Verdrag betreffende de accommodatie aan boord van vissersschepen

Type Verdrag
Publication 1977-05-12
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie,

Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 1 juni 1966 in haar vijftigste zitting;

Besloten hebbende bepaalde voorstellen aan te nemen betreffende de accommodatie aan boord van vissersschepen, welk onderwerp een onderdeel is van het zesde punt van de agenda der zitting;

Besloten hebbende dat deze voorstellen de vorm van een internationaal verdrag zullen aannemen,

Neemt heden, de 21ste juni 1966, het volgende Verdrag aan, dat kan worden aangehaald als het „Verdrag betreffende de Accommodatie van Scheepsbemanningen (Vissers), 1966”:

DEEL I. Algemene bepalingen

Artikel 1
1.

Dit Verdrag is van toepassing op alle mechanisch voortgestuwde zeeschepen van welke aard ook, hetzij openbaar, hetzij particulier eigendom, die de zeevisserij beoefenen, en die geregistreerd zijn in een grondgebied ten aanzien waarvan dit Verdrag van kracht is.

2.

De nationale wetgeving bepaalt wanneer schepen en vaartuigen dienen te worden beschouwd als zeeschepen in de zin van dit Verdrag.

3.

Dit Verdrag is niet van toepassing op schepen en vaartuigen van minder dan 75 ton, zij het dat het Verdrag wel wordt toegepast op schepen en vaartuigen van 25 tot 75 ton, indien de bevoegde autoriteit, na overleg met de organisaties van de reders en de vissers, zo die er zijn, oordeelt dat dit redelijk en mogelijk is.

4.

Voor de toepassing van dit Verdrag kan de bevoegde autoriteit, na overleg met de organisaties van de reders en de vissers, zo die er zijn, de lengte in plaats van de tonnage als criterium nemen; in dit geval is het Verdrag niet van toepassing op schepen en vaartuigen met een lengte van minder dan 80 voet (24,4 meter), zij het dat het Verdrag wel wordt toegepast op schepen en vaartuigen met een lengte van 45 tot 80 voet (13,7 tot 24,4 meter), indien de bevoegde autoriteit, na overleg met de organisaties van de reders en de vissers, zo die er zijn, oordeelt dat dit redelijk en mogelijk is.

5.

Dit Verdrag is niet van toepassing op:

6.

De hiernavolgende bepalingen van dit Verdrag zijn niet van toepassing op schepen die gewoonlijk minder dan 36 uur uit hun thuishavens wegblijven en waarop de bemanning niet ononderbroken aan boord verblijft als zij in de haven liggen:

mits de sanitaire voorzieningen op zulke schepen afdoende zijn en er eet- en kookgelegenheid, alsmede ruimte om te rusten is.

7.

Van de bepalingen vervat in Deel III van dit Verdrag kan ten aanzien van elk schip worden afgeweken, indien de bevoegde autoriteit, na overleg met de organisaties van de reders en de vissers, zo die er zijn, ervan overtuigd is dat indien van bedoelde bepalingen wordt afgeweken, dit voordelen oplevert in die zin dat de omstandigheden in hun geheel daardoor niet minder gunstig worden dan die welke zich zouden voordoen, indien de bepalingen van dit Verdrag volledig zouden zijn toegepast; telkens wanneer aldus van de bedoelde bepalingen wordt afgeweken, dienen de bijzonderheden door het Lid ter kennis te worden gebracht van de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau, die er de Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie van in kennis stelt.

Artikel 2

In dit Verdrag

Artikel 3
1.

Elk Lid waarvoor dit Verdrag van kracht is neemt de verplichting op zich wetten of voorschriften te handhaven die de toepassing van de bepalingen van Deel II, III en IV van dit Verdrag waarborgen.

2.

Bedoelde wetten en voorschriften

DEEL II. Ontwerpen van en controle op de verblijven van de bemanning

Artikel 4

Alvorens een aanvang wordt gemaakt met de bouw van een vissersschip, en alvorens de verblijven van de bemanning van een bestaand vaartuig ingrijpend worden gewijzigd of opnieuw worden gebouwd, dienen tot in bijzonderheden uitgewerkte ontwerpen van en gegevens omtrent deze verblijven ter goedkeuring aan de bevoegde autoriteit te worden voorgelegd.

Artikel 5
1.

De bevoegde autoriteit inspecteert het vissersschip en overtuigt zich ervan dat de verblijven van de bemanning voldoen aan de wettelijke eisen en aan de voorschriften, telkens wanneer:

2.

