Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor kernphysisch onderzoek

Type Verdrag
Publication 1971-01-17
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staten welke partij zijn bij dit Verdrag,

In aanmerking nemende de op 15 februari 1952 te Genève ter ondertekening opengestelde Overeenkomst houdende de instelling van een Raad van Vertegenwoordigers van Europese Staten ter bestudering van de plannen voor een internationaal laboratorium en de organisatie van andere vormen van samenwerking op het gebied van kernfysisch onderzoek;

In aanmerking nemende de op 30 juni 1953 te Parijs ondertekende Aanvullende Overeenkomst tot verlenging van genoemde Overeenkomst; en

Verlangende ingevolge lid 2 van artikel III van genoemde Overeenkomst van 15 februari 1952, een Verdrag te sluiten tot oprichting van een Europese Organisatie voor kernfysisch onderzoek, met inbegrip van de oprichting van een Internationaal Laboratorium voor de uitvoering van een overeengekomen programma van zuiver wetenschappelijk en fundamenteel onderzoek met betrekking tot deeltjes met grote energieën;

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel I. Oprichting van de Organisatie
1.

Hierbij wordt een Europese Organisatie voor kernfysisch onderzoek (hierna te noemen „de Organisatie”) opgericht.

2.

De Organisatie is gevestigd te Genève, tenzij de in artikel IV genoemde Raad op een later tijdstip met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten besluit de zetel van de Organisatie te verplaatsen naar de plaats waar een der andere in artikel II, lid 2, onder a bedoelde laboratoria is gevestigd.

Artikel II. Doelstellingen
1.

De Organisatie draagt zorg voor de samenwerking tussen de Europese Staten op het gebied van kernfysisch onderzoek van zuiver wetenschappelijke en fundamentele aard en onderzoekingen welke daar wezenlijk mee in verband staan. De Organisatie houdt zich niet bezig met werk voor militaire behoeften en de resultaten van haar proefondervindelijk en theoretisch werk worden gepubliceerd of op andere wijze voor iedereen toegankelijk gemaakt.

2.

Ten aanzien van de in lid 1 bedoelde samenwerking beperkt de Organisatie haar werkzaamheden tot de hieronder genoemde:

3.

De programma's van de Organisatie omvatten:

4.

De in lid 3, onder c en d , bedoelde programma's dienen door de Raad, met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten, te worden goedgekeurd. Tegelijk met het geven van zijn goedkeuring, geeft de Raad een omschrijving van het programma; in deze omschrijving worden de administratieve, financiële en andere bepalingen genoemd die voor een juiste uitvoering van het programma van node zijn.

5.

Elke wijziging in de omschrijving van een programma dient door de Raad, met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten, te worden goedgekeurd.

6.

Tot het tijdstip waarop de in lid 3, onder c, hierboven, bedoelde versneller in bedrijf zal worden gesteld, welk tijdstip door de Raad, met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten, wordt vastgesteld, geldt het in dat lid, onder a, bedoelde programma als het basisprogramma van de Organisatie. Van bedoeld tijdstip af vormt het onder c bedoelde programma ook een onderdeel van het basisprogramma. De Raad kan, met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten, beslissen dat het onder a bedoelde programma niet langer een onderdeel vormt van het basisprogramma, tenzij een aan dit programma deelnemende Lidstaat tegenstemt.

7.

De Laboratoria zullen op zo groot mogelijke schaal samenwerken met laboratoria en instellingen op het grondgebied van de Lidstaten binnen het kader van hun programma's.

Voor zover zulks in overeenstemming is met de doelstellingen van de Organisatie, trachten de Laboratoria dubbel werk te vermijden ten aanzien van de onderzoekingen welke in bedoelde laboratoria of instellingen worden verricht.

Artikel III. Voorwaarden voor het lidmaatschap
1.

Staten welke partij zijn bij de in de Preambule van dit Verdrag bedoelde Overeenkomst van 15 februari 1952, of welke in geld of in natura hebben bijgedragen tot de bij die Overeenkomst ingestelde Raad en daadwerkelijk aan het werk van de Raad hebben deelgenomen, hebben het recht lid te worden van de Organisatie door partij te worden bij dit Verdrag in overeenstemming met de bepalingen van de artikelen XV, XVI en XVII.

3.

Elke Lidstaat verstrekt de President van de Raad schriftelijk een opgave van de programma's waaraan hij wenst deel te nemen. Geen enkele Staat heeft het recht lid van de Organisatie te worden, of te blijven, indien hij niet aan ten minste één van de programma's die een onderdeel van het basisprogramma vormen, deelneemt.

4.

De Raad kan, met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten, tegelijk met het tijdvak waarvoor ten minste aan enig programma moet worden deelgenomen, de grens vaststellen die de aan bedoeld programma gedurende dat tijdvak ten koste te leggen bedragen niet mogen overschrijden. Zijn dit tijdvak van deelneming en deze kostengrens aldus eenmaal vastgesteld, dan kan de Raad, met dezelfde meerderheid, zowel het een als de andere wijzigen, tenzij een aan dat programma deelnemende Lidstaat tegenstemt. Een Lidstaat kan, met inachtneming van een minimumtijdvak als hierboven bedoeld, de President van de Raad er te allen tijde schriftelijk van in kennis stellen dat hij zich uit een programma wil terugtrekken; zodanige uittreding gaat in aan het eind van het boekjaar volgend op dat waarin de uittreding is aangekondigd, of op een daarvoor door de Lidstaat voorgesteld later tijdstip.

5.

