Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek inzake eilandbrede samenwerking op politiegebied op Sint Maarten
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden
en
de Regering van de Franse Republiek
hierna te noemen „de partijen”,
Teneinde:
de samenwerking te versterken die in de afgelopen jaren in het grensgebied tussen de met politietaken belaste diensten is ingezet;
de samenwerking tussen beide partijen te bevorderen door de mogelijkheden voor grensoverschrijdend optreden ter handhaving van de openbare orde en binnenlandse veiligheid te verruimen;
Zijn het volgende overeengekomen:
TITEL I. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN EN DOELEN VAN DE SAMENWERKING
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
In dit Verdrag wordt verstaan onder:
- a). „Functionarissen”: de tot de bevoegde diensten van beide partijen behorende personen die gestationeerd zijn in de territoriale eenheden die zijn gelegen in het in artikel 3 omschreven gebied, of wier bevoegdheid zich tot dat gebied uitstrekt, alsmede de tot de bevoegde diensten behorende personen die optreden ter versterking van de territoriale eenheden;
- b). „gerechtelijk onderzoek”: onderzoek ten aanzien van een feit waarvoor strafrechtelijke vervolging mogelijk is.
Artikel 2. Bevoegde diensten
De bevoegde diensten ten behoeve van dit Verdrag zijn, voor zover het hem betreft:
- Voor de Franse partij:
- –. de nationale politie;
- –. de nationale gendarmerie.
- Voor de Nederlandse partij:
- –. de opsporingsambtenaren in de zin van het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen.
Artikel 3. Gebied van de eilandbrede samenwerking
Voor de toepassing van dit Verdrag bestaat het bevoegdheidsgebied van Sint Maarten uit:
- Voor de Franse partij: de overzeese gemeenschap van Saint-Martin, met inbegrip van de territoriale wateren en het luchtruim.
- Voor de Nederlandse partij: het grondgebied van Sint Maarten, met inbegrip van de territoriale wateren en het luchtruim.
Artikel 4. Doelen
De partijen gaan, onder eerbiediging van hun respectieve soevereiniteit en van de taak van de territoriaal bevoegde bestuurlijke en rechterlijke autoriteiten, over tot eilandbrede samenwerking tussen de met politietaken belaste diensten, zulks door middel van de formulering van nieuwe vormen van samenwerking en door middel van een rechtstreekse samenwerking tussen overeenkomstige diensten.
Deze samenwerking krijgt haar beslag in het kader van de bestaande structuren en bevoegdheden en onder eerbiediging van de algemene bepalingen die op de internationale politiesamenwerking van toepassing zijn.
TITEL II. BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR DE POLITIESAMENWERKING
Artikel 5. Bijstand op verzoek
De partijen komen overeen dat hun diensten elkaar bijstand verlenen, onder eerbiediging van hun nationale wetgeving en binnen de grenzen van hun bevoegdheden, teneinde strafbare feiten te voorkomen en op te sporen, voor zover het nationale recht het verzoek niet voorbehoudt aan de rechterlijke autoriteiten en het verzoek en de uitvoering ervan geen toepassing van dwangmaatregelen door de aangezochte partij met zich meebrengen. Indien de aangezochte diensten niet bevoegd zijn om een verzoek uit te voeren, zenden zij het verzoek door naar de bevoegde autoriteiten en brengen zij de verzoekende autoriteiten hiervan op de hoogte.
Zonder afbreuk te doen aan de algemene bevoegdheden van de nationale centrale autoriteiten kunnen de in artikel 2 bedoelde diensten elkaar, in het kader van hun respectieve bevoegdheden, in het bijzonder verzoeken om bijstand toezenden betreffende het handhaven van de openbare orde, de bestrijding van illegale immigratie en van alle andere vormen van criminaliteit, in het bijzonder op de volgende gebieden:
- –. identificatie van de houders, bestuurders en passagiers van gemotoriseerde landvoertuigen;
- –. identificatie van voertuigen en verificatie van de status ervan;
- –. identificatie van de houders, bestuurders en passagiers van vaartuigen;
- –. verzoeken betreffende rijbewijzen;
- –. verzoeken betreffende vaarbewijzen of -vergunningen;
- –. onderzoek naar de huidige woon- en verblijfplaatsen;
- –. identificatie van de houders van telefoon- en communicatielijnen;
- –. vaststelling van de identiteit van personen en van hun administratieve status;
- –. verstrekking van politiegegevens afkomstig uit computerbestanden of andere documenten die deze diensten onder zich hebben;
- –. opstelling van plannen, afstemming van opsporingsmaatregelen en instelling van opsporingen in spoedeisende gevallen;
- –. verificatie van de aanwezigheid van materiële sporen;
- –. verificatie van de echtheid en geldigheid van identiteits- en reisdocumenten.