Naar goeddunken van de bevoegde autoriteit kunnen periodieke controles worden uitgevoerd.

DEEL III. Eisen te stellen aan de bemanningsverblijven

Artikel 6
1.

De ligging, de constructie en de indeling van, alsmede de toegang tot de bemanningsverblijven ten opzichte van andere ruimten, dienen zodanig te zijn dat veiligheid, bescherming tegen weersinvloeden en tegen zeewater, isolering tegen hitte en koude, alsmede bescherming tegen overmatig lawaai of uitwaseming van andere ruimten voldoende worden gewaarborgd.

2.

Voor zover noodzakelijk dienen alle bemanningsverblijven van nooduitgangen te worden voorzien.

3.

Indien enigszins mogelijk dienen rechtstreekse open verbindingen tussen de nachtverblijven en visruimen, opslagruimten voor vismeel, ruimten waar machines zijn opgesteld, kombuizen, opslagplaatsen voor lantaarns en verf, opslagplaatsen voor machines, opslagplaatsen aan dek en andere algemene bergplaatsen, droogruimten, gemeenschappelijke wasgelegenheden en W.C.'s te worden vermeden. Het schot dat deze ruimten scheidt van de nachtverblijven en verder naar buiten gelegen schotten dienen op degelijke wijze te zijn vervaardigd van staal of ander deugdelijk materiaal en dienen water- en gasdicht te zijn.

4.

Buitenschorten van slaap- en eetruimten dienen een behoorlijk isolerend vermogen te hebben. De schotten van de machinekamer, alsmede alle buitenschorten van kombuizen en andere ruimten waarin zich warmte ontwikkelt, dienen een behoorlijk isolerend vermogen te hebben, indien de mogelijkheid bestaat dat deze warmte kan doordringen in de aangrenzende verblijven of gangen. Tevens dienen voorzieningen te worden getroffen die bescherming waarborgen tegen warmte die wordt uitgestraald door stoom- en/of warmwaterleidingen.

5.

Binnenschotten dienen van goedgekeurd materiaal te zijn vervaardigd, dat onvatbaar is voor ongedierte.

6.

Om te voorkomen dat zich condenswater vormt en ter voorkoming van oververhitting, moeten nacht- en dagverblijven, ontspanningsruimten en gangen binnen de ruimte die door de bemanningsverblijven wordt ingenomen, behoorlijk geïsoleerd zijn.

7.

De stoomtoe- en afvoerleidingen van lieren en dergelijke werktuigen mogen, wanneer dit technisch mogelijk is, niet door de verblijven van de bemanning lopen, of door de daarmede in verbinding staande gangen. Moeten deze leidingen echter toch door deze verblijven of gangen worden gelegd, dan dienen zij behoorlijk geïsoleerd te zijn en door kokers te lopen.

8.

Panelen in en de bekleding van het interieur dienen te bestaan uit materiaal waarvan het oppervlak gemakkelijk kan worden schoongemaakt. Beschot met groef en messing of iedere andere constructievorm, waarin ongedierte kan binnendringen, mag niet worden gebruikt.

9.

De bevoegde autoriteit beslist in hoeverre er bij de bouw van de verblijven brandwerende of brandvertragende voorzieningen dienen te worden getroffen.

10.

De schotten en het onderdeks van de nacht- en dagverblijven dienen gemakkelijk te kunnen worden schoongehouden en, indien zij zijn geverfd, licht van kleur te zijn; er mag geen witkalk voor worden gebruikt.

11.

De bekleding van schotten wordt, indien nodig, vernieuwd of hersteld.

12.

Het dek van alle bemanningsverblijven dient van daarvoor goedgekeurd materiaal te zijn vervaardigd, waarvan het oppervlak vochtbestendig en gemakkelijk te reinigen is; de constructie van de dekken dient eveneens te worden goedgekeurd.

13.

Open dekken boven bemanningsverblijven dienen te worden bekleed met hout of ander even sterk isolerend materiaal.

14.

Bij gebruik van compositievloeren dienen de verbindingen met de schotten te worden afgerond om spleten te vermijden.

15.

Er dient voor voldoende afvoer te worden gezorgd.

16.

Alles dient in het werk te worden gesteld om te voorkomen dat vliegen en andere insecten binnendringen in de verblijven van de bemanning.

Artikel 7
1.

