Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen
De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie,
Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 7 juni 1967 in haar eenenvijftigste zitting;
Besloten hebbende tot het aanvaarden van bepaalde voorstellen betreffende de herziening van het Verdrag inzake de ouderdomsverzekering (industrie, enz.), 1933, het Verdrag inzake de ouderdomsverzekering (landbouw), 1933, het Verdrag inzake de invaliditeitsverzekering (industrie, enz.), 1933, het Verdrag inzake de invaliditeitsverzekering (landbouw), 1933, het Verdrag inzake de overlijdensverzekering (industrie, enz.), 1933 en het Verdrag inzake de overlijdensverzekering (landbouw), 1933, welk onderwerp het vierde punt van de agenda der zitting vormt;
Besloten hebbende dat deze voorstellen de vorm van een internationaal verdrag zullen aannemen,
Neemt heden, de 29ste juni 1967, het volgende Verdrag aan, dat kan worden aangehaald als „Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen, 1967”.
Deel I. Algemene bepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van dit Verdrag
- a. omvat de term „wetgeving” of „wettelijke regeling” de wetten en reglementen, alsmede de statutaire bepalingen inzake Sociale Zekerheid;
- b. wordt verstaan onder „voorgeschreven”: vastgesteld bij of krachtens de nationale wetgeving;
- c. omvat de term „industriële inrichting” elke inrichting behorende tot de volgende takken van economische bedrijvigheid: winning van bodemschatten; industrie; bouwbedrijf en openbare werken; electriciteits-, gas- en watervoorziening; sanitaire diensten; vervoer, goederen opslag en communicatie;
- d. wordt verstaan onder „wonen”: het gewoonlijk verblijf houden op het grondgebied van het Lid, en onder „ingezetene”: degene, die gewoonlijk op het grondgebied van het Lid verblijf houdt;
- e. wordt onder de term „ten laste” verstaan: de in de voorgeschreven gevallen veronderstelde toestand van afhankelijkheid;
- f. wordt verstaan onder „echtgenote”: een echtgenote die ten laste van haar echtgenoot komt;
- g. wordt verstaan onder „weduwe”: een vrouw die ten laste van haar echtgenoot kwam ten tijde van diens overlijden;
- h. omvat de term „kind”:
- i. een kind welks leerplichtige leeftijd nog niet is verstreken of een kind dat nog niet de 15-jarige leeftijd heeft bereikt, zijnde de hoogste leeftijd in aanmerking te nemen;
- ii. onder bij de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden, een kind dat een leeftijd, die hoger is dan die vermeld in alinea i. nog niet heeft bereikt wanneer het wordt opgeleid voor een beroep, zijn studie voortzet of lijdende is aan een chronische ziekte of een gebrek, waardoor het niet geschikt is tot het verrichten van enige beroepsarbeid, tenzij de definitie van „kind” in de nationale wetgeving ieder kind omvat, dat een leeftijd die aanmerkelijk hoger is dan die genoemd in alinea i. nog niet heeft bereikt;
- i. wordt verstaan onder „wachttijd”: een tijdvak van premiebetaling, arbeid, of wonen, of een combinatie van deze tijdvakken, al naar gelang is voorgeschreven;
- j. wordt onder de termen „contributieve uitkeringen” en „niet-contributieve uitkeringen” onderscheidenlijk verstaan: de uitkeringen waarvan de toekenning al dan niet afhankelijk is van een directe geldelijke bijdrage van de beschermde personen of hun werkgever, of van het gedurende een zeker tijdvak verrichten van arbeid.
Artikel 2
Elk Lid te welks aanzien dit Verdrag van kracht is moet toepassen:
- a. deel I;
- b. ten minste een der delen II, III en IV;
- c. de overeenkomstige bepalingen van de delen V en VI;
- d. deel VII.
Elk Lid moet in zijn akte van bekrachtiging aangeven ten aanzien van welk der delen II tot en met IV van dit Verdrag het de verplichtingen, voortvloeiende uit het Verdrag, aanvaardt.
Artikel 3
Elk Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd kan later aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau ter kennis brengen dat het de verplichtingen voortvloeiende uit het Verdrag aanvaardt ten aanzien van een of meer der delen II tot en met IV, voor zover het die in zijn akte van bekrachtiging niet reeds heeft genoemd.
De aanvaarding van de verplichtingen bedoeld in het voorgaande lid, wordt geacht een integrerend deel uit te maken van de bekrachtiging en heeft gelijke rechtskracht te rekenen van de datum der kennisgeving.
Artikel 4
Een Lid dat op economisch gebied nog niet voldoende tot ontwikkeling is gekomen kan, door een bij de akte van bekrachtiging gevoegde gemotiveerde verklaring, zich het recht voorbehouden tot tijdelijke toepassing van de afwijkende bepalingen voorzien in artikel 9, tweede lid, artikel 13, tweede lid, artikel 16, tweede lid en artikel 22, tweede lid.
Elk lid dat een verklaring heeft afgelegd overeenkomstig het voorgaande lid, moet in de verslagen over de toepassing van dit Verdrag, die het krachtens artikel 22 van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie moet uitbrengen, ten aanzien van elk der afwijkende bepalingen die het toepast, vermelden:
- a. dat de redenen voor de toepassing nog steeds bestaan; of
- b. dat het met ingang van een bepaalde datum afziet van zijn recht tot toepassing van de betrokken afwijkende bepaling.
Elk Lid dat een verklaring heeft afgelegd overeenkomstig het eerste lid van dit artikel dient, wanneer de omstandigheden dit toelaten, het aantal beschermde loontrekkenden te verhogen.
Artikel 5
Wanneer op grond van een der delen II tot en met IV van dit Verdrag, waarop de bekrachtiging van toepassing is, een Lid gehouden is voorgeschreven groepen personen te beschermen die ten minste een bepaald percentage van de loontrekkenden of van het economisch actieve deel der bevolking uitmaken, moet dat Lid, alvorens zich te verbinden tot toepassing van dat deel, zich ervan vergewissen dat het bedoelde percentage is bereikt.
Artikel 6
Voor de toepassing van de delen II, III of IV van dit Verdrag kan een Lid rekening houden met de bescherming, voortvloeiende uit verzekeringen welke krachtens haar wetgeving niet verplicht zijn voor de beschermde personen, wanneer deze verzekeringen:
- a. onder toezicht staan van de overheid of overeenkomstig voorgeschreven normen door werkgevers en werknemers gemeenschappelijk worden uitgevoerd;
- b. zich uitstrekken tot een aanzienlijk deel der personen wier inkomsten uit arbeid die van een geschoolde mannelijke arbeider niet te boven gaan;
- c. te zamen met eventuele andere vormen van bescherming, voldoen aan de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag.