De op deze wijze op grond van het eerste lid van dit artikel aangezochte diensten beantwoorden de verzoeken rechtstreeks, tenzij het nationale recht de behandeling ervan aan de rechterlijke autoriteiten voorbehoudt. In dat geval wordt het verzoek om bijstand rechtstreeks en onverwijld aan de territoriaal bevoegde gerechtelijke autoriteit gericht, die dit verzoek, overeenkomstig het geldende recht, als een verzoek om wederzijdse rechtshulp behandelt en het antwoord via de in eerste instantie aangezochte diensten terugzendt.
Artikel 6. Bijstand op eigen initiatief
De bevoegde diensten van de partijen kunnen, onder eerbiediging van hun nationale wetgeving en zonder hierom te worden verzocht, aan de andere partij inlichtingen doen toekomen die deze partij zouden kunnen helpen concrete bedreigingen van de veiligheid en openbare orde te voorkomen of strafbare feiten te bestrijden. De overbrenging van de inlichtingen vindt plaats overeenkomstig het eerste en derde lid van artikel 5.
Artikel 7. Detachering van verbindingsfunctionarissen
De partijen kunnen bijzondere regelingen treffen voor de detachering, voor bepaalde of onbepaalde duur, van verbindingsfunctionarissen bij de diensten van de andere partij.
De detachering van verbindingsfunctionarissen heeft ten doel de samenwerking tussen de partijen te bevorderen en te versnellen, in het bijzonder door bijstand te verlenen:
- a). in de vorm van uitwisseling van inlichtingen ten behoeve van de preventie en bestrijding van elke vorm van criminaliteit;
- b). bij de uitvoering van verzoeken om samenwerking tussen de bevoegde diensten.
De taak van de verbindingsfunctionarissen is het uitbrengen van advies en het leveren van bijstand. De verbindingsfunctionarissen zijn niet bevoegd om zelfstandig politiële maatregelen uit te voeren. Zij verstrekken inlichtingen en voeren hun taken uit in het kader van de opdrachten die aan hen worden verstrekt door de partij van herkomst en door de partij waarbij zij zijn gedetacheerd. Zij brengen periodiek verslag uit aan het hoofd van de dienst waarbij zij zijn gedetacheerd.
TITEL III. RECHTSTREEKSE SAMENWERKING
Artikel 8. Samenwerking tussen operationele eenheden
De bevoegde diensten van de partijen:
- –. doen elkaar de organogrammen en adresgegevens van de operationele eenheden toekomen;
- –. stellen een vereenvoudigde code op om de locaties aan te duiden waar operationele inzet plaatsvindt.
De bevoegde diensten gaan een rechtstreekse grensoverschrijdende samenwerking op politiegebied aan. In dit kader zijn de eenheden van deze diensten in het bijzonder belast met de volgende taken:
- –. coördinatie van hun gezamenlijk optreden ter handhaving van de orde en openbare veiligheid;
- –. bestrijding van illegale handel, illegale immigratie en criminaliteit;
- –. het verzamelen en uitwisselen van inlichtingen op politiegebied.
