Verdrag inzake het recht betreffende het gebruik van internationale waterlopen anders dan voor scheepvaart
De Partijen bij dit Verdrag,
Zich bewust van het belang van internationale waterlopen en van hun gebruik voor andere doeleinden dan voor scheepvaart in tal van regio's ter wereld.
Indachtig artikel 13, eerste lid, letter a) van het Handvest van de Verenigde Naties, waarin wordt bepaald dat de Algemene Vergadering het initiatief neemt tot studies en aanbevelingen doet ten behoeve van de progressieve ontwikkeling en de codificatie van het internationaal recht,
Overwegende dat een geslaagde codificatie en progressieve ontwikkeling van de internationale rechtsregels waarin het gebruik van waterlopen anders dan voor scheepvaart wordt geregeld, zou bijdragen aan de bevordering en de uitvoering van de in de artikelen 1 en 2 van het Handvest vervatte doelstellingen en beginselen,
Rekening houdend met de problemen waardoor tal van internationale waterlopen worden getroffen en die, onder meer, voortvloeien uit de toegenomen vraag en vervuiling,
De overtuiging uitsprekend dat een kaderverdrag het mogelijk maakt de internationale waterlopen te gebruiken, te ontwikkelen, te behouden, te beheren en te beschermen en het optimale en duurzame gebruik daarvan voor de huidige en toekomstige generaties te bevorderen,
Bevestigend het belang van internationale samenwerking en goed nabuurschap op dit gebied,
Zich bewust van de bijzondere situatie en behoeften van ontwikkelingslanden,
In herinnering roepend de bij de Conferentie van de Verenigde Naties inzake Milieu en Ontwikkeling van 1992 in de Verklaring van Rio en Agenda 21 aangenomen beginselen en aanbevelingen,
Eveneens in herinnering roepend de bilaterale en multilaterale akkoorden inzake het gebruik van internationale waterlopen anders dan voor scheepvaart,
Gelet op de waardevolle bijdrage van zowel gouvernementele als niet-gouvernementele internationale organisaties aan de codificatie en progressieve ontwikkeling van het internationaal recht op dit gebied,
Erkentelijk voor de werkzaamheden van de Commissie inzake het internationaal recht aangaande het recht met betrekking tot het gebruik van internationale waterlopen anders dan voor scheepvaart,
Indachtig resolutie 49/52 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 9 december 1994,
Zijn het volgende overeengekomen:
DEEL I. INLEIDING
Artikel 1. Toepassingsgebied van dit Verdrag
Dit Verdrag is van toepassing op het gebruik van internationale waterlopen en de wateren daarvan anders dan voor scheepvaart en op maatregelen ten behoeve van bescherming, behoud en beheer die samenhangen met het gebruik van deze waterlopen en de wateren daarvan.
Het gebruik van internationale waterlopen voor scheepvaart behoort niet tot het toepassingsgebied van dit Verdrag, tenzij ander gebruik invloed heeft op de scheepvaart of het andere gebruik beïnvloed wordt door de scheepvaart.
Artikel 2. Gebezigde uitdrukkingen
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
- a. „Waterloop”, een stelsel van oppervlaktewateren en grondwateren die op grond van hun fysieke verbondenheid een eenheid vormen en doorgaans op een gemeenschappelijk eindpunt uitkomen;
- b. „Internationale waterloop”, een waterloop waarvan de delen zich in verschillende Staten bevinden;
- c. „Waterloopstaat”, een Staat die Partij is bij dit Verdrag en op het grondgebied waarvan zich een deel van een internationale waterloop bevindt of een Partij die een regionale organisatie voor economische integratie is en op het grondgebied van een of meer van haar lidstaten zich een deel van een internationale waterloop bevindt;
- d. „Regionale organisatie voor economische integratie”, een organisatie opgericht door soevereine Staten van een bepaalde regio, waaraan de lidstaten ervan de bevoegdheid ten aanzien van aangelegenheden die door dit Verdrag worden beheerst, hebben overgedragen en die in overeenstemming met haar interne procedures naar behoren gemachtigd is dit Verdrag te ondertekenen, te bekrachtigen, te aanvaarden, goed te keuren of hiertoe toe te treden.