Deel II. Uitkeringen bij invaliditeit
Artikel 7
Elk Lid te welks aanzien dit deel van het Verdrag van kracht is, moet overeenkomstig de volgende artikelen van dit deel aan de beschermde personen uitkeringen bij invaliditeit waarborgen.
Artikel 8
De verzekerde eventualiteit moet omvatten de ongeschiktheid om enige beroepsmatige arbeid in bepaalde mate te verrichten, wanneer die ongeschiktheid waarschijnlijk blijvend zal zijn, dan wel wanneer zij voortbestaat na afloop van een voorgeschreven tijdvak van tijdelijke of aanvankelijke ongeschiktheid.
Artikel 9
Tot de beschermde personen moeten worden gerekend:
- a. alle loontrekkenden, met inbegrip van de leerlingen: of
- b. voorgeschreven groepen van het economisch actieve deel der bevolking, welke ten minste 75 procent uitmaken van het gehele economisch actieve deel der bevolking; of
- c. alle ingezetenen of de ingezetenen wier inkomsten tijdens de eventualiteit de grenzen, voorgeschreven overeenkomstig de bepalingen van artikel 28, niet overschrijden.
Wanneer een verklaring, afgelegd overeenkomstig artikel 4, van kracht is, moeten tot de beschermde personen worden gerekend:
- a. voorgeschreven groepen van loontrekkenden, welke ten minste 25 procent uitmaken van het totale aantal loontrekkenden; of
- b. voorgeschreven groepen loontrekkenden in industriële ondernemingen, welke ten minste 50 procent uitmaken van het totale aantal loontrekkenden, werkzaam in industriële ondernemingen.
Artikel 10
De uitkering bij invaliditeit moet worden verleend in de vorm van een periodieke betaling berekend:
- a. overeenkomstig de bepalingen van artikel 26 of artikel 27, wanneer loontrekkenden of groepen van het economisch actieve deel der bevolking worden beschermd;
- b. overeenkomstig de bepalingen van artikel 28, wanneer alle ingezetenen of de ingezetenen wier inkomsten tijdens de eventualiteit voorgeschreven grenzen niet overschrijden, worden beschermd.
Artikel 11
De in artikel 10 bedoelde uitkering moet bij intreden van de verzekerde eventualiteit ten minste worden gewaarborgd:
- a. aan een beschermd persoon die vóór het intreden van de eventualiteit overeenkomstig voorgeschreven regelen een wachttijd heeft vervuld welke kan bestaan hetzij in vijftien jaren van premiebetaling of arbeid, hetzij in tien jaren van wonen;
- b. wanneer in beginsel alle economisch actieve personen worden beschermd, aan een beschermd persoon die vóór het intreden van de eventualiteit overeenkomstig voorgeschreven regelen een wachttijd van drie jaren van premiebetaling heeft vervuld en voor wie tijdens de actieve periode van zijn leven premies zijn betaald waarvan het gemiddelde jaarlijkse aantal of het jaarlijkse aantal een voorgeschreven aantal bereikt.
Wanneer de toekenning van een uitkering bij invaliditeit afhankelijk is gesteld van de vervulling van een minimumtijdvak van premiebetaling, arbeid of wonen, moet ten minste een verminderde uitkering worden gewaarborgd:
- a. aan een beschermd persoon die vóór het intreden van de eventualiteit overeenkomstig voorgeschreven regelen een wachttijd van vijf jaren van premiebetaling, arbeid of wonen heeft vervuld;
- b. wanneer in beginsel alle economisch actieve personen worden beschermd, aan een beschermd persoon die vóór het intreden van de eventualiteit overeenkomstig voorgeschreven regelen een wachttijd van drie jaren van premiebetaling heeft vervuld en voor wie tijdens de actieve periode van zijn leven de helft van het voorgeschreven gemiddelde jaarlijkse aantal of het jaarlijkse aantal premies, bedoeld in alinea b van het eerste lid van dit artikel, is betaald.
Aan het bepaalde in het eerste lid van dit artikel wordt geacht te zijn voldaan wanneer een uitkering, berekend overeenkomstig deel V, doch naar een percentage dat tien eenheden minder bedraagt dan het percentage, dat in de bij dat deel gevoegde tabel voor de modelgerechtigde is aangegeven, ten minste gewaarborgd wordt aan ieder beschermd persoon, die overeenkomstig voorgeschreven regelen vijf jaren van premiebetaling, arbeid of wonen heeft vervuld.
Een evenredige vermindering van het percentage, aangegeven in de bij deel V gevoegde tabel, kan worden toegepast wanneer de wachttijd, benodigd voor de toekenning van een met het verminderde percentage overeenkomende uitkering, langer is dan vijf jaren van premiebetaling, arbeid of wonen, doch korter dan vijftien jaren van premiebetaling of arbeid of tien jaren van wonen; een verminderde uitkering wordt toegekend overeenkomstig het tweede lid van dit artikel.
Aan het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit artikel wordt geacht te zijn voldaan, wanneer een uitkering, berekend overeenkomstig deel V, ten minste wordt gewaarborgd aan ieder beschermd persoon die overeenkomstig voorgeschreven regelen een wachttijd van premiebetaling of arbeid heeft vervuld, die bij een voorgeschreven minimumleeftijd niet langer dan vijfjaren mag zijn, maar die naar gelang de leeftijd vordert, langer mag zijn, doch niet langer dan een voorgeschreven aantal jaren.
Artikel 12
De in de artikelen 10 en 11 bedoelde uitkering moet worden verleend tijdens de gehele duur van de eventualiteit of tot het tijdstip waarop deze wordt vervangen door een ouderdomsuitkering.
Artikel 13
Elk Lid, te welks aanzien dit deel van het Verdrag van kracht is moet, onder voorgeschreven voorwaarden:
- a. voorzien in revalidatiediensten, die in alle gevallen waarin dat mogelijk is de invaliden moeten opleiden, opdat zij hun vroegere arbeid kunnen hervatten of, indien dat niet mogelijk is, andere arbeid kunnen verrichten, welke het meest met hun krachten en bekwaamheid in overeenstemming is;
- b. maatregelen nemen om de plaatsing van invaliden in een geschikte werkkring te vergemakkelijken.
Wanneer een verklaring overeenkomstig artikel 4 van kracht is, kan het betrokken Lid van de bepalingen van het voorgaande lid afwijken.
Deel III. Ouderdomsuitkeringen
Artikel 14
Elk Lid, te welks aanzien dit deel van het Verdrag van kracht is, moet overeenkomstig de volgende artikelen van dit deel aan de beschermde personen ouderdomsuitkeringen waarborgen.
Artikel 15
De verzekerde eventualiteit bestaat in het bereikt hebben van een voorgeschreven leeftijd.
