Aanvullend Protocol bij de op 12 september 1963 te Ankara ondertekende Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en Turkije

Type Verdrag
Publication 1986-03-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Preambule

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

De President van de Bondsrepubliek Duitsland,

De President van de Franse Republiek,

De President van de Italiaanse Republiek,

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg,

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

en de Raad van de Europese Gemeenschappen, enerzijds, en

De President van de Republiek Turkije, anderzijds,

Overwegende dat de Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije na de voorbereidende fase een overgangsfase van de Associatie voorschrijft,

Vaststellende dat de voorbereidende fase in hoge mate en in overeenstemming met de doelstellingen van de Associatieovereenkomst heeft bijgedragen tot het versterken van de economische betrekkingen in het algemeen, en tot de uitbreiding van het handelsverkeer in het bijzonder, tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije,

Van oordeel zijnde dat de voorwaarden voor de overgang van de voorbereide2)[Red: Lees: voorbereidende.]fase naar de overgangsfase zijn vervuld,

Vastbesloten de bepalingen betreffende de voorwaarden, de wijze en het ritme van de verwezenlijking van deze overgangsfase vast te stellen in de vorm van een Aanvullend Protocol,

Overwegende dat gedurende de overgangsfase de Overeenkomstsluitende Partijen op de grondslag van wederkerige en tegen elkaar opwegende verplichtingen zorg dragen voor het geleidelijk tot stand brengen van een douane-unie tussen Turkije en de Gemeenschap alsmede voor het nader tot elkaar brengen van het economisch beleid van Turkije en dat van de Gemeenschap, ten einde de goede werking van de Associatie en de ontwikkeling van de hiertoe benodigde gemeenschappelijke maatregelen te verzekeren,

Hebben als hun gevolmachtigden aangewezen:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen:

de heer Pierre Harmel,

Minister van Buitenlandse Zaken;

De President van de Bondsrepubliek Duitsland:

de heer Walter Scheel,

Minister van Buitenlandse Zaken;

De President van de Franse Republiek:

de heer Maurice Schumann,

Minister van Buitenlandse Zaken;

De President van de Italiaanse Republiek:

de heer Mario Pedini,

Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken;

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg:

de heer Gaston Thorn,

Minister van Buitenlandse Zaken;

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

de heer J. M. A. H. Luns,

Minister van Buitenlandse Zaken;

De Raad van de Europese Gemeenschappen:

de heer Walter Scheel,

Fungerend Voorzitter van de Raad van de Europese Gemeenschappen;

de heer Franco Maria Malfatti,

Voorzitter van de Commissie van de Europese Gemeenschappen;

De President van de Republiek Turkije:

de heer Ihsan Sabri Çalayanğil,

Minister van Buitenlandse Zaken;

Die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten,

omtrent de volgende bepalingen, die aan de Associatieovereenkomst worden gehecht, overeenstemming hebben bereikt:

Artikel 1

In dit Protocol wordt vastgesteld onder welke voorwaarden, op welke wijze en in welk ritme de overgangsfase ten uitvoer zal worden gelegd, bedoeld in artikel 4 van de overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije.

TITEL I. HET VRIJE VERKEER VAN GOEDEREN

Artikel 2
1.

Hoofdstuk I, afdeling I, en hoofdstuk II van deze titel zijn van toepassing:

2.

Als zich bevindend in het vrije verkeer in de Gemeenschap of in Turkije worden beschouwd: produkten uit derde landen waarvoor in de Gemeenschap of in Turkije de invoerformaliteiten zijn verricht en de verschuldigde douanerechten en heffingen van gelijke werking zijn voldaan en waarvoor geen gehele of gedeeltelijke teruggave van die rechten of heffingen is verleend.

3.

Goederen uit derde landen in de Gemeenschap of in Turkije ingevoerd onder een bijzondere douaneregeling uit hoofde van hun oorsprong of herkomst, kunnen niet worden geacht zich daar in het vrije verkeer te bevinden, wanneer zij weer naar de andere Overeenkomstsluitende Partij worden uitgevoerd. De Associatieraad kan echter onder door hem te bepalen voorwaarden afwijkingen van deze regel vaststellen.

