Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor kernphysisch onderzoek
De Staten welke partij zijn bij dit Verdrag,
In aanmerking nemende de op 15 februari 1952 te Genève ter ondertekening opengestelde Overeenkomst houdende de instelling van een Raad van Vertegenwoordigers van Europese Staten ter bestudering van de plannen voor een internationaal laboratorium en de organisatie van andere vormen van samenwerking op het gebied van kernfysisch onderzoek;
In aanmerking nemende de op 30 juni 1953 te Parijs ondertekende Aanvullende Overeenkomst tot verlenging van genoemde Overeenkomst; en
Verlangende ingevolge lid 2 van artikel III van genoemde Overeenkomst van 15 februari 1952, een Verdrag te sluiten tot oprichting van een Europese Organisatie voor kernfysisch onderzoek, met inbegrip van de oprichting van een Internationaal Laboratorium voor de uitvoering van een overeengekomen programma van zuiver wetenschappelijk en fundamenteel onderzoek met betrekking tot deeltjes met grote energieën;
Zijn overeengekomen als volgt:
Artikel I. Oprichting van de Organisatie
Hierbij wordt een Europese Organisatie voor kernfysisch onderzoek (hierna te noemen „de Organisatie”) opgericht.
De Organisatie is gevestigd te Genève, tenzij de in artikel IV genoemde Raad op een later tijdstip met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten besluit de zetel van de Organisatie te verplaatsen naar de plaats waar een der andere in artikel II, lid 2, onder a bedoelde laboratoria is gevestigd.
Artikel II. Doelstellingen
De Organisatie draagt zorg voor de samenwerking tussen de Europese Staten op het gebied van kernfysisch onderzoek van zuiver wetenschappelijke en fundamentele aard en onderzoekingen welke daar wezenlijk mee in verband staan. De Organisatie houdt zich niet bezig met werk voor militaire behoeften en de resultaten van haar proefondervindelijk en theoretisch werk worden gepubliceerd of op andere wijze voor iedereen toegankelijk gemaakt.
Ten aanzien van de in lid 1 bedoelde samenwerking beperkt de Organisatie haar werkzaamheden tot de hieronder genoemde:
- a. De bouw en het doen functioneren van een of meer internationale laboratoria (hierna te noemen „de Laboratoria”) voor het onderzoek met betrekking tot deeltjes met grote energieën, met inbegrip van werk op het gebied van kosmische straling. Elk Laboratorium omvat mede:
- (i). een of meer deeltjesversnellers;
- (ii). de noodzakelijke hulpapparatuur ten gebruike bij de onderzoekingsprogramma's uitgevoerd door middel van de hierboven onder (i) bedoelde installaties;
- (iii). de gebouwen welke noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de hierboven onder (i) en (ii) bedoelde installaties en apparatuur, en voor het bestuur van haar andere functies.
- b. Het organiseren en stimuleren van internationale samenwerking op het gebied van kernfysisch onderzoek, met inbegrip van samenwerking buiten de Laboratoria. Deze samenwerking kan in het bijzonder betrekking hebben op:
- (i). werk op het gebied van de theoretische kernfysica;
- (ii). het bevorderen van contact tussen, en het uitwisselen van, wetenschappelijke onderzoekers, de verspreiding van inlichtingen en het verschaffen van de mogelijkheid voor wetenschappelijke onderzoekers hun kennis te verdiepen en hun beroepsvorming te voltooien;
- (iii). het samenwerken met, en het geven van advies aan, andere instellingen op het gebied van wetenschappelijk onderzoek;
- (iv). onderzoek op het gebied van kosmische straling.
De programma's van de Organisatie omvatten:
- a. Het programma dat op haar Laboratorium te Genève wordt uitgevoerd, waaronder begrepen een proton-synchrotron voor energieën boven tien Giga electron-Volt (1010 eV) en een synchrocyclotron voor energieën van 600 Mega electron-Volt (6 x 108 eV);
- b. Het programma voor de bouw en het doen functioneren van de aan het onder a hierboven genoemde proton-synchrotron verbonden kruisende opslagringen;
- c. Het programma voor de bouw en het doen functioneren van een Laboratorium dat mede een proton-synchroton voor energieën van omstreeks driehonderd Giga electron-Volt (3 x 1011 eV) omvat;
- d. Eventuele andere programma's voor zover die binnen het in lid 2 hierboven gestelde kunnen worden ingepast.