Artikel 9. Tussentijdse balans van de samenwerking
De bevoegde diensten van beide partijen komen bijeen wanneer de operationele inzet dat vereist. Daarbij:
- –. maken zij de balans op van de samenwerking tussen hun eenheden;
- –. wisselen zij statistische gegevens uit met betrekking tot de uiteenlopende vormen van criminaliteit die onder hun bevoegdheid vallen;
- –. stellen zij gezamenlijke schema’s voor interventie op voor situaties waarvoor coördinatie tussen hun eenheden vereist is en actualiseren deze;
- –. stellen zij gezamenlijk opsporingsplannen op;
- –. organiseren zij patrouilles waarbij de eenheid van de ene partij bijstand kan ontvangen van een of meerdere ambtenaren van de bevoegde diensten van de andere partij;
- –. plannen zij gezamenlijke oefeningen;
- –. gaan zij over tot afstemming van de voorzienbare samenwerkingsbehoeften, nodig in verband met verwachte evenementen of de ontwikkeling van de uiteenlopende vormen van criminaliteit;
- –. stellen zij een gezamenlijk werkprogramma op;
- –. werken zij gecoördineerde strategieën uit.
Na afloop van elke bijeenkomst wordt een verslag opgesteld.
TITEL IV. WEDERZIJDSE BIJSTAND
Artikel 10. Bijstand in relatie tot de openbare orde
De bevoegde diensten van beide partijen verlenen elkaar, binnen de grenzen van hun nationale recht, wederzijdse bijstand bij grootschalige evenementen of belangrijke gebeurtenissen, in geval van rampen alsmede ernstige ongevallen of feiten die het leven of de fysieke integriteit van personen kunnen bedreigen:
- a). door elkaar zo snel mogelijk op de hoogte te brengen van evenementen of situaties die grensoverschrijdende gevolgen kunnen hebben, alsmede van de daarop betrekking hebbende bevindingen;
- b). door op hun grondgebied, bij evenementen en situaties die grensoverschrijdende gevolgen hebben, de noodzakelijke politiële maatregelen te nemen en deze te coördineren;
- c). door, voor zover mogelijk, bijstand te leveren in de vorm van interventiedetachementen, specialisten en adviseurs, en, op verzoek van de partij op het grondgebied waarvan het evenement plaatsvindt of de situatie zich voordoet, materieel beschikbaar te stellen.
Artikel 11. Instructie, opleiding en technische bijstand
Op verzoek kan de ene partij aan de andere partij bepaalde infrastructuur of bijzondere middelen ter beschikking stellen ten behoeve van opleidingsdoeleinden of ter ondersteuning van operationele maatregelen. Op dezelfde wijze kunnen gezamenlijke opleidingen op het gebied van interventie of opleidingen waarvoor specialistische kennis vereist is worden opgezet, teneinde de operationele capaciteit van het personeel van beide partijen te verbeteren. Ten behoeve van de toepassing van dit artikel worden de voorwaarden voor de terbeschikkingstelling van middelen en uitwisselingen vastgelegd in technische regelingen.
TITEL V. GRENSOVERSCHRIJDENDE OBSERVATIE
Artikel 12
De functionarissen van een van de partijen die, in het kader van een gerechtelijk onderzoek, een persoon observeren die vermoedelijk heeft deelgenomen aan een feit waarop, volgens het recht van de aangezochte partij, een gevangenisstraf van ten minste een jaar staat, of wanneer er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de geobserveerde persoon, ten behoeve van een gerechtelijk onderzoek, kan meewerken aan de identificatie of het aanduiden van de verblijfplaats van een dergelijke persoon, zijn bevoegd de grensoverschrijdende observatie voort te zetten op basis van een vooraf ingediend verzoek om wederzijdse rechtshulp.
Op verzoek wordt de observatie opgedragen aan de functionarissen van de partij op het grondgebied waarvan de observatie plaatsvindt.
Indien op grond van bijzonder spoedeisende redenen niet vooraf om de toestemming van de partij kan worden verzocht, zijn de observerende functionarissen bevoegd de observatie over de grens voort te zetten, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- a). De feiten waarop het onderzoek betrekking heeft, vallen onder een van de in Bijlage 1 bij dit Verdrag vermelde categorieën strafbare feiten;
- b). De grensoverschrijding wordt onmiddellijk medegedeeld:
- –. voor de Franse partij: aan het operationeel centrum van de gendarmerie van Saint-Martin, die de in het derde lid van dit artikel genoemde rechterlijke autoriteit op de hoogte brengt;
- –. voor de Nederlandse partij: aan de centrale meldkamer van het korps politie Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba, die de in het derde lid van dit artikel genoemde rechterlijke autoriteit op de hoogte brengt:
- c). Aan de in het derde lid van dit artikel bedoelde autoriteiten wordt onverwijld een overeenkomstig het eerste lid van dit artikel ingediend verzoek om wederzijdse rechtshulp gericht, onder vermelding van de gronden voor de grensoverschrijding zonder voorafgaande toestemming.