Artikel 3. Waterloopovereenkomsten
Bij gebreke van een andersluidende overeenkomst, doet geen enkele bepaling in dit Verdrag afbreuk aan de rechten of verplichtingen van een Waterloopstaat op grond van overeenkomsten die van kracht zijn op de datum waarop een Waterloopstaat partij is geworden bij dit Verdrag.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, kunnen de partijen bij de in het eerste lid bedoelde overeenkomsten, indien nodig, overwegen deze overeenkomsten af te stemmen op de basisbeginselen van dit Verdrag.
Waterloopstaten kunnen een of meerdere overeenkomsten sluiten, hierna te noemen „Waterloopovereenkomsten”, waarin de bepalingen van dit Verdrag worden toegepast op en aangepast aan de kenmerken en het gebruik van een specifieke internationale waterloop of een deel daarvan.
Indien een Waterloopovereenkomst wordt gesloten tussen twee of meerdere Waterloopstaten, wordt hierin bepaald op welke wateren de overeenkomst van toepassing is. Een dergelijke overeenkomst kan worden gesloten voor een volledige internationale waterloop of elk gedeelte daarvan, of voor een specifiek project of programma, of voor een specifiek gebruik, voor zover deze overeenkomst geen aanzienlijke nadelige gevolgen heeft voor het gebruik van de wateren van de waterloop door een of meerdere Waterloopstaten, zonder hun uitdrukkelijke instemming.
Indien een Waterloopstaat van mening is dat aanpassing en toepassing van de bepalingen van dit Verdrag vereist is vanwege de kenmerken en het gebruik van een specifieke internationale waterloop, voeren de Waterloopstaten overleg teneinde te goeder trouw te onderhandelen met het doel een Waterloopovereenkomst of Waterloopovereenkomsten te sluiten.
Indien sommige, maar niet alle, Waterloopstaten van een specifieke internationale waterloop partij zijn bij een overeenkomst, doet geen enkele bepaling van een dergelijke overeenkomst afbreuk aan de rechten of verplichtingen van Waterloopstaten ingevolge dit Verdrag die geen partij zijn bij een dergelijke overeenkomst.
Artikel 4. Partijen bij Waterloopovereenkomsten
Elke Waterloopstaat heeft het recht deel te nemen aan de onderhandelingen over elke Waterloopovereenkomst die van toepassing is op de gehele internationale waterloop en bij een dergelijke overeenkomst partij te worden, alsook deel te nemen aan elk overleg terzake.
Een Waterloopstaat waarvan het gebruik van de internationale waterloop aanzienlijke nadelige gevolgen kan ondervinden van de uitvoering van een voorgestelde Waterloopovereenkomst die uitsluitend van toepassing is op een deel van de waterloop of op een specifiek project, programma of gebruik, heeft het recht deel te nemen aan de onderhandelingen over een dergelijke overeenkomst en, indien van toepassing, te goeder trouw deel te nemen aan de onderhandelingen daarover, teneinde daarbij partij te worden, voor zover zijn gebruik daardoor wordt beïnvloed.
DEEL II. ALGEMENE BEGINSELEN
Artikel 5. Redelijk en billijk gebruik en redelijke en billijke participatie
De Waterloopstaten gebruiken een internationale waterloop op hun onderscheiden grondgebieden op redelijke en billijke wijze. Een internationale waterloop wordt in het bijzonder door de Waterloopstaten gebruikt en ontwikkeld met het oog op het bereiken van een optimaal en duurzaam gebruik en voordeel daarvan, rekening houdend met de belangen van de betrokken Waterloopstaten en verenigbaar met een behoorlijke bescherming van de waterloop.
De Waterloopstaten participeren op redelijke en billijke wijze in het gebruik, de ontwikkeling en de bescherming van een internationale waterloop. Deze participatie omvat zowel het recht op gebruik van de waterloop als de plicht samen te werken bij de bescherming en ontwikkeling daarvan, zoals bepaald in dit Verdrag.
