Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten
De Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, ondertekend te Washington op 4 April 1949;
Overwegende, dat krachtens speciale overeenkomsten strijdkrachten van een Partij naar het grondgebied van een andere Partij gezonden kunnen worden om aldaar dienst te doen;
Voor ogen houdende, dat de beslissing om deze te zenden en de voorwaarden, waarop zij gezonden zullen worden, voor zover zodanige voorwaarden niet in dit Verdrag zijn vastgelegd, het onderwerp zullen blijven van afzonderlijke regelingen lussen de betrokken Partijen;
Verlangende echter de rechtspositie van die strijdkrachten te bepalen, wanneer deze zich op het grondgebied van een andere Partij bevinden;
Zijn overeengekomen als volgt:
Artikel I
In dit Verdrag wordt verstaan onder de uitdrukking:
- a. „krijgsmacht”: het personeel, behorende tot de land-, zee- of luchtstrijdkrachten van een Verdragsluitende Partij, wanneer het zich voor de uitoefening van de dienst op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij in het werkingsgebied van het Noord Atlantisch Verdrag bevindt, met dien verstande, dat de beide betrokken Verdragsluitende Partijen kunnen overeenkomen, dat bepaalde personen, eenheden of formaties voor de toepassing van dit Verdrag niet worden beschouwd een „krijgsmacht” te vormen of daaronder te zijn begrepen;
- b. „dienst”: het burgerpersoneel, hetwelk een krijgsmacht van een Verdragsluitende Partij vergezelt en dat in dienst is bij een der strijdkrachten van die Verdragsluitende Partij, met uitzondering van staatloze personen of onderdanen van een Staat, welke niet partij is bij het Noord Atlantisch Verdrag, of onderdanen van de Staat, waarin de krijgsmacht zich bevindt, of personen, die aldaar hun verblijfplaats plegen te hebben;
- c. „gezinslid”: de echtgeno(o)t(e) van een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst, of een kind van zodanig lid, dat van hem of haar afhankelijk is voor zijn onderhoud;
- d. „staat van herkomst”: de Verdragsluitende Partij waartoe de krijgsmacht behoort;
- e. „Staat van verblijf”: de Verdragsluitende Partij, op wier grondgebied de krijgsmacht of de civiele dienst zich bevindt, hetzij dat deze aldaar gelegerd is, hetzij dat deze zich op doortocht bevindt;
- f. „militaire autoriteiten van de Staat van herkomst”: die autoriteiten van een Staat van herkomst, welke krachtens de wetgeving van die Staat bevoegd zijn tot toepassing van de militaire wetten van die Staat met betrekking tot de leden van zijn krijgsmachten of civiele diensten;
- g. „Noord-Atlantische Raad”: de Raad ingesteld krachtens artikel 9 van het Noord Atlantisch Verdrag of één van zijn hulporganen, bevoegd om namens hem te handelen.
Dit Verdrag is op gelijke wijze van toepassing op de autoriteiten van staatkundige onderdelen van de Verdragsluitende Partijen, binnen derzelver grondgebied waarop het Verdrag van toepassing is of waartoe dit in overeenstemming met Artikel XX wordt uitgebreid, als het van toepassing is op de centrale autoriteiten van die Verdragsluitende Partijen, met dien verstande evenwel, dat eigendommen van staatkundige onderdelen niet zullen worden beschouwd eigendom te zijn van een Verdragsluitende Partij in de zin van Artikel VIII.
Artikel II
Een krijgsmacht, haar civiele dienst, de leden daarvan, alsmede hun gezinsleden zijn gehouden de wetten van de Staat van verblijf te eerbiedigen en zich te onthouden van elk optreden in strijd met de geest van dit Verdrag en in het bijzonder van elke politieke activiteit in de Staat van verblijf. De Staat van herkomst is mede gehouden de hiertoe noodzakelijke maatregelen te nemen.
Artikel III
Leden van een krijgsmacht zijn, onverminderd de voorwaarden, neergelegd in lid 2 van dit Artikel en op voorwaarde van nakoming van de formaliteiten, welke door de Staat van verblijf met betrekking tot in- en uitreis van een krijgsmacht of de leden daarvan worden vastgesteld, niet onderworpen aan voorschriften met betrekking tot paspoorten en visa en aan inspectie door immigratiediensten bij het binnenkomen of verlaten van het grondgebied van de Staat van verblijf. Zij zijn evenmin onderworpen aan de voorschriften van de Staat van verblijf terzake van registratie en controle van vreemdelingen, doch worden niet geacht enig recht op voortdurend verblijf of op woonplaats te verwerven in de gebieden van de Staat van verblijf.