In het geval dat een programma wordt beëindigd, is de Raad voor de afwikkeling daarvan verantwoordelijk, met inachtneming van eventuele overeenkomsten die de Lidstaten die aan dat programma deelnemen op dat ogenblik met elkaar kunnen aangaan, en tevens met inachtneming van de ter zake dienende voorwaarden van enige overeenkomst die van kracht is tussen de Organisatie en de Staten op wier grondgebied het programma wordt uitgevoerd. Een eventueel overschot wordt onder de Lidstaten die, op het ogenblik waarop het programma wordt beëindigd, daaraan deelnemen, verdeeld op basis van de door hen in verband met bedoeld programma betaalde bijdragen. Indien er een tekort is, dan wordt dit door dezelfde Lidstaten bijgepast, waarbij hun voor het dan lopende boekjaar vastgestelde bijdragen in verband met bedoeld programma, als verdeelsleutel worden aangehouden.

6.

Ten aanzien van de werkzaamheden van de Organisatie bevorderen de Lidstaten de uitwisseling van personen en van ter zake dienende wetenschappelijke en technische inlichtingen, onder voorwaarde dat geen enkele bepaling van dit lid

Artikel IV. Organen

De Organisatie bestaat uit een Raad en, voor elk der Laboratoria, een Directeur-Generaal, die wordt bijgestaan door een staf.

Artikel V. De Raad
1.

Van iedere Staat welke lid is van de Organisatie hebben niet meer dan twee afgevaardigden zitting in de Raad; tijdens zittingen van de Raad kunnen deze afgevaardigden zich doen vergezellen van adviseurs.

2.

Met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag zal de Raad

3.

De Raad komt minstens eenmaal per jaar bijeen en wel daar waar de Raad zelf zal beslissen.

4.

Elke Staat welke lid is van de Organisatie brengt één stem uit in de Raad.

5.

De beslissingen van de Raad worden genomen met een gewone meerderheid van stemmen van de Lidstaten welke vertegenwoordigd zijn en welke hun stem uitbrengen, behalve indien hieromtrent in dit Verdrag anders wordt bepaald.

6.

Waar in dit Verdrag of in het daaraan gehechte Financiële Protocol wordt bepaald dat een bepaalde aangelegenheid met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten door de Raad dient te worden goedgekeurd, en indien deze aangelegenheid rechtstreeks met een bepaald programma verband houdt, dient deze meerderheid tevens een twee derde meerderheid van alle aan dat programma deelnemende Lidstaten te vertegenwoordigen.

7.

Behalve wanneer in dit Verdrag of in het daaraan gehechte Financiële Protocol wordt bepaald dat voor een bepaalde aangelegenheid de met algemene stemmen verleende goedkeuring van de Raad is vereist of dat de bedoelde aangelegenheid de goedkeuring behoeft van een twee derde meerderheid van alle Lidstaten, heeft geen enkele Lidstaat het recht zijn stem uit te brengen met betrekking tot een aangelegenheid die binnen de krachtens artikel II door de Raad vastgestelde grenzen van een programma valt, wanneer hij niet aan dat programma deelneemt of indien de bedoelde aangelegenheid niet rechtstreeks verband houdt met een programma waaraan hij wel deelneemt.

8.

Een Lidstaat heeft niet het recht zijn stem in de Raad uit te brengen, indien het bedrag van zijn achterstallige bijdragen aan de Organisatie hoger is dan het bedrag van de verschuldigde bijdragen voor het lopende boekjaar en het onmiddellijk daaraan voorafgaande boekjaar. Evenmin heeft hij het recht zijn stem in de Raad uit te brengen met betrekking tot een bepaald programma, indien het bedrag van zijn achterstallige bijdragen aan dat programma hoger is dan het bedrag van de verschuldigde bijdragen voor het lopende boekjaar en het onmiddellijk daaraan voorafgaande boekjaar. De Raad kan niettemin met een twee derde meerderheid van stemmen van alle Lidstaten beslissen dat een zodanige Staat zijn stem toch mag uitbrengen indien de Raad ervan overtuigd is dat de niet-betaling te wijten is aan omstandigheden waarop de betreffende Staat geen invloed kan uitoefenen.

9.

Voor het in discussie brengen in de Raad van welke aangelegenheid ook is, om een quorum te kunnen vormen, de tegenwoordigheid van de afgevaardigden van een meerderheid van de Lidstaten, die gerechtigd moeten zijn ter zake van de desbetreffende aangelegenheid hun stem uit te brengen, noodzakelijk.

10.

Met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag stelt de Raad zijn eigen huishoudelijk reglement vast.

11.

De Raad kiest een President en twee Vice-Presidenten die een jaar in functie blijven en die ten hoogste bij twee opeenvolgende gelegenheden herkozen mogen worden.

12.

De Raad roept, behalve een Commissie voor het Wetenschappelijk beleid en een Financiële Commissie, die andere hulporganen in het leven waaraan in het belang van de Organisatie, en met name met het oog op de uitvoering en coördinatie van haar verschillende programma's behoefte zou kunnen bestaan. De oprichting en de opdrachten van zodanige organen worden vastgesteld door de Raad met een twee derde meerderheid van stemmen van alle Lidstaten. Met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag en van het daaraan gehechte Financiële Protocol, stellen de bedoelde hulporganen hun eigen huishoudelijk reglement vast.

13.

In afwachting van de nederlegging van de akten van bekrachtiging of van toetreding kunnen de in lid 1 van artikel III bedoelde Staten zich doen vertegenwoordigen op de bijeenkomsten van de Raad en deelnemen aan het werk van de Raad tot 31 december 1954. Dit recht omvat niet het stemrecht tenzij de betreffende Staat tot de Organisatie heeft bijgedragen in overeenstemming met de bepalingen van lid 1 van artikel 4 van het aan dit Verdrag gehechte Financieel Protocol.

Artikel VI. Directeuren-Generaal en personeel

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.