Verdrag betreffende geneeskundige verzorging en uitkeringen bij ziekte
De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie,
Door de Raad van Beheer van het Internationale Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève, en aldaar bijeengekomen op 4 juni 1969 in haar drieënvijftigste zitting;
Besloten hebbende tot het aanvaarden van bepaalde voorstellen betreffende de herziening van het Verdrag betreffende de ziekteverzekering van arbeiders in de industrie en de handel en van huispersoneel, 1927 en het Verdrag betreffende de ziekteverzekering van landarbeiders, 1927, welk onderwerp het vijfde punt vormt van de agenda der zitting;
Besloten hebbende, dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag,
neemt heden, de 25ste juni 1969, het volgende Verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald als „Verdrag betreffende geneeskundige verzorging en uitkeringen bij ziekte, 1969”:
DEEL I. Algemene bepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
- (a). „wetgeving” of „wettelijke regeling”: de wetten en regelingen, alsmede de statutaire bepalingen inzake sociale zekerheid;
- (b). „voorgeschreven”: vastgesteld bij of krachtens de nationale wetgeving;
- (c). „industriële onderneming”: alle ondernemingen in de volgende takken van economische bedrijvigheid: mijnbouw en ontginning van steengroeven; fabricage; constructie; elektriciteit, gas en water; vervoer, goederenopslag en communicatie;
- (d). „woonplaats”: de normale verblijfplaats op het grondgebied van het Lid en onder „ingezetene”: degene, die gewoonlijk op het grondgebied van het Lid verblijf houdt;
- (e). „ten laste”: de in de voorgeschreven gevallen veronderstelde toestand van afhankelijkheid;
- (f). „echtgenote”: een vrouw die ten laste van haar echtgenoot komt;
- (g). „kind”:
- (i). een kind, dat jonger is dan de hoogste van de volgende leeftijden: de leeftijd, waarop de leerplicht eindigt, of de leeftijd van 15 jaar. Een Lid dat echter een verklaring als bedoeld in artikel 2 heeft afgelegd, kan zolang deze verklaring van kracht is het verdrag toepassen alsof onder „kind” slechts verstaan wordt een kind dat jonger is dan de leeftijd waarop de leerplicht eindigt of dat jonger is dan 15 jaar; en
- (ii). een kind, dat onder de voorgeschreven voorwaarden een leeftijd, die hoger is dan de leeftijd vermeld in sub-alinea (i) nog niet heeft bereikt wanneer het wordt opgeleid voor een beroep, zijn studie voortzet, of lijdende is aan een chronische ziekte of een gebrek, waardoor het niet geschikt is tot het verrichten van welke beroepsarbeid dan ook, tenzij de definitie van „kind” in de nationale wetgeving ieder kind omvat, dat een leeftijd die aanzienlijk hoger is dan die vermeld in sub-alinea (i), nog niet heeft bereikt;
- (h). „gerechtigde volgens standaard”: een man met vrouw en twee kinderen;
- (i). „wachttijd”: een tijdvak van premiebetaling, arbeid of verblijf, of een combinatie van deze tijdvakken, al naar gelang is voorgeschreven;
- (j). „ziekte”: elke pathologische toestand, uit welke oorzaak ook;
- (k). „geneeskundige verzorging”: de geneeskundige zorg met alle daaraan verbonden diensten.
Artikel 2
Een Lid dat op economisch en medisch gebied nog niet voldoende tot ontwikkeling is gekomen kan door een bij de akte van bekrachtiging gevoegde gemotiveerde verklaring zich het recht voorbehouden tot tijdelijke toepassing van de afwijkende bepalingen, voorzien in artikel 1, alinea (g), (i) , artikel 11, artikel 14, artikel 20, en artikel 26, lid 2.
Elk Lid dat een verklaring heeft afgelegd overeenkomstig het voorgaande lid, moet in de verslagen over de toepassing van dit Verdrag, die het ingevolge artikel 22 van het statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie moet uitbrengen, ten aanzien van elk der afwijkende bepalingen die het toepast, vermelden:
- (a). dat de redenen voor de toepassing nog steeds bestaan; of
- (b). dat het met ingang van een bepaalde datum afziet van zijn recht tot toepassing van de betrokken afwijkende bepaling.
Elk Lid dat een verklaring heeft afgelegd overeenkomstig het eerste lid van dit artikel, moet al naar gelang het onderwerp van zijn verklaring, wanneer de omstandigheden dit toelaten:
- (a). het aantal beschermde personen verhogen;
- (b). de mate waarop geneeskundige verzorging verleend wordt, uitbreiden;
- (c). de duur van het verlenen van uitkeringen bij ziekte verlengen.