Voor leden van een krijgsmacht zijn uitsluitend de volgende documenten vereist. Zij moeten op verzoek worden getoond:
- a. een persoonlijk identiteitsbewijs, hetwelk is afgegeven door de Staat van herkomst, is voorzien van een foto, en namen en voornamen, geboortedatum, rang, dienstonderdeel en, indien aanwezig, leger- of stamboeknummer vermeldt;
- b. een collectieve of individuele reiswijzer, welke zowel in de taal van de Staat van herkomst als in het Engels en Frans is gesteld, is uitgegeven door een daartoe bevoegd orgaan van de Staat van herkomst of van de Organisatie van het Noord Atlantisch Verdrag en aangeeft, dat de personen of de groep lid of leden zijn van een krijgsmacht, alsmede welke reis is opgedragen. De Staat van verblijf kan verlangen, dat de reiswijzer wordt mede-ondertekend door zijn daartoe bevoegde vertegenwoordiger.
Leden van een civiele dienst en gezinsleden worden als zodanig in hun paspoort aangeduid.
Indien een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst de dienst van de Staat van herkomst verlaat en niet naar zijn eigen land terugkeert, doen de autoriteiten van de Staat van herkomst hiervan onmiddellijk mededeling aan de autoriteiten van de Staat van verblijf onder opgave van alle gewenste bijzonderheden.
De autoriteiten van de Staat van herkomst doen op gelijke wijze mededeling aan de autoriteiten van de Staat van verblijf van ieder geval van onwettige afwezigheid van meer dan 21 dagen.
Indien de Staat van verblijf verzocht heeft een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst van zijn grondgebied te verwijderen of een bevel tot uitwijzing heeft uitgevaardigd tegen een voormalig lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst of tegen een gezinslid van een lid of voormalig lid, zijn de autoriteiten van de Staat van herkomst verplicht de betrokken persoon op hun eigen grondgebied toe te laten dan wel in ieder geval hem het grondgebied van de Staat van verblijf te doen verlaten. Dit lid is slechts van toepassing op personen, die geen onderdaan zijn van de Staat van verblijf en die deze Staat zijn binnengekomen als leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst of met het doel dit te worden, alsmede op de gezinsleden van zodanige personen.
Artikel IV
De Staat van verblijf zal:
- a. hetzij, zonder onderzoek en kosteloos, als geldig aanvaarden het burgerlijk of militair rijbewijs, hetwelk door de Staat van herkomst of door één van zijn samenstellende delen aan een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst is afgegeven;
- b. hetzij, zonder onderzoek, het eigen rijbewijs afgeven aan elk lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst, dat houder is van een burgerlijk of militair rijbewijs, afgegeven door de Staat van herkomst of een van zijn samenstellende delen.
Artikel V
Leden van een krijgsmacht dragen in de regel uniform. Behalve wanneer tussen de autoriteiten van de Staat van herkomst en de Staat van verblijf het tegendeel mocht zijn overeengekomen, wordt burgerkleding gedragen onder dezelfde voorwaarden, als gelden voor de leden van de strijdkrachten van de Staat van verblijf.
Geregelde eenheden of formaties van een krijgsmacht dragen uniform bij het overschrijden van de grens.
Dienstvoertuigen van een krijgsmacht of van een civiele dienst voeren naast hun registratienummer een kenteken ter aanduiding van hun nationaliteit.
Artikel VI
Leden van een krijgsmacht mogen wapens in hun bezit hebben en dragen, mits de op hen toepasselijke voorschriften zulks toestaan. De autoriteiten van de Staat van herkomst nemen verzoeken van de Staat van verblijf te dezer zake in welwillende overweging.
Artikel VII
Behoudens de bepalingen van dit artikel hebben
- a. de militaire autoriteiten van de Staat van herkomst het recht op het grondgebied van de Staat van verblijf de bevoegdheden op strafrechtelijk en krijgstuchtelijk gebied uit te oefenen, welke de wetgeving van de Staat van herkomst hun toekent, over alle personen, die aan de militaire wetten van die Staat onderworpen zijn;
- b. de autoriteiten van de Staat van verblijf rechtsmacht over de leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst en hun gezinsleden met betrekking tot vergrijpen, welke zijn begaan op het grondgebied van de Staat van verblijf en strafbaar zijn volgens de wetten van die Staat.