De in lid 3, onder c en d , bedoelde programma's dienen door de Raad, met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten, te worden goedgekeurd. Tegelijk met het geven van zijn goedkeuring, geeft de Raad een omschrijving van het programma; in deze omschrijving worden de administratieve, financiële en andere bepalingen genoemd die voor een juiste uitvoering van het programma van node zijn.
Elke wijziging in de omschrijving van een programma dient door de Raad, met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten, te worden goedgekeurd.
Tot het tijdstip waarop de in lid 3, onder c, hierboven, bedoelde versneller in bedrijf zal worden gesteld, welk tijdstip door de Raad, met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten, wordt vastgesteld, geldt het in dat lid, onder a, bedoelde programma als het basisprogramma van de Organisatie. Van bedoeld tijdstip af vormt het onder c bedoelde programma ook een onderdeel van het basisprogramma. De Raad kan, met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten, beslissen dat het onder a bedoelde programma niet langer een onderdeel vormt van het basisprogramma, tenzij een aan dit programma deelnemende Lidstaat tegenstemt.
De Laboratoria zullen op zo groot mogelijke schaal samenwerken met laboratoria en instellingen op het grondgebied van de Lidstaten binnen het kader van hun programma's.
Voor zover zulks in overeenstemming is met de doelstellingen van de Organisatie, trachten de Laboratoria dubbel werk te vermijden ten aanzien van de onderzoekingen welke in bedoelde laboratoria of instellingen worden verricht.
Artikel III. Voorwaarden voor het lidmaatschap
Staten welke partij zijn bij de in de Preambule van dit Verdrag bedoelde Overeenkomst van 15 februari 1952, of welke in geld of in natura hebben bijgedragen tot de bij die Overeenkomst ingestelde Raad en daadwerkelijk aan het werk van de Raad hebben deelgenomen, hebben het recht lid te worden van de Organisatie door partij te worden bij dit Verdrag in overeenstemming met de bepalingen van de artikelen XV, XVI en XVII.
- a. Andere Staten kunnen door de in artikel IV bedoelde Raad tot de Organisatie worden toegelaten krachtens een met eenparigheid van stemmen genomen beslissing van alle Lidstaten.
- b. Indien een Staat zich overeenkomstig de bepalingen van artikel III, lid 2 a, wenst aan te sluiten bij de Organisatie, doet die Staat daarvan mededeling aan de President van de Raad. Uiterlijk drie maanden vóór de behandeling van dit verzoek door de Raad, doet de President aan alle Lidstaten mededeling van de indiening van dit verzoek. De Staten welke door de Raad zijn aangenomen, kunnen lid worden van de Organisatie door overeenkomstig de bepalingen van artikel XVII toe te treden tot dit Verdrag.
Elke Lidstaat verstrekt de President van de Raad schriftelijk een opgave van de programma's waaraan hij wenst deel te nemen. Geen enkele Staat heeft het recht lid van de Organisatie te worden, of te blijven, indien hij niet aan ten minste één van de programma's die een onderdeel van het basisprogramma vormen, deelneemt.
De Raad kan, met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten, tegelijk met het tijdvak waarvoor ten minste aan enig programma moet worden deelgenomen, de grens vaststellen die de aan bedoeld programma gedurende dat tijdvak ten koste te leggen bedragen niet mogen overschrijden. Zijn dit tijdvak van deelneming en deze kostengrens aldus eenmaal vastgesteld, dan kan de Raad, met dezelfde meerderheid, zowel het een als de andere wijzigen, tenzij een aan dat programma deelnemende Lidstaat tegenstemt. Een Lidstaat kan, met inachtneming van een minimumtijdvak als hierboven bedoeld, de President van de Raad er te allen tijde schriftelijk van in kennis stellen dat hij zich uit een programma wil terugtrekken; zodanige uittreding gaat in aan het eind van het boekjaar volgend op dat waarin de uittreding is aangekondigd, of op een daarvoor door de Lidstaat voorgesteld later tijdstip.
