatuur, vochtigheidsgraad, druk, zuurstofgehalte of thermische belasting;
- b. De periode waarover de normen dienen te worden gemiddeld, uitgedrukt in uren, maanden of jaren;
- c. Storingsperioden en de bij storing geldende noodmaatregelen met betrekking tot het overbruggen van de monitoringsystemen of het stilleggen van de installatie;
- d. Methodes voor het achteraf bepalen van door een defect aan de apparatuur gemiste of verloren gegane gegevens;
- e. De te meten reeks parameters. De informatie die vereist is kan variëren afhankelijk van de aard van het industriële proces. Ook de locatie van het meetpunt binnen het systeem moet worden bepaald.
Er moet voor kwaliteitszorg van de metingen worden gezorgd.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized thereto, have signed the present Protocol.
DONE at Oslo, this fourteenth day of June one thousand nine hundred and ninety-four.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)