4.

De leden 1 en 2 zijn slechts van toepassing op de goederen die vanaf de datum van ondertekening van dit Protocol uit de Gemeenschap of uit Turkije worden uitgevoerd.

Artikel 3
1.

Hoofdstuk I, afdeling I, en hoofdstuk II van deze titel zijn eveneens van toepassing op in de Gemeenschap of in Turkije vervaardigde goederen waarin produkten uit derde landen zijn verwerkt, die zich noch in de Gemeenschap noch in Turkije in het vrije verkeer bevonden. De toepassing ervan op de hierboven bedoelde goederen wordt echter afhankelijk gesteld van een compenserende heffing in het uitvoerland, waarvan de hoogte gelijk is aan een percentage van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief die worden geheven op produkten uit derde landen die daarin zijn verwerkt. Dit percentage, dat door de Associatieraad voor elke door hem bepaalde periode wordt vastgesteld, is afhankelijk van de tariefverlaging voor die goederen in het invoerland. De Associatieraad stelt eveneens regels betreffende de compenserende heffing vast, met inachtneming van de regels die vóór 1 juli 1968 in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ter zake golden.

2.

De compenserende heffing wordt evenwel bij uitvoer uit de Gemeenschap of uit Turkije niet toegepast op de onder in dit artikel bedoelde omstandigheden vervaardigde goederen, zolang voor de meeste der in de andere Overeenkomstsluitende Partij ingevoerde goederen de verlaging van de douanerechten niet meer dan 20% bedraagt, met inachtneming van de verschillende ritmen van de tariefverlaging welke in dit Protocol zijn vastgesteld.

Artikel 4

Met inachtneming van de door de Gemeenschap ten aanzien van het goederenverkeer tussen de Lid-Staten vastgestelde werkwijzen stelt de Associatieraad de wijzen van administratieve samenwerking ter toepassing van de artikelen 2 en 3 vast.

Artikel 5
1.

Iedere Overeenkomstsluitende Partij die van oordeel is, dat ongelijkheden die voortvloeien uit de toepassing, hetzij van douanerechten, hetzij van kwantitatieve beperkingen, hetzij van enige maatregel van gelijke werking bij invoer, alsmede van enige andere handelspolitieke maatregel, een verlegging van het handelsverkeer of economische moeilijkheden op haar grondgebied dreigen mede te brengen, kan zich tot de Associatieraad wenden, die, zo het geval zich voordoet, de methoden aanbeveelt die geschikt zijn om de schade die daaruit kan voortvloeien, te vermijden.

2.

Wanneer zich een verlegging van het handelsverkeer of economische moeilijkheden voordoen en de betrokken Partij van oordeel is dat deswege onverwijld ingrijpen noodzakelijk is, kan zij zelf de nodige beschermende maatregelen nemen, onder onverwijlde kennisgeving daarvan aan de Associatieraad, die kan beslissen of de betrokken Partij deze maatregelen moet wijzigen of opheffen.

3.

Bij voorrang moeten die maatregelen worden gekozen, die de werking van de Associatie en met name de normale ontwikkeling van het handelsverkeer het minst verstoren.

Artikel 6

Gedurende de overgangsfase brengen de Overeenkomstsluitende Partijen, in de mate waarin zulks voor de goede werking van de Associatie noodzakelijk is, hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen op douanegebied nader tot elkaar, met inachtneming van de reeds door de Lid-Staten van de Gemeenschap ter zake bereikte aanpassing.

HOOFDSTUK I. DOUANE-UNIE

Afdeling I. Afschaffing van de douanerechten tussen de Gemeenschap en Turkije

Artikel 7
1.

De Overeenkomstsluitende Partijen onthouden zich ervan, onderling nieuwe in- en uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking in te stellen en de rechten en heffingen die zij op de datum van inwerkingtreding van dit Protocol in hun onderlinge handelsbetrekkingen toepassen, te verhogen.

2.

De Associatieraad kan de Partijen evenwel machtigen tot het instellen van nieuwe uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking, indien zulks noodzakelijk blijkt om de doelstellingen van de Overeenkomst te verwezenlijken.