De observatie wordt afgebroken zodra de partij op het grondgebied waarvan de observatie plaatsvindt daarom verzoekt, na ontvangst van de mededeling uit hoofde van de onderdelen b) en c) van het tweede lid van dit artikel, of indien de toestemming niet wordt verkregen binnen een termijn van zes uren te rekenen vanaf de grensoverschrijding door de observerende functionarissen.
De toestemming is geldig voor het gehele grondgebied van de aangezochte partij en er kunnen voorwaarden aan worden verbonden.
Het verzoek om wederzijdse rechtshulp dient te worden gericht aan de autoriteit die is aangewezen voor het verlenen of doorzenden van de toestemming waarom wordt verzocht, hetzij:
- –. voor de Franse partij: de territoriaal bevoegde officier van justitie. Het verzoek wordt gelijktijdig gericht aan het bureau van het Interregionaal Directoraat Recherche (Direction Interrégionale de Police Judiciaire - DIPJ) Antillen-Guyana (filiaal van het Nationaal Centraal Bureau/NCB Frankrijk van Interpol); achteraf wordt eveneens een verslag van de uitvoering van de observatie verzonden.
- –. voor de Nederlandse partij: de procureur-generaal van de Nederlandse Antillen.
De observerende functionarissen zijn:
- –. voor de Franse partij: de opsporingsambtenaren van de nationale politie en de nationale gendarmerie;
- –. voor de Nederlandse partij: de opsporingsambtenaren in de zin van het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen, mits zij zijn aangewezen als observanten.
Aan de observerende functionarissen komt geen staandehoudingsbevoegdheid toe.
De observatie mag slechts worden uitgevoerd onder de volgende algemene voorwaarden:
- a). de observerende functionarissen dienen zich te houden aan de bepalingen van dit artikel en aan het recht van de partij op wier grondgebied zij optreden; ze zijn verplicht gevolg te geven aan door de lokaal bevoegde autoriteiten gegeven bevelen;
- b). op de observerende functionarissen zijn, op het gebied van het verkeer, dezelfde wettelijke bepalingen van toepassing als op de politiefunctionarissen van de partij op wier grondgebied de observatie plaatsvindt;
- c). behoudens in de gevallen als bedoeld in het tweede lid van dit artikel dienen de functionarissen tijdens de observatie te zijn voorzien van een document waaruit blijkt dat de toestemming is verleend;
- d). de observerende functionarissen dienen te allen tijde in staat te zijn hun officiële hoedanigheid aan te tonen;
- e). de observerende functionarissen mogen tijdens de observatie hun dienstwapen dragen; het wapen mag uitsluitend in geval van noodweer worden gebruikt;
- f). het is de observerende functionarissen verboden woningen binnen te treden en niet voor het publiek toegankelijke plaatsen te betreden en zij mogen voor het publiek toegankelijke werkplekken, bedrijven of zakelijke locaties uitsluitend betreden gedurende de openingstijden ervan;
- g). van elke observatie wordt verslag gedaan aan de diensten van de partij op het grondgebied waarvan de observatie heeft plaatsgevonden en de persoonlijke verschijning van observerende functionarissen kan worden verlangd;
- h). de diensten van de partij waaronder de observerende functionarissen vallen, verlenen, wanneer daarom is verzocht door de diensten van de partij op het grondgebied waarvan de observatie heeft plaatsgevonden, hun medewerking aan het politieonderzoek of de gerechtelijke procedure die voortvloeit uit de operatie waaraan zij hebben deelgenomen;
- i). de voor de observatie benodigde technische middelen worden gebruikt overeenkomstig de wetgeving van de partij op het grondgebied waarvan de observatie wordt voortgezet; de voor de optische en akoestische surveillance gebruikte middelen dienen in het verzoek om wederzijdse rechtshulp te worden vermeld.
TITEL VI. GRENSOVERSCHRIJDENDE ACHTERVOLGING
Artikel 13
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.