In het geval dat een programma wordt beëindigd, is de Raad voor de afwikkeling daarvan verantwoordelijk, met inachtneming van eventuele overeenkomsten die de Lidstaten die aan dat programma deelnemen op dat ogenblik met elkaar kunnen aangaan, en tevens met inachtneming van de ter zake dienende voorwaarden van enige overeenkomst die van kracht is tussen de Organisatie en de Staten op wier grondgebied het programma wordt uitgevoerd. Een eventueel overschot wordt onder de Lidstaten die, op het ogenblik waarop het programma wordt beëindigd, daaraan deelnemen, verdeeld op basis van de door hen in verband met bedoeld programma betaalde bijdragen. Indien er een tekort is, dan wordt dit door dezelfde Lidstaten bijgepast, waarbij hun voor het dan lopende boekjaar vastgestelde bijdragen in verband met bedoeld programma, als verdeelsleutel worden aangehouden.
Ten aanzien van de werkzaamheden van de Organisatie bevorderen de Lidstaten de uitwisseling van personen en van ter zake dienende wetenschappelijke en technische inlichtingen, onder voorwaarde dat geen enkele bepaling van dit lid
- a. van invloed is op de toepassing op personen van de wetten en voorschriften van Lidstaten met betrekking tot het binnenkomen in, verblijf op of vertrek uit het grondgebied van de Lidstaten, of
- b. van enige Lidstaat eist het verstrekken of doen verstrekken van in zijn eigen bezit zijnde inlichtingen voor zover hij van mening is, dat een zodanige verstrekking strijdig zou zijn met de belangen van zijn veiligheid.
Artikel IV. Organen
De Organisatie bestaat uit een Raad en, voor elk der Laboratoria, een Directeur-Generaal, die wordt bijgestaan door een staf.
Artikel V. De Raad
Van iedere Staat welke lid is van de Organisatie hebben niet meer dan twee afgevaardigden zitting in de Raad; tijdens zittingen van de Raad kunnen deze afgevaardigden zich doen vergezellen van adviseurs.
Met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag zal de Raad
- a. het beleid van de Organisatie vaststellen in wetenschappelijke, technische en administratieve aangelegenheden;
- b. de programma's van de Organisatie goedkeuren;
- c. de hoofdstukken van de begroting die op de verschillende programma's betrekking hebben met een twee derde meerderheid van de vertegenwoordigde Staten die hun stem uitbrengen aannemen en de financiële regelingen van de Organisatie vaststellen in overeenstemming met het aan dit Verdrag gehechte Financieel Protocol;
- d. de uitgaven nagaan en de door accountants geverifieerde jaarstukken van de Organisatie goedkeuren en openbaar maken;
- e. beslissingen nemen ten aanzien van de samenstelling van het noodzakelijke personeel;
- f. een jaarverslag of jaarverslagen uitgeven;
- g. die bevoegdheden hebben en al die andere functies uitoefenen welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag.
De Raad komt minstens eenmaal per jaar bijeen en wel daar waar de Raad zelf zal beslissen.
Elke Staat welke lid is van de Organisatie brengt één stem uit in de Raad.
De beslissingen van de Raad worden genomen met een gewone meerderheid van stemmen van de Lidstaten welke vertegenwoordigd zijn en welke hun stem uitbrengen, behalve indien hieromtrent in dit Verdrag anders wordt bepaald.
Waar in dit Verdrag of in het daaraan gehechte Financiële Protocol wordt bepaald dat een bepaalde aangelegenheid met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten door de Raad dient te worden goedgekeurd, en indien deze aangelegenheid rechtstreeks met een bepaald programma verband houdt, dient deze meerderheid tevens een twee derde meerderheid van alle aan dat programma deelnemende Lidstaten te vertegenwoordigen.
Behalve wanneer in dit Verdrag of in het daaraan gehechte Financiële Protocol wordt bepaald dat voor een bepaalde aangelegenheid de met algemene stemmen verleende goedkeuring van de Raad is vereist of dat de bedoelde aangelegenheid de goedkeuring behoeft van een twee derde meerderheid van alle Lidstaten, heeft geen enkele Lidstaat het recht zijn stem uit te brengen met betrekking tot een aangelegenheid die binnen de krachtens artikel II door de Raad vastgestelde grenzen van een programma valt, wanneer hij niet aan dat programma deelneemt of indien de bedoelde aangelegenheid niet rechtstreeks verband houdt met een programma waaraan hij wel deelneemt.
