Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten

Type Verdrag
Publication 1953-12-18
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, ondertekend te Washington op 4 April 1949;

Overwegende, dat krachtens speciale overeenkomsten strijdkrachten van een Partij naar het grondgebied van een andere Partij gezonden kunnen worden om aldaar dienst te doen;

Voor ogen houdende, dat de beslissing om deze te zenden en de voorwaarden, waarop zij gezonden zullen worden, voor zover zodanige voorwaarden niet in dit Verdrag zijn vastgelegd, het onderwerp zullen blijven van afzonderlijke regelingen lussen de betrokken Partijen;

Verlangende echter de rechtspositie van die strijdkrachten te bepalen, wanneer deze zich op het grondgebied van een andere Partij bevinden;

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel I
1.

In dit Verdrag wordt verstaan onder de uitdrukking:

2.

Dit Verdrag is op gelijke wijze van toepassing op de autoriteiten van staatkundige onderdelen van de Verdragsluitende Partijen, binnen derzelver grondgebied waarop het Verdrag van toepassing is of waartoe dit in overeenstemming met Artikel XX wordt uitgebreid, als het van toepassing is op de centrale autoriteiten van die Verdragsluitende Partijen, met dien verstande evenwel, dat eigendommen van staatkundige onderdelen niet zullen worden beschouwd eigendom te zijn van een Verdragsluitende Partij in de zin van Artikel VIII.

Artikel II

Een krijgsmacht, haar civiele dienst, de leden daarvan, alsmede hun gezinsleden zijn gehouden de wetten van de Staat van verblijf te eerbiedigen en zich te onthouden van elk optreden in strijd met de geest van dit Verdrag en in het bijzonder van elke politieke activiteit in de Staat van verblijf. De Staat van herkomst is mede gehouden de hiertoe noodzakelijke maatregelen te nemen.

Artikel III
1.

Leden van een krijgsmacht zijn, onverminderd de voorwaarden, neergelegd in lid 2 van dit Artikel en op voorwaarde van nakoming van de formaliteiten, welke door de Staat van verblijf met betrekking tot in- en uitreis van een krijgsmacht of de leden daarvan worden vastgesteld, niet onderworpen aan voorschriften met betrekking tot paspoorten en visa en aan inspectie door immigratiediensten bij het binnenkomen of verlaten van het grondgebied van de Staat van verblijf. Zij zijn evenmin onderworpen aan de voorschriften van de Staat van verblijf terzake van registratie en controle van vreemdelingen, doch worden niet geacht enig recht op voortdurend verblijf of op woonplaats te verwerven in de gebieden van de Staat van verblijf.

2.

Voor leden van een krijgsmacht zijn uitsluitend de volgende documenten vereist. Zij moeten op verzoek worden getoond:

3.

Leden van een civiele dienst en gezinsleden worden als zodanig in hun paspoort aangeduid.

4.

Indien een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst de dienst van de Staat van herkomst verlaat en niet naar zijn eigen land terugkeert, doen de autoriteiten van de Staat van herkomst hiervan onmiddellijk mededeling aan de autoriteiten van de Staat van verblijf onder opgave van alle gewenste bijzonderheden.

De autoriteiten van de Staat van herkomst doen op gelijke wijze mededeling aan de autoriteiten van de Staat van verblijf van ieder geval van onwettige afwezigheid van meer dan 21 dagen.

5.

Indien de Staat van verblijf verzocht heeft een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst van zijn grondgebied te verwijderen of een bevel tot uitwijzing heeft uitgevaardigd tegen een voormalig lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst of tegen een gezinslid van een lid of voormalig lid, zijn de autoriteiten van de Staat van herkomst verplicht de betrokken persoon op hun eigen grondgebied toe te laten dan wel in ieder geval hem het grondgebied van de Staat van verblijf te doen verlaten. Dit lid is slechts van toepassing op personen, die geen onderdaan zijn van de Staat van verblijf en die deze Staat zijn binnengekomen als leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst of met het doel dit te worden, alsmede op de gezinsleden van zodanige personen.

Artikel IV

De Staat van verblijf zal:

Artikel V
1.

Leden van een krijgsmacht dragen in de regel uniform. Behalve wanneer tussen de autoriteiten van de Staat van herkomst en de Staat van verblijf het tegendeel mocht zijn overeengekomen, wordt burgerkleding gedragen onder dezelfde voorwaarden, als gelden voor de leden van de strijdkrachten van de Staat van verblijf.

Geregelde eenheden of formaties van een krijgsmacht dragen uniform bij het overschrijden van de grens.

2.

Dienstvoertuigen van een krijgsmacht of van een civiele dienst voeren naast hun registratienummer een kenteken ter aanduiding van hun nationaliteit.

Artikel VI

Leden van een krijgsmacht mogen wapens in hun bezit hebben en dragen, mits de op hen toepasselijke voorschriften zulks toestaan. De autoriteiten van de Staat van herkomst nemen verzoeken van de Staat van verblijf te dezer zake in welwillende overweging.

Artikel VII
1.

Behoudens de bepalingen van dit artikel hebben

3.

In gevallen van samenloop van rechtsmacht zijn de volgende regels van toepassing:

4.

De bepalingen van dit artikel verlenen aan de militaire autoriteiten van de Staat van herkomst geen enkel recht tot uitoefening van rechtsmacht over personen, die onderdanen zijn van of hun voortdurend verblijf hebben in de Staat van verblijf, tenzij zij leden zijn van de krijgsmacht van de Staat van herkomst.

8.

Wanneer een verdachte overeenkomstig de bepalingen van dit Artikel door de autoriteiten van een Verdragsluitende Partij is berecht en is vrijgesproken, of is veroordeeld en zijn straf ondergaat of heeft ondergaan of gratie heeft verkregen mag hij niet nogmaals voor hetzelfde vergrijp binnen hetzelfde grondgebied worden berecht door de autoriteiten van een andere Verdragsluitende Partij. De bepalingen van dit lid beletten de militaire autoriteiten van de Staat van herkomst echter geenszins om een lid van zijn krijgsmacht te berechten ter zake van een schending van de voor zijn militairen als zodanig geldende voorschriften, welke schending voortvloeide uit een handelen of een nalaten, hetwelk het vergrijp vormde, waarvoor hij door de autoriteiten van een andere Verdragsluitende Partij werd berecht.

9.

Wanneer een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst of een gezinslid, vallend onder de rechtsmacht van de Staat van verblijf, door deze wordt vervolgd, heeft hij het recht:

11.

Iedere Verdragsluitende Partij zal er naar streven die wettelijke maatregelen tot stand te brengen, welke zij noodzakelijk acht teneinde een behoorlijke beveiliging en bescherming binnen haar grondgebied van de installaties, het materieel, de eigendommen, archieven en officiële documenten van andere Verdragsluitende Partijen, alsmede de bestraffing van inbreuken op deze wetgeving, te verzekeren.

Artikel VIII
1.

Iedere Verdragsluitende Partij doet afstand van al haar vorderingen tegen een andere Verdragsluitende Partij terzake van schade aan haar eigendommen, in gebruik bij haar land-, zee- of luchtstrijdkrachten, indien deze schade

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.