Artikel 6. Factoren terzake van redelijk en billijk gebruik
Voor een redelijk en billijk gebruik van een internationale waterloop in de zin van artikel 5, dient rekening te worden gehouden met alle factoren en omstandigheden terzake, waaronder:
- a. de geografische, hydrografische, hydrologische, klimatologische, ecologische en andere factoren van natuurlijke aard;
- b. de sociale en economische behoeften van de betrokken Waterloopstaten;
- c. de bevolking die in elke Waterloopstaat afhankelijk is van de waterloop;
- d. de effecten van het gebruik van de waterlopen in een Waterloopstaat op andere Waterloopstaten;
- e. het bestaande en mogelijke gebruik van de waterloop;
- f. het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en het economisch gebruik van de waterrijkdommen van de waterloop en de kosten van maatregelen die daartoe zijn getroffen;
- g. de aanwezigheid van alternatieven, van vergelijkbare waarde, voor een specifiek voorzien of bestaand gebruik.
Bij de toepassing van artikel 5 of van het eerste lid van dit artikel, treden de desbetreffende Waterloopstaten, indien nodig, in overleg in een geest van samenwerking.
Het gewicht dat aan elke factor dient te worden toegekend, wordt bepaald door het belang daarvan in verhouding tot het belang van andere factoren terzake. Om vast te stellen wat billijk en redelijk gebruik is, dienen alle relevante factoren gezamenlijk te worden bestudeerd en dient een conclusie te worden getrokken op basis van alle factoren tezamen.
Artikel 7. Verplichting geen aanzienlijke schade te veroorzaken
Bij het gebruik van een internationale waterloop op hun grondgebied nemen de Waterloopstaten alle passende maatregelen om te voorkomen dat aanzienlijke schade wordt veroorzaakt bij andere Waterloopstaten.
Indien bij een andere Waterloopstaat desondanks aanzienlijke schade wordt veroorzaakt, nemen de Staten wier gebruik deze schade heeft veroorzaakt, bij gebreke van een overeenkomst inzake dit gebruik, alle gepaste maatregelen, naar behoren rekening houdend met de bepalingen van de artikelen 5 en 6 en in overleg met de getroffen Staat, teneinde deze schade weg te nemen of te verminderen en, indien van toepassing, eventuele schadevergoeding te bespreken.
Artikel 8. Algemene verplichting tot samenwerking
De Waterloopstaten werken samen op basis van soevereine gelijkheid, territoriale integriteit, wederzijds voordeel en goede trouw teneinde een optimaal gebruik en een behoorlijke bescherming van de internationale waterloop te bewerkstelligen.
Bij het vaststellen van de wijze van samenwerking, kunnen de Waterloopstaten, indien zij dit nodig achten, overwegen gezamenlijke mechanismen of commissies in te stellen ter vergemakkelijking van de samenwerking op het gebied van maatregelen en procedures terzake, in het licht van de ervaringen die zijn opgedaan door samenwerking in bestaande gezamenlijke mechanismen en commissies in verschillende regio's.
Artikel 9. Regelmatige uitwisseling van gegevens en informatie
Ingevolge artikel 8 wisselen Waterloopstaten regelmatig direct beschikbare gegevens en informatie uit over de toestand van de waterloop, met name die van hydrologische, meteorologische, hydrogeologische en ecologische aard en met betrekking tot de kwaliteit van het water, alsmede de daarmee samenhangende voorspellingen.
Indien een Waterloopstaat een andere Waterloopstaat verzoekt gegevens of informatie te verstrekken die niet direct beschikbaar zijn respectievelijk is, stelt deze Staat alles in het werk om aan het verzoek te voldoen, maar kan hij voor het voldoen van het verzoek als voorwaarde stellen dat de verzoekende Staat redelijke kosten betaalt voor het verzamelen en, indien van toepassing, het verwerken van dergelijke gegevens of informatie.
De Waterloopstaten stellen alles in het werk om gegevens en informatie te verzamelen en, indien van toepassing, te verwerken op een wijze die het gebruik ervan door de andere Waterloopstaten aan wie deze gegevens en informatie worden verstrekt, vergemakkelijkt.
Artikel 10. Verhouding tussen verschillende soorten gebruik
Bij gebreke van een andersluidende overeenkomst of andere gewoonte, heeft geen enkel gebruik van een internationale waterloop op zich voorrang op ander gebruik daarvan.
In het geval van conflicterend gebruik van een internationale waterloop, wordt het conflict opgelost met inachtneming van de artikelen 5 tot en met 7, waarbij in het bijzonder aandacht wordt geschonken aan de vereisten van vitale menselijke behoeften.