De voorgeschreven leeftijd mag niet hoger worden gesteld dan vijfenzestig jaar. Nochtans mag een hogere leeftijd worden voorgeschreven door de bevoegde autoriteiten, rekening houdende met de daarvoor in aanmerking komende demografische, economische en sociale omstandigheden, welke door statistieken worden gerechtvaardigd.
Indien de voorgeschreven leeftijd gelijk is aan of hoger dan 65 jaar, moet deze onder voorgeschreven voorwaarden worden verlaagd voor personen die werkzaamheden hebben verricht welke door de nationale wetgeving met het oog op de ouderdomsuitkeringen als zwaar of ongezond worden aangemerkt.
Artikel 16
Tot de beschermde personen moeten worden gerekend:
- a. alle loontrekkenden, met inbegrip van de leerlingen; of
- b. voorgeschreven groepen van het economisch actieve deel der bevolking, welke ten minste 75 procent uitmaken van het gehele economisch actieve deel der bevolking; of
- c. alle ingezetenen of de ingezetenen wier inkomsten tijdens de eventualiteit de grenzen, voorgeschreven overeenkomstig de bepalingen van artikel 28, niet overschrijden.
Wanneer een verklaring afgelegd overeenkomstig artikel 4 van kracht is, moeten tot de beschermde personen worden gerekend:
- a. voorgeschreven groepen loontrekkenden welke ten minste 25 procent uitmaken van het totale aantal loontrekkenden; of
- b. voorgeschreven groepen loontrekkenden in industriële ondernenemingen, welke ten minste 50 procent uitmaken van het totale aantal loontrekkenden, werkzaam in industriële ondernemingen.
Artikel 17
De ouderdomsuitkering moet worden verleend in de vorm van een periodieke betaling, berekend:
- a. overeenkomstig de bepalingen van artikel 26 of artikel 27, wanneer loontrekkenden of groepen van het economisch actieve deel der bevolking worden beschermd;
- b. overeenkomstig de bepalingen van artikel 28, wanneer alle ingezetenen of de ingezetenen wier inkomsten tijdens de eventualiteit voorgeschreven grenzen niet overschrijden worden beschermd.
Artikel 18
De in artikel 17 bedoelde uitkering moet bij intreden van de verzekerde eventualiteit ten minste worden gewaarborgd:
- a. aan een beschermd persoon die vóór het intreden van de eventualiteit overeenkomstig voorgeschreven regelen een wachttijd heeft vervuld, welke kan bestaan hetzij in dertig jaren van premiebetaling of arbeid, hetzij in twintig jaren van wonen;
- b. wanneer in beginsel alle economisch actieve personen worden beschermd, aan een beschermd persoon die vóór het intreden van de eventualiteit een voorgeschreven wachttijd heeft vervuld en voor wie tijdens de actieve periode van zijn leven premies zijn betaald waarvan het gemiddelde jaarlijkse aantaleen voorgeschreven aantal bereikt.
Wanneer de toekenning van een ouderdomsuitkering afhankelijk is gesteld van de vervulling van een minimumtijdvak van premiebetaling of arbeid, moet ten minste een verminderde uitkering worden gewaarborgd:
- a. aan een beschermd persoon die vóór het intreden van de eventualiteit overeenkomstig voorgeschreven regelen een wachttijd van vijftien jaren van premiebetaling of arbeid heeft vervuld;
- b. wanneer in beginsel alle economisch actieve personen worden beschermd, aan een beschermd persoon die vóór het intreden van de eventualiteit een voorgeschreven wachttijd van premiebetaling heeft vervuld en voor wie tijdens de actieve periode van zijn leven de helft van het voorgeschreven gemiddelde jaarlijkse aantal premies, bedoeld in alinea b van het eerste lid van dit artikel is betaald.
Aan het bepaalde in het eerste lid van dit artikel wordt geacht te zijn voldaan wanneer een uitkering, berekend overeenkomstig deel V, doch naar een percentage dat tien eenheden minder bedraagt dan het percentage, dat in de bij dat deel gevoegde tabel voor de model-gerechtigde is aangegeven, ten minste gewaarborgd wordt aan ieder beschermd persoon die overeenkomstig voorgeschreven regelen tien jaren van premiebetaling of arbeid, dan wel vijf jaren van wonen heeft vervuld.
Een evenredige vermindering van het percentage, aangegeven in de bij deel V gevoegde tabel, kan worden toegepast wanneer de wachttijd benodigd voor de toekenning van een met het verminderde percentage overeenkomende uitkering langer is dan tien jaren van premiebetaling of arbeid, dan wel vijf jaren van wonen; doch korter dan dertig jaren van premiebetaling of arbeid of twintig jaren van wonen. Ingeval bedoelde wachttijd langer is dan vijftien jaren van premiebetaling of arbeid, wordt een verminderde uitkering toegekend overeenkomstig het tweede lid van dit artikel.
Artikel 19
De in de artikelen 17 en 18 bedoelde uitkering moet worden verleend tijdens de gehele duur van de eventualiteit.
Deel IV. Uitkeringen aan nagelaten betrekkingen
Artikel 20
Elk Lid, te welks aanzien dit deel van het Verdrag van kracht is, moet overeenkomstig de volgende artikelen van dit deel aan de beschermde personen een uitkering aan nagelaten betrekkingen waarborgen.
Artikel 21
De verzekerde eventualiteit moet omvatten het verlies van bestaansmiddelen door de weduwe of de kinderen tengevolge van het overlijden van hun kostwinner.
Het recht van een weduwe op een uitkering aan nagelaten betrekkingen kan afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat zij een voorgeschreven leeftijd heeft bereikt. Deze leeftijd mag niet hoger zijn dan die welke is voorgeschreven voor het recht op ouderdomsuitkering.
Echter mag geen enkele eis met betrekking tot de leeftijd worden gesteld:
- a. wanneer de weduwe invalide is in de voorgeschreven zin; of
- b. wanneer de weduwe een kind van de overledene te haren laste heeft.
Voor een weduwe zonder kinderen kan voor het verkrijgen van recht op een uitkering aan nagelaten betrekkingen een minimumduur van het huwelijk worden vereist.
Artikel 22
Tot de beschermde personen moeten worden gerekend:
- a. de echtgenoten, kinderen en andere personen die door de nationale wetgeving als ten laste komend worden aangemerkt, wier kostwinner loontrekkende of leerling was; of
- b. de echtgenoten, kinderen en andere personen die door de nationale wetgeving als ten laste komend worden aangemerkt, wier kostwinner behoorde tot voorgeschreven groepen van het economisch actieve deel der bevolking, welke ten minste 75 procent van het gehele economisch actieve deel der bevolking uitmaken; of
- c. alle weduwen, kinderen en andere personen die door de nationale wetgeving als ten laste komend worden aangemerkt, die hun kostwinner hebben verloren, de hoedanigheid van ingezetene hebben en, in voorkomend geval, wier inkomsten tijdens de eventualiteit de grenzen, voorgeschreven overeenkomstig de bepalingen van artikel 28, niet overschrijden.