Artikel 3
Elk Lid wiens wetgeving werknemers beschermt, kan door een bij de akte van bekrachtiging gevoegde verklaring tijdelijk van de toepassing van dit Verdrag uitzonderen de werknemers in de agrarische sector, die ten tijde van bedoelde bekrachtiging nog niet door een wettelijke regeling overeenkomstig de normen van dit Verdrag beschermd zijn.
Elk Lid dat een verklaring heeft afgelegd overeenkomstig het eerste lid van dit artikel moet in de verslagen over de toepassing van dit Verdrag, die ingevolge artikel 22 van het statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie moeten worden uitgebracht, aangeven in welke mate uitvoering is gegeven of welke uitvoering men zich voorstelt te geven aan de bepalingen van het verdrag met betrekking tot de werknemers in de agrarische sector, alsmede elke vooruitgang welke geboekt is met het oog op de toepassing van het Verdrag op zodanige werknemers, of, als er geen verandering te melden is, een verklaring daarvan verstrekken.
Elk Lid dat een verklaring heeft afgelegd overeenkomstig het eerste lid van dit artikel moet, naar mate de omstandigheden dit toelaten, het aantal beschermde werknemers in de agrarische sector verhogen.
Artikel 4
Elk Lid dat dit Verdrag bekrachtigt, kan door een bij de akte van bekrachtiging gevoegde verklaring van de toepassing van het Verdrag uitsluiten:
- (a). zeevarenden, met inbegrip van zeevissers; en
- (b). overheidsdienaren,
wanneer deze categorieën beschermd worden door bijzondere regelingen, die, over het geheel genomen, voorzien in uitkeringen en verstrekkingen welke ten minste gelijkwaardig zijn aan de uitkeringen en verstrekkingen, die door dit Verdrag worden voorgeschreven.
Wanneer een ingevolge het vorige lid afgelegde verklaring van kracht is, kan het Lid:
- (a). de personen, die in deze verklaring zijn bedoeld uitzonderen van het aantal personen, dat in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de percentages bedoeld in artikel 5, alinea (c); artikel 10, alinea (b); artikel 11; artikel 19, alinea (b) en artikel 20;
- (b). deze zelfde personen, alsmede hun echtgenoten en kinderen uitzonderen van het aantal personen, dat in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van het percentage bedoeld in artikel 10, alinea (c).
Elk Lid dat een verklaring ingevolge lid 1 van dit artikel heeft afgelegd, kan later de Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau ervan in kennis stellen, dat het de verplichtingen van dit Verdrag aanvaardt met betrekking tot de categorie of categorieën personen die het bij zijn bekrachtiging heeft uitgesloten.
Artikel 5
Elk Lid wiens wetgeving werknemers beschermt, kan indien nodig, van de toepassing van dit Verdrag uitzonderen:
- (a). personen, die gelegenheidswerk verrichten;
- (b). inwonende gezinsleden van de werkgever voor zover zij voor hem werken;
- (c). andere categorieën werknemers, waarvan het aantal niet meer mag bedragen dan 10% van het totaal der werknemers, ongerekend zij die door toepassing van de alinea's (a) en (b) van dit artikel zijn uitgezonderd.
Artikel 6
Voor de toepassing van dit Verdrag mag een Lid rekening houden met de bescherming, voortvloeiende uit een verzekering die op de datum van de bekrachtiging krachtens zijn wetgeving niet verplicht is voor de beschermde personen, wanneer deze verzekering:
- (a). onder toezicht staat van de overheid of volgens voorgeschreven regels door werkgevers en werknemers gezamenlijk wordt beheerd;
- (b). een belangrijk aantal personen omvat wier inkomen niet hoger is dan dat van de geschoolde mannelijke arbeider, nader omschreven in artikel 22, lid 6;
- (c). voldoet aan de bepalingen van het Verdrag, indien nodig te zamen met andere vormen van bescherming.
Artikel 7
De verzekerde eventualiteiten moeten omvatten:
- (a). de noodzaak tot geneeskundige verzorging van genezende aard en, onder bepaalde voorwaarden, de noodzaak tot geneeskundige verzorging van preventieve aard;
- (b). arbeidsongeschiktheid als gevolg van een ziekte welke derving van inkomsten met zich medebrengt zoals die door de nationale wettelijke regeling wordt bepaald.