- a. De Militaire autoriteiten van de Staat van herkomst hebben bij uitsluiting het recht rechtsmacht uit te oefenen over personen, die aan de militaire wetten van die Staat onderworpen zijn met betrekking tot vergrijpen – met inbegrip van vergrijpen tegen de veiligheid van die Staat – welke wel volgens de wetten van de Staat van herkomst, doch niet volgens de wetten van de Staat van verblijf strafbaar zijn.
- b. De autoriteiten van de Staat van verblijf hebben bij uitsluiting het recht rechtsmacht uit te oefenen over de leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst en hun gezinsleden met betrekking tot vergrijpen – met inbegrip van vergrijpen tegen de veiligheid van die Staat – welke wel volgens de eigen wetten, doch niet volgens de wetten van de Staat van herkomst strafbaar zijn.
- c. Voor de toepassing van dit lid en van lid 3 van dit Artikel wordt onder een vergrijp tegen de veiligheid van de Staat begrepen:
-
- landverraad;
-
- sabotage, spionnage of schending van de wetgeving met betrekking tot staatsgeheimen of geheimen betreffende de nationale defensie van die Staat.
In gevallen van samenloop van rechtsmacht zijn de volgende regels van toepassing:
- a. De militaire autoriteiten van de Staat van herkomst hebben voorrang bij de uitoefening van rechtsmacht over een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst met betrekking tot:
-
- vergrijpen welke uitsluitend gericht zijn tegen de eigendommen of de veiligheid van die Staat, of vergrijpen welke uitsluitend gericht zijn tegen de persoon of eigendommen van een ander lid van de krijgsmacht of van de civiele dienst van die Staat of van een gezinslid;
-
- vergrijpen, welke voortvloeien uit enige daad of nalatigheid, begaan in de uitoefening van de dienst.
- b. In geval van enig ander vergrijp hebben de autoriteiten van de Staat van verblijf voorrang bij de uitoefening van rechtsmacht.
- c. Indien de Staat, welke voorrang heeft, besluit niet tot uitoefening van rechtsmacht over te gaan, stelt hij de autoriteiten van de andere Staat zo spoedig mogelijk daarvan in kennis. De autoriteiten van de Staat, welke voorrang heeft, nemen het verzoek van de autoriteiten van de andere Staat om van dit recht af te zien in gevallen, waarin die andere Staat zulks van bijzonder belang acht, in welwillende overweging.
De bepalingen van dit artikel verlenen aan de militaire autoriteiten van de Staat van herkomst geen enkel recht tot uitoefening van rechtsmacht over personen, die onderdanen zijn van of hun voortdurend verblijf hebben in de Staat van verblijf, tenzij zij leden zijn van de krijgsmacht van de Staat van herkomst.
- a. De autoriteiten van de Staat van verblijf en van de Staat van herkomst verlenen elkander hulp bij het in arrest stellen van leden van de krijgsmacht of van de civiele dienst of van hun gezinsleden op het grondgebied van de Staat van verblijf en bij het overleveren van hen aan de autoriteit, die rechtsmacht zal uitoefenen in overeenstemming met bovenstaande bepalingen.
- b. De autoriteiten van de Staat van verblijf stellen de militaire autoriteiten van de Staat van herkomst terstond in kennis van het in arrest stellen van enig lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst of van een gezinslid.
- c. De bewaking van een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst, waarover de Staat van verblijf rechtsmacht zal uitoefenen, zal blijven berusten bij de autoriteiten van de Staat van herkomst, totdat tegen hem een vervolging wordt ingesteld door de Staat van verblijf.
- a. De autoriteiten van de Staat van verblijf en van de Staat van herkomst verlenen elkander hulp bij de uitvoering van alle noodzakelijke nasporingen ter zake van vergrijpen en bij het bijeenbrengen van bewijsmateriaal, met inbegrip van het inbeslagnemen en in daarvoor in aanmerking komende gevallen het overdragen van voorwerpen, welke in verband staan met het vergrijp. Het overdragen van deze voorwerpen kan evenwel afhankelijk worden gesteld van teruggave daarvan binnen de tijd hiervoor vastgesteld door de autoriteit, die de voorwerpen overdraagt.