Wanneer een verklaring, afgelegd overeenkomstig artikel 4, van kracht is, moeten tot de beschermde personen worden gerekend:
- a. de echtgenoten, kinderen en andere personen die door de nationale wetgeving als ten laste komend worden aangemerkt, wier kostwinner behoorde tot voorgeschreven groepen loontrekkenden, welke ten minste 25 procent uitmaken van het totale aantal loontrekkenden; of
- b. de echtgenoten, kinderen en andere personen die door de nationale wetgeving als ten laste komend worden aangemerkt, wier kostwinner behoorde tot voorgeschreven groepen loontrekkenden in industriële ondernemingen, welke ten minste 50 procent uitmaken van het totale aantal loontrekkenden, werkzaam in industriële ondernemingen.
Artikel 23
De uitkeringen aan nagelaten betrekkingen worden verleend in de vorm van een periodieke betaling, berekend:
- a. overeenkomstig de bepalingen van artikel 26 of artikel 27, wanneer loontrekkenden of groepen van het economisch actieve deel der bevolking worden beschermd;
- b. overeenkomstig de bepalingen van artikel 28, wanneer alle ingezetenen of de ingezetenen wier inkomsten tijdens de eventualiteit voorgeschreven grenzen niet overschrijden worden beschermd.
Artikel 24
De in artikel 23 bedoelde uitkering moet bij het intreden van de verzekerde eventualiteit ten minste worden gewaarborgd:
- a. aan een beschermd persoon wiens kostwinner overeenkomstig voorgeschreven regelen een wachttijd heeft vervuld welke kan bestaan in vijftien jaren van premiebetaling of arbeid, of in tien jaren van wonen; nochtans kan, wanneer het gaat om uitkeringen aan nagelaten betrekkingen toegekend aan een weduwe, het door haar vervuld zijn van een voorgeschreven wachttijd van wonen als voldoende worden beschouwd;
- b. wanneer in beginsel de echtgenoten en kinderen van alle economisch actieve personen worden beschermd, aan een beschermde persoon wiens kostwinner overeenkomstig voorgeschreven regelen een wachttijd van drie jaren van premiebetaling heeft vervuld, op voorwaarde dat voor deze kostwinner tijdens de actieve periode van zijn leven premies zijn betaald, waarvan het gemiddelde jaarlijkse aantal of het jaarlijkse aantal een voorgeschreven aantal bereikt.
Wanneer de toekenning van een uitkering aan nagelaten betrekkingen afhankelijk is gesteld van de vervulling van een minimumtijdvak van premiebetaling of arbeid, moet ten minste een verminderde uitkering worden gewaarborgd:
- a. aan een beschermd persoon wiens kostwinner overeenkomstig voorgeschreven regelen een wachttijd van vijf jaren van premiebetaling of arbeid heeft vervuld;
- b. wanneer in beginsel de echtgenoten en kinderen van alle economisch actieve personen worden beschermd, aan een beschermde persoon, wiens kostwinner overeenkomstig voorgeschreven regelen een wachttijd van drie jaren van premiebetaling heeft vervuld, op voorwaarde dat voor deze kostwinner tijdens de actieve periode van zijn leven de helft van het voorgeschreven gemiddelde jaarlijkse aantal of het jaarlijkse aantal premies, bedoeld in alinea b van het eerste lid van dit artikel is betaald.
Aan het bepaalde in het eerste lid van dit artikel wordt geacht te zijn voldaan wanneer een uitkering, berekend overeenkomstig deel V, doch naar een percentage dat tien eenheden minder bedraagt dan het percentage, dat in de bij dat deel gevoegde tabel voor de modelgerechtigde is aangegeven, ten minste gewaarborgd wordt aan iedere beschermde persoon wiens kostwinner overeenkomstig voorgeschreven regelen vijf jaren van premiebetaling, arbeid of wonen heeft vervuld.
Een evenredige vermindering van het percentage genoemd in de bij deel V gevoegde tabel, kan worden toegepast wanneer de wachttijd, benodigd voor de toekenning van een met het verminderde percentage overeenkomende uitkering langer is dan vijfjaren van premiebetaling, arbeid of wonen, doch korter dan vijftien jaren van premiebetaling of arbeid of tien jaren van wonen. Ingeval de vereiste wachttijd een wachttijd van premiebetaling of arbeid is, wordt een verminderde uitkering toegekend overeenkomstig het tweede lid van dit artikel.
Aan het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit artikel wordt geacht te zijn voldaan wanneer een uitkering, berekend overeenkomstig deel V, ten minste wordt gewaarborgd aan iedere beschermde persoon, wiens kostwinner overeenkomstig voorgeschreven regelen een wachttijd van premiebetaling of arbeid heeft vervuld die bij een voorgeschreven minimumleeftijd niet langer dan vijf jaren mag zijn, maar die naarmate de leeftijd vordert, niet langer mag zijn dan een voorgeschreven maximumaantal jaren.
Artikel 25
De in de artikelen 23 en 24 bedoelde uitkering moet worden verleend tijdens de gehele duur van de eventualiteit.
Deel V. Berekening van periodieke betalingen
Artikel 26
Ten aanzien van elke periodieke betaling waarop dit artikel van toepassing is, moet het bedrag van de uitkering, vermeerderd met het bedrag van de tijdens de eventualiteit verstrekte kinderbijslag, zodanig zijn dat het voor de model-gerechtigde, bedoeld in de bij dit deel gevoegde tabel, ten minste gelijk is aan het in die tabel voor het onderhavige geval genoemde percentage van het totaal van de vroegere inkomsten uit arbeid van de gerechtigde of van zijn kostwinner en van het bedrag van de kinderbijslag, verstrekt aan een beschermde persoon die dezelfde gezinslasten heeft als de model-gerechtigde.
De vroegere inkomsten uit arbeid van de gerechtigde of van zijn kostwinner worden overeenkomstig voorgeschreven regelen berekend; wanneer de beschermde personen of hun kostwinners zijn ingedeeld in klassen naar hun inkomsten uit arbeid, kunnen deze vroegere inkomsten worden berekend naar het basisinkomen van de klasse waartoe zij hebben behoord.
Het bedrag van de uitkering of het arbeidsinkomen, dat voor de berekening van de uitkering in aanmerking wordt genomen, kan aan een maximum worden gebonden, mits dit maximum zodanig wordt vastgesteld dat voldaan wordt aan de bepalingen van het eerste lid van dit artikel, wanneer het vroegere arbeidsinkomen van de gerechtigde of van zijn kostwinner minder bedraagt dan of gelijk is aan het loon van een geschoolde mannelijke arbeider.