Artikel 8

De tussen de Gemeenschap en Turkije bestaande invoerrechten, alsmede de heffingen van gelijke werking, worden geleidelijk afgeschaft overeenkomstig de artikelen 9 tot en met 11.

Artikel 9

Bij de inwerkingtreding van dit Protocol schaft de Gemeenschap de douanerechten en heffingen van gelijke werking op de invoer uit Turkije af.

Artikel 10
1.

Het recht dat op de datum van ondertekening van dit Protocol daadwerkelijk ten opzichte van de Gemeenschap wordt toegepast, vormt voor ieder produkt het basisrecht waarop de achtereenvolgende verlagingen door Turkije moeten worden toegepast.

2.

Het ritme van de door Turkije tot stand te brengen verlagingen wordt als volgt bepaald: de eerste verlaging wordt tot stand gebracht bij de inwerkingtreding van dit Protocol. De tweede en derde verlaging worden achtereenvolgens drie en vijf jaar later tot stand gebracht. De vierde en volgende verlagingen hebben jaarlijks plaats, zodat de laatste verlaging plaatsvindt aan het einde van de overgangsperiode.

3.

Elke verlaging geschiedt door het basisrecht van ieder produkt met 10 % te verminderen.

Artikel 11

In afwijking van artikel 10, lid 2 en 3, schaft Turkije voor de in bijlage No. 3 opgenomen produkten in de loop van een periode van tweeëntwintig jaar geleidelijk de basisrechten ten opzichte van de Gemeenschap af in het volgende ritme: een verlaging van 5% van elk recht wordt tot stand gebracht bij de inwerkingtreding van dit Protocol. Drie verdere verlagingen van elk 5 % vinden achtereenvolgens drie, zes en tien jaar later plaats.

Acht verdere verlagingen van elk 10% worden tot stand gebracht achtereenvolgens twaalf, dertien, vijftien, zeventien, achttien, twintig, eenentwintig en tweeëntwintig jaar na de inwerkingtreding van dit Protocol.

Artikel 12
1.

Ten einde de ontwikkeling van een nieuwe, bij de inwerkingtreding van dit Protocol niet in Turkije bestaande veredelingsindustrie te beschermen of de uitbreiding van een bestaande veredelingsindustrie waarin het op het betrokken tijdstip in uitvoering zijnde Turkse ontwikkelingsprogramma voorziet, te waarborgen, kan Turkije gedurende de eerste acht jaar van de overgangsfase in bijlage No. 3 de noodzakelijke wijzigingen aanbrengen, mits:

De produkten die aan de lijst van bijlage No. 3 worden toegevoegd, kunnen onmiddellijk worden onderworpen aan de volgens artikel 11 berekende rechten; de produkten die ervan worden afgevoerd, worden onmiddellijk onderworpen aan de volgens artikel 10 berekende rechten.

2.

Turkije stelt de Associatieraad in kennis van de maatregelen die het overeenkomstig bovenstaande bepalingen overweegt te nemen.

3.

Met hetzelfde doel als bedoeld in lid 1 en voor ten hoogste 10% van de invoer uit de Gemeenschap in het jaar 1967, kan de Associatieraad Turkije tijdens de overgangsfase machtigen tot het opnieuw invoeren, het verhogen of het instellen van douanerechten voor de aan de regeling van artikel 10 onderworpen produkten.

Door deze tariefmaatregelen mogen voor elk der posten waarop zij betrekking hebben, de rechten welke worden toegepast op invoer uit de Gemeenschap, niet hoger komen dan 25 % ad valorem.

4.

De Associatieraad kan eveneens, gedurende de overgangsfase, besluiten dat de aan Turkije in lid 3 toegekende bevoegdheid, in plaats van het opnieuw invoeren, het verhogen of het instellen van douanerechten, de mogelijkheid kan omvatten kwantitatieve beperkingen in te stellen, mits het ten gunste van de Gemeenschap een contingent opent, dat niet minder bedraagt dan 60 % van de invoer van bedoeld produkt uit de Gemeenschap gedurende het voorafgaande jaar. De invoerwaarde in 1967 van de produkten uit de Gemeenschap waarop deze kwantitatieve beperkingen betrekking hebben, dient in mindering te worden gebracht op de totale in lid 3, eerste alinea, bedoelde invoerwaarde.

