Protocol inzake het verbod of de beperking van het gebruik van mijnen, valstrikmijnen en andere mechanismen, zoals gewijzigd op 3 mei 1996 (Protocol II zoals gewijzigd op 3 mei 1996), gehecht aan het Verdrag inzake het verbod of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht kunnen worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidende werking te hebben

Type Verdrag
Publication 1999-09-25
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
ARTIKEL 1. : GEWIJZIGD PROTOCOL

Het Protocol inzake het verbod of de beperking van het gebruik van mijnen, valstrikmijnen en andere mechanismen (Protocol II), gehecht aan het Verdrag inzake het verbod of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht kunnen worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidende werking te hebben („het Verdrag”) wordt hierbij gewijzigd. De tekst van het gewijzigde Protocol luidt als volgt:

Artikel 1. Toepassingsgebied
1.

Dit Protocol heeft betrekking op het gebruik te land van de mijnen, valstrikmijnen en andere mechanismen die hieronder worden omschreven, met inbegrip van mijnen gelegd ter belemmering van de toegang tot stranden, overgangen van waterwegen of rivieren, maar is niet van toepassing op het gebruik van tegen schepen gerichte mijnen op zee of in de binnenwateren.

2.

Dit Protocol is behalve in de situaties bedoeld in artikel 1 van het Verdrag, van toepassing in de situaties bedoeld in artikel 3 van alle vier de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949. Dit Protocol is niet van toepassing in situaties van binnenlandse ongeregeldheden en spanningen, zoals rellen, op zichzelf staande en sporadische gewelddadigheden en andere soortgelijke daden die geen gewapende conflicten zijn.

3.

In geval van gewapende conflicten die geen internationaal karakter hebben en die zich voordoen op het grondgebied van een van de Hoge Verdragsluitende Partijen, is elke partij bij het conflict gehouden het bepaalde inzake de verboden en de beperkingen van dit Protocol toe te passen.

4.

Op geen enkele bepaling van dit Protocol kan een beroep worden gedaan voor het maken van inbreuk op de soevereiniteit van een staat of de verantwoordelijkheid van de regering om met alle wettelijke middelen de openbare orde in de staat te handhaven of te herstellen of de nationale eenheid en de territoriale integriteit van de staat te verdedigen.

5.

Op geen enkele bepaling van dit Protocol kan een beroep worden gedaan ter rechtvaardiging van directe of indirecte interventie, om welke reden dan ook, in het gewapend conflict of in de binnenlandse of buitenlandse aangelegenheden van de Hoge Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan dit conflict zich voordoet.

6.

Door de toepassing van de bepalingen van dit Protocol op partijen bij een conflict die geen Hoge Verdragsluitende Partijen zijn en die dit Protocol hebben aanvaard, wordt noch impliciet, noch expliciet hun juridische status of die van een betwist grondgebied gewijzigd.

Artikel 2. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder:

Artikel 3. Algemene beperkingen op het gebruik van mijnen, valstrikmijnen en andere mechanismen
1.

Dit artikel is van toepassing op:

2.

Elke Hoge Verdragsluitende Partij of partij bij een conflict is, overeenkomstig de bepalingen van dit Protocol, verantwoordelijk voor alle mijnen, valstrikmijnen en andere mechanismen die door haar worden gebruikt en verbindt zich ertoe deze te ruimen, te verwijderen, te vernietigen of te onderhouden zoals is bepaald in artikel 10 van dit Protocol.

3.

Het is onder alle omstandigheden verboden mijnen, valstrikmijnen of andere mechanismen te gebruiken die zijn ontworpen om overbodig letsel of onnodig leed te veroorzaken of die naar hun aard dergelijk letsel of leed kunnen veroorzaken.

4.

Wapens waarop dit artikel van toepassing is, moeten strikt voldoen aan de eisen en beperkingen die in de Technische Bijlage per categorie worden gesteld.

5.

Het is verboden mijnen, valstrikmijnen of andere mechanismen te gebruiken die zijn uitgerust met een mechanisme of toestel dat speciaal is ontworpen om de munitie te laten exploderen, zonder dat er contact is, onder invloed van het magnetisch veld of onder invloed van iets anders als gevolg van de aanwezigheid van een normaal verkrijgbare mijndetector, die gewoonlijk wordt gebruikt voor detectiewerkzaamheden.

6.

Het is verboden een zelfdeactiverende mijn te gebruiken die is uitgerust met een anti-hanteermechanisme en die op een zodanige wijze is ontworpen dat het anti-hanteermechanisme kan blijven functioneren wanneer de mijn zelf niet meer kan functioneren.

7.

Het is onder alle omstandigheden verboden wapens waarop dit artikel van toepassing is, offensief, defensief of bij wijze van represaille, te richten tegen de burgerbevolking als zodanig of tegen individuele burgers of burgerobjecten.

8.

Het niet-onderscheidend gebruik van wapens waarop dit artikel van toepassing is, is verboden. Niet-onderscheidend gebruik is iedere plaatsing van deze wapens:

9.