De vroegere inkomsten uit arbeid van de gerechtigde of van zijn kostwinner, het loon van de geschoolde mannelijke arbeider, de uitkeringen en de kinderbijslag worden berekend naar dezelfde tijdsbasis.
Voor de andere gerechtigden wordt de uitkering zodanig vastgesteld dat deze in een redelijke verhouding staat tot die van de model-gerechtigde.
Voor de toepassing van dit artikel wordt als een geschoolde mannelijke arbeider aangemerkt:
- a. een bankwerker of een draaier in de bedrijfstak machinebouw, met uitzondering van die van elektrische apparaten; of
- b. een model-geschoolde arbeider, zoals omschreven in de bepalingen van het volgende lid; of
- c. een persoon wiens arbeidsinkomen gelijk is aan of meer bedraagt dan het arbeidsinkomen van 75 procent van alle beschermde personen, waarbij dat arbeidsinkomen wordt bepaald over een tijdvak van een jaar of over een korter tijdvak, naar gelang is voorgeschreven; of
- d. een persoon wiens arbeidsinkomen gelijk is aan 125 procent van het gemiddelde arbeidsinkomen van alle beschermde personen.
Voor de toepassing van alinea b van het voorgaande lid wordt de model-geschoolde arbeider gekozen uit de klasse met het grootste aantal tegen de betrokken eventualiteit beschermde mannelijke personen of kostwinners van beschermde personen in de bedrijfstak die zelf het grootste aantal van deze beschermde personen of van die kostwinners telt; daartoe wordt gebruik gemaakt van de internationale industriële-standaard-classificatie van alle takken van economische bedrijvigheid, aangenomen door de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties in zijn zevende zitting op 27 augustus 1948 en in zijn in 1958 herziene vorm, als bijlage bij dit Verdrag gevoegd, met inachtneming van de wijzigingen welke daarin eventueel nog worden aangebracht.
Wanneer de uitkering van streek tot streek verschilt, kan voor elke streek een geschoolde mannelijke arbeider worden gekozen overeenkomstig de bepalingen van de leden 6 en 7 van dit artikel.
Het loon van de geschoolde mannelijke arbeider, met inbegrip van de eventuele duurtetoeslagen, wordt bepaald naar de grondslag van het loon voor een normaal aantal arbeidsuren, vastgesteld hetzij bij collectieve arbeidsovereenkomst, hetzij eventueel bij of krachtens de nationale wetgeving, hetzij krachtens gewoonte; wanneer de aldus vastgestelde lonen van streek tot streek verschillen en wanneer het voorgaande lid niet wordt toegepast, wordt het gemiddelde loon als grondslag genomen.
Artikel 27
Ten aanzien van elke periodieke betaling waarop dit artikel van toepassing is, moet het bedrag van de uitkering, vermeerderd met het bedrag van de tijdens de eventualiteit verleende kinderbijslag, zodanig zijn dat het voor de model-gerechtigde, bedoeld in de bij dit deel gevoegde tabel, ten minste gelijk is aan het in die tabel voor de desbetreffende eventualiteit aangegeven percentage van het loon van een volwassen ongeschoolde mannelijke arbeider, vermeerderd met het bedrag van de kinderbijslag, verleend aan een beschermde persoon die dezelfde gezinslasten heeft als de model-gerechtigde.
Het loon van een volwassen ongeschoolde mannelijke arbeider, de uitkering en de kinderbijslag worden berekend naar dezelfde tijdsbasis.
Voor de andere gerechtigden wordt de uitkering zodanig vastgesteld dat deze in een redelijke verhouding staat tot die van de model-gerechtigde.
Voor de toepassing van dit artikel wordt als ongeschoolde mannelijke arbeider aangemerkt:
- a. een ongeschoolde arbeider in de bedrijfstak machinebouw, met uitzondering van die van elektrische apparaten; of
- b. een ongeschoolde arbeider zoals omschreven in de bepalingen van het volgende lid.
Voor de toepassing van alinea b van het voorgaande lid wordt de ongeschoolde arbeider gekozen uit de klasse met het grootste aantal tegen de betrokken eventualiteit beschermde mannelijke personen of kostwinners van beschermde personen in de bedrijfstak die zelf het grootste aantal van deze beschermde personen of kostwinners telt; daartoe wordt gebruik gemaakt van de internationale industriële standaardclassificatie van alle takken van economische bedrijvigheid, aangenomen door de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties in zijn zevende zitting op 27 augustus 1948 en in zijn in 1958 herziene vorm, als bijlage bij dit Verdrag gevoegd, met inachtneming van de wijzigingen welke daarin eventueel nog worden aangebracht.
Wanneer de uitkering van streek tot streek verschilt kan voor elke streek een volwassen ongeschoolde mannelijke arbeider worden gekozen overeenkomstig de bepalingen van de leden 4 en 5 van dit artikel.
Het loon van een volwassen ongeschoolde mannelijke arbeider, met inbegrip van de eventuele duurtetoeslagen, wordt bepaald naar de grondslag van het loon voor een normaal aantal arbeidsuren, vastgesteld hetzij bij collectieve arbeidsovereenkomst, hetzij eventueel bij of krachtens de nationale wetgeving, hetzij krachtens gewoonte; wanneer de aldus vastgestelde lonen van streek tot streek verschillen en wanneer het voorgaande lid niet wordt toegepast, wordt het gemiddelde loon als grondslag genomen.
Artikel 28
Ten aanzien van elke periodieke betaling waarop dit artikel van toepassing is:
- a. moet het bedrag van de uitkering worden vastgesteld naar een voorgeschreven tarief of naar een tarief, vastgesteld door het bevoegde overheidsorgaan, overeenkomstig voorgeschreven regelen;
- b. kan het bedrag van de uitkering slechts worden verminderd in de mate waarin de overige inkomsten van het gezin van de gerechtigde een voorgeschreven of door het bevoegde overheidsorgaan overeenkomstig voorgeschreven regelen vastgesteld aanzienlijk bedrag te boven gaan;
- c. moet, na aftrek van het in de vorige alinea bedoelde aanzienlijke bedrag, het totaal van de uitkering en de overige inkomsten voldoende zijn om aan het gezin van de gerechtigde gezonde en passende levensvoorwaarden te verzekeren; het mag niet minder bedragen dan het bedrag van de uitkering, berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 27;
- d. wordt aan het bepaalde in de voorgaande alinea geacht te zijn voldaan, indien het totaalbedrag van de krachtens het desbetreffende deel betaalde uitkeringen ten minste 30 procent meer bedraagt dan het totaalbedrag der uitkeringen dat men zou verkrijgen bij toepassing van de bepalingen van artikel 27 en de bepalingen van:
- i. alineab van het eerste lid van artikel 9, wat betreft deel II;
- ii. alineab van het eerste lid van artikel 16, wat betreft deel III;
- iii. alineab van het eerste lid van artikel 22, wat betreft deel IV.