DEEL II. Geneeskundige verzorging
Artikel 8
Elk Lid moet met betrekking tot de in alinea (a) van artikel 7 bedoelde eventualiteit overeenkomstig de voorgeschreven bepalingen aan de beschermde personen geneeskundige verzorging van genezende of preventieve aard waarborgen.
Artikel 9
De geneeskundige verzorging, als bedoeld in artikel 8, moet verleend worden om de gezondheid van de beschermde persoon, alsmede zijn arbeidsgeschiktheid in stand te houden, te herstellen of te verbeteren en om in zijn persoonlijke behoeften te voorzien.
Artikel 10
Met betrekking tot de in alinea (a) van artikel 7 bedoelde eventualiteit moeten tot de beschermde personen worden gerekend:
- (a). alle loontrekkenden met inbegrip van de leerlingen, alsmede hun echtgenoten en hun kinderen; of
- (b). voorgeschreven groepen van het economisch actieve deel der bevolking, welke ten minste 75 % uitmaken van het gehele economisch actieve deel der bevolking, alsmede de echtgenoten en de kinderen van de tot de bedoelde groepen behorende personen; of
- (c). voorgeschreven groepen ingezetenen, welke ten minste 75 % uitmaken van alle ingezetenen.
Artikel 11
Wanneer een krachtens artikel 2 afgelegde verklaring van kracht is, moeten met betrekking tot de in alinea (a) van artikel 7 bedoelde eventualiteit tot de beschermde personen worden gerekend:
- (a). voorgeschreven groepen van loontrekkenden, welke ten minste 25 % uitmaken van het totale aantal loontrekkenden, alsmede de vrouwen en kinderen van de tot de bedoelde groepen behorende loontrekkenden; of
- (b). voorgeschreven groepen van loontrekkenden in industriële ondernemingen, welke ten minste 50 % uitmaken van het totale aantal loontrekkenden, werkzaam in industriële ondernemingen, alsmede de echtgenoten en de kinderen van de tot de bedoelde groepen behorende loontrekkenden.
Artikel 12
Personen die een sociale zekerheidsuitkering ontvangen wegens invaliditeit, ouderdom, overlijden van de kostwinner, of werkloosheid en in voorkomend geval, de echtgenoten en de kinderen van deze personen, moeten onder de voorgeschreven voorwaarden, met betrekking tot de in alinea (a) van artikel 7 bedoelde eventualiteit tot de beschermde personen blijven behoren.
Artikel 13
De geneeskundige verzorging, bedoeld in artikel 8, moet ten minste omvatten:
- (a). de hulp van huisartsen, met inbegrip van huisbezoeken;
- (b). de hulp van specialisten verleend in ziekenhuizen aan patiënten, die opgenomen zijn en aan patiënten die niet opgenomen zijn en specialistische hulp die buiten ziekenhuizen kan worden verleend;
- (c). de verstrekking van noodzakelijke geneesmiddelen op voorschrift van een geneeskundige of een andere daartoe bevoegde persoon;
- (d). opneming in een ziekenhuis, wanneer zulks nodig is;
- (e). tandheelkundige zorg als voorgeschreven;
- (f). geneeskundige revalidatie, waaronder begrepen de verstrekking, het onderhoud en de vervanging van prothesen en orthopedische middelen, als voorgeschreven.
Artikel 14
Wanneer een krachtens artikel 2 afgelegde verklaring van kracht is, moet de in artikel 8 bedoelde geneeskundige verzorging ten minste omvatten:
- (a). de hulp van huisartsen, zo mogelijk met inbegrip van huisbezoeken;
- (b). de hulp van specialisten, verleend in ziekenhuizen aan patiënten die opgenomen zijn en aan patiënten die niet opgenomen zijn en zo mogelijk specialistische hulp, die buiten ziekenhuizen kan worden verleend;
- (c). de verstrekking van noodzakelijke geneesmiddelen op voorschrift van een geneeskundige of een andere daartoe bevoegde persoon; en
- (d). opneming in een ziekenhuis, wanneer zulks nodig is.
Artikel 15
Wanneer de wetgeving van een Lid het recht op geneeskundige verzorging, als bedoeld in artikel 8, afhankelijk stelt van de vervulling van een wachttijd door de beschermde persoon of door zijn kostwinner, moeten de bepalingen betreffende die wachttijd zodanig zijn, dat personen die gewoonlijk tot de groepen van beschermde personen behoren, het recht op verstrekkingen niet wordt ontzegd.
Artikel 16
De in artikel 8 bedoelde geneeskundige verzorging moet worden verleend tijdens de gehele duur van de eventualiteit.