- b. De autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen stellen elkander in kennis van de afdoening van alle gevallen, waarin samenloop van rechtsmacht bestaat.
- a. Een doodvonnis wordt niet ten uitvoer gelegd in de Staat van verblijf door de autoriteiten van de Staat van herkomst, indien de wetgeving van de Staat van verblijf in een overeenkomstig geval zodanige straf niet kent.
- b. De autoriteiten van de Staat van verblijf nemen een verzoek van de autoriteiten van de Staat van herkomst om bijstand bij de ten uitvoerlegging van een gevangenisstraf, welke op het grondgebied van de Staat van verblijf is opgelegd door de autoriteiten van de Staat van herkomst, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, in welwillende overweging.
Wanneer een verdachte overeenkomstig de bepalingen van dit Artikel door de autoriteiten van een Verdragsluitende Partij is berecht en is vrijgesproken, of is veroordeeld en zijn straf ondergaat of heeft ondergaan of gratie heeft verkregen mag hij niet nogmaals voor hetzelfde vergrijp binnen hetzelfde grondgebied worden berecht door de autoriteiten van een andere Verdragsluitende Partij. De bepalingen van dit lid beletten de militaire autoriteiten van de Staat van herkomst echter geenszins om een lid van zijn krijgsmacht te berechten ter zake van een schending van de voor zijn militairen als zodanig geldende voorschriften, welke schending voortvloeide uit een handelen of een nalaten, hetwelk het vergrijp vormde, waarvoor hij door de autoriteiten van een andere Verdragsluitende Partij werd berecht.
Wanneer een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst of een gezinslid, vallend onder de rechtsmacht van de Staat van verblijf, door deze wordt vervolgd, heeft hij het recht:
- a. snel te worden berecht;
- b. vóór de aanvang van de terechtzitting in kennis te worden gesteld van de tegen hem uitgebrachte beschuldiging of beschuldigingen;
- c. geconfronteerd te worden met de getuigen à charge;
- d. getuigen à décharge tot verschijning te doen dwingen, indien de bevoegdheid van de rechter van de Staat van verblijf zich daartoe uitstrekt;
- e. hetzij naar eigen keuze, hetzij overeenkomstig de op dat ogenblik in de Staat van verblijf geldende wettelijke bepalingen te zijner verdediging te worden bijgestaan;
- f. indien hij zulks noodzakelijk acht, op de dienst van een bevoegde tolk;
- g. zich in verbinding te stellen met een vertegenwoordiger van de Regering van de Staat van herkomst en, wanneer het procesrecht zulks toelaat, op de aanwezigheid van deze vertegenwoordiger ter terechtzitting.
- a. Geregelde militaire eenheden of formaties van een krijgsmacht hebben het recht in ieder kamp, inrichting of ander gebouw, hetwelk zij op grond van een overeenkomst met de Staat van verblijf in gebruik hebben, politietoezicht uit te oefenen. De militaire politie van de krijgsmacht is bevoegd alle vereiste maatregelen te nemen ter verzekering van de handhaving van orde en veiligheid in zodanige gebouwen.
- b. Buiten deze gebouwen doet deze militaire politie slechts dienst op grond van overeenkomsten met de autoriteiten van de Staat van verblijf en in samenwerking met deze autoriteiten en voor zover deze dienst noodzakelijk is ter handhaving van tucht en orde onder de leden van de krijgsmacht.
Iedere Verdragsluitende Partij zal er naar streven die wettelijke maatregelen tot stand te brengen, welke zij noodzakelijk acht teneinde een behoorlijke beveiliging en bescherming binnen haar grondgebied van de installaties, het materieel, de eigendommen, archieven en officiële documenten van andere Verdragsluitende Partijen, alsmede de bestraffing van inbreuken op deze wetgeving, te verzekeren.
Artikel VIII
Iedere Verdragsluitende Partij doet afstand van al haar vorderingen tegen een andere Verdragsluitende Partij terzake van schade aan haar eigendommen, in gebruik bij haar land-, zee- of luchtstrijdkrachten, indien deze schade
- a. veroorzaakt is door een lid of een werknemer van de strijdkrachten van de andere Verdragsluitende Partij in de uitoefening van zijn dienst voor zover deze geschiedt in het kader van het Noord-Atlantisch Verdrag, of
⋯
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.