Artikel 29
Het bedrag van de lopende periodieke betalingen, bedoeld in de artikelen 10, 17 en 23, wordt herzien na aanmerkelijke veranderingen in het algemene loonpeil of na aanmerkelijke veranderingen in de kosten van levensonderhoud.
Elk Lid moet in de rapporten over de toepassing van dit Verdrag, die het krachtens artikel 22 van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie moet uitbrengen, de uit deze herzieningen voortvloeiende resultaten vermelden en aangeven wat in dit opzicht is ondernomen.
Periodieke betalingen aan model-gerechtigden
| Deel | Eventualiteit | Model-gerechtigde | Percentage |
|---|---|---|---|
| II | Invaliditeit..... | Man met echtgenote en twee kinderen..... | 50 |
| III | Ouderdom..... | Pensioengerechtigde man met echtgenote..... | 45 |
| IV | Overlijden van de kostwinner... | Weduwe met twee kinderen..... | 45 |
Deel VI. Gemeenschappelijke bepalingen
Artikel 30
De nationale wetgeving moet voorzien in het behoud, onder voorgeschreven voorwaarden, van aanspraken op de contributieve uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen.
Artikel 31
De uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom of aan nagelaten betrekkingen kunnen onder voorgeschreven voorwaarden worden geschorst indien de gerechtigde betaalde arbeid verricht.
De contributieve uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom of aan nagelaten betrekkingen kunnen worden verminderd wanneer de inkomsten uit arbeid van de gerechtigde een voorgeschreven bedrag te boven gaan; de vermindering van de uitkeringen mag echter niet meer bedragen dan het bedrag van de inkomsten uit arbeid.
De niet-contributieve uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom of aan nagelaten betrekkingen kunnen worden verminderd wanneer de inkomsten uit arbeid van de gerechtigde of zijn andere inkomsten, of deze beide te zamen, een voorgeschreven bedrag te boven gaan.
Artikel 32
De uitkeringen, waarop een beschermde persoon recht zou hebben gehad op grond van een van de delen II tot en met IV van dit Verdrag, kunnen worden geschorst in een eventueel voor te schrijven mate:
- a. zolang de belanghebbende zich niet op het grondgebied van het Lid bevindt, behalve, onder voorgeschreven voorwaarden, indien het contributieve uitkeringen betreft;
- b. zolang het onderhoud van de belanghebbende ten laste van de overheid of van een orgaan of dienst van sociale zekerheid komt;
- c. wanneer de belanghebbende getracht heeft op bedriegelijke wijze de desbetreffende uitkering te verkrijgen;
- d. wanneer de eventualiteit is veroorzaakt door een door de belanghebbende gepleegd misdrijf;
- e. wanneer de eventualiteit is veroorzaakt door een ernstig en opzettelijk verzuim van de belanghebbende;
- f. in daarvoor in aanmerking komende gevallen, wanneer de belanghebbende zonder geldige reden nalaat gebruik te maken van de geneeskundige diensten of revalidatiediensten welke te zijner beschikking staan of wanneer hij de regelen niet nakomt welke zijn voorgeschreven voor het vaststellen van het bestaan van de eventualiteit of voor de gedragingen van de gerechtigden op uitkeringen;
- g. ingeval het een uitkering aan nagelaten betrekkingen betreft ten behoeve van een weduwe, zolang zij in concubinaat leeft.
In voorgeschreven gevallen en binnen voorgeschreven grenzen moet een deel van de uitkering die normaal zou zijn toegekend, worden betaalbaar gesteld aan de personen die ten laste van de belanghebbende komen.
Artikel 33
Ingeval een beschermde persoon gelijktijdig aanspraak kan of zou hebben kunnen maken op verschillende uitkeringen bij invaliditeit, bij ouderdom of aan nagelaten betrekkingen, kunnen deze uitkeringen onder voorgeschreven voorwaarden en binnen voorgeschreven grenzen worden verminderd. De beschermde persoon moet echter in totaal een bedrag ontvangen dat ten minste gelijk is aan dat van de meest gunstige uitkering.
Ingeval een beschermde persoon aanspraak kan of zou hebben kunnen maken op een uitkering voorzien in dit Verdrag en, voor een zelfde eventualiteit, andere sociale verzekeringsuitkeringen in geld, met uitzondering van de kinderbijslag, ontvangt, kan de uitkering verschuldigd op grond van dit Verdrag onder voorgeschreven voorwaarden en binnen voorgeschreven grenzen worden verminderd of geschorst, met dien verstande dat het gedeelte van de uitkering dat wordt afgetrokken of geschorst het bedrag van de andere uitkeringen niet te boven gaat.
Artikel 34
Een ieder die aanspraak maakt op een uitkering moet het recht hebben beroep in te stellen wanneer hem een uitkering wordt geweigerd of wanneer hij zich niet kan verenigen met de hoedanigheid of het bedrag hiervan.
Procedures moeten worden voorgeschreven, die het de eiser mogelijk maken zich te doen vertegenwoordigen of te doen bijstaan door een geschikte persoon van zijn keuze of door een afgevaardigde van een representatieve organisatie van beschermde personen.
Artikel 35
Elk Lid moet een algemene verantwoordelijkheid aanvaarden wat betreft het verlenen van de krachtens dit Verdrag toegekende uitkeringen en neemt alle hiertoe dienende maatregelen.
Elk Lid moet een algemene verantwoordelijkheid aanvaarden voor een goede administratie van de instellingen en diensten die betrokken zijn bij de toepassing van dit Verdrag.
Artikel 36
Wanneer de administratie niet wordt gevoerd door een op overheidsvoorschriften berustende instelling of door een regeringsdepartement dat verantwoording verschuldigd is aan een parlement, moeten vertegenwoordigers van de beschermde personen deelnemen aan de administratie onder voorgeschreven voorwaarden; de nationale wetgeving kan eveneens voorzien in deelneming van vertegenwoordigers van de werkgevers en van de overheid.
Deel VII. Diverse bepalingen
Artikel 37
Elk Lid, welks wetgeving loontrekkenden beschermt, kan, voor zover noodzakelijk, van de toepassing van dit Verdrag uitzonderen:
- a. personen die gelegenheidswerk verrichten;
- b. inwonende gezinsleden van de werkgever, voor zover zij voor hem werkzaam zijn;
- c. andere groepen loontrekkenden, waarvan het aantal niet groter mag zijn dan 10 procent van het totaal der loontrekkenden, anderen dan zij die met toepassing van de alinea's a en b van dit artikel zijn uitgezonderd.