Verscheidene duidelijk gescheiden militaire doelen die zijn gesitueerd in een stad, dorp of ander gebied waarin zich een vergelijkbare concentratie burgers of burgerobjecten bevindt, kunnen niet als één militair doel worden beschouwd.

10.

Alle praktisch uitvoerbare voorzorgsmaatregelen dienen te worden genomen ter bescherming van burgers tegen de uitwerking van de wapens waarop dit artikel van toepassing is. Praktisch uitvoerbare voorzorgsmaatregelen zijn die voorzorgsmaatregelen die uitvoerbaar of praktisch mogelijk zijn, rekening houdend met alle omstandigheden van het moment, met inbegrip van humanitaire en militaire overwegingen. Deze omstandigheden zijn de volgende, waarbij echter geen sprake is van een limitatieve opsomming:

11.

Er dient op effectieve wijze een waarschuwing te worden gegeven vóór elke plaatsing van mijnen, valstrikmijnen en andere mechanismen die de burgerbevolking zouden kunnen treffen, tenzij de omstandigheden dat niet toelaten.

Artikel 4. Beperkingen op het gebruik van anti-personeelmijnen

Het is verboden anti-personeelmijnen te gebruiken die niet op te sporen zijn in de zin van punt 2 van de Technische Bijlage.

Artikel 5. Beperkingen op het gebruik van anti-personeelmijnen anders dan op afstand gelegde mijnen
1.

Dit artikel is van toepassing op anti-personeelmijnen anders dan op afstand gelegde mijnen.

2.

Het is verboden wapens te gebruiken waarop dit artikel van toepassing is en die niet voldoen aan de bepalingen inzake zelfvernietiging en zelfdeactivering in de Technische Bijlage, tenzij:

3.

Een partij bij een conflict wordt slechts ontheven van de verplichting te voldoen aan het bepaalde in het tweede lid, onder a) en b) van dit artikel indien zij daartoe wordt verhinderd omdat zij is gedwongen de zeggenschap over het gebied op te geven als gevolg van een vijandelijke militaire actie, of indien zij hiertoe niet in staat is vanwege een rechtstreekse vijandelijke militaire actie. Indien die partij weer de zeggenschap over dit gebied heeft, is zij opnieuw verplicht aan het bepaalde in het tweede lid onder a en b van dit artikel te voldoen.

4.

Indien de strijdkrachten van een partij bij een conflict de zeggenschap krijgen over een gebied waarin wapens waarop dit artikel van toepassing is zijn geplaatst, dienen zij, totdat deze wapens zijn geruimd, zo veel mogelijk, de in dit artikel vereiste beschermingsmiddelen te onderhouden en, indien nodig, aan te brengen.

5.

Alle uitvoerbare maatregelen dienen te worden genomen ter voorkoming van onbevoegde verwijdering, beschadiging, vernieling of achterhouding van een mechanisme, systeem of materialen gebruikt om de omtrek van een gebied te markeren.

6.

De wapens waarop dit artikel van toepassing is en die scherven wegslingeren in een horizontale boog van minder dan 90 graden en die op of boven de grond zijn geplaatst, mogen worden gebruikt zonder de maatregelen bedoeld in het tweede lid, onder a, van dit artikel, gedurende een periode van ten hoogste 72 uur, indien:

Artikel 6. Beperkingen op het gebruik van op afstand gelegde mijnen
1.

Het is verboden op afstand gelegde mijnen te gebruiken, tenzij zij zijn geregistreerd in overeenstemming met punt 1, onder b), van de Technische Bijlage.

2.

Het is verboden op afstand gelegde anti-personeelmijnen te gebruiken die niet voldoen aan de bepalingen inzake zelfvernietiging en zelfdeactivering in de Technische Bijlage.

3.

Het is verboden op afstand gelegde mijnen, anders dan antipersoneelmijnen, te gebruiken, tenzij deze, voor zover mogelijk, zijn uitgerust met een doeltreffend zelfvernietigings- of zelfneutraliseringsmechanisme en een aanvullende inrichting hebben voor zelfdeactivering die zodanig is ontworpen dat de mijnen niet langer als zodanig functioneren wanneer de mijnen niet langer het militaire doel dienen waarvoor zij zijn geplaatst.

4.

Er dient op doeltreffende wijze een waarschuwing te worden gegeven, voorafgaand aan het leggen of het afwerpen van op afstand gelegde mijnen die ook de burgerbevolking zouden kunnen treffen, tenzij de omstandigheden dit niet toelaten.

Artikel 7. Verbod van het gebruik van valstrikmijnen en andere mechanismen
1.

Onverminderd de bij gewapende conflicten toe te passen regels van het volkenrecht met betrekking tot bedrog en verraad, is het onder alle omstandigheden verboden valstrikmijnen en andere mechanismen te gebruiken die op enigerlei wijze zijn gehecht aan of verbonden met:

2.

Het is verboden valstrikmijnen of andere mechanismen te gebruiken in de vorm van kennelijk ongevaarlijke draagbare voorwerpen die speciaal zijn ontworpen en geproduceerd om explosief materiaal te bevatten.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.