De slaap- en dagverblijven dienen behoorlijk te worden geventileerd.

2.

De luchtverversing dient zodanig geregeld te kunnen worden dat de lucht steeds aan daaraan te stellen eisen voldoet en er onder alle weersomstandigheden en in elk klimaat een voldoende luchtcirculatie wordt gewaarborgd.

3.

Vissersschepen waarmede geregeld in de tropen en in andere gebieden met een soortgelijk klimaat de visvangst wordt uitgeoefend dienen, wanneer het klimaat dit noodzakelijk maakt, te zijn uitgerust zowel met mechanische luchtverversingsmiddelen als met elektrisch aangedreven ventilatoren, met dien verstande dat met slechts een van deze beide kan worden volstaan in ruimten waar op deze wijze de lucht reeds afdoende wordt ververst.

4.

Vissersschepen waarmede elders de visvangst wordt uitgeoefend dienen te zijn uitgerust hetzij met mechanische luchtverversingsmiddelen, hetzij met elektrisch aangedreven ventilatoren. De bevoegde autoriteit kan vissersschepen die gewoonlijk in de koude zeeën van het noordelijk of zuidelijk halfrond voor de visvangst worden gebruikt, van deze eis uitzonderen.

5.

De drijfkracht die nodig is voor de aandrijving van de luchtverversingstoestellen bedoeld in het derde en vierde lid van dit artikel, dient zo mogelijk, zolang de bemanning aan boord verblijft of werkt, en de omstandigheden dit nodig maken, beschikbaar te zijn.

Artikel 8
1.

Er dient voor een doelmatige installatie voor verwarming van de bemanningsverblijven te worden gezorgd, die is aangepast aan de klimatologische omstandigheden.

2.

Zo mogelijk, dient deze verwarmingsinstallatie, zolang de bemanning aan boord verblijft of daar arbeid verricht, en indien de omstandigheden dit gebieden, in werking te zijn.

3.

Verwarming door middel van open vuren is verboden.

4.

De verwarmingsinstallatie dient, wat weer en klimaat betreft, onder normale praktijkomstandigheden de temperatuur in de bemanningsverblijven op een redelijk niveau te kunnen houden; de bevoegde autoriteit schrijft hiervoor de normen voor.

5.

Radiatoren en andere verwarmingsapparaten dienen zodanig te worden opgesteld en, zo nodig, afgeschermd en van beveiligingsmiddelen voorzien, dat er voor de opvarenden geen brandgevaar of ander gevaar of ongerief ontstaat.

Artikel 9
1.

Alle bemanningsverblijven dienen behoorlijk te zijn verlicht. De minimumnorm voor de hoeveelheid in dagverblijven doordringend daglicht is een zodanige dat iemand met een normaal gezichtsvermogen bij helder weer overal in het desbetreffende verblijf waar men zich vrij kan bewegen een gewone krant kan lezen. Indien het niet mogelijk is voldoende daglicht toe te laten, dient er voor kunstlicht te worden gezorgd dat aan de hierboven bedoelde minimumeis voldoet.

2.

Op alle schepen dient, zo mogelijk, in de bemanningsverblijven elektrisch licht te worden aangelegd. Indien er geen twee van elkaar onafhankelijke elektriciteitsbronnen zijn voor de verlichting, dan dient voor noodgevallen over extra lampen of verlichtingsapparatuur van deugdelijke makelij te kunnen worden beschikt.

3.

De elektrische lampen dienen zodanig te worden aangebracht, dat zij degenen die in het verblijf aanwezig zijn het maximum aan rendement geven.

4.

Behalve de normale verlichting van de hut, dient er voor elke kooi een leeslamp van voldoende sterkte te worden gemonteerd.

5.

Bovendien dient gedurende de gehele nacht in het nachtverblijf een blauwe lamp te branden.

Artikel 10
1.

De slaapverblijven dienen midscheeps of in het achterschip te worden ondergebracht. In bijzondere gevallen, indien in verband met de afmetingen of het type van het schip of met het doel waarvoor het is gebouwd, de ligging elders onredelijk of onmogelijk zou zijn, kan de bevoegde autoriteit toestaan dat de nachtverblijven in het voorschip worden ondergebracht, doch onder geen beding vóór het aanvaringsschot.

2.

Het vloeroppervlak per persoon in de slaapverblijven, waaronder niet begrepen de ruimte die door kooien en kasten wordt ingenomen, mag niet minder bedragen dan:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.