Artikel 38
Elk Lid, welks wetgeving loontrekkenden beschermt, kan door een bij zijn akte van bekrachtiging gevoegde verklaring, loontrekkenden in de landbouwsector, die ten tijde van bedoelde bekrachtiging nog niet door zijn wetgeving zijn beschermd, tijdelijk van de toepassing van dit Verdrag uitsluiten.
Elk Lid dat een verklaring ingevolge het vorige lid heeft afgelegd moet in de rapporten over de toepassing van dit Verdrag, die het krachtens artikel 22 van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie moet uitbrengen, aangeven in welke mate het gevolg heeft gegeven en welk gevolg het voornemens is te geven aan de bepalingen van het Verdrag, wat betreft de loontrekkenden in de landbouwsector, alsmede elke vooruitgang, geboekt met het oog op de toepassing van het Verdrag op genoemde loontrekkenden of, indien er geen verandering te melden is, alle in aanmerking komende uitleg verschaffen.
Elk Lid dat een verklaring heeft afgelegd overeenkomstig het eerste lid van dit artikel moet het aantal beschermde loontrekkenden in de landbouwsector vergroten in de mate en in een tempo dat de omstandigheden toelaten.
Artikel 39
Elk Lid dat dit Verdrag bekrachtigt kan door een bij zijn akte van bekrachtiging gevoegde verklaring van de toepassing van dit Verdrag uitsluiten:
- a. zeevarenden, met inbegrip van zeevissers,
- b. overheidsdienaren,
wanneer deze categorieën worden beschermd door speciale regelingen welke voorzien in uitkeringen die in totaal ten minste gelijkwaardig zijn aan die van dit Verdrag.
Wanneer een ingevolge het voorgaande lid afgelegde verklaring van kracht is, kan het Lid de in die verklaring bedoelde personen uitzonderen van het aantal personen dat voor de berekening van de percentages bedoeld in alinea b van lid 1 en alinea b van lid 2 van artikel 9, alinea b van lid 1 en alinea b van lid 2 van artikel 16, alinea b van lid 1 en alinea b van lid 2 van artikel 22 en alinea c van artikel 37, in aanmerking wordt genomen.
Elk Lid dat een verklaring ingevolge het eerste lid van dit artikel heeft afgelegd kan later aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau kennis geven dat het de verplichtingen van dit Verdrag aanvaardt ten aanzien van de categorie of categorieën personen die het bij zijn bekrachtiging heeft uitgesloten.
Artikel 40
Wanneer een beschermde persoon krachtens de nationale wetgeving in geval van overlijden van de kostwinner aanspraak heeft op periodieke uitkeringen, anders dan die aan nagelaten betrekkingen, kunnen deze periodieke uitkeringen voor de toepassing van dit Verdrag met uitkeringen aan nagelaten betrekkingen worden gelijkgesteld.
Artikel 41
Wanneer een Lid:
- a. de verplichtingen van dit Verdrag wat betreft de delen II, III en IV heeft aanvaard,
- b. een percentage van het economisch actieve deel der bevolking beschermt, dat ten minste tien eenheden hoger is dan het vereiste percentage in alinea b van lid 1 van artikel 9, alinea b van lid 1 van artikel 16 en alinea b van lid 1 van artikel 22, of voldoet aan de bepalingen van alinea c van lid 1 van artikel 9, alinea c van lid 1 van artikel 16 en alinea c van lid 1 van artikel 22,
- c. voor ten minste twee van de door de delen II, III en IV gedekte eventualiteiten uitkeringen waarborgt, waarvan het bedrag overeenkomt met een percentage dat ten minste vijf eenheden hoger is dan de percentages aangegeven in de bij deel V gevoegde tabel,
kan zulk een Lid gebruik maken van de bepalingen van het volgende lid.
Genoemd Lid kan:
- a. voor de toepassing van alinea b van lid 2 van artikel 11 en alinea b van lid 2 van artikel 24 een wachttijd van drie jaren vervangen door een wachttijd van vijf jaren;
- b. de gerechtigden op een uitkering aan nagelaten betrekkingen op een andere wijze vaststellen dan in artikel 21 is vereist, maar die waarborgt dat het totaal aantal gerechtigden niet lager is dan het aantal dat uit de toepassing van artikel 12 zou voortvloeien.
Ieder Lid dat van de bepalingen van het vorige lid heeft gebruik gemaakt, geeft in de rapporten over de toepassing van dit Verdrag, die liet krachtens artikel 22 van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie moet uitbrengen, de stand van zijn wetgeving en de uitvoering hiervan aan, met betrekking tot de vragen bedoeld in dit lid en de vooruitgang welke het met het oog op een volledige toepassing van het Verdrag heeft gemaakt.
Artikel 42
Wanneer een Lid:
- a. de verplichtingen van dit Verdrag wat betreft de delen II, III en IV heeft aanvaard,
- b. een percentage van het economisch actieve deel der bevolking beschermt, dat ten minste tien eenheden hoger is dan het in alinea b van lid 1 van artikel 9, alinea b van lid 1 van artikel 16 en alinea b van lid 1 van artikel 22 vereiste percentage, of voldoet aan de bepalingen van alinea c van lid 1 van artikel 9, alinea c van lid 1 van artikel 16 en alinea c van lid 1 van artikel 22,
kan zulk een Lid van sommige bepalingen van de delen II, III of IV afwijken, mits het totaalbedrag van de uitkeringen, verleend krachtens het desbetreffende deel, ten minste gelijk is aan 110 procent van het totaalbedrag van de uitkeringen, dat verkregen zou worden bij toepassing van alle bepalingen van genoemd deel.
Elk Lid dat gebruik heeft gemaakt van zodanige afwijkende bepalingen vermeldt in de rapporten over de toepassing van dit Verdrag, die het krachtens artikel 22 van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie moet uitbrengen, de stand van zijn wetgeving en de uitvoering hiervan met betrekking tot deze afwijkende bepalingen en de vooruitgang welke het met het oog op de volledige toepassing van het Verdrag heeft gemaakt.
Artikel 43
Dit Verdrag is niet van toepassing op:
- a. eventualiteiten, die zich hebben voorgedaan voordat het desbetreffende deel van het Verdrag voor het betrokken Lid in werking is getreden;
- b. uitkeringen, toegekend voor eventualiteiten, die zich hebben voorgedaan nadat het desbetreffende deel van het Verdrag voor het betrokken Lid in werking is getreden, voor zover het recht op deze uitkeringen voortvloeit uit tijdvakken, voorafgaande aan de datum van genoemde inwerkingtreding.