Wanneer een rechthebbende niet meer tot een van de groepen van beschermde personen behoort, kan een verdere aanspraak op geneeskundige verzorging voor een ziektegeval dat aangevangen is toen hij nog tot de bedoelde groep behoorde, beperkt worden tot een voorgeschreven periode die niet korter mag zijn dan 26 weken met dien verstande dat de geneeskundige verzorging niet mag eindigen, zolang de rechthebbende nog ziekengeld ontvangt.
Ongeacht het bepaalde in het vorige lid moet de duur van de geneeskundige verzorging voor ziekten, waarvan erkend wordt, dat ze een langdurige verzorging nodig maken, verlengd worden.
Artikel 17
Wanneer de wetgeving van een Lid erin voorziet, dat de rechthebbende of zijn kostwinner bijdraagt in de kosten van de in artikel 8 bedoelde geneeskundige verzorging moet deze bijdrageregeling zo zijn vastgesteld, dat zij geen te zware last vormt en dat zij aan de doelmatigheid van de geneeskundige en sociale bescherming geen afbreuk doet.
DEEL III. Ziekengeld
Artikel 18
Elk Lid moet ten aanzien van de in alinea (b) van artikel 7 bedoelde eventualiteit aan de beschermde personen overeenkomstig de voorgeschreven bepalingen de toekenning van ziekengeld waarborgen.
Artikel 19
Ten aanzien van de in alinea (b) van artikel 7 bedoelde eventualiteit, moeten tot de beschermde personen worden gerekend:
- (a). alle loontrekkenden, met inbegrip van de leerlingen; of
- (b). voorgeschreven groepen van het economisch actieve deel der bevolking, welke ten minste 75% uitmaken van het gehele economisch actieve deel der bevolking; of
- (c). alle ingezetenen wier inkomsten tijdens de eventualiteit de grenzen, voorgeschreven overeenkomstig de bepalingen van artikel 24, niet overschrijden.
Artikel 20
Wanneer een verklaring, afgelegd overeenkomstig artikel 2, van kracht is, moeten met betrekking tot de in alinea (b) van artikel 7 bedoelde eventualiteit tot de beschermde personen worden gerekend:
- (a). voorgeschreven groepen van loontrekkenden, welke ten minste 25 % uitmaken van het totale aantal loontrekkenden; of
- (b). voorgeschreven groepen van loontrekkenden in industriële ondernemingen, welke ten minste 50 % uitmaken van het totale aantal loontrekkenden, werkzaam in industriële ondernemingen.
Artikel 21
Het ziekengeld, bedoeld in artikel 18, moet worden verleend in de vorm van een periodieke betaling, berekend:
- (a). overeenkomstig de bepalingen van artikel 22 of artikel 23 wanneer loontrekkenden of groepen van het economisch actieve deel der bevolking beschermd worden;
- (b). overeenkomstig de bepalingen van artikel 24, wanneer alle ingezetenen wier inkomsten tijdens de eventualiteit zekere voorgeschreven grenzen niet overschrijden, worden beschermd.
Artikel 22
Ten aanzien van elke periodieke betaling waarop dit artikel van toepassing is moet het bedrag van de uitkering, vermeerderd met het bedrag van de tijdens de in alinea (b) van artikel 7 bedoelde eventualiteit verstrekte kinderbijslag zodanig zijn dat het voor de gerechtigde volgens standaard ten minste gelijk is aan 60 % van het totaal van de vroegere inkomsten uit arbeid van de gerechtigde en van het bedrag van de kinderbijslag verstrekt aan een beschermde persoon die dezelfde gezinslasten heeft als de gerechtigde volgens standaard.
De vroegere inkomsten uit arbeid van de gerechtigde worden overeenkomstig voorgeschreven regelen berekend; wanneer de beschermde personen volgens hun inkomsten uit arbeid zijn ingedeeld in klassen, kunnen deze vroegere inkomsten berekend worden naar het basisinkomen van de klasse waartoe zij hebben behoord.
Het bedrag van de uitkering of het arbeidsinkomen, dat voor de berekening van de uitkering in aanmerking wordt genomen, kan aan een maximum worden gebonden, mits dit maximum zodanig wordt vastgesteld, dat aan de bepalingen van lid 1 van dit artikel voldaan wordt, wanneer het vroegere arbeidsinkomen van de gerechtigde gelijk is aan of minder bedraagt dan het loon van een geschoolde mannelijke arbeider.
De vroegere inkomsten uit arbeid van de gerechtigde, het loon van de geschoolde mannelijke arbeider, de uitkeringen en de kinderbijslag moeten op dezelfde tijdsbasis berekend worden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.