DEEL III. GEPLANDE MAATREGELEN
Artikel 11. Informatie inzake geplande maatregelen
De Waterloopstaten wisselen informatie uit en plegen overleg met elkaar en onderhandelen, indien nodig, over de mogelijke effecten van geplande maatregelen op de toestand van een internationale waterloop.
Artikel 12. Kennisgeving van geplande maatregelen die mogelijk nadelige gevolgen hebben
Voordat een Waterloopstaat geplande maatregelen die aanzienlijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor andere Waterloopstaten, uitvoert of de uitvoering ervan toestaat, doet hij hiervan tijdige kennisgeving aan die Staten. Een dergelijke kennisgeving gaat vergezeld van beschikbare technische gegevens en informatie, met inbegrip van de resultaten van eventuele milieu-effectrapportages, teneinde de in kennis gestelde Staten in staat te stellen de mogelijke gevolgen van de geplande maatregelen te evalueren.
Artikel 13. Antwoordtermijn voor de kennisgeving
Tenzij anders wordt overeengekomen:
- a. geeft elke Waterloopstaat die ingevolge artikel 12 een kennisgeving doet, de Staten waaraan de kennisgeving is gericht een termijn van zes maanden voor de bestudering en evaluatie van de eventuele nadelige gevolgen van de geplande maatregelen en voor het mededelen van hun conclusies aan hem;
- b. wordt deze termijn op verzoek van een Staat waaraan de kennisgeving is gericht en waarvoor de evaluatie van de geplande maatregelen een bijzonder probleem oplevert, verlengd met een termijn van zes maanden.
Artikel 14. Verplichtingen van de kennisgevende Staat gedurende de antwoordtermijn
Gedurende de in artikel 13 bedoelde termijn:
- a. werkt de kennisgevende Staat samen met de Staten waaraan de kennisgeving is gericht door hun, op verzoek, alle voor een nauwgezette evaluatie nodige en beschikbare aanvullende gegevens en informatie te verstrekken; en
- b. voert de kennisgevende Staat de geplande maatregelen niet uit, en staat hij evenmin toe dat deze worden uitgevoerd, zonder de instemming van de Staten waaraan de kennisgeving is gericht.
Artikel 15. Antwoord op de kennisgeving
De Staten die een kennisgeving hebben ontvangen doen de kennisgevende Staat zo spoedig mogelijk, binnen de ingevolge artikel 13 geldende termijn, hun conclusies toekomen. Indien een Staat die een kennisgeving heeft ontvangen van mening is dat uitvoering van de geplande maatregelen onverenigbaar zou zijn met de bepalingen van artikel 5 of 7, doet hij deze conclusie vergezeld gaan van een gedocumenteerde toelichting waarin de redenen voor de conclusie worden vermeld.
Artikel 16. Geen antwoord op de kennisgeving
Indien de kennisgevende Staat, binnen de ingevolge artikel 13 geldende termijn, geen mededeling ingevolge artikel 15 ontvangt, kan hij, onverminderd zijn verplichtingen ingevolge de artikelen 5 en 7, overgaan tot de uitvoering van de geplande maatregelen, in overeenstemming met de kennisgeving en alle andere gegevens en informatie die zijn verstrekt aan de Staten waaraan de kennisgeving is gericht.
Elke eis tot schadevergoeding ingediend door een Staat die een kennisgeving heeft ontvangen en die niet binnen de ingevolge artikel 13 toepasselijke termijn wordt beantwoord, mag worden verminderd met de kosten die de kennisgevende Staat heeft gemaakt met betrekking tot maatregelen die zijn getroffen na het verstrijken van de antwoordtermijn en die niet zouden zijn gemaakt indien de Staat die een kennisgeving heeft ontvangen binnen die termijn bezwaar had gemaakt.
Artikel 17. Overleg en onderhandelingen inzake geplande maatregelen
Indien ingevolge artikel 15 wordt medegedeeld dat uitvoering van de geplande maatregelen onverenigbaar zou zijn met de bepalingen van artikel 5 of 7, voeren de kennisgevende Staat en de Staat die de mededeling heeft gedaan overleg en, indien nodig, onderhandelingen teneinde te komen tot een redelijke oplossing van de situatie.
Het overleg en de onderhandelingen worden gevoerd volgens het beginsel dat elke Staat te goeder trouw de rechten en legitieme belangen van de andere Staat op billijke wijze in acht dient te nemen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.