De Associatieraad stelt de wijze van uitvoering en de voorwaarden van afschaffing van deze maatregelen vast.

5.

In afwijking van lid 4 zijn voor de periode gedurende welke Turkije het geconsolideerde liberalisatiepercentage toepast, dat overeenkomstig artikel 22, leden 2 en 3, is vastgesteld op 40 %, de volgende regels van toepassing:

Indien de Associatieraad niet binnen 6 maanden te rekenen van de indiening van het verzoek, een besluit heeft genomen krachtens lid 4, kan Turkije, na de Associatieraad hiervan op de hoogte te hebben gesteld, en niet eerder dan een jaar na indiening van zijn verzoek, kwantitatieve beperkingen instellen, welke voldoen aan de in lid 4 genoemde voorwaarden.

Deze kwantitatieve beperkingen mogen te zamen geen hogere invoerwaarde vertegenwoordigen dan 5 % van de invoer uit de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling over 1967. De waarde van de invoer over 1967, waarop deze kwantitatieve beperkingen betrekking hebben, berekend op basis van de invoer uit de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling, moet in mindering worden gebracht op de in lid 3, eerste alinea, bedoelde waarde. Indien deze beperkingen echter betrekking hebben op produkten die bij een verhoging van het geconsolideerde liberalisatiepeil aan de lijst werden toegevoegd, overeenkomstig artikel 22, lid 4, wordt de invoerwaarde berekend op basis van de invoer over 1967 uit de oorspronkelijke en de nieuwe Lid-Staten.

Turkije dient tegelijkertijd nieuwe produkten toe te voegen aan de overeenkomstig artikel 22, lid 4, geconsolideerde liberalisatielijst zodat de waarde van de invoer uit de Gemeenschap van de op de lijst opgenomen produkten niet wordt verminderd.

In de Associatieraad kan overleg plaatsvinden over de geleidelijke afschaffing van de door Turkije in toepassing van dit lid ingestelde kwantitatieve beperkingen.

6.

De Associatieraad kan afwijken van de leden 1, 3, 4 en 5.

Artikel 13
1.

Ongeacht de artikelen 9 tot en met 11 kunnen de Overeenkomstsluitende Partijen de heffing van rechten geheel of gedeeltelijk schorsen, op produkten, ingevoerd uit de andere Partij die hiervan in kennis dient te worden gesteld; een en ander geldt, wat Turkije betreft, met name om de invoer van sommige produkten die nodig zijn ter aanmoediging van zijn economische ontwikkeling, te vergemakkelijken.

2.

De Overeenkomstsluitende Partijen verklaren zich bereid, hun rechten ten opzichte van de andere Partij in een sneller ritme te verlagen dan in de artikelen 9 tot en met 11 is bepaald, indien hun algemene economische toestand en de toestand in de betrokken sector hun zulks toelaten. De Associatieraad doet hiertoe passende aanbevelingen.

Artikel 14

Indien Turkije in een sneller ritme dan bedoeld in de artikelen 10 en 11 een heffing van gelijke werking als douanerechten afschaft ten aanzien van een land dat niet bij de Associatie is aangesloten, zal hetzelfde ritme worden toegepast voor de afschaffing van deze heffing ten aanzien van de Gemeenschap.

Artikel 15

Onverminderd artikel 7, lid 2, schaffen de Overeenkomstsluitende Partijen uiterlijk vier jaar na de inwerkingtreding van dit Protocol alle tussen hen bestaande uitvoerrechten en heffingen van gelijke werking af.

Artikel 16
1.

De artikelen 7, lid 1, en 8 tot en met 15 zijn van toepassing op douanerechten van fiscale aard.

2.

De Gemeenschap en Turkije brengen bij de inwerkingtreding van dit Protocol hun douanerechten van fiscale aard ter kennis van de Associatieraad.

3.

Turkije behoudt de bevoegdheid deze douanerechten van fiscale aard te vervangen door een binnenlandse heffing die in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 44.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.