Een Lidstaat heeft niet het recht zijn stem in de Raad uit te brengen, indien het bedrag van zijn achterstallige bijdragen aan de Organisatie hoger is dan het bedrag van de verschuldigde bijdragen voor het lopende boekjaar en het onmiddellijk daaraan voorafgaande boekjaar. Evenmin heeft hij het recht zijn stem in de Raad uit te brengen met betrekking tot een bepaald programma, indien het bedrag van zijn achterstallige bijdragen aan dat programma hoger is dan het bedrag van de verschuldigde bijdragen voor het lopende boekjaar en het onmiddellijk daaraan voorafgaande boekjaar. De Raad kan niettemin met een twee derde meerderheid van stemmen van alle Lidstaten beslissen dat een zodanige Staat zijn stem toch mag uitbrengen indien de Raad ervan overtuigd is dat de niet-betaling te wijten is aan omstandigheden waarop de betreffende Staat geen invloed kan uitoefenen.
Voor het in discussie brengen in de Raad van welke aangelegenheid ook is, om een quorum te kunnen vormen, de tegenwoordigheid van de afgevaardigden van een meerderheid van de Lidstaten, die gerechtigd moeten zijn ter zake van de desbetreffende aangelegenheid hun stem uit te brengen, noodzakelijk.
Met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag stelt de Raad zijn eigen huishoudelijk reglement vast.
De Raad kiest een President en twee Vice-Presidenten die een jaar in functie blijven en die ten hoogste bij twee opeenvolgende gelegenheden herkozen mogen worden.
De Raad roept, behalve een Commissie voor het Wetenschappelijk beleid en een Financiële Commissie, die andere hulporganen in het leven waaraan in het belang van de Organisatie, en met name met het oog op de uitvoering en coördinatie van haar verschillende programma's behoefte zou kunnen bestaan. De oprichting en de opdrachten van zodanige organen worden vastgesteld door de Raad met een twee derde meerderheid van stemmen van alle Lidstaten. Met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag en van het daaraan gehechte Financiële Protocol, stellen de bedoelde hulporganen hun eigen huishoudelijk reglement vast.
In afwachting van de nederlegging van de akten van bekrachtiging of van toetreding kunnen de in lid 1 van artikel III bedoelde Staten zich doen vertegenwoordigen op de bijeenkomsten van de Raad en deelnemen aan het werk van de Raad tot 31 december 1954. Dit recht omvat niet het stemrecht tenzij de betreffende Staat tot de Organisatie heeft bijgedragen in overeenstemming met de bepalingen van lid 1 van artikel 4 van het aan dit Verdrag gehechte Financieel Protocol.
Artikel VI. Directeuren-Generaal en personeel
- a. De Raad benoemt, met een twee derde meerderheid van stemmen van alle Lidstaten, voor elk der Laboratoria een Directeur-Generaal voor een vastgesteld tijdvak; de Raad kan, eveneens met een twee derde meerderheid van stemmen van alle Lidstaten, de Directeur-Generaal ontslaan. Met betrekking tot het onder zijn leiding staande Laboratorium, is elke Directeur-Generaal de voornaamste uitvoerende persoon van de Organisatie en de wettelijke vertegenwoordiger van de Organisatie. Met betrekking tot het financieel bestuur van de Organisatie handelt hij overeenkomstig de bepalingen van het aan dit Verdrag gehechte Financieel Protocol. De Raad kan, met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten, aan de Directeuren-Generaal, hetzij aan elk van hen afzonderlijk, hetzij hun tezamen, de bevoegdheid overdragen, in andere aangelegenheden namens de Organisatie op te treden. Elk der Directeuren-Generaal legt tevens een jaarverslag over aan de Raad en woont, zonder zelf stemrecht te hebben, alle vergaderingen van de Raad bij.
- b. Zowel bij het inwerkingtreden van dit Verdrag als bij een volgende vacature kan de Raad de benoeming van een Directeur-Generaal zolang uitstellen als de Raad nodig oordeelt. In een dergelijk geval benoemt de Raad een persoon om in de plaats van de Directeur-Generaal op te treden waarbij de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van een dergelijk persoon door de Raad worden vastgesteld.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.