Cultureel Verdrag tussen Nederland en Noorwegen

Type Verdrag
Publication 1956-05-14
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en

de Regering van het Koninkrijk Noorwegen,

Verlangende een verdrag te sluiten, teneinde, door middel van vriendschappelijke samenwerking en van uitwisselingen, een zo innig mogelijke verbinding tussen hun onderscheidene landen op het gebied van wetenschap, literatuur, kunst, universitair en schoolonderwijs, alsmede het begrip ten aanzien van elkaars instellingen en maatschappelijk leven te bevorderen,

Hebben derhalve tot dit doel gevolmachtigden benoemd, die, daartoe behoorlijk gemachtigd door hun onderscheidene Regeringen, het volgende zijn overeengekomen:

Artikel 1

De Verdragsluitende Partijen zullen al het mogelijke doen om op universiteiten of andere inrichtingen van hoger onderwijs op hun grondgebied regelmatig cursussen te doen houden, handelend over de taal, de literatuur en de geschiedenis van het andere land, alsmede over andere onderwerpen welke daarop betrekking hebben.

Artikel 2

De Verdragsluitende Partijen zullen zoveel mogelijk de uitwisseling bevorderen van hoogleraren en leden van de wetenschappelijke staf van instellingen van hoger onderwijs, van leraren, studenten, scholieren en vertegenwoordigers van andere beroepen en van andere groepen personen werkzaam op cultureel, opvoedkundig en wetenschappelijk gebied, alsmede op het gebied van de kunst.

Artikel 3

De Verdragsluitende Partijen zullen de uitwisseling van hoogleraren, onderzoekers en leden van wetenschappelijke instellingen bevorderen.

De Gemengde Commissie, welke zal worden ingesteld overeenkomstig artikel 13 van dit Verdrag, zal het aantal hoogleraren of sprekers die jaarlijks voor uitwisseling in aanmerking kunnen komen, vaststellen en eventueel hun verdeling over de universiteiten of wetenschappelijke instellingen bepalen.

Artikel 4

Elke Verdragsluitende Partij zal subsidies en studiebeurzen ter beschikking stellen, teneinde afgestudeerden en studerenden uit het andere land in staat te stellen, op haar gebied te verblijven om er studies te maken of onderzoekingen te verrichten of hun technische vorming of beroepsvorming te voltooien.

Artikel 5

De Verdragsluitende Partijen zullen zoveel mogelijk de nauwste samenwerking tussen de wetenschappelijke genootschappen en tussen de opvoedkundige organisaties en beroepsorganisaties van hun onderscheidene landen bevorderen met het oog op wederzijdse hulp inzake werkzaamheden op intellectueel, wetenschappelijk, technisch en opvoedkundig gebied, alsmede op het gebied van de kunst.

Artikel 6

Elke Verdragsluitende Partij zal, op verzoek van de andere Partij en voorzover dit in de praktijk mogelijk is, de op haar gebied door onderdanen of een groep van onderdanen van de andere Partij verrichte wetenschappelijke en culturele onderzoekingen vergemakkelijken.

Artikel 7

De Verdragsluitende Partijen zullen de voorwaarden bestuderen welke kunnen leiden tot erkenning van de gelijkwaardigheid van toelatings- en bevorderingsexamens, afgelegd in het ene of in het andere land om een wettige academische graad of, in bepaalde gevallen, beroepsbekwaamheid te verkrijgen, met overeenkomstige examens in het andere land.

Artikel 8

Elke Verdragsluitende Partij zal bevorderen, dat vakantiecursussen worden gehouden voor hoogleraren en leden van de wetenschappelijke staf van instellingen van hoger onderwijs, voor leraren, voor studenten en voor leerlingen uit het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij.

Artikel 9

De Verdragsluitende Partijen zullen door middel van uitnodigingen, en eventueel door subsidies, de wederzijdse bezoeken van voor dit doel gekozen delegaties bevorderen, teneinde de culturele en technische samenwerking te stimuleren.

Artikel 10

De Verdragsluitende Partijen zullen de samenwerking tussen jeugdorganisaties en organisaties van volwassenen welke een opvoedkundig doel nastreven, bevorderen.

Artikel 11

De Verdragsluitende Partijen zullen elkaar wederzijdse bijstand verlenen teneinde in ieder land een betere kennis te verzekeren van de cultuur van het andere land, door middel van:

Artikel 12

De Verdragsluitende Partijen zullen bijzondere aandacht besteden aan het vraagstuk van de herziening van handboeken op het gebied van de geschiedenis en de aardrijkskunde der beide landen.

Zij zullen in het bijzonder alle mogelijke hulp verlenen aan organen en personen die zich aan deze taak wijden, en zullen al het materiaal dat daartoe dienstig kan zijn, te hunner beschikking stellen.

Deze herziening zal zich eventueel moeten uitstrekken tot al het andere audio-visuele materiaal gebruikt voor het geschiedenis- en aardrijkskunde-onderwijs, in het bijzonder: kaarten, muurplaten, lantaarnplaatjes en films.

Artikel 13

Er zal, met het oog op de toepassing van dit Verdrag, een permanente Gemengde Commissie worden ingesteld, welke uit zes leden zal bestaan. Deze Commissie zal uit twee afdelingen bestaan: de ene samengesteld uit Nederlandse leden en zetelende te 's-Gravenhage, de andere samengesteld uit Noorse leden en zetelende te Oslo. Iedere lijst van aangewezen leden zal ter goedkeuring worden voorgelegd aan de andere Verdragsluitende Partij.

Artikel 14

De permanente Gemengde Commissie zal iedere keer, dat de noodzakelijkheid zich daartoe zal doen gevoelen, en minstens éénmaal per jaar, in volledige vergadering, beurtelings in Nederland en in Noorwegen, samenkomen. Het voorzitterschap zal worden bekleed door een lid van de Commissie behorende tot het land in hetwelk de bijeenkomst plaatsvindt.

Artikel 15

Indien er zich vragen op technisch gebied voordoen welke een bijzondere deskundigheid eisen, kan de Gemengde Commissie overgaan tot het instellen van sub-commissies, waarvan de leden niet uitsluitend uit haar eigen midden gekozen behoeven te worden.

Artikel 16

Dit Verdrag zal worden bekrachtigd en de akten van bekrachtiging zullen zo spoedig mogelijk te Oslo worden uitgewisseld.

Het Verdrag zal in werking treden onmiddellijk na de uitwisseling van de akten van bekrachtiging.

Na afloop van een termijn van vijf jaar te rekenen van zijn inwerkingtreding af, zal het door elk van beide Verdragsluitende Partijen kunnen worden opgezegd met een opzeggingstermijn van zes maanden.

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, zal dit Verdrag slechts gelden voor het Rijk in Europa.

En foi de quoi, les Plénipotentiaires ont signé le présent Accord et y ont apposé leurs sceaux.

Fait à La Haye, en double exemplaire, en langue française, le 18 mai 1955.

(s.) J. W. BEYEN

(s.) J. LUNS

(s.) Harald Svanøe MIDTTUN

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.