Artikel 44
Dit Verdrag herziet, onder de hierna aan te duiden voorwaarden, het Verdrag inzake de ouderdomsverzekering (industrie, enz.), 1933; het Verdrag inzake de ouderdomsverzekering (landbouw), 1933; het Verdrag inzake de invaliditeitsverzekering (industrie, enz.), 1933; het Verdrag inzake de invaliditeitsverzekering (landbouw), 1933; het Verdrag inzake de overlijdensverzekering (industrie, enz.) 1933, en het Verdrag inzake de overlijdensverzekering (landbouw), 1933.
De aanvaarding van de verplichtingen van dit Verdrag door een Lid dat partij is bij een of meer der aldus herziene Verdragen zal op de datum waarop het Verdrag voor dit Lid in werking treedt de volgende juridische gevolgen hebben:
- a. de aanvaarding van de verplichtingen van deel II van het Verdrag zal ipso jure de onmiddellijke opzegging van het Verdrag inzake de invaliditeitsverzekering (industrie, enz.), 1933, en het Verdrag inzake de invaliditeitsverzekering (landbouw), 1933, inhouden;
- b. de aanvaarding van de verplichtingen van deel III van het Verdrag zal ipso jure de onmiddellijke opzegging van het Verdrag inzake de ouderdomsverzekering (industrie, enz.), 1933, en het Verdrag inzake de ouderdomsverzekering (landbouw), 1933, inhouden;
- c. de aanvaarding van de verplichtingen van deel IV van het Verdrag zal ipso jure de onmiddellijke opzegging van het Verdrag inzake de overlijdensverzekering (industrie, enz.), 1933, en het Verdrag inzake de overlijdensverzekering (landbouw), 1933, inhouden.
Artikel 45
Overeenkomstig artikel 75 van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid (minimumnormen), 1952, houden de volgende delen van genoemd Verdrag en de overeenkomstige bepalingen in de andere delen van genoemd Verdrag op van toepassing te zijn voor elk Lid dat dit Verdrag bekrachtigt, van de datum af, waarop de bepalingen van dit Verdrag dit Lid binden, mits geen verklaring overeenkomstig artikel 38 van kracht is:
- a. deel IX, indien een Lid de verplichtingen van deel II van dit Verdrag heeft aanvaard;
- b. deel V, indien een Lid de verplichtingen van deel III van dit Verdrag heeft aanvaard;
- c. deel X, indien een Lid de verplichtingen van deel IV van dit Verdrag heeft aanvaard.
De aanvaarding van de verplichtingen van dit Verdrag zal voor artikel 2 van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid (minimumnormen), 1952, worden beschouwd, mits geen verklaring overeenkomstig artikel 38 van kracht is, als aanvaarding van de verplichtingen van de volgende delen en de overeenkomstige bepalingen in de andere delen van genoemd Verdrag:
- a. deel IX, indien een Lid de verplichtingen van deel II van dit Verdrag heeft aanvaard;
- b. deel V, indien het Lid de verplichtingen van deel III van dit Verdrag heeft aanvaard;
- c. deel X, indien het Lid de verplichtingen van deel IV van dit Verdrag heeft aanvaard.
Artikel 46
Wanneer zulks wordt bepaald in een later door de Conferentie aangenomen Verdrag, hetwelk betrekking heeft op een of meer van de in dit Verdrag behandelde onderwerpen, houden de bepalingen van dit Verdrag welke in het nieuwe Verdrag worden genoemd, op van toepassing te zijn op elk Lid dat dit laatste Verdrag heeft bekrachtigd, van de datum af waarop dit Verdrag voor het betrokken Lid in werking treedt.
Deel VIII. Slotbepalingen
Artikel 47
De formele bekrachtigingen van dit Verdrag worden aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau medegedeeld en door hem ingeschreven.
Artikel 48
Dit Verdrag is slechts verbindend voor de Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie die hun bekrachtiging door de Directeur-Generaal hebben doen registreren.
Het treedt in werking twaalf maanden nadat de bekrachtigingen van twee Leden door de Directeur-Generaal zijn geregistreerd.
Vervolgens treedt dit Verdrag voor ieder Lid in werking twaalf maanden na de datum waarop zijn bekrachtiging is ingeschreven.
Artikel 49
Elk Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd, kan na verloop van een termijn van tien jaren na de datum van zijn inwerkingtreding dit Verdrag of één of meer der delen II tot en met IV opzeggen door middel van een aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau gerichte en door deze geregistreerde verklaring. De opzegging wordt eerst van kracht een jaar nadat zij is geregistreerd.
Elk Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd en niet binnen een jaar na het verloop van de termijn van tien jaar als bedoeld in het voorgaande lid gebruik maakt van de bevoegdheid tot opzegging voorzien in dit artikel is voor een nieuwe termijn van tien jaren gebonden en kan daarna dit Verdrag of een der delen II tot en met IV opzeggen na afloop van elke termijn van tien jaar onder de voorwaarden bedoeld in dit artikel.
Artikel 50
De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau geeft aan alle Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie kennis van de registratie van alle bekrachtigingen en opzeggingen die hem door de Leden der Organisatie zijn medegedeeld.
Bij de kennisgeving aan de Leden der Organisatie van de registratie van de tweede hem medegedeelde bekrachtiging, vestigt de Directeur-Generaal de aandacht van de Leden der Organisatie op de datum waarop dit Verdrag in werking treedt.
Artikel 51
De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau doet aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties mededeling, ter registratie overeenkomstig artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties, van de volledige bijzonderheden betreffende alle bekrachtigingen en opzeggingen, welke door hem overeenkomstig de bepalingen van de vorige artikelen zijn geregistreerd.
Artikel 52
Telkens wanneer de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau zulks nodig oordeelt, brengt deze Raad aan de Algemene Conferentie verslag uit over de toepassing van dit Verdrag en onderzoekt of het wenselijk is de gehele of gedeeltelijke herziening ervan op de agenda van de Conferentie te plaatsen.
Artikel 53
Indien de Conferentie een nieuw Verdrag aanneemt, houdende gehele of gedeeltelijke herziening van dit Verdrag, zal, tenzij het nieuwe Verdrag anders bepaalt:
- a. de bekrachtiging door een Lid van het nieuwe Verdrag, houdende herziening, ipso jure onmiddellijke opzegging van dit Verdrag medebrengen, niettegenstaande het bepaalde in artikel 49, zodra het nieuwe Verdrag, houdende herziening, in werking is getreden;
- b. met ingang van de datum waarop het nieuwe Verdrag, houdende herziening, in werking is getreden, dit Verdrag niet langer door de Leden bekrachtigd kunnen worden.
Dit Verdrag blijft echter in elk geval naar vorm en inhoud van kracht voor de Leden die het bekrachtigd hebben en die het nieuwe Verdrag, houdende herziening, niet bekrachtigen.
Artikel 54
De Franse en de Engelse tekst van dit Verdrag zijn gelijkelijk authentiek.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)